Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1065

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
20-002894-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002894-16

Uitspraak : 16 maart 2020

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 maart 2014, parketnummer 03-700584-13 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van ‘poging tot doodslag, meermalen gepleegd’ (het primair ten laste gelegde feit) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Tot slot is bij voormeld vonnis de onder verdachte in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op 13 september 2016 - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen ter zake van het primair ten laste gelegde, meermalen gepleegd en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede tot tweemaal een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zullen worden toegewezen tot een bedrag van elk € 600,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en bepaling van de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 dagen. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen personenauto van verdachte verbeurd zal worden verklaard.

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit alsmede de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen en teruggave van de personenauto aan verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd en bovendien omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep op 19 november 2018 - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 september 2013 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 2] , hoofdagent van politie, en/of [benadeelde 1] , agent van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto:

- met (zeer) hoge snelheid op de A76 heeft gereden en - terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, althans heeft getracht voornoemde politieauto van de weg te rijden, althans te drukken,

- vervolgens op genoemde A76 met (zeer) hoge snelheid is blijven rijden en

- terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd en in aanrijding of botsing is gekomen met genoemde politieauto waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt,


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 september 2013 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Limburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] , hoofdagent van politie, en/of [benadeelde 1] , agent van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid op de A76 heeft gereden en - terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, althans heeft getracht voornoemde politieauto van de weg te rijden, althans te drukken,

- vervolgens op genoemde A76 met (zeer) hoge snelheid is blijven rijden en

- terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed - de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts heeft gestuurd en in aanrijding of botsing is gekomen met genoemde politieauto, waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 september 2013, in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Limburg, [benadeelde 2] , hoofdagent van de politie, en/of [benadeelde 1] , agent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend:

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid op de A76 gereden terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed, de door hem bestuurde personenauto naar rechts gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, althans getracht voornoemde politieauto van de weg te rijden, althans te drukken, en

- is hij, verdachte, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto vervolgens op genoemde A76 met (zeer) hoge snelheid blijven rijden en heeft hij, verdachte, terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen), waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts gestuurd en is de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in aanrijding of botsing gekomen met genoemde politieauto waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2016 overwogen dat uit de bewijsvoering ter zake van de bij het arrest van het hof van 15 juli 2014 onder primair bewezen verklaarde stuurbewegingen het opzet van de verdachte op de dood niet zonder meer kan worden afgeleid, mede in aanmerking genomen dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de eerste stuurbeweging niets heeft vastgesteld waaruit kan volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was, terwijl dit evenmin zonder meer kan volgen uit de ten aanzien van de onder de tweede stuurbeweging vastgestelde omstandigheden waaronder de auto van de verdachte in aanraking is gekomen met het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] .

Na de terugwijzing door de Hoge Raad heeft nader onderzoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in het deskundigenrapport ‘Risico op zwaar lichamelijk letsel of overlijden politieagenten bij een incident op 28 sept. 2013’, opgesteld door [deskundige] d.d. 5 juli 2018, en het aanvullend proces-verbaal d.d. 6 februari 2019 van [politiebeambte 1] , brigadier van politie, werkzaam als verkeersspecialist ongevallen-analyse.

Het hof heeft thans, mede op basis van de nader uitgebrachte rapportages, evenals de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken, immers is:

  • -

    ten aanzien van de eerste ten laste gelegde stuurbeweging naar rechts niet komen vast te staan waar precies deze heeft plaatsgevonden en wat de omstandigheden ter plaatse waren, zodat niet kan worden vastgesteld dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop respectievelijk met zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] waarschijnlijk was;

  • -

    ten aanzien van de tweede ten laste gelegde stuurbeweging naar rechts op grond van de nadere uitgebrachte rapporten, zoals hiervoor vermeld, komen vast te staan dat een ongeval met dodelijke afloop respectievelijk met zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (heel) klein was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 september 2013 in de gemeente Stein [benadeelde 2] , hoofdagent van de politie, en [benadeelde 1] , agent van politie, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto:

