Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1043

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
20-002113-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5809, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling met de dood tot gevolg en valsheid in geschrift. De verdachte is onder het mom van het aankopen van een houten engelenbeeld en een perceel grond naar het slachtoffer toegegaan. Tijdens zijn bezoek heeft de verdachte op meerdere momenten (fors) geweld toegepast op het 72-jarige slachtoffer. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan een hartinfarct gekregen, waaraan hij is komen te overlijden. De verdachte heeft vervolgens valse koopovereenkomsten opgesteld en gebruikt om de erven op zeer slinkse wijze een bedrag van € 1.400.00,00 afhandig te maken. Daartoe heeft hij die erven in rechte betrokken en heeft hij beslag laten leggen op goederen van de nalatenschap.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Dit is een hogere straf dan de rechtbank heeft gevonnist en door het Openbaar Ministerie is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-002113-18

Uitspraak : 23 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 20 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 03-721099-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1974,

ingeschreven in de basisregistratie personen
op het adres [woonadres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid-West –
De Dordtse Poorten te Dordrecht (open kamp).

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank heeft het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’ (feit 1 subsidiair) en
- ‘opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’ (feit 2 primair),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank drie stuks inbeslaggenomen papier verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een pandbrief.

Namens de verdachte en door de officier van justitie in het arrondissement Limburg is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van gronden en met uitzondering van de beslissing tot verbeurdverklaring van drie stuks papier, het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, die drie stuks papier zal onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of (gewelddadig) geduwd, in elk geval geweld tegen die [slachtoffer] gebruikt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermalen) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of (gewelddadig) te duwen, in elk geval door het gebruik van geweld tegen die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L), toen hij, verdachte, getuige was van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten om hulp te verlenen of te verschaffen aan die [slachtoffer] , terwijl daarbij voor hem, verdachte, of voor anderen redelijkerwijs geen gevaar te duchten was, terwijl de dood van de hulpbehoevende [slachtoffer] is gevolgd;

2.
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in de gemeente Bergen (L) en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) of vervalst(e) (koop)overeenkomst(en) – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s), genoemde overeenkomst(en) heeft/hebben gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en/of om (vervolgens) beslag te laten leggen op vermogen van (de erven van) [slachtoffer] , en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die overeenkomst(en) (telkens) was/waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening (telkens) moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in de gemeente Bergen (L) en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de erven van [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van 1.400.000 euro, in elk geval van een (grote) hoeveelheid geld, en/of een of meer goed(eren), met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, met (een of meer van) zijn mededader(s)), althans alleen, van de erven van [slachtoffer] , de (terug)betaling van een geldbedrag van 1.400.000 euro heeft gevorderd in verband met (de annulering van) een koopovereenkomst en/of die vordering heeft onderbouwd met een of meer valse koopovereenkomst(en) en/of een valse factuur, welke koopovereenkomst(en) (telkens) was/waren voorzien van een valse handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] en die moest(en) strekken tot bewijs van het feit dat [slachtoffer] een bedrag van 1.400.000 euro in contanten had ontvangen van verdachte en/of zijn mededader(s) in verband met de aankoop van een beeld en/of in verband met de (aanbetaling voor) de aankoop van een stuk grond, terwijl genoemd geldbedrag van 1.400.000 euro in werkelijkheid niet door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) aan [slachtoffer] was betaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 18 maart 2014, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 22 maart 2014, in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [betrokkene] door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen om (een) misdrijf/misdrijven, te weten het (mede)plegen van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven van [slachtoffer] (art. 282 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer] (art. 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of het (mede)plegen van het wegvoeren en/of wegmaken van het lijk van [slachtoffer] , met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen (art. 151 van het Wetboek van Strafrecht) te begaan, die [betrokkene] met dat voornemen heeft verteld en/of gevraagd of hij, die [betrokkene] , met hem, verdachte, die wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of die moord en/of dat wegmaken van dat lijk wou begaan, en die [betrokkene] daartoe heeft verteld waar die [slachtoffer] te vinden zou zijn en/of hoe ze die zouden (kunnen) ontvoeren en/of dat er meerdere mogelijkheden waren om iemand dood te maken en/of waar ze het lijk van die [slachtoffer] zouden gaan dumpen (namelijk in cement van de Moerdijkbrug af in het water) en/of dat ze, althans hij, verdachte, losgeld zou(den) gaan vragen en/of welke financiële mogelijkheden daarna zouden bestaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1 primair

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met diens handelen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] . Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van hetgeen onder feit 1 primair aan hem ten laste is gelegd.

Vrijspraak van feit 3

De verdachte staat ingevolge hetgeen onder feit 3 aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van de poging tot uitlokking van [betrokkene] om samen met hem, verdachte, [slachtoffer] van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken om de oorzaak van het overlijden te verhullen en voor [slachtoffer] losgeld te vragen.

Het hof ziet zich bij de beoordeling of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt mede voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit criminele voornemen was gericht op de persoon van die [slachtoffer] . In dat verband overweegt het hof als volgt.

Getuige [betrokkene] heeft bij gelegenheid van zijn verhoren door de politie op 26 augustus 2014 (dossierpagina’s 132 e.v.) en 8 september 2014 (dossierpagina’s 140 e.v.) verklaard dat hij omstreeks begin maart 2014 door de verdachte was benaderd met het plan om iemand te ontvoeren, daarvoor losgeld te vragen en vervolgens die man om het leven te brengen door hem bijvoorbeeld in cement te storten en van de Moerdijkbrug af in het water te dumpen. De verdachte vroeg [betrokkene] dit samen met hem te doen. De man die de verdachte op het oog had, was volgens [betrokkene] de eigenaar van een privéclub c.q. bordeelhuis. Op grond van de gedetailleerde beschrijving van [betrokkene] betrof het volgens de verhorend verbalisant [verbalisant 1] vermoedelijk privéclub [bordeel] te [plaats 1] . Er was ook een mede-eigenaar. De verdachte wilde de ene eigenaar ontvoeren om van de andere eigenaar losgeld te kunnen krijgen.


De verdachte zou [betrokkene] op internet ook het huis hebben getoond van de eigenaar die hij wilde ontvoeren. Daarom heeft [betrokkene] samen met de verhorend verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op Google Maps gekeken en het betreffende huis aangewezen. Voornoemde verbalisanten hebben opgemerkt dat [betrokkene] een huis heeft aangewezen dat gelegen was aan de [adres 1] te [plaats 2] .

[betrokkene] verklaarde dat de verdachte hem vertelde dat de eigenaar wel zaken met hem, verdachte, wilde doen, maar dan moest hij wel geld zien. De verdachte wilde dat [betrokkene] een vermogend man zou spelen. Verder vertelde de verdachte aan [betrokkene] dat deze eigenaar wilde afspreken in een hotel in de buurt van zijn woning en wees [betrokkene] een hotel in Arcen aan.

Uit het procesdossier komt verder naar voren dat [betrokkene 2] de eigenaar is van genoemde privéclub. Hij is woonachtig aan [adres 2] te [plaats 2] , een straat die in het verlengde ligt van de [adres 1] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte hem had gezegd dat hij hem had gegoogled en de ligging van zijn huis kende, dat de verdachte telefonisch sprak over een rijke Turk die zijn zaak mogelijk wilde kopen en dat hij daarop op 5 maart 2014 met de verdachte in een hotel in Arcen had afgesproken omdat hij niet in zijn eigen woning met de verdachte had willen afspreken (dossierpagina’s 255 en 264).

[betrokkene] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en heeft zijn verklaring bij de politie bevestigd. [betrokkene] wist niet wie de mede-eigenaar was. De verdachte wilde het slachtoffer de keuze laten alles vrijwillig over te maken en anders zou geweld worden gebruikt, aldus [betrokkene] .

Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren dat [slachtoffer] de mede-eigenaar was van deze privéclub van [betrokkene 2] . Wel is gebleken dat [slachtoffer] daar vaker kwam, net als eerder de verdachte omdat diens toenmalige vriendin daar werkte. Ook kenden de verdachte en [slachtoffer] elkaar daarvan en had [betrokkene 2] een recht van hypotheek op de industriegrond van [slachtoffer] aan de [adres 3] in Venlo.

