Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1082

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
20-003751-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd', 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd' en 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan' tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003751-15

Uitspraak : 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 8 december 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-995035-15 en 01-995040-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte in de zaak met parketnummer 01-995035-15 ter zake van ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan’ (feit 2) en in de zaak met parketnummer 01-995040-15 ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Van het ten laste gelegde in parketnummer 01-995035-15 onder feit 1, voor zover dat ziet op – kort gezegd – de verkoop van beschermde inheemse vogels aan vier afnemers/kopers is de verdachte vrijgesproken. Bij voormeld vonnis zijn de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en veroordeeld in de kosten van de verdachte, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit van parketnummer 01-995035-15 voor zover dat ziet op het kopen, verwerven, ten verkoop voorhanden hebben, in voorraad hebben, het verkopen of ten verkoop aanbieden en/of het afleveren van beschermde inheemse vogels aan [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen deze vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep zijn de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn om die reden niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

De benadeelde partij [betrokkene 3] is in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard maar heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Omdat deze vordering betrekking heeft op een feit waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken en deze vrijspraak niet aan het oordeel van het hof is onderworpen, is deze vordering evenmin aan het oordeel van het hof onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie en zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de advocaat-generaal primair gevorderd dat deze zullen worden verbeurd verklaard en subsidiair, indien het hof van oordeel is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang, gevorderd dat de in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De verdediging heeft – kort gezegd – primair bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige economische kamer van de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 01-995035-15:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1] (in de [gemeente 1] ) en/of te [plaats 2] (in de [gemeente 2] ) en/of te [plaats 3] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 4] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 5] (in de [gemeente 4] ), althans een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk,

* een (groot) aantal dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, waaronder (een) hoeveelhe(i)d(en) (levende) appelvinken en/of goudvinken en/of heggemussen en/of putters en/of sijzen en/of barmsijzen en/of kepen en/of geelgorzen

- heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of

- heeft verkocht of ten verkoop heeft aangeboden en/of afgeleverd aan een (groot) aantal afnemers/kopers, waaronder [betrokkene 5] en/of

- voor commercieel gewin heeft gebruikt en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland gebracht en/of onder zich heeft gehad en/of

* een aantal dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, waaronder 1 groenling, onder zich heeft gehad en/of

* een of meer producten van (een) diere(en), behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 dode goudvink, onder zich heeft gehad;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1] (in de [gemeente 1] ) en/of te [plaats 2] (in de [gemeente 2] ) en/of te [plaats 3] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 4] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 5] (in de [gemeente 4] ), althans een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer appelvinken en/of goudvinken en/of heggemussen en/of putters en/of sijzen en/of barmsijzen en/of kepen en/of geelgorzen en/of groenlingen en/of vinken, in elk geval vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of doen of laten vangen en/of bemachtigd en/of doen of laten bemachtigen en/of met het oog daarop opgespoord en/of doen of laten opsporen;

In de zaak met parketnummer 01-995040-15 (gevoegd):

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te [plaats 6] , in de [gemeente 1] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk één vogel, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten één putter (Carduelis carduelis), onder zich heeft gehad en/of heeft vervoerd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 01-995040-15 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 op een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland opzettelijk

* een aantal dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, waaronder (levende) goudvinken en een keep heeft verkocht en/of afgeleverd aan een afnemer/koper en/of binnen het grondgebied van Nederland gebracht en

* een dier, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 groenling, onder zich heeft gehad en

* een product van een dier, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 dode goudvink, onder zich heeft gehad;

2.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 op een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland opzettelijk goudvinken en een keep en een vink, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen;

In de zaak met parketnummer 01-995040-15 (gevoegd):

hij op 28 augustus 2014 in Nederland opzettelijk één vogel, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten één putter (Carduelis carduelis), onder zich heeft gehad en heeft vervoerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummer 01-995035-15:

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Limburg, Team Milieu, [onderzoek] , [onderzoeksnummer] , [proces-verbaalnummer] , afgesloten d.d. 11 september 2014.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 bewezen verklaarde heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2014 (pg. 87-88), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

(pagina 87)
Op 25 februari 2014 werden in het kader van het strafrechtelijke [onderzoek] verschillende locaties in Noord-Limburg bezocht. Na aanbellen werden de inspecteur van politie [inspecteur] , tevens hulpofficier van justitie, en ik, verbalisant, de woning binnengelaten op 25 februari 2014. In de woning was aanwezig:

[verdachte]

Geboren op : [geboortedatum]

Geboren te : [geboorteplaats]

(pagina 88)

Op het betreffende perceel werden een levende en een dode vogel aangetroffen. Deze werden in de tuin respectievelijk in een van de woning losstaande schuur aan de achterzijde van het perceel aangetroffen.

2. De kennisgeving van inbeslagneming (artikel 18 lid 1 Wet op de economische delicten) met datum registratie 28 februari 2014 (pg. 98-100), voor zover inhoudende:

(pagina 98)

Inbeslagneming

Plaats : [adres]

Datum : 25 februari 2014

Beslagene

[verdachte]

Geboren : [geboortedatum]

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

(pagina 99)

Volgnummer 2

Object : Wild (gevogelte)
Bijzonderheden : Goudvink (Pyrrhula pyrrhula) – kadaver

Volgnummer 3

Object : Wild (gevogelte)
Bijzonderheden : Groenling (Chloris chloris, het hof begrijpt: Carduelis chloris) –
levend

3. Het proces-verbaal van bevindingen “Onderzoek in beslag genomen vogels” d.d. 21 maart 2014 (pg. 668-681), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

(pagina 668)

Onderzoek en inbeslagname:

Op 25 februari 2014 werden in het kader van het strafrechtelijk [onderzoek] onder de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , vanwege het vermoedelijk handelen in strijd met artikel 13, lid 1 onder a van de Flora- en faunawet, de navolgende beschermde inheemse diersoorten in beslag genomen:

  • -

    1 dode goudvink klein (Pyrrhula pyrrhula)

  • -

    1 groenling (Carduelis chloris).

