Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1081

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
20-003870-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd' (onder 1, 3 en 4 ten laste gelegd) en 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd' (onder 2 ten laste gelegd) tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/71 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003870-15

Uitspraak : 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 8 december 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-995033-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’ (feit 1), ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan’ (feit 2), ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan’ (feit 3) en ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan’ (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij voormeld vonnis zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] afgewezen en zijn de benadeelde partijen veroordeeld in de kosten van de verdachte, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] afgewezen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn om die reden niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Ook de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] is afgewezen maar de benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie en zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de advocaat-generaal primair gevorderd dat deze zullen worden verbeurd verklaard en subsidiair, indien het hof van oordeel is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang, gevorderd dat de in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] zal afwijzen.

De verdediging heeft – kort gezegd – primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft de verdediging zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1] (in de [gemeente 1] ) en/of te [plaats 2] (in de [gemeente 2] ) en/of te [plaats 3] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 4] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 5] (in de [gemeente 4] ), althans een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk,

* een (groot) aantal dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, waaronder (een) hoeveelhe(i)d(en) (levende) appelvinken en/of goudvinken en/of heggemussen en/of putters en/of sijzen en/of barmsijzen en/of kepen en/of geelgorzen

- heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of

- heeft verkocht of ten verkoop heeft aangeboden en/of afgeleverd aan een (groot) aantal afnemers/kopers, waaronder [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of

- voor commercieel gewin heeft gebruikt en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland gebracht en/of onder zich heeft gehad en/of

* een of meer producten van (een) dier(en), behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 dode barmsijs, onder zich heeft gehad;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 te [plaats 1] (in de [gemeente 1] ) en/of te [plaats 2] (in de [gemeente 2] ) en/of te [plaats 3] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 4] (in de [gemeente 3] ) en/of te [plaats 5] (in de [gemeente 4] ), althans een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer appelvinken en/of goudvinken en/of heggemussen en/of putters en/of sijzen en/of barmsijzen en/of kepen en/of geelgorzen en/of groenlingen en/of vinken, in elk geval vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of doen of laten vangen en/of bemachtigd en/of doen of laten bemachtigen en/of met het oog daarop opgespoord en/of doen of laten opsporen;


3.
hij op of omstreeks 26 maart 2013 te [plaats 1] , [gemeente 1] , al dan niet opzettelijk, een of meer dier(en) behorende tot een beschermde inheemse diersoort(en), te weten

- 50, althans één of meer, sij(s)(zen) (Carduelis spinus) en/of

- 20, althans één of meer, (kleine) putter(s) (Carduelis carduelis) en/of

- 4, althans één of meer, (kleine) barmsij(s)(zen) (Carduelis flammea) en/of

- 8, althans één of meer, kneu(en) (Carduelis cannabina) en/of

- 7, althans één of meer, vink(en) (Fringilla coelebs) en/of

- 2, althans één of meer, (kleine) goudvink(en) (Pyrrhula pyrrhula) en/of

- één rietgors (Emberiz schoeniclus) en/of

- 2, althans één of meer geelgor(s)(zen) (Emberiza citrinella) en/of

- één groenling (Carduelis chloris),

onder zich heeft gehad;

4.
hij op of omstreeks 16 mei 2013 te [plaats 1] , in de [gemeente 1] , al dan niet opzettelijk, een of meer dier(en) behorende tot een beschermde inheemse diersoort(en), te weten

- 4, althans één of meer, sij(s)(zen) (Carduelis spinus) en/of

- 3, althans één of meer, putter(s) (Carduelis carduelis) en/of

- 2, althans één of meer, kneu(en) (Carduelis cannabina) en/of

- 1 vink(en) (Fringilla coelebs)

onder zich heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 op een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland opzettelijk

* een aantal dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, waaronder (een) (levende) appelvink en een goudvink en putters en barmsijzen en geelgorzen

- heeft verkocht aan een aantal afnemers/kopers, waaronder [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en/of

- binnen het grondgebied van Nederland gebracht en/of onder zich heeft gehad en

* een product van een dier, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 dode barmsijs, onder zich heeft gehad;

2.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 op een of meer plaatsen in Nederland en/of een of meer plaatsen in Duitsland opzettelijk goudvinken en een keep en een vink, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft bemachtigd;


3.
hij op 26 maart 2013 te [plaats 1] , [gemeente 1] , opzettelijk dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten

- 50 sijzen (Carduelis spinus) en
- 20 (kleine) putters (Carduelis carduelis) en

- 4 ( kleine) barmsijzen (Carduelis flammea) en
- 8 kneuen (Carduelis cannabina) en
- 7 vinken (Fringilla coelebs) en
- 2 goudvinken (Pyrrhula pyrrhula) en
- één rietgors (Emberiz schoeniclus) en
- 2 geelgorzen (Emberiza citrinella) en

- één groenling (Carduelis chloris)
onder zich heeft gehad;

4.
hij op 16 mei 2013 te [plaats 1] , in de [gemeente 1] , opzettelijk dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten

- 4 sijzen (Carduelis spinus) en
- 3 putters (Carduelis carduelis) en
- 2 kneuen (Carduelis cannabina) en
- 1 vink (Fringilla coelebs)
onder zich heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

Wet- en regelgeving

Op grond van artikel 13, eerste lid aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet (hierna mede: Ffw), zoals dit luidde ten tijde van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde en voor zover hier van belang, is het verboden dieren en producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort te verkopen, binnen het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Op grond van artikel 9 Ffw, zoals dit luidde ten tijde van het onder 2 bewezen verklaarde en voor zover hier van belang, is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te bemachtigen.

Artikel 1 Ffw bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een beschermde inheemse diersoort wordt verstaan een diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Ffw.

Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Ffw bepaalt dat als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt: alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

In de Staatscourant van 13 november 2001, nr. 220 en 28 maart 2013, nr. 8498 is de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten (2013) (hierna telkens: Bekendmaking) gepubliceerd. Volgens artikel 1 van de Bekendmaking zijn in bijlage 2 bij de Bekendmaking opgenomen de van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels aangewezen in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Ffw.