Op 5 maart 2014 heeft op initiatief van de verdachte, die [betrokkene 2] tevoren telefonisch had gemeld een rijke Turk te kennen die de zaak ( [bordeel] ) van [betrokkene 2] mogelijk zou willen kopen, tussen de verdachte en [betrokkene 2] een zakelijke ontmoeting plaatsgevonden in een hotel in Arcen, vlakbij de woning van [betrokkene 2] . Dit komt aardig overeen met wat volgens de verklaring van [betrokkene] het plan van de verdachte was. In het hotel is gesproken over de verkoop van de zaak van [betrokkene 2] en over de verkoop van het stuk grond van [slachtoffer] door [slachtoffer] en [betrokkene 2] . De ‘rijke’ Turk was daar niet bij omdat deze volgens de verdachte op dat moment op Mallorca zou verblijven. De vervolgafspraak vond plaats op 15 maart 2014 in een hotel in Venlo, waarbij naast de verdachte en de beweerdelijke zoon van zijn ‘rijke’ Turkse zakenpartner (die aanwezig was omdat de zakenpartner zelf een gebroken heup zou hebben), behalve [betrokkene 2] ook [slachtoffer] aanwezig was (dossierpagina’s 255 en 263-264).

Al deze feiten en omstandigheden maken dat het hof de verklaringen van [betrokkene] betrouwbaar acht, nu deze steun vinden in het procesdossier. Op grond van het voorgaande is voor het hof echter niet boven redelijke twijfel verheven dat het voornemen om iemand van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken zag op [slachtoffer] . Hoewel een enkele passage uit het verhoor van [betrokkene] bij de raadsheer-commissaris daarop zou kunnen wijzen, wijzen andere passages in diens verklaringen en diverse andere feiten en omstandigheden niet op die [slachtoffer] , maar eerder op [betrokkene 2] als zijnde de persoon op wie de verdachte het gemunt had. Gelet op deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof het onder feit 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen. Mitsdien zal het hof, even als de rechtbank, de verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 22 maart 2014 te Well in de gemeente Bergen (L) [slachtoffer] heeft mishandeld door het gebruik van geweld tegen die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.
hij in de periode van 22 maart 2014 tot en met 5 november 2014 in Nederland meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse (koop)overeenkomsten – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, genoemde overeenkomst(en) heeft gebruikt als titel om (in rechte) van de erven van [slachtoffer] een geldbedrag van 1.400.000 euro te vorderen en om vervolgens beslag te laten leggen op vermogen van de erven van [slachtoffer] , en bestaande die valsheid hierin dat die overeenkomsten telkens waren voorzien van een valse handtekening, welke handtekening telkens moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, in het onderzoek 23TG1404, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , brigadier van politie, gesloten d.d. 21 juli 2016, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-1280.

1.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] d.d. 23 maart 2014, dossierpagina’s 358-359, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] , afgelegd op 22 maart 2014:

Ik woon sinds 2004 op het adres [woonadres slachtoffer] te Well (Lb), binnen de gemeente Bergen (L), samen met mijn vriend [slachtoffer] . Ik ben vanmorgen naar Venlo gegaan. We spraken af dat ik [slachtoffer] zou bellen hoe laat ik naar huis zou komen zodat hij mij dan van de bushalte zou komen afhalen.

Om 19.15 uur heb ik [slachtoffer] op zijn mobiele telefoon gebeld. Ik kreeg [slachtoffer] aan de lijn en vertelde dat ik omstreeks 20.30 uur in Well zou zijn. [slachtoffer] zei toen dat ik moest bellen op het moment dat ik in Well zou zijn.

Toen ik om 20.30 uur in Well was heb ik [slachtoffer] op zijn mobiele nummer gebeld. Ik hoorde dat de telefoon wel overging maar deze werd niet opgenomen. Hierop ben ik naar huis gelopen. Dit duurt ongeveer 20 minuten naar mijn schatting.

Toen ik bij de voordeur aangekomen was, zag ik dat deze open stond. (…) Toen ik vervolgens de woning betrad zag ik dat in de gehele woning licht brandde. Verder zag ik dat de deur naar de slaapkamer compleet vernield was. Ik ben vervolgens naar [slachtoffer] gaan zoeken en trof hem bloedend aan in de kelder.


2.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] d.d. 23 maart 2014, dossierpagina’s 360-374, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] :

Gisteren, zaterdag 22 maart 2014, zei [slachtoffer] dat hij ’s avonds bezoek zou krijgen, om ongeveer 18.00 uur of 19.00 uur.

Om 19.15 uur had ik [slachtoffer] gebeld. (…) Tijdens het gesprek vroeg ik aan [slachtoffer] hoe hij zich voelde en ik vroeg hem of de vrienden er al waren. [slachtoffer] zei dat die er nog niet waren. (…) Hij zei dat het goed ging.

Vraag verbalisanten: Hoe laat was u met de bus in Well?
Antwoord getuige: Om 20.25 uur. (…) Ik ging weer met [slachtoffer] bellen, nadat ik uit de bus was gestapt. Ik hoorde dat zijn telefoon wel over ging, maar er werd niet opgenomen. (…) In mijn telefoon kunt u nog zien dat:
- ik om 7.17 uur (het hof begrijpt: p.m.) heb gebeld met [slachtoffer] , 41 seconden.
- ik om 8.29 uur (het hof begrijpt: p.m.) heb gebeld met [slachtoffer] , 3 seconden. Toen nam hij niet op.

Opmerking verbalisant:

Ik zie in de telefoon van de getuige dat zij op 22 maart 2014 op genoemde tijdstippen 2 uitgaande gesprekken heeft met het telefoonnummer van [slachtoffer] .


Toen ben ik naar huis gelopen. Ik heb daar 20 minuten over gedaan.
Ik ben via de voordeur naar binnen gelopen. Ik zag dat die deur open stond.

Ik zag dat de deur van de keuken naar de slaapkamer rechts open stond. Deze is normaal altijd dicht. Deze deur was helemaal kapot.

De deur van de kelder stond half open. Ik ben de trap helemaal afgelopen. Ik zag dat [slachtoffer] verderop in de kelder op de grond lag, tegen de achtermuur.

Hij [lag] op zijn buik, met zijn hoofd naar de linker muur, gezien vanuit de trap. (…) Ik zag dat zijn hoofd donkerpaars gekleurd was. Ik zag een heleboel bloed op de grond, bij zijn hoofd.
Ik zag aan zijn gezicht dat het ernstig was. Daarna ben ik snel naar de buren gerend, [buurman] en [buurvrouw] . (…) Volgens mij heeft [buurman] de ambulance gebeld.

3.
Proces-verbaal uitluisteren 112-melding d.d. 18 juni 2014, dossierpagina’s 432-433, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op zaterdag 22 maart 2014 te 21.06 uur werd er met de vaste telefoonaansluiting [telefoonnummer] gebeld naar de Meldkamer Ambulance. (…) Uit getuigenverklaringen bleek dat [buurman] de melder was.

[buurman] : Op de [woonadres slachtoffer] in Well ligt een bloedende man voorover in de kelder. Ik weet niet of hij nog leeft. (…) Hij reageert helemaal niet. (…) Volgens mij ademt hij niet meer (…) Ik denk dat hij dood is.

4.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2014, dossierpagina’s 434-436, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op zaterdag 22 maart 2014 omstreeks 21.30 uur was ik op het adres [woonadres slachtoffer] te Well in de gemeente Bergen. Ik was daar in opdracht van de meldkamer van de politie Limburg.

Ik werd op genoemd adres aangesproken door de ter plaatste ambulanceverpleegkundige [ambulancemedewerker] . (…) Ik hoorde dat [ambulancemedewerker] mij verklaarde dat hij op aanwijzing van de vriendin van de man (het hof begrijpt: [getuige 1/vriendin slachtoffer] ) naar de kelder gewezen was en dat hij daar een levenloos persoon aangetroffen had. Nadat deze man op de apparatuur aangesloten was bleek deze te zijn overleden.

5.
Deskundigenrapport van drs. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog bij The Maastricht Forensic Institute, d.d. 2 april 2014, dossierpagina’s 1150-1178, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde arts en forensisch patholoog:

Letsels

(Hof: de deskundige beschrijft diverse letsels, genummerd 1 tot en met 20.)