Op 27 februari 2014 werden door ons, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , de vogels gedetermineerd en werden de ringen om de poten van die vogels door ons nader onderzocht. Hierbij werd door ons speciaal gelet op, of de aangebrachte pootring voldeed aan de eisen op basis van het gestelde overeenkomstig de Flora- en faunawet.

(pagina 669)

Bevindingen onderzoek:

Op basis van het door ons, verbalisanten, ingestelde onderzoek bleek ons het navolgende:

Vogel 1:

Soort Ned. naam : Goudvink man Latijnse naam : Pyrrhula pyrrhula

Jaartal ring : 2013 Kleur ring : zwart

Bond : AB Kweek nr. : [kweeknummer 1]
Volg nr. : 898 Land : NL

Opmerking verbalisanten:

Deze vogel bleek reeds te zijn overleden toen deze onder de verdachte in beslag werd genomen.

Wij, verbalisanten, zagen en stelden vast dat:

(pagina 670)

  • -

    deze vogel een volwassen exemplaar goudvink man betrof, zijnde een product van een dier behorende tot een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, lid 1 onder b, van de Flora- en faunawet;

  • -

    de onderzochte bovengenoemd vogel een pootring droeg;

  • -

    die zwart gekleurde pootring was voorzien van het jaartal 2013 en de kenmerken AB, [kweeknummer 1] , 898, NL;

  • -

    die pootring van de poot kon worden verwijderd zonder de poot te beschadigen;

  • -

    dat die ring, nadat deze van de poot was verwijderd, werktuigsporen vertoonde en niet cilindrisch was;

  • -

    de bovenzijde van die ring niet recht was;

  • -

    op de ring craquelé vorming en diverse krassen aanwezig waren;

  • -

    die pootring, voorzien van het [kweeknummer 1] en volgnummer 898, was opgerekt ten einde de binnendiameter van die ring te vergroten.

  • -

    deze pootring niet voldeed aan de eisen voor een pootring overeenkomstig artikel 1 onder e van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

(pagina 676)
Vogel 3:

Soort Ned. naam : Groenling man Latijnse naam : Carduelis chloris

Wij, verbalisanten, zagen en stelden vast dat:

  • -

    deze vogel een volwassen exemplaar groenling betrof, zijnde een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, lid 1 onder b, van de Flora- en faunawet;

  • -

    deze vogel, een groenling, Latijnse naam Carduelis chloris, niet was voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 1 onder e, Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens.

4. Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 10 april 2014 (pg. 455-468), voor zover inhoudende als weergave van het derde verhoor van [medeverdachte 1] :

(pagina 455)

V = Vraag verbalisanten

A = Antwoord verdachte

O = Opmerking

(pagina 467)

[verdachte]

V: Bij de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te
[adres] is op 25 februari 2014 eveneens een onderzoek
ingesteld. Kent u de [verdachte] ?

A: Ja.

V: Wat is uw relatie met hem?

A: Hij is klant van mij en ik van hem.

O: Bij de [verdachte] is een (dode) goudvink in beslag genomen die een pootring
droeg, te weten:

Soort Ned. naam : Goudvink man Latijnse naam : Pyrrhula pyrrhula

Jaartal ring : 2013 Kleur ring : zwart

Bond : AB Kweek nr. : [kweeknummer 1]
Volg nr. : 898 Land : NL

O: De getoonde foto’s komen uit het proces-verbaal onderzoek ringen [verdachte] ,
genummerd IBN.006.

V: De vogel had een pootring afgegeven aan de AB (Algemene Bond),
[kweeknummer 1] en volgnummer 889. Betreft dit een pootring die aan u is
afgegeven?

A: Ja dat is inderdaad een ring die aan mij is afgegeven. Ik zie dat er met die ring
geknoeid is.

V: Uit het onderzoek aan deze vaste pootring bleek dat die pootring, zonder deze te
beschadigen, van de poot van deze goudvink af kon worden geschoven. Hoe kan u
dit verklaren?

A: Die zal wel opgerekt zijn geweest, in ieder geval zie ik dat het een ring is waarmee
geknoeid is.

V: Voorts bleek deze pootring ook werktuigsporen te bevatten. Hoe kan u deze
verklaren?

A: Ik zie die sporen ook op de pootring.

5. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten tapregistratie 0050 (pg. 1065-1066), voor zover inhoudende:

(pagina 1065)

Tijdstip: 10-01-14 16:57:36
Met nummer: [telefoonnummer]

Tenaamstelling: [naam 1] , [adres]

Beller: [verdachte]

Gebelde: [medeverdachte 1]

Onderwerp: 0050 VANGEN VAN VOGELS

[verdachte] belt in met [medeverdachte 1] .

H is [verdachte] .

J is [medeverdachte 1] .

J: [medeverdachte 1] .

H: Ja met [verdachte] [medeverdachte 1] ..

(..)

H: Ja.. Ik zit.. ik zich achter die golden aan jong. Een paar mannen heb ik al weer eh..
maar de verkeerde kleur komt iedere keer.

J: Oh ja.. want wij hebben jou al honderdvijftig keer gebeld van de week.

(..)

(pagina 1066)

H: Nou… ik heb mijn telefoon hier in mijn zak.. en ik die heb ik de hele dag bij mij..
en dan zit ik wel op het Duits.

(..)
H: Ik weet er een dertig te zitten..
J: Ja..
H: Maar dat is zeg maar twintig mannen en en uh.. tien poppen..
J: Dat geeft niks.

H: Vandaag hadden we twee mannen maar uh.. Ja morgen vroeg er weer heen
natuurlijk..
J: Ja.. had jij die groene ook al te pakken of niet?

H: Nee, ik heb hem.

(..)
H: Ik kom morgenmiddag wel. Dus dan zal ik er alvast een brengen, dan kan jij die
zondag meenemen..

J: Ja..

(..)
H: Maar in ieder geval twee heb ik er al zeker.