De goudvink (Pyrrhula pyrrhula), de putter (Carduelis carduelis), de geelgors (Emberiza citrinella), de barmsijs (Carduelis flammea), de sijs (Carduelis spinus), de kneu (Carduelis cannabina), de vink (Fringilla coelebs), de appelvink (Coccothraustes coccothraustes), de rietgors (Emberiza schoeniclus), de keep (Fringilla coelebs) en de groenling (Carduelis chloris) staan vermeld in bijlage 2 bij die Bekendmaking. Deze vogels zijn niet aangewezen als vogelsoorten waarvan gedomesticeerde vogels niet worden aangemerkt als een beschermde inheemse diersoort. Gelet op de vermelding van voormelde vogels in bijlage 2 van de Bekendmaking als zijnde vogelsoorten die van nature op het Europees grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomen, acht het hof bewezen dat de in beslag genomen en in de bewezenverklaring vermelde vogels behoren tot een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in de Ffw.

Verklaringen van de verdachte

De verdediging heeft betoogd dat er terughoudendheid dient te worden betracht bij het gebruik van de verklaringen van de verdachte als bewijs en dat die verklaringen uiterst kritisch moeten worden bekeken, gelet op de omstandigheden waaronder die verklaringen zijn afgelegd. De verdediging heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat de verdachte uit zichzelf niets heeft verklaard, maar steeds heeft verklaard naar aanleiding van vragen van de verbalisanten.

Het hof is daarentegen van oordeel dat van ontoelaatbare druk tijdens de verhoren niet is gebleken. In zijn derde verhoor op 10 april 2014 heeft de verdachte op de vraag van de verbalisanten hoe hij kan verklaren dat op een vaste pootring grove werktuigsporen zijn aangetroffen, geantwoord dat hij nu het hele verhaal wil vertellen. Hij heeft verklaard: “Ik wil terugkomen op mijn eerder afgelegde verklaring daar waar het gaat over het manipuleren van pootringen en de verkoop van de vogels uit wildzang. Ik weet er meer van, de pootringen waarmee gemanipuleerd is. (..) Ik ben betrokken bij de handel in vogels die in het wild worden gevangen en vervolgens worden voorzien van een valse pootring om uiteindelijk door mij te worden verkocht via bijvoorbeeld Marktplaats op internet en in de winkel” (pagina 459). Het hof leidt hieruit af dat de verdachte de daarop volgende verklaring, die voor het bewijs is gebezigd, vrijelijk heeft afgelegd. Voorts heeft de verdachte in datzelfde verhoor verklaard dat hij geen namen wil noemen (pagina 464) en op een vraag van de verbalisanten geantwoord: “Ik ben het er niet mee eens omdat ik een ring niet zie als een geschrift” (pagina 467). Het hof is van oordeel dat die verklaringen van de verdachte erop duiden dat hij zich weerbaar heeft opgesteld tegenover de verbalisanten die hem hebben verhoord en hij niet ten gevolge van manipulatie tegen zijn wil heeft verklaard. In zijn vierde verhoor heeft de verdachte volhard bij de verklaring zoals afgelegd in zijn derde verhoor. De processen-verbaal van die verhoren zijn op ambtseed opgemaakt en op elke pagina voorzien van een handtekening van de verdachte. De verhoren zijn telkens in vraag- en antwoordstijl geverbaliseerd. Blijkens de verslaglegging daarvan is geen sprake van het zijdens de verdachte enkel bevestigen van stellingen van de verbalisanten. Anders dan de verdediging stelt het hof vast dat de verdachte gedetailleerder heeft verklaard dan de informatie die hem door de verbalisanten is voorgehouden. Die verklaringen worden bovendien ondersteund door de inhoud van tapgesprekken en de verklaring van [betrokkene 6] . Blijkens de tapgesprekken in het niet van een paginanummering voorziene BOB-dossier heeft de verdachte veelvuldig telefonisch contact gehad met verschillende personen, onder andere op 11 januari 2014 met [betrokkene 7] , op 20 januari 2014 met [medeverdachte 1] , op 24 januari 2014 met [betrokkene 8] en op 25 januari 2014 met [betrokkene 6] (zie ook pagina’s 4014-4015). Naar het oordeel van het hof hebben deze gesprekken onmiskenbaar betrekking op het vangen van beschermde inheemse vogels uit de natuur. Deze interpretatie wordt bevestigd door [betrokkene 6] wanneer hij in zijn verhoor van 10 april 2014 verklaart dat het klopt dat hij willens en wetens vogels vangt in het wild voor verdachte (pagina 744). Het hof ziet dan ook geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de totstandkoming en inhoud van de door de verdachte afgelegde verklaringen in zijn derde en vierde verhoor en zal van die verklaringen uitgaan. Het hof acht de eerder en later afgelegde verklaringen van de verdachte onder bovengenoemde omstandigheden niet betrouwbaar en zal deze als onaannemelijk terzijde stellen.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 1

De politie heeft onderzoek verricht naar de advertenties van de verdachte, onder de naam [bedrijfsnaam] , op Marktplaats. Uit dit onderzoek is gebleken dat de verdachte in de jaren 2011, 2012 en 2013 respectievelijk 105, 84 en 66 advertenties heeft geplaatst, waarin hij beschermde inheemse vogels vermoedelijk te koop heeft aangeboden (pagina’s 1031, 1032 en 1039 tot en met 1060). De verdachte heeft in zijn derde verhoor bij de politie d.d. 10 april 2014 verklaard dat hij deze advertenties heeft geplaatst en dat hij zich bezig houdt met de verkoop van vogels (pagina’s 456 tot en met 457).

De verdachte heeft verder in zijn derde verhoor bij de politie d.d. 10 april 2014 verklaard dat hij betrokken is bij de handel in vogels die in het wild worden gevangen. Deze vogels worden door een ander voorzien van een valse pootring en worden vervolgens door de verdachte verkocht. Andere personen vangen de vogels en voorzien deze van een valse pootring. De verdachte wil niet verklaren wie de vogels vangt en voorziet van een valse pootring, maar wel dat hij en anderen met deze handel zijn begonnen in 2012. De verdachte heeft toen pootringen besteld bij de bond en ongeveer de helft daarvan is gebruikt voor het ringen van in het wild gevangen vogels. De verdachte heeft in 2012 in totaal 765 pootringen besteld en in 2013 heeft hij 1000 pootringen besteld, die hij heeft gebruikt voor het ringen van in het wild gevangen vogels. De verdachte heeft ook verklaard dat hij pootringen met zijn [kweeknummer 1] (pagina 450) heeft verstrekt aan andere personen (pagina 459).