Letseldatering
(…)
Er werden verschillende letsels voor aanvullende datering uitgenomen. De beoordeling werd verricht volgens het daarvoor vereiste 5-stapsprotocol.
Samenvattend: alle letsels lijken op grond van de voorgaande stappen een ouderdom te hebben van minder dan een uur.
(Hof: voorafgaand (pagina’s 1169-1170) wordt steeds gesproken van “0 uren tot maximaal 1 uur”)

Definitieve sectiebevindingen

A. Uitwendig
1. Er waren aan het hoofd meerdere oppervlakkige huidbeschadigingen, deels met onderliggende zwelling, met name rechts naast de rechter wenkbrauw en links rond het oog. Tevens was er opvallende huidverscheuring van de inwendige rand van het rechter oor alsmede zwelling en geringe beschadiging van de linker helft van de bovenlip.
2. Er waren aan de armen, met name aan de buigzijde der ellebogen, oppervlakkige huidbeschadigingen.
3. Er was forse onderhuidse bloeduitstorting onder de huid van de linker hand en onder de huid van de vierde vinger van de rechter hand.
4. Er waren enkele oppervlakkige huidafschavingen aan de rug.
(…)

B. Inwendig

1. Er was onder de letsels aan het hoofd beperkte bloeduitstorting zichtbaar.
2. Er was enige bloeduitstorting onder de kapsels van de linkerslaapspier.
(…)
5. Er waren meerdere ribbreuken, zowel links als rechts, er was evenwel slechts geringe bloeduitstorting in de weke delen nabij de breuken aanwezig.
6. Er was extreme harthypertrofie (gewicht 710 gram, normaal circa 400 gram). Er waren aanwijzingen voor recente infarcering van de achter- en zijwand van de linkerkamer, alsmede het achterste 1/3 deel van het septum. Er was forse atherosclerose van de coronairen (kransslagaderen van het hart).

EPICRISE
Bij sectie werden meerdere letsels gezien aan het gelaat. Er was onderhuidse bloeduitstorting rechts naast de wenkbrauw, links rond het oog en op het achterhoofd alsmede in de linker bovenlip. Tevens waren er oppervlakkige beschadigingen van de inwendige rand van het rechteroor. Er waren ook bloeduitstortingen onder de huid van de linker hand en aan de rugzijde ven rechter vierde vinger. Tevens waren er diverse zeer oppervlakkige plekjes aan de romp.

Deze letsels waren het gevolg van herhaaldelijke inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld kan passen bij herhaaldelijk vallen, stoten of slaan. Aanvullende letseldatering bevestigde de gedachte dat er twee of meer perioden van geweldinwerking zijn geweest: een serie enige tijd voor de dood en een serie zeer kort voor de dood. De letsels leken uitwendig substantieel, echter inwendig was geen schade van dien aard dat deze letsels een grote rol van betekenis toegedicht kan worden met betrekking tot het intreden van de dood. Aanvullend neuropathologisch onderzoek bevestigde deze veronderstelling.


Bij sectie bleek sprake van een zeer ernstig ziekelijk voorbelast hart. Er was extreme hartvergroting met nu bij de LDH-test (een enzymtest voor het opsporen van recente infarcering) aanwijzingen voor een recent infarct van de achterwand en de achterste delen van de zijwand en het tussenschot van het hart. Deze bevindingen kunnen acuut onwel worden en het intreden van de dood reeds zondermeer verklaren op basis van hartfunctieverlies en/of hartritmestoornissen. Aanvullende cardiopathologie gaf aan dat er sprake was van zeer recente schade. Het zichtbaar worden van deze schade op de LDH-test geeft aan dat de inzet van de schade circa 1 à 2 uren voor het intreden van de dood is begonnen.

CONCLUSIE
De aangetroffen letsels waren uitwendig substantieel echter inwendig zeer beperkt. (…) Een deel van de letsels had kenmerken van zeer kort voor de dood opgelopen letsels, een deel leek al wat ouder. Een en ander zou een scenario van twee of meerdere momenten van geweldinwerking met een tussenliggende tijdspanne van circa 15 tot 30 minuten zondermeer plausibel maken.

6.
Deskundigenrapport van dr. P.A.M. Hofman, radioloog bij het Maastricht Universitair Medisch Centrum, d.d. 3 juni 2014, dossierpagina’s 1106-1114, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde radioloog:

Postmortaal werd van het lichaam van [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] , een totale body-CT en een MRI van de hals gemaakt, beide op 23 maart 2014 in het MUMC.

Overweging en conclusie:
Er worden tekenen gezien van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals, op de rug hoog beiderzijds en laag links op de rug en in de flank links. Er zijn letsels van beide handen en op de linker knie. Omdat de letsels zowel op de voorzijde als op de achterzijde van het lichaam aanwezig zijn, zijn de letsels niet te verklaren door een enkelvoudig uitwendig inwerkend geweld.
De diepe letsels in de hals en nek zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door een heftiger inwerkend geweld dan de meer oppervlakkig gelegen letsels in de onderhuidse vetweefsels.
De ribfracturen en de lucht in de weke delen van de borstholte zijn te verklaren door een compressie van de borst.

7.
Brief van A. Maes, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 18 augustus 2014, gericht aan het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Limburg te Maastricht, voor zover inhoudende als de bevindingen van voornoemde arts en patholoog:

Ik ben het met de patholoog Van de Goot en radioloog Hofman eens dat de letsels bij leven zijn opgelopen door herhaaldelijk inwerken van uitwendig botsend mechanisch geweld op het lichaam. De letsels kunnen passen bij stoten, vallen, ergens tegenaan botsen (…). Herhaaldelijk toegepast geweld door derden op het lichaam van [slachtoffer] is ook mogelijk. De gevonden letsels in de aangetroffen verdeling over het lichaam passen niet bij een simpele val b.v. van de keldertrap.

Het onderzoek van het hart is zondermeer adequaat uitgevoerd en ik onderschrijf de bevindingen van de heer Van de Goot. Er was sprake van een ziekelijk veranderd hart en van een groot recent hartinfarct. Het overlijden kan daarmee goed worden verklaard.

Op grond van alleen de sectiebevindingen is geen direct causaal verband vast te stellen tussen het oplopen van de geweldsinwerkingen en het ontstaan van het hartinfarct. Het is echter wel mogelijk maar niet zondermeer te bewijzen dat stressverschijnselen en pijn bij het oplopen van de verwondingen hebben bijgedragen tot het ontstaan van het hartinfarct.

8.
Proces-verbaal van sporenonderzoek en bergen van het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 22 (het hof leest: 23) maart 2018, dossierpagina’s 749-751, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] en [verbalisant 8] :

Op zondag 23 maart 2014, vanaf ongeveer 01.45 uur, hebben wij in de kelder van het pand [woonadres slachtoffer] te Well een sporenonderzoek ingesteld aan het stoffelijk overschot van het slachtoffer: [slachtoffer] .

Het slachtoffer lag in de hoek van een kelderruimte. In en rondom de mond van het slachtoffer zat bloed. Boven de rechter arm en naast de rechterzijde van het hoofd was een bloedvlek op de vloer. (…) Deze bloedvlek is ontstaan doordat er bloed uit de mond van het slachtoffer op de vloer is gelopen.

Gezien de afwezigheid van bloedspatten, die kunnen duiden op geëxpireerd bloed (uitgeademd bloed) in combinatie met de aanwezigheid van bloed in de mond van het slachtoffer, kan gesteld worden dat het slachtoffer in de door de ambulance aangetroffen positie, waarschijnlijk niet meer heeft uitgeademd.


Het slachtoffer werd door ons uitgekleed. Het navolgende kledingstuk werd veiliggesteld:
- een trui met V-hals, kleur: grijs (AAEX3424NL).

9.
Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Well op 22 maart 2014, met bijlagen, opgemaakt door dr. L.H.J. Aarts, deskundige forensisch onderzoek van biologisch sporen en DNA bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 15 oktober 2014, dossierpagina’s 968-976, met als bijlage de foto’s waarop te zien is op welke plaatsen is bemonsterd, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde deskundige:

Op de trui AAEX3424NL is bloed aangetroffen. De trui AAEX3424NL is op meerdere plaatsen bemonsterd met als doel celmateriaal te verzamelen van diegene(n) die met deze kleding in contact is (zijn) geweest.

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAEX3424NL#01 tot en met #08 bemonsteringen van een tui

(Hof: de diverse deelbemonsteringen betreffen, gelet op de fotobijlage op dossierpagina 973:
AAEX3424NL#02 de achterzijde van de kraag,
AAEX3424NL#04 de linker bovenarm,

AAEX3424NL#07 de rechter bovenzijde van de rug, rond de schouder

AAEX3424NL#08 de linker bovenzijde van de rug, rond de schouder).