- met hoge snelheid op de A76 gereden terwijl zich rechts naast hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen) waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts gestuurd in de richting van voornoemde politieauto, en

- is hij, verdachte, met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto vervolgens op genoemde A76 met hoge snelheid blijven rijden en heeft hij, verdachte, terwijl zich rechts naast dan wel rechts kort achter hem een motorrijtuig (politieauto met in werking zijnde optische signalen), waarin genoemde [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gezeten waren, reed, de door hem, verdachte, bestuurde personenauto naar rechts gestuurd en is de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met genoemde politieauto waardoor genoemde politieauto van de weg werd gedrukt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Door de verdediging is ook ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd:

  1. dat, als de gevaren voor het intreden van de dood of het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heel erg mee blijken te vallen, je objectief bezien niet de vrees voor je leven of voor zwaar lichamelijk letsel kunt ervaren;

  2. dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich bij de eerste stuurbeweging naar rechts bewust was van de aanwezigheid van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] rechts achter hem;

  3. dat het opzet van verdachte niet gericht was op de bedreiging van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , maar op het ontkomen aan een aanhouding.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

  1. Op zaterdag 28 september 2013, omstreeks 03.10 uur, zien de verbalisanten [politiebeambte 2] en [politiebeambte 3] in Heerlen de verdachte in diens personenauto, een Audi A4 Quattro, rijden. De verdachte negeert hun stopteken, waarna een wilde achtervolging ontstaat.

  2. De verdachte heeft, naar eigen zeggen, “last van frustratie” wanneer de politie achter hem aan komt en hij gaat “wat meer gassen”. Hij probeert te ontkomen aan de politie.

  3. De verdachte rijdt via een groenvoorziening en over een fietspad. Vervolgens rijdt hij over een voetgangersoversteekplaats waarbij hij twee meisjes op ongeveer 50

centimeter passeert. De meisjes kunnen een aanrijding met de auto van de verdachte voorkomen door weg te springen vlak voordat de verdachte hen passeert.

Verbalisanten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] reageren op de melding van de achtervolging en komen te rijden achter de auto van de verdachte en het dienstvoertuig van [politiebeambte 2] en [politiebeambte 3] . Het door [benadeelde 1] bestuurde opvallende dienstvoertuig heeft de blauwe zwaailichten in werking.

Een andere politieauto blokkeert de rijbaan van de verdachte. De verdachte rijdt op die politieauto af, die achteruit moet rijden om een aanrijding met de verdachte te voorkomen.

Bij rotondes en verkeerslichten kan de verdachte afstand nemen, aangezien [benadeelde 1] – anders dan de verdachte – afremt om andere weggebruikers niet in gevaar te brengen.

De verdachte rijdt door rood licht en via de voorsorteerstrook voor recht doorgaand verkeer rechtsaf de N281 op. Daarbij passeert hij een auto die staat voorgesorteerd om naar rechts af te slaan.

Op de N281, waar een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur geldt, rijdt de verdachte over een afstand van ongeveer vier kilometer met een snelheid van 170 kilometer per uur. De verdachte haalt met die snelheid het overige verkeer op de N281 in. Door het snelheidsverschil ontstaat gevaar voor dat overige verkeer.

De verdachte beweegt zijn auto op de N281 zigzaggend van links naar rechts, kennelijk om te voorkomen dat hij wordt ingehaald. Hierdoor worden [politiebeambte 2] en [politiebeambte 3] ernstig gehinderd. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wordt hierdoor de weg afgesneden.

De verdachte rijdt verder richting de A76 waar een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur geldt. Hij vervolgt zijn weg over de A76 richting de Belgische grens met een snelheid van 170 à 180 kilometer per uur.

Op de A76 doet [benadeelde 1] diverse pogingen om de verdachte in te halen, maar dit lukt niet omdat de verdachte de auto van [benadeelde 1] de weg blokkeert.