Voorts heeft de verdachte in datzelfde verhoor verklaard dat hij mogelijk een in de natuur gevangen putter voorzien van een gemanipuleerde pootring heeft verkocht aan [betrokkene 2] , dat hij een koppel in het wild gevangen putters met gemanipuleerde ringen aan [betrokkene 1] heeft verkocht en [betrokkene 1] daarvoor € 95,- heeft betaald, dat hij twee putters met een gemanipuleerde pootring, een met [kweeknummer 2] en een met [kweeknummer 1] , heeft verkocht aan [betrokkene 5] , dat hij een koppel barmsijzen, een goudvink en een appelvink heeft verkocht aan [betrokkene 6] en dat hij een koppel putters die uit de natuur waren gevangen en waren voorzien van onjuiste pootringen heeft verkocht aan [betrokkene 4] (pagina’s 459 tot en met 465).

[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij in januari 2014 een putter mannetje met een zwarte pootring en in het voorjaar van 2013 een putter pop met een rode pootring bij de verdachte heeft gekocht en dat deze vogels door de politie op 10 maart 2014 in de volière bij hem zijn aangetroffen (pagina’s 1242-1243).

Uit de telefoontap leidt het hof af dat [betrokkene 5] twee putters, een man en een pop, van de verdachte wil kopen en dat ze op 10 januari 2014 een afspraak maken om deze te komen bekijken (pagina 1231).

Uit onderzoek bleek dat de pootringen van beide putters niet voldeden aan de eisen voor een pootring. De (vaste) rode pootring, voorzien van het [kweeknummer 2] , was niet meer geheel gesloten en over de hele breedte onderbroken. Beide uiteinden zaten niet geheel recht op elkaar en er waren werktuigsporen nabij de breuklijn zichtbaar. De (vaste) zwarte pootring, voorzien van het [kweeknummer 1] , was eveneens niet meer geheel gesloten en over de hele breedte onderbroken. Beide delen waren iets over elkaar geschoven, waardoor nummer ‘5’ van de binnendiameter ‘2.5’ niet meer leesbaar was. Verder vertoonde de ring craquelé vorming door oprekking en/of vervorming van de ring (pagina’s 1234 tot en met 1241).

Uit de telefoontap blijkt dat [betrokkene 1] op 18 januari 2014 een afspraak maakt om bij de verdachte wildzang vogels te komen kopen (pagina’s 1067 tot en met 1069).

Op 10 maart 2014 worden in de volière van [betrokkene 1] onder andere twee putters aangetroffen (pagina’s 1245 en 1246).

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de twee putters voor € 95,- op een zaterdagochtend begin februari 2014 bij de verdachte heeft gekocht en dat de verdachte ook aan sijzen kon komen (pagina’s 1261 en 1262).

Uit onderzoek bleek dat de pootringen van de twee putters niet voldeden aan de eisen voor een pootring. Beide ringen waren zwart en vermeldden het [kweeknummer 1] . Er was met de vaste pootringen geknoeid, omdat beide een craquelé vorming (door oprekking) hadden en een grotere binnendiameter dan de voorgeschreven diameter (pagina’s 1251 tot en met 1260).

Uit de telefoontaps blijkt dat [betrokkene 2] op 2 februari 2014 een afspraak maakt om begin februari 2014 bij de verdachte een putter, mannetje, te kopen (pagina’s 1080 tot en met 1083). Op 10 maart 2014 wordt in de volière van [betrokkene 2] een putter aangetroffen (pagina’s 1264 en 1265).

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij deze putter in februari 2014 bij [verdachte] voor € 40,- heeft gekocht (pagina’s 1273 en 1274).

Uit het onderzoek van de putter is gebleken dat de vogel een gemanipuleerde pootring had, omdat de pootring uit 2013 met het [kweeknummer 1] grove werktuigsporen had en beide uiteinden over elkaar lagen, zodat de pootring niet geheel gesloten was (pagina 1269).

Uit de telefoontap blijkt dat [betrokkene 3] op 7 januari 2014 met de verdachte een afspraak maakt met betrekking tot vogels (pagina 1279).

Op 12 maart 2014 worden in de volière van [betrokkene 3] twee geelgorzen aangetroffen (pagina’s 1276 en 1277).

[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij begin 2014 een geelgors, een pop, voor € 45,- heeft gekocht van een man uit [plaats 2] , van [bedrijfsnaam] . Hij moest naar een schuur rijden in de buurt van [plaats 6] en daar heeft hij de geelgors opgehaald (pagina’s 1288 en 1289).

Uit het onderzoek van de geelgors is gebleken dat de vogel een gemanipuleerde pootring had, omdat de rode pootring uit 2012 met het [kweeknummer 1] een werktuigspoor had en deze pootring zonder dat daarbij de vogelpoot werd beschadigd van de poot kon worden afgeschoven. Daarnaast was de pootring ter hoogte van het cijfer ‘9’, deel uitmakend van het volgnummer ‘649’, enigszins plat of ingedrukt (pagina’s 1283 tot en met 1286).

Uit de telefoontaps blijkt dat [betrokkene 4] op 28 februari 2014 met de verdachte een afspraak maakt om een koppeltje putters te kopen (pagina’s 1308, 1310 en 1311).

Op 2 april 2014 worden in een kooi bij [betrokkene 4] twee putters aangetroffen (pagina’s 1308 en 1309).

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij op een carnavalsmiddag in de buurt van [plaats 2] een koppeltje putters heeft gekocht voor € 95,- (pagina’s 1324 en 1325).