Resultaten, interpretatie en conclusie
Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RABE7476NL is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

Toelichting

Trui AAEX3424NL

AAEX3424NL#02, #04 en #08

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee personen: onbekende man A en verdachte [verdachte]

niet berekend vanwege resultaten bemonstering AAEX3424NL#07

AAEX3424NL#07

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee personen: onbekende man A en verdachte [verdachte]

kleiner dan één op één miljard (afgeleid DNA-profiel)

3

Toelichting:
3. Onder de aanname dat de onbekende man A donor is van celmateriaal in de bemonstering AAEX3424NL#07 en onder de aanname dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig is van twee personen, is het DNA-profiel van de andere donor van het celmateriaal in deze bemonstering afgeleid. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RABE7476NL matcht met dit afgeleide DNA-profiel. Dit betekent dat [verdachte] donor kan zijn van celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

10.
Rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Well op 22 maart 2014, opgemaakt door drs. J. Koopman, deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 20 januari 2015, dossierpagina’s 995-997, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde deskundige:

Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] is vergeleken met de eerder verkregen DNA-profielen in deze zaak. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met de eerder verkregen DNA-profielen gekoppeld aan onbekende man A (zie het deskundigenrapport van aanvraag 002 (het hof begrijpt: bewijsmiddel 9). Vanwege deze matches en omdat de onderzochte bemonsteringen afkomstig waren van (kleding van) het slachtoffer wordt aangenomen dat het slachtoffer [slachtoffer] onbekende man A is.


11.
Proces-verbaal van onderzoek telecommunicatie d.d. 16 mei 2014, dossierpagina’s 644-650, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 9] :

Tijdens het ingestelde onderzoek zijn getuigen gehoord die verklaren over recente activiteiten van het slachtoffer. Hieruit is gebleken dat het slachtoffer contacten heeft gehad met een persoon van wie zijn personalia niet bekend waren. Deze persoon is bekend onder de roepnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’. Deze [bijnaam verdachte] heeft met een andere op dit moment onbekende persoon zakelijke contacten hebben gehad met het slachtoffer. Deze [bijnaam verdachte] en de onbekende persoon hadden kennelijk interesse in een kunstbeeld wat in de woning van het slachtoffer aanwezig was.
Na onderzoek in de diverse systemen is gebleken dat genoemde [bijnaam verdachte] wellicht kan zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum in het jaar] 1974, wonende aan de [voormalig woonadres verdachte] . Van [bijnaam verdachte] werden de historische belgegevens opgevraagd van enkele telefoonnummers die aan hem te relateren zijn, waaronder het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
Uit de woning van het slachtoffer werd de mobiele telefoon van het slachtoffer ontvreemd, voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] .

Uit de historische verkeersgegevens van de genoemde telefoonnummers blijkt onder andere het navolgende.


Het laatst bekende telefonisch contact van het slachtoffer was op 22 maart 2014 te 19:18:04 uur. Dit betrof een inkomend gesprek van [getuige 1/vriendin slachtoffer] met een duur van 42 seconden. (…)

Uit de lijst met historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [bijnaam verdachte] blijkt dat deze op 22 maart 2014 te 17.26.29 uur telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft naar hem gebeld en het gesprek had een duur van 32 seconden. [bijnaam verdachte] was op dat moment onder bereik van een ‘cell id’ die behoort tot een mast die staat in Nieuwer ter Aa. Bij het eerstvolgende contact, op 22 maart 2014 te 19.22.59 uur, was [bijnaam verdachte] onder bereik van cell id 30859. Deze cel lid bereikt een geografische gebied ten noorden van Well richting Bergen.

Uit het vorenstaande blijkt dat [bijnaam verdachte] op 22 maart 2014 omstreeks 19.22 uur geografisch gezien op korte afstand van de plaats delict was. Hemelsbreed zal dat maximaal 5 kilometer geweest zijn, uitgaande van het uiterste bereik van cel lid 30859. Opvallend is dat (het hof begrijpt: van dit telefoonnummer van [bijnaam verdachte]) dit het allerlaatste telefonisch contact is op de lijst met historische verkeersgegevens, welke zijn opgevraagd tot en met 24 maart 2014.

12.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 maart 2014, dossierpagina’s 346-348, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] :

Zaterdag 22 maart 2014 rond 17.39 uur ging de bel van onze woning aan de [adres 4] te Well. (…) Ik zag dat voor de voordeur de voor mij bekende [slachtoffer] , wonend te Well, stond.

[slachtoffer] vroeg aan mij of ik een apparaat had waarmee hij kon nakijken of het vals geld is of niet. (…) [slachtoffer] vertelde tegen mij dat hij een beeld had verkocht en dat ze deze vanavond zouden komen ophalen en dat hij wilde weten of het geld echt was, want hij vertrouwde tegenwoordig niemand meer. (…) Verder in het gesprek vertelde [slachtoffer] aan mij dat hij een beeld welke op de schouw stond verkocht had voor 50.000 euro.

[slachtoffer] vertelde mij ook dat hij drie gegadigden had die zijn zaak wilden kopen in Venlo.

13.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 11 september 2014, met bijlagen, dossierpagina’s 236-252, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3] :

Vraag verbalisanten: [getuige 3] , wij gaan je een telefoongesprek voorlezen tussen [verdachte] en jou van 18 juni 2014 20:13:52 uur. Jij werd toen gebeld door [verdachte] . (…)

Vraag verbalisanten: [verdachte] vertelt dat er beslag is gelegd op dat huis en de spullen. Jij vraagt dan hoe het dan verder gaat. (…) Je blijft vragen stellen aan [verdachte] . Je weet gewoon waar het over gaat.

Antwoord getuige: Ja, [verdachte] (…) heeft een advocaat genomen om een rechtszaak aan te spannen.

[verdachte] vertelde mij dat hij iets met antiek wilde kopen of verkopen. Ook dat hij een stuk grond kon kopen of verkopen. Daarmee kon hij veel geld verdienen. (…)

[verdachte] heeft mij wel eens verteld dat hij beschikte over papieren waarmee hij naar zijn advocaat kon gaan, zodat hij beslag kon leggen. (…) Ik weet dat [verdachte] schulden heeft.
Ja, ik weet dat [verdachte] bezig was met een plan. [verdachte] wilde ergens veel geld mee verdienen. Over dat beslag en zo. (…)

Er waren dingen die niet over de telefoon mochten. [verdachte] heeft mij verteld dat ‘daar’ iemand was overleden. (…) [verdachte] heeft mij verteld dat die man een hartaanval heeft gekregen toen hij daar was. (…) [verdachte] heeft mij verteld dat hij gewoon weggegaan is. (…)

Oké ik zal het vertellen. [verdachte] heeft mij verteld dat hij naar die man toe moest om zijn zaken af te handelen. (…) [verdachte] vertelde mij dat hij gezellig nog wat gedronken had daar. [verdachte] vertelde dat de gesprekken niet goed liepen en dat de zaken niet rond kwamen. [verdachte] vertelde dat de spanningen op liepen (…). [verdachte] vertelde dat die man plotseling naar zijn hartstreek greep en niet goed werd. [verdachte] vertelde dat die man toen op de grond viel. (…) hij zag dat die man helemaal blauw keek, alsof hij geen lucht meer kreeg. (…) [verdachte] vertelde dat hij toen die woning is uitgegaan en dat hij geen politie of ziekenauto heeft gebeld. (…)

[verdachte] heeft mij niets verteld over andere mensen. Alleen dat hij daar samen was met die man en dat hij gevlucht is toen die man helemaal blauw in zijn gezicht keek. (…) [verdachte] vertelde dat ze in het huis van die man in gesprek waren en dat er iets gebeurde met die man, [dat hij] iets kreeg met zijn ademhaling of met zijn hart en dat die man toen op de grond viel.

14.
Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 9 juli 2014, dossierpagina’s 1202-1214, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :

Vraag verbalisant: [verdachte] , jij wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij een diefstal op een man te Well Lb, waarbij deze man is komen te overlijden. (…)

Ik ben in dat huis (het hof begrijpt: het huis aan de [woonadres slachtoffer] te Well) geweest, ik heb in de keuken gestaan, ik ben in de kelder geweest. (…)

Ik ben met de heer [slachtoffer] in contact gekomen. Hij had een stuk grond en dat wilde ik kopen als investering. (…) Een bedrag van 1.000.000 euro was voor de [adres 3] (het hof begrijpt: de [adres 3] te Venlo waaraan het perceel grond ligt) en 400.000 euro voor het Engelenbeeld. Ik heb hiervoor een contract opgesteld (…).

Ik had afgesproken dat ik zaterdag de 22ste (het hof begrijpt: 22 maart 2014) het beeld kwam ophalen. (…) Ik ben toen ook gestopt bij het tankstation (…).