Uiteindelijk lukt het [politiebeambte 3] om vóór de verdachte te gaan rijden. [benadeelde 1] gaat aan de rechterzijde van de verdachte rijden. De blauwe zwaailichten van de auto van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn nog in werking. Achter verdachte reed het opvallende politievoertuig bestuurd door [politiebeambte 4] met [politiebeambte 5] als bijrijder. Verdachte werd aldus door de drie politievoertuigen ingesloten en kon geen kant meer op. Terwijl het dienstvoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich rechts naast dan wel rechts kort achter de auto van de verdachte bevindt, stuurt de verdachte zijn auto naar rechts. [benadeelde 1] moet krachtig remmen om een aanrijding met de verdachte te voorkomen. De snelheid van het achter de verdachte rijdende politievoertuig bedraagt dan 130 kilometer per uur. De auto van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wordt ternauwernood niet geraakt door de auto van de verdachte.

[politiebeambte 2] en [politiebeambte 3] rijden dan nog vóór de verdachte. [benadeelde 1] gaat wederom rechts schuin achter/naast de verdachte rijden. De snelheid neemt af, omdat [politiebeambte 3] begint te remmen. [benadeelde 1] blijft rechts enigszins schuin achter de verdachte rijden. Op dat moment ziet [benadeelde 1] dat de verdachte gedurende ten minste drie seconden naar rechts kijkt. Terwijl het dienstvoertuig van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich rechts naast dan wel rechts kort achter de auto van de verdachte bevindt, stuurt de verdachte zijn auto wederom naar rechts. De snelheid van het achter de verdachte rijdende politievoertuig van [politiebeambte 4] bedraagt dan 97 kilometer per uur.

Door de hiervoor onder (m) genoemde stuurbeweging van de verdachte rijdt hij met de rechter achterzijde van zijn Audi tegen de linker voorzijde van het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . [benadeelde 1] stuurt direct hard naar links om niet van de weg gedrukt te worden; hij heeft verklaard dat hij nog nooit zo heftig heeft moeten reageren om het dienstvoertuig op de weg te houden.
De Audi blijft tegen het dienstvoertuig aandrukken, waardoor dit uit zijn rechte lijn wordt gedrukt. De Audi schampt voor langs het dienstvoertuig en draait vervolgens rechtsom voor het dienstvoertuig langs, terwijl er op dat moment nog steeds contact is tussen beide voertuigen. Het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] schuift de berm in, gelegen tussen de rechter rijbaan van de A76 en de daarnaast gelegen oprit vanuit Stein. [benadeelde 1] duwt vol op de rem om tot stilstand te komen.

Op verschillende momenten tijdens de achtervolging hebben [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gevreesd dat zij zouden verongelukken en daarbij zouden komen te overlijden dan wel zwaar gewond zouden raken.

De in de tenlastelegging omschreven twee stuurbewegingen van de verdachte naar rechts betreffen de hiervoor onder (l) en (m) genoemde stuurbewegingen.

bedreiging

Voor bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling is onder meer vereist:

a.dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen althans zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen;

b.dat het opzet van de bedreiger daar ook op gericht was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

ten aanzien van a

Voor de beantwoording van de door de verdediging opgeworpen vraag of [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zich door de handelingen van de verdachte in redelijkheid bedreigd kunnen hebben gevoeld, is naar het oordeel van het hof het volgende van belang.

De verdachte is met zijn auto op de vlucht geslagen toen hij een stopteken kreeg van de politie. Dit heeft geleid tot een wilde achtervolging gedurende circa tien minuten, waarbij meerdere politieauto’s betrokken waren en waarbij de verdachte op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de verkeersregels en moedwillig andere weggebruikers, zoals twee op een voetgangersoversteekplaats overstekende meisjes die maar ternauwernood op tijd konden wegspringen, in (levens)gevaar heeft gebracht.