Uit onderzoek van deze putters is gebleken dat beide vogels een gemanipuleerde pootring hadden. Beide ringen waren zwart en vermeldden het [kweeknummer 1] . De pootring van de ene putter, zwart met [kweeknummer 1] uit het jaar 2013, zat zeer ruim om de poot van de putter en kon, zonder beschadiging van de poot, van de poot worden afgeschoven. Ten gevolge van craquelé werking, in de buitenste emulsie laag van de ring, waren barstjes aanwezig. De pootring was door mechanische bewerking niet geheel rond. De binnendiameter van de ring was opgerekt van 2,5 mm naar 2,98 mm. De pootring van de andere putter, zwart met [kweeknummer 1] uit het jaar 2013, had ten gevolge van craquelé vorming, in de buitenste emulsie laag van de ring, barstjes. Op de pootring waren grove werktuigsporen zichtbaar. De pootring was door mechanische bewerking gedeeltelijk open op de breuklijn van de ring. De parallelle ringdelen waren over elkaar heen geschoven en ten gevolge hiervan had vervorming van de ring en van het opschrift plaatsgevonden (pagina’s 1316 tot en met 1323).

Op 25 februari 2014 werd bij het onderzoek op het perceel van de verdachte aan de [adres 1] onder andere een ongeringde dode barmsijs aangetroffen, in beslag genomen en onderzocht (pagina’s 61, 1336 en 1348-1350).

Ten aanzien van feit 2

Op 10 januari 2014 vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarin [medeverdachte 2] zegt dat hij op het Duits zit en hij er 30 weet te zitten, 20 mannen en 10 poppen. [medeverdachte 2] zegt dat hij er de volgende dag in ieder geval twee bij [verdachte] komt brengen (tapregistratie 0050, pagina’s 1065-1066). De verdachte heeft verklaard dat dit gesprek vanuit zijn kant gaat over de handel in vogels en vanuit de kant van [medeverdachte 2] gaat over het vangen van vogels. De verdachte heeft verklaard dat het klopt dat [medeverdachte 2] in Duitsland zat en bezig was met het vangen van vogels. Hij zat achter de goudvinken aan. [medeverdachte 2] stelde voor de vogels zaterdagmiddag naar de verdachte te brengen, zodat hij ze zondag mee kon nemen naar de markt (pagina 476).

Op 30 januari 2014 belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] en zegt: “Ik heb een koppel goudvinken voor jou (..) Ik had vandaag een drie poppen.. en ene man en ik heb een man keep voor jou (..) en een hele mooie man boekvink”, waarop [verdachte] zegt: “Ja nou, dat is goed”. Verder zegt [medeverdachte 2] dat hij op “d’n Duits” zit en “In ieder geval ge kunt alvast daarmet adverteren”, waarop [verdachte] zegt: “Ja, nee da ga ik pas doen als ze klaar zin”. [medeverdachte 2] zegt: “ge hebt morgen iets”, waarop [verdachte] zegt: “is goed” (tapregistratie 0220, pagina’s 1076-1078). De verdachte heeft verklaard dat dit gesprek ging over een paar vogels die hij van [medeverdachte 2] kon kopen. Dat was een koppel goudvinken, een keepman en een boekvinkman. Verder gaat het gesprek ook over het vangen van vogels, aldus de verdachte (pagina 477).

Ten aanzien van feit 3 2

De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben op 26 maart 2013 op het perceel aan de [adres 2] een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van levende beschermde inheemse diersoorten (vogels). Zij troffen op het genoemde perceel een openstaande schuur met daarin diverse zogenaamde tentoonstellingskooien en een volière. Hierop heeft [verbalisant 1] de schuur betreden en zag daar de verdachte (pagina’s 3-4). In de schuur werden de volgende vogels aangetroffen en - na onderzoek - in beslag genomen: 50 sijzen (Carduelis spinus), 20 (kleine) putters (Carduelis carduelis), 4 (kleine) barmsijzen (Carduelis flammea), 8 kneuen (Carduelis cannabina), 7 vinken (Fringilla coelebs), 2 goudvinken (Pyrrhula pyrrhula), 1 rietgors (Emberiza schoeniclus), 2 geelgorzen (Emberiza citrinella) en 1 groenling (Carduelis chloris) (pagina’s 22-23).

De verdachte heeft verklaard dat de vogels die bij hem zijn aangetroffen zijn eigendom zijn, dat hij al ongeveer drie jaar handelt in vogels, waaronder wildzang en dat hij actief is op markplaats onder de naam [bedrijfsnaam] en [telefoonnummer] (pagina’s 21-22).

Na onderzoek aan de in totaal 95 vogels bleek dat zij niet waren voorzien van (de juiste) pootringen en dat met de pootringen was geknoeid, dan wel dat de vogels met een ring waren geringd die niet voldeed aan de wettelijke eisen. Het ging om onjuiste pootringen omdat onder meer is geconstateerd dat de binnendiameter door uitholling ruimer was dan de voorgeschreven diameter en/of de rand van de ring was beschadigd en/of de ring was niet rond en/of de ring sporen bevat van een tang en/of de ring was van binnen opgerekt en/of de ring was van binnen opgerekt en/of de ring was gebroken en/of de ring was half ingescheurd (pagina’s 5-20). Voorts zag [verbalisant 1] dat een aantal vogels verwondingen vertoonde in de vorm van een gebroken poot, afstervende tenen of verdikte pootgewrichten. Ambtshalve is hem bekend dat dit een resultaat is van het op oudere leeftijd ringen van uit het wild gevangen vogels. Tevens lieten verschillende vogels afgebroken veren in het verenkleed zien, dat [verbalisant 1] ambtshalve bekend voorkomt bij vogels die gevangen zijn met lijmstokken (pagina 5). De verdachte heeft daarover verklaard: “Ik zie dat de ringen niet goed zijn” (pagina 21).

Ten aanzien van feit 4 3

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] bevonden zich op 16 mei 2013 aan [adres 2] . Zij troffen daar in een op dit adres aanwezige schuur de hun bekende [verdachte] . [verbalisant 4] zag dat in deze schuur diverse beschermde inheemse vogels werden gehouden. Hij zag in de daar aanwezige vogelverblijven onder andere vinken, sijzen, putters en kneuen. [verdachte] bracht desgevraagd de vogels naar een ruimte in de schuur ter controle op de pootringen die aangebracht waren aan de pootjes van de getoonde vogels. Van de aan [verbalisant 4] overgedragen vogels zag hij bij 10 vogels dat deze waren voorzien van een pootring die niet voldoet aan de daarvoor wettelijk omschreven eisen. Hij zag dat bij deze 10 vogels de aangebrachte ringen waren gemanipuleerd. Hij zag namelijk dat de ringen niet rond waren en/of open gewerkt. Deze 10 vogels, te weten 4 sijzen (Carduelis spinus), 2 kneuen (Carduelis cannabina), 3 putters (Carduelis carduelis) en 1 vink (Fringilla coelebs), werden door [verbalisant 4] in beslag genomen (dossierpagina’s 3-4).