J: Ja.. nou dan breng maar mee dat is goed.

(..)
H: Ik ben morgen rond een uur of drie wel bij je.
J: Dat is goed.

6. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten tapregistratie 0220 (pg. 1076-1078), voor zover inhoudende:

(pagina 1076)

Tijdstip: 30-01-2014 17:42:31
Met nummer: [telefoonnummer]

Tenaamstelling: [adres]

Beller: [verdachte]

Gebelde: [medeverdachte 1]

Onderwerp: 0220 [verdachte] HEEFT WILDVANG VOOR [medeverdachte 1] MORGEN

(pagina 1077)

[verdachte] belt in met [medeverdachte 1] en biedt hem vogels aan.

H is [verdachte] .

J is [medeverdachte 1] .

J: [medeverdachte 1] ?

H: Met [verdachte] [medeverdachte 1] .

(..)

H: Ik heb een koppel goudvinken voor jou.

J: Nou, dat is heel mooi.

H: Ik had vandaag een drie poppen.. en ene man, en hoe heet het en ik heb een man
keep voor jou..
(..)
H: In ieder geval heb ik.. al een koppel voor jou..
J: Ja..

H: En een man keep en een hele mooie man boekvink..

J: Ja nou, dat is goed.

(..)

H: .. dus kom ik morgen een beetje later in de middag.. een uur of vier denk ik..

J: Eh.. ja dat is goed.

(..)
H: Ik laat morgen sowieso iets horen of er nog iets bij is gekomen..

J: Ja anders kom morgenmiddag gewoon en breng die koppel maar mee en dan komt
het goed.

H: Ja maar die moet moet ik wel allemaal.. efkes.. doen, dat weet je wel..

J: Ja ja dat maakt niet uit.

(pagina 1078)
H: Ja.. ik ben vaker gaan kijken.. want vandaag had ik er nog een om half vijf.

J: Ja?

H: Ja weet je wel eh eh.. ik was vanmorgen vroeg daar binnen een kwartier toen had ik
een koppel, en twee heuren (fon) en een pop en om half vijf nog ene..

(..)

H: Ja, maar, kijk, ik zit daar om den hoek. Eh.. ja.. dat.. ik zit op d’n Duits en ik zit in
een hoek, ja, eh.. zondag komt daar een hoop volk heen..

(..)
H: In ieder geval ge kunt alvast daarmet adverteren.

J: Ja, nee da ga ik pas doen als ze klaar zin.

H: Oh zo. Ja. Ge hebt morgen iets.

J: Is goed.

7. Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 11 april 2014 (pg. 469-483), voor zover inhoudende als weergave van het vierde verhoor van [medeverdachte 1] :

(pagina 469)

V = Vraag verbalisanten

A = Antwoord verdachte

O = Opmerking

(pagina 470)

V: Klopt het dat u het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik heeft?

A: Ja.

(pagina 476)

Tapgesprekken met [verdachte]

O: We laten u een gespreksopname horen, tapregistratie 0050, d.d. 10/01/2014 te
16.57.36 uur. In deze opname wordt bij u in gebeld door een man genaamd [verdachte]
met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

V: Volgens onze gegevens is deze man [verdachte] . Klopt dit?

A: Ja daar kan ik weinig op ontkennen he.

V: Klopt het dat het gesprek tussen u en [verdachte] gaat?

A: Ja.

V: Kunt u ons uitleggen waar dit gesprek over gaat?

A: Ja vanuit mijn kant gaat het gesprek over de handel in vogels en vanuit zijn kant
gaat het over vangen.

V: Naar onze mening zit [verdachte] achter de goudvinken aan. U heeft hem
gebeld maar kreeg hem niet te pakken omdat [verdachte] in Duitsland zat en bezig was met het vangen van vogels. Klopt dat voor zover?

A: Ja dit klopt.

V: Het gesprek gaat dan verder met: [verdachte] weet er 30 te zitten, 20 mannen en 10
poppen. [verdachte] zegt dan: “Vandaag hadden we twee mannen maar uh.. Ja morgen
vroeg er weer heen natuurlijk”. [verdachte] stelt dan aan u voor dat hij ze zaterdagmiddag
naar u komt brengen, zodat u ze zondag mee kan nemen naar de markt. Is dat juist?

A: Ja dat klopt ook.

V: Het gesprek gaat verder, u antwoordt dan: “Ja, ja maar misschien heb jij er dan wel
meer”. [verdachte] zegt dan dat hij er in ieder geval twee voor u heeft en u stelt voor dat
hij ze moet meebrengen. Met andere woorden: u weet dat [verdachte] bezig is met vangen
van vogels in Duitsland en u wilt in ieder geval al die twee mannen van hem hebben
maar misschien heeft hij er zaterdag wel meer voor u. Klopt deze uitleg van dit
gesprek?

A: Ja dat denk ik wel he, dat staat in ieder geval ook zo op de band.

(pagina 477)

O: We laten u een gespreksopname horen, tapregistratie 0220, d.d. 30/01/2014 te
17.42.31 uur. In deze opname wordt bij u in gebeld door een man genaamd [verdachte]
met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

V: Klopt het dat het gesprek tussen u en [verdachte] gaat?

A: Ja dat klopt.

V: Kunt u ons uitleggen waar dit gesprek over gaat?

A: Dat ging er over dat ik van [verdachte] een paar vogels kon kopen. Dat waren een koppel
goudvinken ja. Verder nog een keepman en een boekvinkman. Het ging ook nog
over het vangen van vogels.

V: Verder zegt [verdachte] dat hij een keepman en een heel mooie boekvink man voor u heeft
en dat hij morgen weer gaat vangen omdat het goed weer is. Klopt onze indruk van
het gesprek?

A: Ja dat heb ik ook gehoord ja.

V: In het tweede gedeelte van het gesprek vraagt u aan [verdachte] of hij morgenmiddag kan
komen en het koppel mee moet nemen. [verdachte] zegt dan: “Ja maar die moet ik wel
allemaal.. efkes.. doen, dat weet je wel..”. U zegt dan: “Ja, ja dat maakt niet uit”.
Wat bedoelt [verdachte] hiermee? Wat moet hij doen?