Ik had een afspraak tussen 18.00 en 19.00 uur. (…) Ik was later omdat mijn band van mijn auto los zat. Ik ben toen bij een tankstation gestopt (…). Ik ben daar ongeveer een ½ uur tot ¾ uur geweest. Ik denk dat dit was tussen kwart voor acht en half negen. Ik heb koffie gedronken (…)

Zij noemden mij [bijnaam verdachte] .

.15
Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 10 juli 2014, dossierpagina’s 1215-1224 in combinatie met het nagenoeg verbatim uitgewerkte verhoor als vervat in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2014, dossierpagina’s 1225-1251, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :


De verdachte verklaarde kort samengevat dat:
- hij inderdaad zaterdag 22 maart 2014 in de woning is geweest;
(…)
- hij de deur van de keuken vernielde door hem in te trappen;
(…)
- hij heeft gezien dat [slachtoffer] bewusteloos was en dat hij hem nog slecht hoorde ademen.

16.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 10 juli 2014, dossierpagina’s 1252-1260, met fotobijlagen op dossierpagina’s 1261-1263, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :


[Ik] zag hem liggen in de kelder op zijn buik volgens mij. (…) Ik ben toen ik hem zag liggen vertrokken.

Vraag verbalisanten: Wat kun je verklaren over deze afbeelding (hof: foto van een bewakingscamera van een tankstation, gedateerd 22 maart 2014 te 19.22.25 uur, dossierpagina 1263)?
Antwoord verdachte: Dat ben ik bij het tankstation, (…), kijk maar de tijd klopt ook nog.

17.
Proces-verbaal van aangifte door [zoon slachtoffer] d.d. 16 juni 2014, dossierpagina’s 294-296, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] :

Ik treed als belanghebbende op voor de erven van [slachtoffer] en ben als zodanig gerechtigd aangifte te doen. De erven zijn mijn broer [tweede zoon slachtoffer] en ik. De vriendin van mijn vader [getuige 1/vriendin slachtoffer] (…) heeft een legaat gekregen.

Op een gegeven moment, halverwege mei 2014, ontving [getuige 1/vriendin slachtoffer] per post en per aangetekende post brieven van advocatenkantoor [advocaat] te Haarlem. In deze brieven stond dat mijn vader op 19 maart 2014 € 1.400.000 contant had ontvangen voor de verkoop van een stuk grond in Venlo en het houten Engelenbeeld. Dit geld werd nu teruggevorderd omdat mijn vader het contract niet zou zijn nagekomen.

De bijgevoegde stukken zouden destijds 19 maart 2014 ondertekend zijn door mijn vader. (…) Ik heb eerder handtekeningen aan het onderzoeksteam verstrekt van mijn vader, dit ter vergelijking met de handtekeningen van mijn vader.


De brief was mede ondertekend door ene [verdachte] . Hij zou degene zijn met wie mijn vader deze contracten zou zijn overeengekomen en ondertekend.

(…) Bij deze handtekeningen is de naam van mijn vader geschreven. Echter, het zijn zeker niet zijn handtekeningen. (…) Ook de handgeschreven versie is niet door mijn vader geschreven. (…) Normaal gesproken zou mijn vader, bijvoorbeeld bij de verkoop van een beeld, zelf een koopcontract schrijven. Zijn handschrift is onmiskenbaar anders dan het contract waarvan de heer [verdachte] ons wil doen laten geloven dat mijn vader het opgesteld heeft. Het contract zou normaal gesproken ook door hemzelf opgesteld worden en niet door de koper. (…) Mijn vader is een doorgewinterde zakenman. Wanneer mijn vader een stuk grond zou verkopen dan zou uiteraard een straat, een perceelnummer en een kadastraal nummer genoemd worden, Er zouden ook handelingen plaats moeten vinden bij de notaris. Mijn vader zou dit altijd via de officiële weg doen (…)

Ik doe bij dezen namens alle erven van [slachtoffer] aangifte (…) van valsheid in geschrifte.


18.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] d.d. 27 mei 2014, dossierpagina’s 388-391, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] :

Onlangs ontving ik enkele brieven in mijn brievenbus. (…) Ik denk op 16 of 17 mei 2014, ik weet de precieze datum niet meer zeker, ontving ik de eerste brief gedateerd op 15 mei 2014. (…) Het betrof een originele brief met een overeenkomst, een koopovereenkomst, en een factuur, deze bijlagen betroffen allen kopieën.

Een of twee dagen daarna ontving ik een brief die een dag later gedateerd was, namelijk op 16 mei 2014. (…) De tweede brief betrof enkel de brief die ik reeds eerder ontvangen had, zonder de bijlagen, met dien verstande dat deze brief gedateerd was 16 mei 2014 en dat bij de adressering niet stond Well LB, maar Bergen LB.

Daarna ontving ik een klein briefje waarin vermeld stond dat ik aangetekende post op kon komen halen in de kleine winkel in Well, een soort postwinkel. Het betrof een kopie van de brief die gedateerd was van 15 mei met de bijlagen die ik reeds eerder per post ontvangen had.

Daarna ontving ik opnieuw een briefje waarin mij gevraagd werd post op te komen halen en ontving ik opnieuw een aangetekende brief. Het betrof de eerdere brief die ik ook per post ontving gedateerd 16 mei 2014 zonder de bijlagen.

Er staat in vermeld dat [slachtoffer] geld ontvangen zou hebben voor de verkoop van de Engel en een stuk grond en dat men een bedrag van 1,4 miljoen euro terugvordert. De brief is afkomstig van een advocatenkantoor genaamd [advocaat] .

Ik kan u zeggen dat er op woensdag 19 maart 2014 geen geld aan [slachtoffer] betaald werd. Ik was die avond ook thuis en ik heb de twee mannen die hier waren gezien. Ik ben er voortdurend bij geweest. Er is geen geld uitbetaald. De twee mannen hadden die avond wel een grote tas bij zich en [slachtoffer] zei tegen mij dat in die tas geld zou zitten. Ik vroeg aan [slachtoffer] of hij dat geld dan gezien had. [slachtoffer] zei dat hij dat geld niet gezien had.

De twee mannen spraken met [slachtoffer] over de koop van de Engel, maar er vond die avond geen koop plaats. (…) Ik heb [slachtoffer] die avond geen overeenkomst zien tekenen. Ik ben voortdurend bij hen gebleven. Dus als er iets door [slachtoffer] getekend was, dan had ik dat moeten zien. (…) [slachtoffer] vertelde mij dat die twee mannen cash wilden betalen. Toen de mannen die woensdagavond 19 maart 2014 vertrokken waren, vroeg ik aan [slachtoffer] waarom ze dan het beeld niet gekocht hadden. [slachtoffer] zei tegen mij dat ze er nog over na moesten denken. Een van de mannen zei tegen [slachtoffer] bij het instappen in de auto ‘zaterdag’. Daaruit leidde ik af dat ze kennelijk op zaterdag weer af wilden spreken. Ik waarschuwde [slachtoffer] voor die mannen. Ik had er geen goed gevoel over. Ik zei tegen hem dat ik liever niet wilde dat hij zaterdag met hen afsprak. (…)

De handtekening op de overeenkomsten is niet de handtekening van [slachtoffer] . Op die wijze maakt [slachtoffer] zijn handtekening niet.

19.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 11 september 2014, dossierpagina’s 220-226, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4] :

Vraag verbalisanten: Hoe is dat nu eigenlijk gegaan die woensdagavond de 19e maart 2014?
Antwoord getuige: Ja we kwamen dus met de auto aan daar in Well. (…) We waren met zijn tweeën. (…) Er waren daar een man en een vrouw (het hof begrijpt: [slachtoffer] en [getuige 1/vriendin slachtoffer] ). (…) [verdachte] , die man en ik zijn aan de tafel gaan zitten.

Antwoord getuige: Volgens mij ging het direct over het beeld (…) Ik moest een koffer vasthouden. (…) [verdachte] had mij verteld dat daar het geld in zat voor het beeld.

Vraag verbalisanten: Wat gebeurd er met die koffer na het moment dat jij uit de auto stapt?
Antwoord getuige: Ik heb die koffer mee naar binnen genomen. Die koffer heeft de gehele tijd bij mij gestaan. In dat hele uur is die koffer niet open geweest. Ik heb die koffer ook weer mee naar de auto genomen. Ik heb de koffer weer op de achterbank gezet.

Vraag verbalisanten: [getuige 4] , hoe zat dat met die tas?
Antwoord getuige: Ja, zoals ik al eerder verklaarde heb ik die tas gedragen. Ik weet wel dat er geen geld uit die tas is gekomen. Ik heb geen geld gezien. Ik heb ook geen handelingen gezien die er op leken dat er geld betaald werd. Ik heb die tas onder controle gehad en daar is geen geld uit gekomen.