De verdachte heeft verklaard dat deze vogels zijn eigendom zijn (dossierpagina 4).

[verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben op 17 mei 2013 een onderzoek ingesteld aan de 10 in beslag genomen vogels. Elke vogel werd onderzocht op de aanwezigheid van een (juiste) pootring. Met het blote oog en middels een loep werd de ring onderzocht op aanwezigheid van werktuigsporen op de pootringen. Zij hebben hun waarnemingen en bevindingen in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen “onderzoek in beslag genomen vogels” d.d. 24 juni 2013 vastgelegd, waarnaar hierna zal worden verwezen. Het bleken beschermde inheemse vogels te zijn waarvan de pootring niet voldeed aan de geldende wet- en regelgeving.

Ten aanzien van vogel 1 (sijs pop, volgnummer 159) hebben de verbalisanten gerelateerd dat zij zagen dat deze twee pootringen om had welke geheel doorgezaagd waren. Zij zagen dat beide ringen zodanig beschadigd waren dat niet alle gegevens meer leesbaar waren. De verbalisanten zagen dat aan de rechterpoot van deze sijs de oranjekleurige ring zat en deze poot was gebroken en geheel was afgestorven (pagina’s 3-5).

Ten aanzien van vogel 2 (sijs pop, volgnummer 011, [kweeknummer 2] ) heeft [verbalisant 4] gerelateerd dat hij beroepshalve toegang heeft tot de digitale landelijke ringadministratie en uit onderzoek bleek dat het [kweeknummer 2] behoorde bij een persoon genaamd [medeverdachte 2] , [adres 3] . Voorts bleek uit deze administratie dat [medeverdachte 2] van de Algemene vogelbond (AB) op 28 november 2012 de volgende ringen voor Europese cultuurvogels had ontvangen: 50 ringen, maat 2,7, volgnummers 51 tot en met 100 en 50 ringen, maat 2,5, volgnummers 1 tot en met 50. De verbalisanten zagen dat op de ring van vogel 2, een volwassen sijs pop, het [kweeknummer 2] en het volgnummer 011 stond vermeld. Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat deze ring afkomstig is van kweker [medeverdachte 2] en op 28 november 2012 door de Algemene vogelbond is afgeleverd. De verbalisanten zagen dat op deze ring het jaartal 2013 stond en dus bestemd was om vogels, Europese cultuurvogels, te ringen welke geboren worden in 2013. De verbalisanten zagen dat vogel 2 geheel was uitgeruid en volwassen was (adult). Een volwassen vogel met een adult verenkleed kan dus ten tijde van inbeslagname op 15 mei 2013 nooit een ring dragen van 2013.

Verder zagen de verbalisanten dat de betreffende ring niet geheel rond was en beschadigingen vertoonde. [verbalisant 4] kon deze ring, zonder de poot te beschadigen, van de poot van de sijs schuiven (pagina’s 5-7).

Ten aanzien van vogels 3 (sijs pop, volgnummer 012, [kweeknummer 2] ) en 4 (sijs pop, volgnummer 013, [kweeknummer 2] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat hiervoor precies hetzelfde gold als voor vogel 2. Zij zagen telkens een volwassen (adult) sijs pop die voorzien was van een ring van 2013 met [kweeknummer 2] en volgnummers 012 respectievelijk 013. De verbalisanten zagen dat ook hier de ring niet rond was. Deze ring was ook zeer ruim (pagina’s 7-11).

Ten aanzien van vogel 5 (putter, volgnummer 329, [kweeknummer 1] ) heeft [verbalisant 4] gerelateerd dat uit onderzoek bleek dat het [kweeknummer 1] behoorde bij de verdachte. Voorts bleek uit de administratie dat de verdachte van de Algemene vogelbond op 24 maart 2013 de volgende ringen voor Europese cultuurvogels had ontvangen: 850 ringen, maat 2,5, volgnummers 1 tot en met 850 en 150 ringen, maat 2,7, volgnummers 851 tot en met 1000. De verbalisanten zagen dat op de ring van vogel 5, een volwassen (adult) putter, het [kweeknummer 1] en volgnummer 329 stond vermeld. Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat deze ring afkomstig is van de verdachte en op 24 maart 2013 door de Algemene vogelbond is afgeleverd. De verbalisanten zagen dat op deze ring het jaartal 2013 stond en dus bestemd was om vogels, Europese cultuurvogels, te ringen welke geboren worden in 2013. De verbalisanten zagen dat vogel 5, putter, geheel was uitgeruid en volwassen was (adult). Een volwassen vogel met een adult verenkleed kan dus ten tijde van inbeslagname op 16 mei 2013 nooit een ring dragen van 2013 welke pas op 24 maart 2013 door de Algemene vogelbond verstrekt is. Verder zagen de verbalisanten dat de ring gedeeltelijk open was op de verplichte breuklijn. De verbalisanten zagen voorts dat deze ring nabij de breuklijn gedeeltelijk was afgeplat (pagina’s 11-13).

Ten aanzien van vogel 6 (kneu pop, volgnummer 007, [kweeknummer 2] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat op de ring van vogel 6, een volwassen kneu pop, het [kweeknummer 2] en volgnummer 007 stond vermeld en uit de opgevraagde gegevens blijkt dat deze ring afkomstig is van kweker [medeverdachte 2] en op 28 november 2012 door de Algemene vogelbond is afgeleverd. De verbalisanten zagen dat op deze ring het jaartal 2013 stond en dus bestemd was om vogels, Europese cultuurvogels, te ringen welke geboren worden in 2013. De verbalisanten zagen dat vogel 6, een kneu pop, geheel was uitgeruid en volwassen was (adult). Een volwassen vogel met een adult verenkleed kan dus ten tijde van inbeslagname op 16 mei 2013 nooit een ring dragen van 2013.
Verder zagen de verbalisanten dat de betreffende ring niet geheel rond was en beschadigingen vertoonde. De poot van de kneu was gezwollen en het verenkleed van de kneu was zeer beschadigd. De verbalisanten zagen dat pennen van de vleugel en staart waren afgebroken. Deze beschadigingen kunnen voorkomen als de betreffende vogel middels vogellijm gevangen is. De met lijm besmeurde pennen worden uit de vogel getrokken, zodat er nieuwe veren c.q. pennen kunnen groeien (pagina’s 13-15).