A: Ja wat daarmee bedoeld wordt.. ja, hoe moet ik het zeggen.. dat gaat over de
trouwringen.

V: U bedoelt de pootringen?

A: Ja zo kan je ze ook noemen.

V: Dan zegt [verdachte] aan het einde van het gesprek nog: “In ieder geval ge kunt alvast
daar met adverteren”, waarop u antwoordt: “Ja, nee da ga ik pas doen als ze klaar
zin”. Bedoelde u hiermee te zeggen dat de vogels eerst geringd en geacclimatiseerd
moeten zijn voordat u ze mee naar de markt kan nemen?

A: Ja dat bedoel ik daarmee.

8. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof d.d. 10 december 2018 (pg. 3):

Het klopt dat ik vogels van Duitsland naar Nederland bracht.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 01-995040-15 (gevoegd):

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, district Maas en Leijgraaf, D3 – Team Boxmeer, [registratienummer] , afgesloten d.d. 9 september 2014, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 31.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-995040-15 bewezen verklaarde heeft begaan.

1. De kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) met datum registratie 28 augustus 2014 (pg. 3-4), voor zover inhoudende:

(pagina 3)

Inbeslagneming

Plaats : [plaats 7]

Datum : 28 augustus 2014

Omstandigheden : Vogel werd in de loper achter in de auto aangetroffen.

Beslagene

[verdachte]

Geboren : [geboortedatum]

Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland

Volgnummer 1

Object : Vogel

Merk/type : Putter

Kleur : Bruin

Eigenaar : [verdachte]

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2014 (pg. 9-11), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

(pagina 9)

Op 28 augustus 2014 omstreeks 12.15 uur waren wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doende met algemene surveillance binnen ons bewakingsgebied Maas en Leijgraaf, teamgebied Boxmeer.

(pagina 10)
Omstreeks 13.30 uur namen wij post in op de [weg] . Wij zagen dat een witte Opel Combo, voorzien van [kenteken] , op de [weg] reed. We zagen dat dit voertuig vanuit de richting [plaats 6] richting [plaats 7] reed. Wij reden hierop het voertuig achterna. Wij zagen dat het voertuig de [weg] richting [plaats 8] opreed. Wij volgden het voertuig en ter hoogte van de rotonde met de [weg] gaven wij het voertuig met [kenteken] een stopteken door middel van de lichtbak die op ons opvallende dienstvoertuig bevestigd zit. Dit stopteken gaven wij op basis van de Flora- en faunawet.

Wij zagen dat het voertuig dat wij een stopteken gaven op de rotonde de eerste afslag nam en direct linksaf op de [weg] stopte. Wij zagen dat de man uitstapte aan de bestuurderszijde. Wij herkenden deze man als de man die zich eerder voorstelde als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Wij zagen dat de noodhulp eenheid met collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ter plaatse kwam. Wij hoorden dat collega [verbalisant 7] vroeg of hij in het voertuig mocht kijken. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat dat mocht. Wij zagen dat [verdachte] in de laadruimte van het voertuig stapte en alle voorwerpen toonde die hij in de laadruimte had liggen. Zo toonde hij ons een emmer, een vogelkistje en een kleed. Wij zagen dat het kleed enkele verhogingen had. Wij hoorden dat collega [verbalisant 6] vroeg wat er onder het kleed lag. Wij zagen dat [verdachte] ons nog twee houten vogelkistjes toonde. Wij hoorden dat collega [verbalisant 6] vroeg of [verdachte] de kistjes wilde openen.

(pagina 11)
Wij hoorden collega [verbalisant 6] vragen: “Hoe komt u daar aan?”. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij de vogel had gekocht. Daarop zei collega [verbalisant 6] : “Maar hij is niet geringd”. Omstreeks 14.00 uur hoorden wij collega [verbalisant 6] zeggen dat [verdachte] werd aangehouden op basis van de Flora- en faunwetgeving. Wij zagen dat [verdachte] het voertuig afsloot.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2014 (pg. 12-14), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 7] en [verbalisant 6] :

(pagina 12)
Op 28 augustus 2014 waren wij, [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , belast met een surveillancedienst in het teamgebied Boxmeer.

(pagina 13)

Omstreeks 13.50 uur hoorden wij, [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , dat de collega’s van de [nummer] aangaven dat de personenauto, merk Opel, type Combo, voorzien van het [kenteken] , op de [weg] reed in de richting van [plaats 8] . Hierop zijn wij naar de [weg] gereden in de richting van [plaats 8] .

Wij hoorden van de collega’s van de [nummer] dat ze de genoemde personenauto een stopteken hadden gegeven op de Rijksweg in [plaats 7] . Wij zagen vervolgens dat de collega’s van de [nummer] bij de rotonde stonden op de kruising van de [weg] en de Rijksweg. Ik, verbalisant [verbalisant 7] , vroeg aan de manspersoon of wij achter in zijn personenauto mochten kijken. Wij, verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , zagen dat de genoemde manspersoon de achterdeuren van zijn personenauto openmaakte en in de laadruimte ging zitten. Wij zagen dat de manspersoon een vogelkooi uit de laadruimte haalde en deze aan ons liet zien.

(pagina 14)
Wij zagen dat deze vogelkooi leeg was. Wij zagen dat de genoemde manspersoon diverse goederen uit zijn auto haalde en deze aan ons liet zien. Ik, [verbalisant 7] , vroeg daarop aan de manspersoon wat er onder het kleed lag in de laadruimte van het genoemde voertuig. Ik zag dat de manspersoon een vogelkooi pakte welke onder een deken lag in de laadruimte van het genoemde voertuig.

Wij, [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , zagen dat in de vogelkooi 1 vogel zat welke niet geringd was. Ik, [verbalisant 6] , zag dat de vogel een putter betrof. Hierop is de manspersoon aangehouden ter zake de Flora- en faunawet.

4. Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 28 augustus 2014 (pg. 24-25), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(pagina 24)

Vandaag, 28 augustus 2014, omstreeks 11.30 uur, heb ik een vogeltje opgehaald. Deze vogel heb ik opgehaald in Boxmeer. Deze vogel betrof een putter, oftewel Gardulus Gardulus (het hof begrijpt: Carduelis carduelis, zie ook pagina 7 bovenaan). Met ophalen bedoel ik dat ik hem heb opgehaald. Deze vogel is eigendom van mij.

Ik had een putter achter in de auto liggen. De auto die ik bij mij had, betrof een witte Opel Combo. Ik weet dat een putter een inheemse beschermde diersoort is. De putter die bij mij achter in de laadruimte zat, vervoerde ik in een vervoerskooi. Deze vogel is mijn eigendom, ik heb hem vervoerd om naar huis te brengen.

Bewijsoverwegingen

Wet- en regelgeving

Op grond van artikel 13, eerste lid aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet (hierna mede: Ffw), zoals dit luidde ten tijde van het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 01-995040-15 bewezen verklaarde en voor zover hier van belang, is het verboden dieren en producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort te verkopen, vervoeren, af te leveren, binnen het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Op grond van artikel 9 Ffw, zoals dit luidde ten tijde van het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 2 bewezen verklaarde en voor zover hier van belang, is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te vangen.

Artikel 1 Ffw bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een beschermde inheemse diersoort wordt verstaan een diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Ffw.

Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Ffw bepaalt dat als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt: alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

In de Staatscourant van 13 november 2001, nr. 220 en 28 maart 2013, nr. 8498 is de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten (2013) (hierna telkens: Bekendmaking) gepubliceerd. Volgens artikel 1 van de Bekendmaking zijn in bijlage 2 bij de Bekendmaking opgenomen de van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels aangewezen in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Ffw.

De goudvink (Pyrrhula pyrrhula), de keep (Fringilla montifringilla), de groenling (Carduelis chloris), de vink (Fringilla coelebs) en de putter (Carduelis carduelis) staan vermeld in bijlage 2 bij die Bekendmaking. Deze vogels zijn niet aangewezen als vogelsoorten waarvan gedomesticeerde vogels niet worden aangemerkt als een beschermde inheemse diersoort. Gelet op de vermelding van voormelde vogels in bijlage 2 van de Bekendmaking als zijnde vogelsoorten die van nature op het Europees grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomen, acht het hof bewezen dat de vogels behoren tot een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in de Ffw.

Onrechtmatige doorzoeking

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de vogels en andere goederen die zijn aangetroffen bij een onrechtmatige doorzoeking van de woning van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs, stelt het hof vast dat de in de woning aangetroffen vogels en goederen niet zijn opgenomen in de tenlastelegging. De groenling en de dode goudvink zijn niet aangetroffen in de woning, maar in de tuin respectievelijk in een van de woning losstaande schuur aan de achterzijde van het perceel (pagina’s 87-88 en 98-100) en zijn daarom geen vruchten van een eventuele onrechtmatige doorzoeking van de woning. In zoverre wordt het verweer verworpen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – in aanvulling op het verweer zoals gevoerd in eerste aanleg – bepleit dat ook de in de schuur (het hof begrijpt: en de tuin) aangetroffen vogels als vrucht van een onrechtmatige doorzoeking van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) – zoals dit luidde ten tijde van de doorzoeking en voor zover hier van belang – wordt als economisch delict aangemerkt overtredingen van voorschriften, gesteld of krachtens artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Artikel 20 van de WED bepaalt dat de opsporingsambtenaren in het belang van de opsporing toegang hebben tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Voorts zijn de opsporingsambtenaren ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de WED in het belang van de opsporing bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen daartoe de uitlevering vorderen. Het hof is van oordeel dat het verkrijgen van toegang tot de tuin en de schuur en de inbeslagneming van de daar aangetroffen groenling respectievelijk dode goudvink redelijkerwijs voor de vervulling van de taak van de opsporingsambtenaar, te weten het opsporen van een overtreding gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, nodig was. Om die reden ziet het hof geen aanleiding de inbeslaggenomen groenling en dode goudvink uit te sluiten van het bewijs. Het hof verwerpt het verweer.

Verklaringen van de verdachte

Ten aanzien van de inhoud van de tapgesprekken heeft de verdachte – eerst ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 november 2015 (pg. 5 e.v. van het proces-verbaal) en in aansluiting op hetgeen [medeverdachte 1] die op die terechtzitting als getuige in de zaak van verdachte is gehoord, en zijn raadsman naar voren hebben gebracht (pg. 3-4 van dat proces-verbaal) – verklaard dat hij samen met vier kennissen in Duitsland een volière van 80 meter bij 17,5 meter van een overleden man heeft opgeruimd en hij daartoe eerst vele vogels heeft moeten vangen, die hij vervolgens samen met de andere vogelvangers zelf mocht behouden.

Het hof acht deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk. De verdachte heeft deze verklaring pas ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd en heeft niet eerder over het afbreken en opruimen van een volière verklaard. Voorts heeft hij zich ter terechtzitting in eerste aanleg niet uitgelaten over de personalia van de man die zou zijn overleden noch die van zijn achtergebleven echtgenote en evenmin over de plaats waar deze zeer grote volière zou hebben gestaan, zodat zijn verklaring op geen enkele wijze is te verifiëren. De verdachte heeft slechts verklaard dat een van de kennissen [naam 2] heet. [medeverdachte 1] is ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij van meerdere andere personen had vernomen dat zij de verdachte daarbij hebben geholpen, maar dat hij zo niet weet wie dat waren. In hoger beroep zijn bij monde van de raadsman de voor- en achternaam van de overleden eigenaar van de volière en de straat- en plaatsnaam waar de volière zou hebben gestaan naar voren gebracht. Nu de eigenaar van de volière reeds was overleden en de raadsman naar voren heeft gebracht dat zijn echtgenote inmiddels ook is overleden, terwijl de verdediging evenmin gegevens of verklaringen heeft verstrekt van de personen met wie de verdachte de volière zou hebben opgeruimd, wordt de verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde gesteld. Het hof weegt daarbij eveneens mee dat de verklaring van de verdachte wordt weerlegd door de verklaringen van [medeverdachte 1] . Derhalve hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte omtrent de mogelijke legale vangst van de vogels.