Vraag verbalisanten: Wat weet jij van het ondertekenen van papieren?

Antwoord getuige: Ik heb niets gezien van het tekenen van een koopovereenkomst. Op die dag heb ik in elk geval niets gezien.

20.
Proces-verbaal van bevindingen documenten d.d. 23 mei 2014, dossierpagina’s 513-515, met als bijlagen de bijbehorende bescheiden, dossierpagina’s 516-523, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op maandag 19 mei 2014 ontving ik van de teamleiding, onderzoeksteam 23TG1404, de opdracht om bij [betrokkene 2] , [adres 2] te [plaats 2] , documenten op te halen die daarnaartoe waren gebracht door [getuige 1/vriendin slachtoffer] , de vriendin van wijlen [slachtoffer] .

Op 19 mei 2014 omstreeks 15.30 uur ontving ik van [betrokkene 2] voornoemd diverse documenten. Dit betrof:
-1) een kopie van een handgeschreven overeenkomst.
-2) een kopie van een koopovereenkomst.
-3) een kopie van een factuur.
-4) een kopie van twee brieven van advocatenkantoor [advocaat] .
-5) een kopie van een bladzijde van een contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] , met daarop de handtekening van [slachtoffer] .

De betreffende documenten werden door mij verbalisant in beslag genomen.

Op 20 mei 2014 werd door mij nader onderzoek verricht aan de documenten. Hieruit bleken de navolgende bijzonderheden.

1) Handgeschreven overeenkomst opgesteld door [verdachte] waarin gesteld wordt dat [verdachte] een bedrag van 1.400.000 euro contant heeft betaald aan [slachtoffer] op woensdag 19 maart 2014, 20.37 uur, voor de aankoop van een houten Engelenbeeld en aanbetaling van een perceel grond te Venlo.
De brief is ondertekend (het hof begrijpt: er staan handtekeningen) voor ontvangst door [slachtoffer] en voor afgifte door [verdachte] .
De handtekening (het hof begrijpt: geplaatst bij de vermelding van de naam) van [slachtoffer] werd vergeleken met de handtekening op het contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] (zie bovengenoemd document 5). De beide handtekeningen kwamen in het geheel niet met elkaar overeen.

Op dinsdag 20 mei 2014 werd als getuige gehoord [zoon slachtoffer] , zoon van [slachtoffer] . Hem werd de handtekening getoond welke geplaatst was op de overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] . [zoon slachtoffer] verklaarde dat dit niet de handtekening was van zijn vader. [zoon slachtoffer] toonde ons een kopie van een handtekening van zijn vader. De handtekening op deze kopie kwam overeen met de handtekening op het contract tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] .

2) Een koopovereenkomst machinaal uitgewerkt gedateerd 19 maart 2014.
In deze koopovereenkomst staan als partijen genoemd verkoper: [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] Well en koper de heer [verdachte] , wonende te [voormalig woonadres verdachte] .
Beschreven in deze koopovereenkomst is de koop/verkoop van een Engelenbeeld Braun en een perceel grond te Venlo.
Nadere beschrijvingen van de 2 objecten staan er niet in.
Artikel 1 spreekt over het ontvangen door [slachtoffer] van 400.000 euro.
Artikel 2 spreekt over het ontvangen van een aanbetaling van 1.000.000 euro voor het perceel grond.
Hieruit zou dan kunnen worden afgeleid dat er 400.000 euro voor het beeld zou zijn betaald.
Artikel 3 spreekt over het feit dat het beeld op 22 maart 2014 klaar moest staan voor vervoer inclusief de bijbehorende papieren.
Artikel 4 spreekt over een geldigheid verklaring koopovereenkomst.
Artikel 5 behelst een clausule bij niet nakomen van de gemaakte afspraken. Het bedrag zou dan moeten worden teruggestort aan de koper.
Artikel 6 behelst een clausule bij niet tijdig afleveren, nakomen of overlijden of andere bijkomende zaken. Het totale bedrag zal dan moeten worden teruggestort aan de koper.
De koopovereenkomst werd wederom ondertekend door (het hof begrijpt wederom dat er handtekeningen stonden geplaatst bij de vermelding van de namen van) [slachtoffer] en [verdachte] .
De handtekening (het hof begrijpt: geplaatst bij de vermelding van de naam) van [slachtoffer] kwam grotendeels overeen met de handtekening op het geschreven contract (bijlage 1) en kwam dus ook geheel niet overeen met de handtekening (het hof begrijpt: geplaatst bij de vermelding van de naam) van [slachtoffer] in andere rechtsgeldige contracten zoals vermeld in de bijlagen 5 en 6.

3) Een factuur opgesteld 19 maart 2014 door koper [verdachte] voornoemd en [slachtoffer] voornoemd. Gesteld bedrag totaal 1.400.000 euro.
Vermeld staat dat de factuur betaald is op 19 maart 2014 en dat aflevering zal geschieden op 22 maart 2014. Tevens staat vermeld dat de factuur het bewijs van betaling is.

4) Een brief met rechts bovenin het logo van advocatenkantoor [advocaat] c.s. (…).
Als briefhoofd [is vermeld] AANTEKENEN EN PER GEWONE POST aan gezamenlijke erven heer [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] , [postcode] Bergen. De brief is voorzien van de afzendplaats Haarlem d.d. 15 mei 2014. Gesteld wordt dat 1.400.000 euro binnen 10 dagen moet worden overgemaakt op ING Bank [bankrekeningnummer] t.n.v. Stichting derdengelden [advocaat] c.s. advocaten. Dit gelet op artikel 5 en 6 van de koopovereenkomst.
De brief is getekend door advocaat [advocaat] .

5) Een brief met rechts bovenin het logo van advocatenkantoor [advocaat] c.s. (…).
Als briefhoofd [is vermeld] AANTEKENEN EN PER GEWONE POST aan gezamenlijke erven heer [slachtoffer] , [woonadres slachtoffer] , [postcode] Bergen. De brief is voorzien van de afzendplaats Haarlem d.d. 16 mei 2014. Gesteld wordt dat 1.400.000 euro binnen 10 dagen moet worden overgemaakt op ING Bank [bankrekeningnummer] t.n.v. Stichting derdengelden [advocaat] c.s. advocaten. Dit gelet op artikel 5 en 6 van de koopovereenkomst.
De brief is getekend bij de naam [advocaat] met vermelding van de letters ‘nd’.
Deze brief is vrijwel identiek aan de brief vermeld in bijlage 4. Afwijkingen betreffen de adressering in de plaatsnaam Bergen en Well LB en de verzenddatum 15 en 16 mei.

21.
Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland te Haarlem d.d. 1 september 2014 met bijlage, dossierpagina’s 587-588, voor zover inhoudende de bevindingen van de rechter-commissaris en griffier:


Op 1 september 2014 heeft mr. P.M. Wamsteker, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, op verzoek van mr. M.J.H. van den Hombergh, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, ter doorzoeking ter inbeslagneming het adres:

[adres advocatenkantoor] te Haarlem ( [postcode 2] )

bezocht, in het kader van het onderzoek tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1974.

Mr. [advocaat] overhandigde de stukken als vermeld op aangehechte lijst aan de rechter-commissaris.

Hetgeen vermeld is op de aangehechte lijst, heeft de rechter-commissaris, onder afgifte van een gedag- en ondertekend afschrift daarvan, in beslag genomen.

BIJLAGE bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming

Lijst van goederen en bescheiden, die tijdens de zoeking op het adres als vermeld in het proces-verbaal waarvan deze bijlage deel uitmaakt, in beslag zijn genomen.

- Originele getypte koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte]
(hof: origineel van de hiervoor in bewijsmiddel 20 onder 2 genoemde kopie, ten behoeve van forensisch onderzoek voorzien van SIN-nummer AAHP5799NL #001 en #002, vide dossierpagina’s 55 en 56);
- Een factuur
(hof: origineel van de hiervoor in bewijsmiddel 20 onder 3 genoemde kopie, ten behoeve van forensisch onderzoek voorzien van SIN-nummer AAHP5799NL #003, vide dossierpagina’s 55 en 57);
- Originele handgeschreven koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte]
(hof: origineel van de hiervoor in bewijsmiddel 20 onder 1 genoemde kopie, ten behoeve van forensisch onderzoek voorzien van SIN-nummer AAHP5799NL #004, vide dossierpagina’s 55 en 58).