Ten aanzien van vogel 7 (kneu man, volgnummer 31 en [kweeknummer 1] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat uit de opgevraagde gegevens blijkt dat de ring van vogel 7 afkomstig is van kweker [verdachte] , de verdachte, en op 24 maart 2013 door de Algemene vogelbond is afgeleverd. De verbalisanten zagen dat op deze ring het jaartal 2013 stond en dus bestemd was om vogels, Europese cultuurvogels, te ringen welke geboren worden in 2013. De verbalisanten zagen dat vogel 7, een kneu man, geheel was uitgeruid en op kleur was en dus volwassen was (adult). Een volwassen vogel met een adult verenkleed kan dus ten tijde van inbeslagname op 16 mei 2013 nooit een ring dragen van 2013.

De verbalisanten zagen dat het verenkleed van deze kneu zeer beschadigd was en dat pennen van de vleugel en staart waren afgebroken. Deze beschadigingen komen vaak voor als de betreffende vogel middels vogellijm gevangen is. De met lijm besmeurde pennen worden uit de vogel getrokken zodat er nieuwe veren c.q. pennen kunnen groeien
(pagina’s 16-17).

Ten aanzien van vogel 8 (putter, volgnummer 258, [kweeknummer 1] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat uit de opgevraagde gegevens blijkt dat de ring van vogel 8 afkomstig is van kweker [verdachte] , de verdachte, en op 24 maart 2013 door de Algemene vogelbond is afgeleverd. De verbalisanten zagen dat op deze ring het jaartal 2013 stond en dus bestemd was om vogels, Europese cultuurvogels, te ringen welke geboren worden in 2013. De verbalisanten zagen dat vogel 8, een putter, geheel was uitgeruid en op kleur was en dus volwassen was (adult). Een volwassen vogel met een adult verenkleed kan dus ten tijde van de inbeslagname op 16 mei 2013 nooit een ring dragen van 2013. De verbalisanten zagen dat deze ring niet geheel rond was (pagina’s 18-20).

Ten aanzien van vogel 9 (putter, volgnummer 258, [kweeknummer 1] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat zij zagen dat op de ring van vogel 9, een volwassen putter, welke geheel op kleur was, het [kweeknummer 1] en volnummer 258 stond vermeld. Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat deze ring afkomstig is van kweker [verdachte] , de verdachte. De verbalisanten zagen dat de ring van deze putter niet geheel rond was (pagina’s 20-21).

Ten aanzien van vogel 10 (vink, volgnummer 493, [kweeknummer 1] ) hebben de verbalisanten gerelateerd dat zij zagen dat vogel 10 geringd was met een ring van 2012 en met het kwekersnummer van de verdachte, [kweeknummer 1] . De verbalisanten zagen dat deze ring zeer ruim was en dat de breuknaad van deze ring voor een gedeelte was ingescheurd (pagina’s 22-23).

Afsluiting

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging worden weerlegd door de hierboven gebezigde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Algemeen

Op grond van artikel 75, eerste lid, van de Ffw – zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van de bij artikel 13, eerste lid, bepaalde verboden. Voor het gebruik van een vrijstelling hoeft niet vooraf een aanvraag te worden ingediend. Van een vrijstelling kan direct gebruik worden gemaakt, mits aan alle daaraan verbonden voorwaarden wordt voldaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, jo. artikel 6, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna telkens: Besluit) – zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – gelden de bij artikel 13, eerste lid, Ffw bepaalde verboden niet ten aanzien van gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt en voor zover (onder andere) deze vogels zijn voorzien van een gesloten pootring.

In het tweede lid van artikel 6 van het Besluit is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld betreffende de afgifte en kenmerken van gesloten pootringen. Op grond van artikel 1 onder e van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens – zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en voor zover hier van belang – wordt onder een ‘gesloten pootring’ verstaan een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt.

Verweer van de verdediging

Artikel 5, eerste lid in verband met artikel 6, eerste lid, van het Besluit vormt een uitzondering op het verbod van artikel 13, eerste lid, Ffw. De wettelijke regeling legt op de houder de plicht aan te tonen dat de vrijstellende omstandigheden aanwezig zijn. Het ligt derhalve op de weg van de verdachte om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat het uitzonderingsgeval zich voordoet. Voor zover het verweer van de verdediging inhoudt dat sprake is van een omkering van de bewijslast, miskent de verdediging de wettelijke regeling en wordt het verweer reeds om die reden verworpen.

Het verweer van de verdediging komt er – zo begrijpt het hof – op neer dat de uitzondering van toepassing is. De verdediging heeft de waarnemingen en de bevindingen van de verbalisanten die het onderzoek aan de in beslag genomen vogels en pootringen hebben uitgevoerd, betwist. Voorts heeft de verdediging bepleit dat de (foto’s van de) ringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze niet meer voorhanden zijn.

Artikel 5, eerste lid, van het Besluit kent cumulatieve eisen: naast de eis van de pootring moet de houder kunnen aantonen dat de vogels gefokt zijn.

Gelet hierop had het op de weg van de verdediging gelegen om het verweer te onderbouwen met gegevens en stukken om aan te tonen dat de vogels gefokt zijn. Dan had de verdediging immers precies kunnen aangeven welke vogel van welke ring voorzien was én de legale herkomst van de vogels kunnen aantonen (aantoonbare kweek door de verdachte ofwel aantoonbare kweek door degene van wie hij de vogels had verkregen).

Ook om die reden dient het verweer te worden verworpen.

Vervolgens overweegt het hof als volgt.