Het hof bezigt wel voor het bewijs het deel van de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof van 10 december 2018, inhoudende: “Het klopt dat ik vogels van Duitsland naar Nederland bracht”. Dit gedeelte acht het hof betrouwbaar nu dit deel steun vindt in tapgesprekken (bewijsmiddelen 5 en 6 met betrekking tot parketnummer 01-995035-15) en de verklaring die [medeverdachte 1] als verdachte in zijn vierde verhoor bij de politie heeft afgelegd (bewijsmiddel 7 met betrekking tot parketnummer 01-995035-15).

Verklaringen van [medeverdachte 1]

Het hof bezigt de verklaringen van [medeverdachte 1] zoals afgelegd in zijn derde en vierde verhoor bij de politie op 10 en 11 april 2014 voor het bewijs. De verdediging in de gelijktijdig behandelde, maar niet gevoegde zaak tegen [medeverdachte 1] met parketnummer 20-003870-15 heeft betoogd dat er terughoudendheid dient te worden betracht bij het gebruik van de verklaringen van voornoemde [medeverdachte 1] als bewijs en dat die verklaringen uiterst kritisch moeten worden bekeken, gelet op de omstandigheden waaronder die verklaringen zijn afgelegd. De verdediging heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat [medeverdachte 1] uit zichzelf niets heeft verklaard, maar steeds heeft verklaard naar aanleiding van vragen van de verbalisanten.

Het hof is daarentegen van oordeel dat van ontoelaatbare druk tijdens de verhoren niet is gebleken. In zijn derde verhoor op 10 april 2014 heeft [medeverdachte 1] op de vraag van de verbalisanten hoe hij kan verklaren dat op een vaste pootring grove werktuigsporen zijn aangetroffen, geantwoord dat hij nu het hele verhaal wil vertellen. Hij heeft verklaard: “Ik wil terugkomen op mijn eerder afgelegde verklaring daar waar het gaat over het manipuleren van pootringen en de verkoop van de vogels uit wildzang. Ik weet er meer van, de pootringen waarmee gemanipuleerd is. (..) Ik ben betrokken bij de handel in vogels die in het wild worden gevangen en vervolgens worden voorzien van een valse pootring om uiteindelijk door mij te worden verkocht via bijvoorbeeld Marktplaats op internet en in de winkel” (pagina 459). Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] de daarop volgende verklaring, die voor het bewijs is gebezigd, vrijelijk heeft afgelegd. Voorts heeft de [medeverdachte 1] in datzelfde verhoor verklaard dat hij geen namen wil noemen (pagina 464) en op een vraag van de verbalisanten geantwoord: “Ik ben het er niet mee eens omdat ik een ring niet zie als een geschrift” (pagina 467). Het hof is van oordeel dat die verklaringen van [medeverdachte 1] erop duiden dat hij zich weerbaar heeft opgesteld tegenover de verbalisanten die hem hebben verhoord en dat hij niet ten gevolge van manipulatie tegen zijn wil heeft verklaard. In zijn vierde verhoor heeft [medeverdachte 1] volhard bij de verklaring zoals afgelegd in zijn derde verhoor. De processen-verbaal van die verhoren zijn op ambtseed opgemaakt en op elke pagina voorzien van een handtekening van [medeverdachte 1] . De verhoren zijn telkens in vraag- en antwoordstijl geverbaliseerd. Blijkens de verslaglegging daarvan is geen sprake van het zijdens [medeverdachte 1] enkel bevestigen van stellingen van de verbalisanten. Anders dan de verdediging in de zaak tegen [medeverdachte 1] stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] gedetailleerder heeft verklaard dan de informatie die hem door de verbalisanten is voorgehouden. Die verklaringen worden bovendien ondersteund door de inhoud van tapgesprekken en de verklaring van [betrokkene 6] . Blijkens de tapgesprekken in het niet van een paginanummering voorziene BOB-dossier heeft [medeverdachte 1] veelvuldig telefonisch contact gehad met verschillend personen, onder andere op 11 januari 2014 met [betrokkene 7] , op 20 januari 2014 met [medeverdachte 2] , op 24 januari 2014 met [betrokkene 8] en op 25 januari 2014 met [betrokkene 6] (zie ook pagina’s 4014-4015). Naar het oordeel van het hof hebben deze gesprekken onmiskenbaar betrekking op het vangen van beschermde inheemse vogels uit de natuur. Deze interpretatie wordt bevestigd door [betrokkene 6] wanneer hij in zijn verhoor van 10 april 2014 verklaart dat het klopt dat hij willens en wetens vogels vangt in het wild voor [medeverdachte 1] (pagina 744). Het hof ziet dan ook geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de totstandkoming en inhoud van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen in zijn derde en vierde verhoor en zal van die verklaringen uitgaan. Het hof acht de eerder en later – ook onder ede – afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1] onder bovengenoemde omstandigheden niet betrouwbaar en zal deze als onaannemelijk terzijde stellen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Algemeen

Op grond van artikel 75, eerste lid, van de Ffw – zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van de bij artikel 13, eerste lid, bepaalde verboden. Voor het gebruik van een vrijstelling hoeft niet vooraf een aanvraag te worden ingediend. Van een vrijstelling kan direct gebruik worden gemaakt, mits aan alle daaraan verbonden voorwaarden wordt voldaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, jo. artikel 6, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna telkens: Besluit) – zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – gelden de bij artikel 13, eerste lid, Ffw bepaalde verboden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt en voor zover (onder andere) deze vogels zijn voorzien van een gesloten pootring.