22.
Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Well op 22 maart 2014, opgemaakt door dr. LH.J. Aarts, deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 6 februari 2015, dossierpagina’s 1012-1016, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde deskundige:

De 4 documenten zijn bemonsterd voor een DNA-onderzoek (zie hieronder).

DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAHP5799NL#01 bemonstering van vouwranden van een akte (document 1: koopovereenkomst 19 maart 2014)
AAHP5799NL#02 bemonstering van vouwranden van een akte (document 2:
vervolg koopovereenkomst 19 maart 2014)
AAHP5799NL#03 bemonstering van een akte, ter hoogte van de handtekening van [verdachte] (document 2: vervolg koopovereenkomst 19 maart
2014)
AAHP5799NL#04 bemonstering van vouwranden van een akte (document 4:
handgeschreven overeenkomst)

Resultaten, interpretatie en conclusie
De DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] AAGB7367NL en van de verdachte [verdachte] RABE7476NL zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

In tabel 1 staat vermeld of van het onderzochte sporenmateriaal een (voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt) DNA-profiel is verkregen en, zo ja, van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Dit betekent dat als een persoon niet vermeld wordt, er op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzing is voor de aanwezigheid van zijn of haar celmateriaal in die bemonstering.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel/ celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

Toelichting

AAHP5799NL#01

DNA-profiel van (minimaal) een man
onbekende man B

niet berekend

1

AAHP5799NL#02

DNA-profiel van (minimaal) een man
onbekende man B

niet berekend

1

AAHP5799NL#03

geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel verkregen

-

-

AAHP5799NL#04

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

DNA-hoofdprofiel
onbekende man B

zwak aanwezig DNA-kenmerken van minimaal twee personen
[verdachte]

kleiner dan één op één miljard

zie ‘Evaluatie bevindingen vergelijkend DNA-onderzoek’

-

-

-

Toelichting:
1. In het DNA-profiel van het celmateriaal in deze bemonstering zijn enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die duiden op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze zwak aanwezige DNA-kenmerken zijn te gering in aantal en intensiteit om te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Evaluatie bevindingen vergelijkend DNA-onderzoek
Bemonstering AAHP5799NL#04
Het is niet mogelijk om een ‘standaard’ statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten met het DNA-profiel van [verdachte] , omdat niet duidelijk is of alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn in het DNA-mengprofiel. De bewijskracht van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid.

Er wordt aangenomen dat de bemonstering AAHP5799NL#04 celmateriaal bevat van drie personen en dat de onbekende man B (…) één van deze personen is. Onder deze aannamen zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder de volgende hypothesen:

Hypothese I: De bemonstering bevat celmateriaal van onbekende man B, [verdachte] en één onbekende persoon (niet verwant aan onbekende man B of aan [verdachte] ).

Hypothese II: De bemonstering bevat celmateriaal van onbekende man B en twee onbekende personen (niet verwant aan elkaar, onbekende man B of aan [verdachte] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

23.
Proces-verbaal (hof: stamproces-verbaal) d.d. 21 juli 2016, dossierpagina’s 10-94, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(Hof: dossierpagina 59:)

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] werd een kopie van een handgeschreven overeenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] aangetroffen en in beslag genomen (afbeelding 17).

(Hof: dossierpagina 64:)
Op 7 november 2014 werden door de getuige [zoon slachtoffer] diverse documenten met daarop de handtekening van het slachtoffer [slachtoffer] aan het onderzoekstam overhandigd. Deze werden als referentiemateriaal overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut.
Door het NFI werd een vergelijkend handschriftonderzoek gedaan. Hiervoor werden onder andere de onderstaande documenten gebruikt:

  • -

    geprinte uitgewerkte koopovereenkomst (SIN-nr. AAHP5799NL#002);

  • -

    handgeschreven koopovereenkomst (SIN-nr. AAHP5799#004);

  • -

    kopie handgeschreven koopovereenkomst (afbeelding 17/SIN-nr. AAHP5801);

  • -

    het genoemde referentiemateriaal overhandigd door [zoon slachtoffer] .


24.

Rapport vergelijkend handschriftonderzoek inzake een koopovereenkomst tussen [slachtoffer] en [verdachte] , opgemaakt door drs. W.P.F. Fagel, deskundige handschriftonderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 mei 2015, dossierpagina’s 1053-1065, voor zover inhoudende de bevindingen van voornoemde deskundige:

De handtekeningen voor [slachtoffer] op de bladen #002 en #004 van de in origineel overgelegde koopovereenkomst [AAHP5799NL] en de handtekening voor [slachtoffer] op de in kopie overgelegde koopovereenkomst [AAHP5801NL] zijn bij dit onderzoek als betwist beschouwd.
Als referentiemateriaal met betrekking tot de vraag of deze betwiste handtekeningen door [slachtoffer] zelf zijn geplaatst dienden diens handtekeningen op de diverse documenten [AAHP5793NL] (hof: diverse niet aan de onderhavige verdenking gerelateerde documenten met de handtekening van [slachtoffer] , vide dossierpagina 1055).

Resultaten vergelijking handschrift koopovereenkomsten
De resultaten van het vergelijkend handschriftonderzoek tussen de in origineel beschikbare koopovereenkomst [AAHP5799NL] en de in kopie overgelegde koopovereenkomst [AAHP5801NL] liggen in de lijn der verwachting wanneer deze overeenkomsten door dezelfde persoon zijn geschreven. De kans op het waarnemen van dezelfde mate van overeenkomst in het handschrift van twee willekeurige personen acht ik zeer klein, ook als een van deze personen getracht zou hebben het handschrift van de andere persoon na te bootsen. In dat geval verwacht ik meer verschillen aan te treffen op microniveau, met name in de minder opvallende kenmerken van het handschrift, alsmede meer aanwijzingen voor nabootsingen (aarzelingen en correcties) dan nu te zien zijn in het handschrift van de koopovereenkomsten.

Resultaten vergelijking betwiste handtekeningen met die van [slachtoffer]
De resultaten van het vergelijkend onderzoek tussen de betwiste handtekeningen en de referentiehandtekeningen van [slachtoffer] liggen in de lijn der verwachting wanneer de betwiste handtekeningen vervalsingen zijn, waarbij geen bestaande handtekening van [slachtoffer] is nagebootst maar gefingeerde handtekeningen uit naam van deze persoon zijn geplaatst.
De kans op de bevindingen wanneer de betwiste handtekeningen wel door [slachtoffer] zelf zijn geplaatst acht ik uiterst klein en alleen denkbaar wanneer [slachtoffer] op andere dan voor hem gebruikelijke wijze heeft ondertekend. Of daar in dit geval sprake van kan zijn, is niet op schriftkundige gronden vast te stellen.

Conclusies
Zijn de koopovereenkomsten door dezelfde persoon geschreven?
Voorafgaande aan het onderzoek waren de volgende hypothesen geformuleerd voor de tekst van deze koopovereenkomsten:

Hypothese T1: De tekst op blad #004 van de in origineel overgelegde overeenkomst [AAHP5799NL] is door dezelfde persoon geschreven als de tekst van de gelijkluidende, maar in kopie overgelegde overeenkomst [AAHP5801NL].
Hypothese T2: De teksten van deze twee overeenkomsten zijn door verschillende personen geschreven.

De resultaten van het vergelijkend onderzoek tussen deze overeenkomsten zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese T1 juist is (de overeenkomsten zijn door dezelfde persoon geschreven) dan wanneer hypothese T2 juist is.

Zijn de betwiste handtekeningen door [slachtoffer] zelf gezet?
Voor de betwiste handtekeningen waren voorafgaande aan het vergelijkend onderzoek met het referentiemateriaal van [slachtoffer] de volgende elkaar uitsluitende hypothesen opgesteld:

Hypothese T1: De betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [slachtoffer] .
Hypothese T2: De betwiste handtekening is een vervalsing van de handtekening van
.

De resultaten van het vergelijkend onderzoek tussen elk van de betwiste handtekeningen en de referentiehandtekeningen van [slachtoffer] zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese H2 juist is (de handtekeningen zijn vervalsingen) dan wanneer hypothese H1 juist is.