De achtervolgende politiepatrouilles probeerden de verdachte uiteindelijk op de A76 tot stoppen te dwingen door voor, naast en achter de verdachte te gaan rijden. Toen de verdachte werd ingesloten, heeft hij tot tweemaal toe rijdend met hoge snelheid een stuurbeweging naar rechts gemaakt.

Als gevolg van de eerste stuurbeweging naar rechts hebben de verbalisanten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , die in de naast verdachte rijdende politieauto zaten, een aanrijding kunnen voorkomen door krachtig af te remmen. De dienstauto van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] werd ternauwernood niet geraakt door de auto van de verdachte.

Als gevolg van de tweede stuurbeweging naar rechts is een aanrijding ontstaan met de op dat moment naast/kort achter de auto van verdachte rijdende politieauto waarin de verbalisanten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zaten.

Op verschillende momenten tijdens de achtervolging hebben [benadeelde 2] en [benadeelde 1] gevreesd dat zij zouden verongelukken en daarbij zouden komen te overlijden dan wel zwaar gewond zouden raken.

Naar het oordeel van het hof zijn de twee stuurbewegingen van verdachte zoals bewezen verklaard onder zodanige omstandigheden geschied dat zij in het algemeen geschikt zijn bij de inzittenden van de aldus weggedrukte auto de vrees teweeg te brengen dat de verdachte aldus een verkeersongeluk zou veroorzaken die de dood althans zwaar lichamelijk letsel van hen ten gevolge zou kunnen hebben. Derhalve heeft bij [benadeelde 2] en [benadeelde 1] die vrees in redelijkheid kunnen ontstaan. Het enkele feit dat volgens de deskundige Wismans de door de verdachte verrichte tweede stuurbeweging – mede gelet op de goede staat van de politieauto en het adequate rijgedrag van bestuurder [benadeelde 1] – “slechts” een kleine kans in het leven heeft geroepen dat de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen of het leven zouden verliezen, staat er niet aan in de weg dat bij de verbalisanten in de gegeven omstandigheden wel de redelijke vrees daarvoor kon ontstaan.

ten aanzien van b

Door de raadsman is aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat verdachte bij de eerste stuurbeweging naar rechts zich bewust was van de aanwezigheid van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en

dat het opzet van de verdachte niet gericht was op de bedreiging van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , maar op het ontkomen aan een aanhouding.

Het hof overweegt als volgt.

- bewustheid van de aanwezigheid van [benadeelde 2] en [benadeelde 1]

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet heeft gezien en dat hij slechts een dienstvoertuig vóór zich en een dienstvoertuig achter zich heeft gezien.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [benadeelde 2] en [benadeelde 1] reeds in Heerlen betrokken zijn geraakt bij de achtervolging van de verdachte, dat zij reden in een opvallend dienstvoertuig met oranje en blauwe retro reflecterende striping en in werking gestelde zwaailichten en dat de verdachte zowel op de N281 als vervolgens op de A76 heeft belet dat hij door het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] zou worden ingehaald.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat ten tijde van de onder (l) en (m) genoemde stuurbewegingen er een dienstvoertuig vóór hem ( [politiebeambte 2] en [politiebeambte 3] ), een dienstvoertuig achter hem ( [politiebeambte 4] en [politiebeambte 5] ) en een dienstvoertuig rechts naast/schuin achter hem ( [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ) reed. [politiebeambte 4] en [politiebeambte 5] hebben ook gerelateerd dat verdachte was ingesloten door de drie politievoertuigen die op korte afstand van hem vóór, achter en opzij van hem reden (dossierpagina’s 15-16). Ten aanzien van de tweede stuurbeweging onder (m) geldt voorts dat [benadeelde 1] heeft gezien dat de verdachte gedurende ten minste drie seconden naar rechts heeft gekeken, voordat de verdachte die stuurbeweging inzette in de richting van het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen [benadeelde 1] daarover in zijn aangifte heeft verklaard.