Metingen

De verdediging heeft betoogd dat niet is gebleken dat de metingen zijn uitgevoerd met een geijkte meter en dat de verbalisant deskundig genoeg was om de meter te hanteren. De meetapparatuur voldoet niet aan de Metrologiewet juncto het Meetinstrumentenbesluit, aldus de verdediging. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze wet- en regelgeving geen betrekking heeft op het meten van pootringen van beschermde inheemse vogels. De controle van de juistheid vindt (onder meer) plaats aan de hand van de omvang daarvan, van visueel waarneembare vervormingen, werktuigsporen, het kweeknummer, het jaartal van de pootring en de herkomst daarvan. [verbalisant 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018 verklaard dat altijd sprake is van een zogenaamd “en/en-verhaal”, waarbij meerdere indicaties erop wijzen dat er met de ring is geknoeid. Het meten is niet leidend. Bij alleen een geringe afwijking bij het meten, zal [verbalisant 1] niet zeggen dat er met de ring is geknoeid. Bovendien meet hij de binnendiameter van de ring in het voordeel van de houder. [verbalisant 5] heeft in zijn brief d.d. 17 april 2019 gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 3 mei 2019 bevestigd dat sprake is van een “en/en-verhaal”. Sporen van deuken van de tang bij het terug knijpen naar de juiste diameter, een uitgeholde c.q. uitgeboorde ring, een gebroken ring en een ring die ovaal of taps is, zijn kenmerken van geknoei met de betreffende ring. Bij twijfel wordt de vogel niet in beslag genomen. [verbalisant 4] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 februari 2020 eveneens bevestigd dat het opmeten van de pootring slechts een onderdeel van de controle in zijn totaliteit vormt.

Voorts heeft het hof geen wettelijke basis kunnen vinden voor het kennelijk door de verdediging gestelde vereiste van ijking van de meetapparatuur die bij de controle c.q. de opsporing in het kader van de Ffw wordt gebruikt.

Het hof heeft evenmin een wettelijke basis kunnen vinden voor het kennelijk door de verdediging ingenomen standpunt dat de ambtenaar die de meting met de schuifmaat verricht, dient te voldoen aan bepaalde opleidings- dan wel deskundigheidsvereisten. In dit verband wijst het hof op de verklaring van [verbalisant 1] zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij toezichthouder en districtsinspecteur op het gebied van inheemse beschermde diersoorten is en redelijk wat expertise heeft. Hij heeft veel verstand van Europese inheemse vogels en heeft werk technisch bezien veel vogels, ongeveer 10.000 tot 20.000, in handen gehad om ze te controleren. Hij voert in Nederland de meeste controles uit op dit gebied. Het controleren van de ringen doet hij op grond van zijn ervaring. [verbalisant 5] heeft bij brief d.d. 17 april 2019 naar voren gebracht dat hij 30 jaar bij de politie heeft gewerkt, waarbij hij een basis milieu cursus en een voortgezette milieucursus heeft gevolgd. Een onderdeel van deze cursus was de gehele groene wetgeving. Hij is vrijwilliger geweest van de AID (nu NVWA) in de functie controleur vogelwet en heeft hiervoor een examen afgelegd. In 2006 is hij BOA groene brigade bij de provincie Limburg geworden. Tot 2016 is hij ook nog gastdocent geweest voor de politieacademie in Lelystad, waar hij les gaf in de handhaving van de Flora- en faunawet. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding aan de kundigheid van deze verbalisanten te twijfelen. Datzelfde geldt ten aanzien van [verbalisant 4] . Het hof komt met het voorgaande tot de conclusie dat de door de verbalisanten gerelateerde waarnemingen en bevindingen met betrekking tot de onjuistheid van het formaat van de pootringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Beschadigingen

De verdediging heeft betoogd dat geen (technisch) onderzoek is gedaan naar de oorzaak van de mogelijke beschadigingen van de pootringen.

Het hof herhaalt dat het verboden is beschermde inheemse vogels onder zich te hebben, tenzij de houder kan aantonen dat deze vogels zijn gefokt en zijn voorzien van een gesloten pootring als bedoeld in artikel 1 onder e van de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens. Nog afgezien van de bewijslast die op grond van de wettelijke regeling op de houder rust, is het hof verder van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door de verbalisanten waargenomen sporen op de pootringen of vervormingen van de pootringen een andere oorzaak hebben dan menselijke manipulatie. [verbalisant 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 december 2018 verklaard dat de beschadigingen die hij constateert niet ontstaan door het vliegen van de vogel tegen de tralies. Ringen zijn dermate stevig dat zulke beschadigingen niet ontstaan doordat een vogel in het gaas zit met zijn pootje, aldus [verbalisant 1] . Het hof begrijpt uit de brief van [verbalisant 5] d.d. 17 april 2019 dat hij het evenmin aannemelijk acht dat de beschadigingen zijn ontstaan door een onderlinge ruzie van vogels of tegen het gaas vliegen. Voorts heeft [verbalisant 5] naar voren gebracht dat de criteria op grond waarvan hij de vogels in beslag neemt, zoals werktuigsporen op de ringen, opengeknipte ringen, geheel vervormde ringen, absoluut geen gebreken zijn die reeds bestaan bij aanlevering van de ringen aan fokkers. Het hof begrijpt uit de verklaring van [verbalisant 4] , zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 februari 2020, eveneens dat hij het niet aannemelijk acht dat de geconstateerde beschadigingen zijn aangebracht door de vogel zelf. Hij heeft verklaard dat aan de beschadiging is te zien of deze is ontstaan door de vogel zelf of sprake is van menselijke manipulatie. Een vogel beschadigt zichzelf niet snel. Voorts heeft [verbalisant 4] verklaard dat de ringen niet bij het meten door hem of zijn collega’s worden beschadigd.

Te grote pootringen

In de bijlage bij de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens worden de maximale diameters van de pootringen per vogelsoort voorgeschreven. Waar in het onderzoek is vastgesteld dat een andere, grotere diameter van de pootring dan voorgeschreven is aangetroffen bij de controle van de vogels, is er naar het oordeel van het hof sprake van het ringen met een te grote pootring. Het is dan ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Regeling aan de houder om de noodzaak aannemelijk te maken dat in verband met de dikte van de poot de vogel mocht worden geringd met een grotere dan voor de betreffende vogel voorgeschreven diameter van de pootring. Zo’n omstandigheid is door de verdediging niet gesteld en is het hof evenmin gebleken.