In het tweede lid van artikel 6 van het Besluit is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld betreffende de afgifte en kenmerken van gesloten pootringen. Op grond van artikel 1 onder e van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens – zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – wordt onder een ‘gesloten pootring’ verstaan een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt.

Verweer van de verdediging

Artikel 5, eerste lid in verband met artikel 6, eerste lid, van het Besluit vormt een uitzondering op het verbod van artikel 13, eerste lid, Ffw. De wettelijke regeling legt op de houder de plicht aan te tonen dat de vrijstellende omstandigheden aanwezig zijn. Het ligt derhalve op de weg van de verdachte om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat het uitzonderingsgeval zich voordoet. Voor zover het verweer van de verdediging inhoudt dat sprake is van een omkering van de bewijslast, miskent de verdediging de wettelijke regeling en wordt het verweer reeds om die reden verworpen.

Het verweer komt er – zo begrijpt het hof – op neer dat de uitzondering van toepassing is. De verdediging heeft de waarnemingen en de bevindingen van de verbalisanten die het onderzoek aan de in beslag genomen vogels en pootringen hebben uitgevoerd, betwist. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de ringen niet zijn bewaard, zodat niet meer kan worden gecontroleerd of de veronderstelling van de verbalisanten dat het ondeugdelijke ringen betrof juist is. Dat verweer gaat uit van de onjuiste stelling dat het aan de advocaat-generaal is om te bewijzen dat de voorwaarden waaronder een beroep kan worden gedaan op de vrijstelling van de verboden van artikel 13, eerste lid, Ffw, niet aanwezig waren. Zoals het hof reeds heeft overwogen, is deze stelling in strijd met de wettelijke regeling. Bovendien acht het hof het verweer van de verdediging onvoldoende onderbouwd op grond van het volgende.

Artikel 5, eerste lid, van het Besluit kent cumulatieve eisen: naast de eis van de pootring moet de houder kunnen aantonen dat de vogels gefokt zijn.

Gelet hierop had het op de weg van de verdediging gelegen om het verweer te onderbouwen met gegevens en stukken om aan te tonen dat de vogels gefokt zijn. Dan had de verdediging immers precies kunnen aangeven welke vogel van welke ring voorzien was én de legale herkomst van de vogels kunnen aantonen (aantoonbare kweek door de verdachte ofwel aantoonbare kweek door degene van wie hij de vogels had verkregen). De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018 verklaard dat hij middels foto’s, films, verklaringen van topkwekers en met kweekkaarten kan aantonen dat zijn vogels gekweekte vogels zijn, maar heeft ter terechtzitting van 26 februari 2020 slechts één kweekkaart overgelegd, die blijkens zijn verklaring geen betrekking heeft op de in de tenlastelegging vermelde vogels.

Ook om die reden dient het verweer te worden verworpen.

Vervolgens overweegt het hof als volgt.

Op grond van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof geen aanknopingspunten kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de totstandkoming en inhoud van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal aangaande het onderzoek aan (de pootringen van) de in beslag genomen vogels door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . De controle van de juistheid van de ringen vindt (onder meer) plaats aan de hand van de omvang daarvan, van visueel waarneembare vervormingen, werktuigsporen, het kweeknummer, het jaartal van de pootring en de herkomst daarvan. [verbalisant 2] heeft in zijn brief d.d. 17 april 2019, gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 3 mei 2019, naar voren gebracht dat sprake is van een “en/en-verhaal”. Sporen van deuken van de tang bij het terug knijpen naar de juiste diameter, een uitgeholde c.q. uitgeboorde ring, een gebroken ring en een ring die ovaal of taps is, zijn kenmerken van geknoei met de betreffende ring. Bij twijfel wordt de vogel niet in beslag genomen. [verbalisant 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 februari 2020 bevestigd dat het opmeten van de pootring slechts een onderdeel van de controle in zijn totaliteit vormt. Het hof zal dan ook uitgaan van de juistheid en betrouwbaarheid van de waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten.

Voorts is in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] d.d. 2 augustus 2018 gerelateerd dat bij het loslaten de ringen worden afgeknipt en de ringen door het knippen zo worden vervormd dat de foute kenmerken, zoals taps toelopen, craquelé beschadigingen, niet meer zichtbaar zijn. Derhalve had onderzoek aan de geknipte ringen, zoals door de verdediging is gesuggereerd, indien deze nog voorhanden zouden zijn geweest, ook geen ander licht op de zaak kunnen werpen.

Op grond van het voorgaande is gebleken dat bij de in de bewezenverklaring vermelde vogels niet werd voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden, zodat van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, jo. artikel 6, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten van de verboden van artikel 13, eerste lid, van de Ffw geen sprake is.

Het hof verwerpt het verweer.

Voor zover de verdediging heeft bedoeld een beroep te doen op de vrijstelling ex artikel 14, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten overweegt het hof het volgende.

Met betrekking tot de in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 vermelde groenling heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 november 2015 verklaard dat deze op 23 februari (het hof begrijpt telkens: 2014) bij hem thuis tegen het raam is gevlogen. Deze groenling was versuft. De verdachte stelt dat hij dat ook direct heeft verklaard tijdens het onderzoek op 25 februari. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018 verklaard dat het klopt dat er op 23 februari 2014 een groenling tegen het raam van zijn huis aanvloog. Vervolgens heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 februari 2020 naar voren gebracht dat de groenling werd aangetroffen bij een inval die plaatsvond op 25 februari 2014 om 07.30 uur en de groenling de avond daarvoor om 20.45 uur tegen het raam was gevlogen.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 14, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang, geldt het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet niet ten aanzien van zieke of gewonde dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort ten behoeve van opvang en verzorging. Die vrijstelling geldt blijkens het tweede lid van genoemd artikel 14 slechts voor zover de dieren binnen twaalf uur worden overgedragen aan personen of instanties die gerechtigd zijn de dieren onder zich te hebben.