- opzet op bedreiging

Het hof wil wel aannemen dat het tot tweemaal toe naar rechts sturen meer moet worden geduid als doelbewuste acties van de verdachte om aan de politie te ontkomen en dat verdachte niet als doel had de verbalisanten vrees aan te jagen, en wellicht zelfs van vol opzet op het doen ontstaan van vrees geen sprake was. Het hof acht echter wel voorwaardelijk opzet aanwezig en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgen de omstandigheden die hiervoor onder het kopje ten aanzien van a zijn weergegeven.

Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat verdachte gedurende tien minuten in een wilde achtervolging aan de politie heeft willen ontkomen, onder meer door het bijna inrijden op een politieauto en het door slingerend beletten dat opvallende –optische signalen voerende- politieauto’s hem zouden inhalen, waarna hij uiteindelijk door drie opvallende politieauto’s volledig werd ingesloten. Het hof is van oordeel dat het gezien het verloop van de achtervolging niet anders kan dan zijn dan dat verdachte zich van die insluiting bewust is geweest. Dit betekent dat verdachte bij het met hoge snelheid naar rechts sturen, wetende dat rechts naast of schuin achter hem met eenzelfde snelheid een politieauto rijdt, - bij gebrek aan contra-indicaties- moet hebben (en dus heeft) beseft en aanvaard dat bij de inzittenden van die auto door de bewuste stuurbeweging de redelijke vrees zou ontstaan dat zij het leven zouden laten of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ten gevolge daarvan zich bedreigd zouden voelen met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling.

Het meer subsidiair ten laste gelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling

meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof neemt daarbij de navolgende omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee politieambtenaren die waren belast met de taak te zorgen voor de handhaving van de openbare orde en de veiligheid. De verdachte is met zijn auto op de vlucht geslagen toen hij een stopteken kreeg van de politie. Dit heeft geleid tot een wilde achtervolging gedurende circa tien minuten, waarbij meerdere politieauto’s betrokken waren en waarbij de verdachte op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de verkeersregels en moedwillig andere weggebruikers, zoals twee op een voetgangersoversteekplaats overstekende meisjes die ternauwernood op tijd konden wegspringen, in (levens)gevaar heeft gebracht.

Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan aanhouding te onttrekken heeft laten prevaleren boven de veiligheid van niet alleen de verbalisanten, maar ook veiligheid van andere weggebruikers. Verdachte heeft zich daar in het geheel niet om bekommerd en het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft voorts ten bezware van de verdachte acht geslagen op de inhoud van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde meermalen onherroepelijk werd veroordeeld ter zake van verkeersdelicten, te weten overtreding van de artikelen 5 en 9 van de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op de gehele context waarbinnen het bewezen verklaarde handelen zich heeft afgespeeld is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar passend en geboden is en dat niet met een andere of lichtere straf dan deze onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming kan worden volstaan.

De advocaat-generaal heeft tevens tweemaal een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar gevorderd. Het hof acht dergelijke ontzeggingen op dit moment, ruim zes jaar na dato, echter niet meer opportuun, mede gelet op het feit dat van nieuwe delicten die de verkeersveiligheid in gevaar brengen niet is gebleken.

Beslag

Het hof zal de in beslag genomen personenauto van de verdachte, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan, verbeurd verklaren.

Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing zonder dat de verdachte in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Daarbij is aanmerking genomen dat het gaat om een auto met bouwjaar 2002 (p. 25) die door de verdachte is aangeschaft voor een bedrag van EUR 2.000,-- (p. 69).

Anders dan de raadsman ziet het hof in het lange voorarrest geen reden om de verbeurdverklaring af te wijzen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes meer subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

28 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes meer subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 600,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

28 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luiden ten tijde van het wijzen van het arrest.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto (Audi A4 Quattro, kenteken [kenteken] , kleur zwart, bouwjaar 2002, goednr. PL2432-2013105805-2252489).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2013 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.M. Sweep, griffier,

en op 16 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.