Verantwoordelijkheid van de verdachte na de verkoop en aflevering van de vogels

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat niet is uit te sluiten dat de verdachte de juiste vogels met de juiste ringen heeft geleverd en dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] vervolgens die ringen hebben gebruikt en gemanipuleerd om andere vogels te ringen. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. Dit zou immers betekenen dat – uitgaande van de juistheid van het standpunt van de verdachte, dat de juiste pootringen aanwezig waren ten tijde van de verkoop – de kopers deze zouden hebben verwisseld voor gemanipuleerde ringen. Het hof houdt het ervoor dat de door de kopers gekochte beschermde inheemse vogels bij de aankoop al waren voorzien van een onjuiste pootring. Gebleken is dat bij de verdachte aangetroffen beschermde inheemse vogels niet waren voorzien van een juiste pootring. Daarbij komt dat de verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat de door hem verkochte vogels waren voorzien van gemanipuleerde pootringen. Zoals reeds is overwogen, ziet het hof geen aanleiding aan de totstandkoming en inhoud van die verklaring te twijfelen. De bij de afnemers aangetroffen beschermde inheemse vogels met een onjuiste pootring waren afkomstig van de verdachte, zo is ook gebleken aan de hand van het [kweeknummer 1] op de pootringen, het kweeknummer van de verdachte. Het hof acht evenmin aannemelijk dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zich schuldig hebben gemaakt aan hergebruik van pootringen met het [kweeknummer 1] van gestorven vogels die zij dan eerder van verdachte moeten hebben gekocht.

Bewijsuitsluiting

Ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de (foto’s van de) ringen overweegt het hof dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 februari 2020 in de gelegenheid is gesteld 95, betrekking hebbend op feit 3, bij de verdachte in beslag genomen ringen te onderzoeken. Het hof ziet daarom geen aanleiding die (foto’s van de) ringen uit te sluiten van het bewijs. Ten aanzien van de overige ringen verwijst het hof naar het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] d.d. 2 augustus 2018 waarin is gerelateerd dat bij het loslaten de ringen worden afgeknipt en de ringen door het knippen zo worden vervormd dat de foute kenmerken, zoals taps toelopend craquelé beschadigingen, niet meer zichtbaar zijn. Derhalve had onderzoek aan de geknipte ringen, zoals door de verdediging is gesuggereerd, indien deze nog voorhanden zouden zijn geweest, ook geen ander licht op de zaak kunnen werpen.

Op grond van het voorgaande is gebleken dat bij de in de bewezenverklaring vermelde vogels niet werd voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden, zodat van enige vrijstelling van de verboden van artikel 13, eerste lid, van de Ffw geen sprake is.

Het hof verwerpt het verweer.

Mitsdien is het bewezen verklaarde strafbaar.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 schuldig gemaakt aan het bemachtigen en vervolgens verkopen van beschermde inheemse vogels. Voorts werd bij de verdachte een dode barmsijs aangetroffen. Op 26 maart 2013 werden in totaal 95 beschermde inheemse vogels en op 16 mei 2013 10 beschermde inheemse vogels bij de verdachte aangetroffen, die telkens niet vielen onder de vrijstellingsregeling. Het hof betrekt bij de strafoplegging voorts dat met de bescherming van inheemse diersoorten ecologische en maatschappelijke belangen zijn gemoeid. De verdachte heeft zich daar kennelijk niets van aangetrokken en slechts gehandeld met het oog op eigen (financieel) gewin. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 februari 2020, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2011 een transactie heeft voldaan ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Uit voormeld uittreksel volgt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 22 februari 2019, waaruit blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig. De verdachte heeft naar voren gebracht dat zijn lichamelijke klachten aan zijn rug en de jicht zullen opspelen en verergeren mocht hij in detentie komen. Bijkomend gevolg van een gevangenisstraf zou het verbreken van het contact met zijn (klein)kinderen zijn, die dit vooraf hebben aangekondigd. Er zijn mogelijkheden om een taakstraf uit te voeren en er zijn geen financiële mogelijkheden om een boete te betalen.

Tot slot heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit een ter terechtzitting van 26 februari 2020 overgelegde e-mail van verdachte aan zijn raadsman d.d. 23 februari 2020 en voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, met het oog op een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, in beginsel niet worden volstaan met een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof – evenals de rechtbank – een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren in beginsel passend.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld. Van voormeld uitgangspunt kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het hof stelt vast dat van de zijde van de verdachte op 18 december 2015 hoger beroep is ingesteld. Het hof zal bij arrest van heden – 25 maart 2020 – einduitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met twee jaren en ongeveer drie maanden overschreden. Naar het oordeel van het hof is die overschrijding slechts in beperkte mate toe te schrijven aan de onderzoekswensen – en daarmee de invloed van – de verdediging. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van de verdachte meewegen bij de strafoplegging, in die zin dat in plaats van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest zal worden opgelegd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Beslag

Het hof zal bepalen dat de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven vogels, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De in het dictum nader te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven vogel, te weten één dode kanarie, die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven werd aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een dode vogel in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 95,00 aan materiële schade.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij afgewezen en is de benadeelde partij veroordeeld in de kosten van de verdachte, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 95,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [betrokkene 1] is toegebracht tot een bedrag van € 95,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 57, 60 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één vogel, 1 dode barmsijs;

- één vogel, vink (Fringilla coelebs);

- drie vogels, putters (Carduelis carduelis);

- vier vogels, sijzen (Carduelis spinus);

- twee vogels, kneuen (Carduelis cannabina).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- één vogel, 1 dode kanarie.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 95,00 (vijfennegentig euro) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 95,00 (vijfennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.F. Stamhuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Karsdorp, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. E.F. Stamhuis zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De paginanummers die hierna worden genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Limburg, Team Milieu, [onderzoek] , [onderzoeksnummer] , [proces-verbaalnummer] , afgesloten d.d. 11 september 2014. De processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 De paginanummers die hierna worden genoemd, verwijzen naar pagina’s van het proces-verbaal van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, genummerd LID 26-3-2013 10.00/EO, aantal volgbladen: 47. De processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

3 De paginanummers die hierna worden genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Ministerie van Economische Zaken, Team Landbouw en Natuur Tm Natuur, genummerd 95341/74532, aantal bladzijden: 5, met 1 bijlage. De processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.