Het hof stelt vast dat de verdachte op de dag dat de groenling bij hem in beslag werd genomen – op 25 februari 2014 – in zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat deze groenling op zondag 23 februari 2014 is komen aanvliegen en dat hij deze heeft gevangen en in een kooitje heeft gedaan omdat het een groenling was. Als het een mus was geweest, had hij het niet gedaan. Dit is, zo verklaart verdachte, het jachtinstinct van de man (pagina 689). Die verklaring is in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor vastgelegd en door de verdachte akkoord bevonden doch niet ondertekend (pagina 690). Het hof ziet geen reden aan de totstandkoming en inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen. Vervolgens heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat deze vogel op 23 februari 2014 tegen het raam is gevlogen, zodat de verdachte – op het moment dat de groenling op 25 februari 2014 werd aangetroffen – niet binnen twaalf uur de groenling aan een daartoe gerechtigde persoon of instantie heeft overgedragen en hem derhalve geen gerechtvaardigd beroep op voormelde vrijstelling toekomt. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring die bij monde van de raadsman naar voren is gebracht inhoudende dat de groenling op 24 februari 2014 tegen het raam zou zijn gevlogen en binnen twaalf uur zou zijn ontdekt, nu deze verklaring in strijd is met de verklaringen zoals afgelegd door de verdachte. Bovendien heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018, nadat hem de inhoud van artikel 14 van het Besluit werd voorgehouden, verklaard dat het klopt dat hij de vogel niet binnen twaalf uur aan een daartoe aangewezen persoon of instantie heeft overgedragen. Voorts wijst het hof erop dat de groenling door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is onderzocht en geen melding is gemaakt van eventuele verwondingen van de groenling.

Het hof acht de door de verdediging ten grondslag aan het verweer gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden en verwerpt het verweer.

De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 01-995040-15 ten aanzien van het onder zich hebben en vervoeren van een ongeringde beschermde inheemse putter een beroep gedaan op overmacht. Onder de verdachte waren de op zijn naam gestelde pootringen met [kweeknummer 2] in beslag genomen, zodat hij de putter geen op zijn naam gestelde pootring kon omdoen.

Niet aannemelijk is geworden dat dergelijke omstandigheden zich hebben voorgedaan. Op 28 augustus 2014 heeft de verdachte een vogel behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een putter, onder zich gehad en vervoerd. Deze putter was ongeringd. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de ongeringde putter ongeveer vier maanden oud was en ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018 verklaard dat de putter was geboren in april (het hof begrijpt: 2014). Op 25 februari 2014 zijn onder de verdachte pootringen met onder andere zijn kweeknummer in beslag genomen. [verbalisant 8] heeft op 13 juni 2014 de ringen die waren voorzien van zijn kweeknummer aan de verdachte teruggegeven. De verdachte heeft toen verklaard dat hij zijn recent gekweekte jongen niet van ringen had kunnen voorzien. Hierop heeft [verbalisant 8] aangegeven dat hij dan met een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bij de verdachte zou langskomen. Zij konden dan kijken welke jongen de verdachte niet had kunnen ringen en daarvoor een oplossing zoeken. De verdachte wilde hier echter niets van weten. De verdachte zei dat hij dit wel bij de rechter regelde. [verbalisant 8] heeft daarop tegen de verdachte gezegd dat hij nu dit probleem voor hem wilde oplossen en als hij dat niet wilde de gevolgen voor hem waren (proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2014, losbladig). Voorts merkt het hof op dat de verdachte te allen tijde nieuwe ringen bij de bond had kunnen bestellen. Het hof is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat voor de verdachte geen andere uitweg openstond dan het onder zich hebben en vervoeren van een ongeringde putter.

Gelet hierop verwerpt het hof het verweer.

Mitsdien is het bewezen verklaarde strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-995040-15 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 schuldig gemaakt aan het vangen, binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen en/of afleveren van beschermde inheemse vogels. Voorts heeft de verdachte op 25 februari 2014 een groenling en een dode goudvink onder zich gehad en op 28 augustus 2014 een putter onder zich gehad en vervoerd, zijnde beschermde inheemse vogels die telkens niet vielen onder de vrijstellingsregeling. Het hof betrekt bij de strafoplegging voorts dat met de bescherming van inheemse diersoorten ecologische en maatschappelijke belangen zijn gemoeid. De verdachte heeft zich daar kennelijk niets van aangetrokken en slechts gehandeld met het oog op eigen (financieel) gewin. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 februari 2020 niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende acht het hof – evenals de rechtbank – oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in deze procesfase het geding met een einduitspraak behoort te zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een termijnoverschrijding rechtvaardigen. Het hof stelt vast dat van de zijde van de verdachte op 9 december 2015 hoger beroep is ingesteld. Het hof zal bij arrest van heden – 25 maart 2020 – einduitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met twee jaren en ruim drie maanden overschreden. Het hof is in de onderhavige zaak niet van bijzondere omstandigheden gebleken die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de op te leggen straf, in die zin dat de taakstraf zal worden gematigd van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis tot 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Beslag

Het hof zal bepalen dat de in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven vogels, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De in het dictum nader te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen en vogels, met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan dan wel die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven werden aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36c en 36d, 57 en 60 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 van parketnummer 01-995035-15 ten laste gelegde kopen, verwerven, ten verkoop voorhanden hebben, in voorraad hebben, verkopen of ten verkoop aanbieden en/of het afleveren aan [betrokkene 3] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 4] .

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 01-995040-15 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-995035-15 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 01-995040-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één vogel, bruin, een putter;

- één vogel, dode goudvink;

- één vogel, een groenling.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één vogelkooi, vangkooi;

- één zwarte plastic zak met net;

- één vogelkooi, vangkooi met 2 compartimenten;

- één kooi, bruin, transportkooi loper;

- één vogel, goudvink;

- één vogel, bastaard putter/kanarie.

Aldus gewezen door:

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.F. Stamhuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Karsdorp, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.F. Stamhuis zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.