25.
Verzoekschrift beslaglegging, d.d. 2 juni 2014, dossierpagina’s 315-317, opgesteld door [advocaat] c.s. advocaten, voor zover inhoudende:

1. Verzoeker (het hof begrijpt: [verdachte]) heeft op 19 maart 2014 een overeenkomst gesloten met de heer [slachtoffer] . Deze overeenkomst (productie 2) heeft betrekking op de koop van een houten engelenbeeld van Braun, alsmede op de aanbetaling op een perceel grond in Venlo.
(…)
3. In de koopovereenkomst - artikel 6 - is bepaald dat bij onder meer overlijden van de verkopende partij het totaal bedrag retour zal worden geboekt.
4. Kort na het ondertekenen van de koopovereenkomst, doch vóór het leveren van het houten beeld aan verzoeker, is de heer [slachtoffer] komen te overlijden.
(…)
11. Verzoeker heeft ter verzekering van zijn aanspraken op verweerders belang bij een conservatoir beslag op de volgende onroerende zaken van de overledene:
* het pand staande en gelegen te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] ,
* het industrieterrein gelegen te Venlo aan de [adres 3] (…).

12. Daarnaast wordt uw rechtbank verzocht om verzoeker verlof te verlenen zijn vordering te verzekeren middels conservatoir beslag op de volgende roerende zaken welke zich bevinden in het pand te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] :
(…)
Gouden Engelenbeeld (het hof begrijpt dat bedoeld zal zijn: houten engelenbeeld)
(…)

Redenen waarom:
1. Verzoeker U Edelachtbare verzoekt om zijn vordering op gerekwestreerde inclusief renten en kosten voorshands vast te stellen op € 1.820.000,00 (…) en hem verlof te verlenen de aldus vastgestelde vordering te verzekeren middels conservatoir beslag
- op het onroerend goed te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] , kadastraal bekend Bergen (L) [kadastrale aanduiding 1]
- op het onroerend goed te Venlo aan de [adres 3] , kadastraal bekend Venlo [kadastrale aanduiding 2]
- op de roerende zaken als vermeld in het verzoekschrift omschreven sub 12, welke zich bevinden in het pand te Well (LB) aan de [woonadres slachtoffer] .

26.
Verlofbeschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 juni 2014, dossierpagina 320, voor zover inhoudende:

Gezien aangehecht verzoekschrift.

Verleent verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de in het verzoekschrift genoemde onroerende zaken en (onder meer) het houten engelenbeeld van Braun, onder vaststelling van het bedrag waarvoor het verlof wordt verleend, met inbegrip van de kosten waarin de schuldenaar zal kunnen worden veroordeeld, op € 1.820.000,-.

27.

Beslagexploit d.d. 17 juni 2014, betekend aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] , dossierpagina’s 318-319, voor zover inhoudende:


Heden, de zeventiende juni tweeduizendveertien, ten verzoeke van [verdachte] (…) heb ik, mr. J.A.M. Geraedts, toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Venlo, aan de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , overleden op 22 maart 2014 en laatstelijk wonende te [postcode] Well, gemeente Bergen LB aan het adres [woonadres slachtoffer] , aldaar mijn exploot doende en afschrift dezes, alsmede van na te melden stukken, latende aan:

mevr. [getuige 1/vriendin slachtoffer] , partner en huisgenote van wijlen [slachtoffer] ;

(…)

betekend:

1. het verzoekschrift, waarmee requirant zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewend heeft met de daarop door deze op 12 juni 2014 gegeven beschikking, houdende verlof aan requirant tot het doen leggen van conservatoir beslag op de in na te noemen proces-verbaal omschreven onroerende zaken;

2. een proces-verbaal d.d. 13 juni 2014 van gerechtsdeurwaarder R.J.H. van de Ven, ter vestigingsplaats Venlo, waarbij uit kracht van de onder 1. genoemde beschikking, op verzoek van requirant conservatoir beslag is gelegd op de in dat proces-verbaal omschreven onroerende zaken.

28.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2014, dossierpagina 554, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :

Op dinsdag 17 juni was ik samen met een deurwaarder op het adres [woonadres slachtoffer] te Well. Ik was aldaar om de deurwaarder te assisteren met een beslaglegging op een houten beeld (…) genaamd de Houten engel van Braun. Het beslag was in opdracht van [advocaat] Advocaten uit Haarlem. Op opdrachtgever was ene [verdachte] . Het houten beeld is in de woning gebleven. Het ging om een conservatoir beslag.

29.
Exploit van dagvaarding van de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] d.d. 19 juni 2014, voor zover inhoudende:

Heden, de negentiende juni tweeduizendveertien, ten verzoeke van [verdachte] (…) heb ik, mr. J.A.M. Geraedts, toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Venlo, gedagvaard:

de gezamenlijke erfgenamen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , overleden op 22 maart 2014 en laatstelijk wonende te [postcode] Well, gemeente Bergen LB aan het adres [woonadres slachtoffer] , alwaar woonachtig is zijn overlevende partner [getuige 1/vriendin slachtoffer] , mitsdien aldaar aan dat woonhuis mijn exploot doende en afschrift dezes, alsmede van na te melden stukken, latende aan: (…) om:

op woensdag de tweede juli tweeduizendveertien, ’s morgens om 10.00 uur, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, zitting houdende in het gerechtsgebouw aan de Willem II Singel 67 te 6041 HR Roermond:

(…)

TENEINDE: alsdan namens mijn rekwirant als eiser te horen eis doen op de volgende gronden:

Feiten
1. Eiser in deze procedure, de heer [verdachte] (verder ‘ [verdachte] ’), heeft op 19 maart 2014 een koopovereenkomst gesloten met de heer [slachtoffer] (verder ‘ [slachtoffer] ’).

2. Deze koopovereenkomst (productie 1) heeft betrekking op de koop van een houten
engelenbeeld van de kunstenaar Braun, alsmede op de aanbetaling op een perceel
grond in ( [postcode 3] ) Venlo. Dit stuk grond is gelegen aan de [adres 3] .

(…)

VORDERING

11. Zoals aangegeven heeft [verdachte] uit hoofde van de koopovereenkomst (artt. 5 jo. 6)
een opeisbare vordering op de erven groot € 1.400.000,00 te vermeerderen met rente
en kosten.

(…)

MITSDIEN:
Het de rechtbank behage om gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijke kwijting te voldoen het boven aangegeven bedrag groot € 1.400.000,00 (ZEGGE: ÉÉNMILJOENVIERHONDERDDUIZEND EURO) te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 15 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen verschotten, die van beslaglegging, griffierecht en van het salaris advocaat.

30.
Tapgesprek tussen de verdachte en [getuige 3] d.d. 18 juni 2014, dossierpagina’s 686-689, voor zover inhoudende het telefoongesprek, waarbij de verdachte [getuige 3] belt:

[getuige 3] : “Denk je dat het zal lukken, joh?”

Verdachte: “Ja, ja, dat kan. Er zou gisteren beslag gelegd zijn. Ik heb de papieren ontvangen. Beslag gelegd op die twee plekken en alle spullen in huis.”

[getuige 3] : “Er is dus beslag gelegd. Goh. En nu?”

Verdachte: “We moeten nu afwachten. Als ze betalen, dan goed. Anders wordt het een rechtszaak. Dan zullen ze moeten betalen. Dan zal alles wel worden verkocht.”

(…)

[getuige 3] : “Ze zijn toch gek als ze niet betalen dan? Dus het is niet lang meer?”

Verdachte: “Hmm”

[getuige 3] : “Dat zal binnen 1 à 2 maanden rond zijn dan?”

Verdachte: “Ik weet het niet, maar als het zo is dan zal ik meteen weggaan.”

[getuige 3] : “Ik zou dat ook doen als ik in jouw plaats was. Het is wel winst, wat je ook maar kan lospeuteren. Als er werkelijk een groot bedrag komt, dan... zoooo, dan ben je wel binnen, [verdachte] .”

Verdachte: “Wij allen, wij allen. We gaan dan weg hier.”
[getuige 3] : “Hè?”
Verdachte: “We gaan dan weg.”
(…)
Verdachte: “We kunnen gaan en een mooi huis kopen en gaan we potverdorie in Turkije wonen.”

(…)

Verdachte: Zij zei “Oké, leg er maar beslag op”. En ze heeft de papier gestempeld.

[getuige 3] : “Goh! Ik dacht dat ze het helemaal zouden uitpluizen.”

Verdachte: “Exact!”

[getuige 3] : “Ik was daar bang voor. Ik dacht dat als het zover was gekomen dat ze opriepen, dan dacht ik dat het wel was afgelopen. Zo dacht ik er over.”

[verdachte] : “Exact, exact! Ik dacht er ook zo over.”

[getuige 3] : “Goh!”

(…)

Verdachte: “En ik heb bijna twee miljoen te vorderen.”

[getuige 3] : “Je zei toch 1,4.”

Verdachte: “Maar met rente!”
(…)
[getuige 3] : “Je bent binnen joh, [verdachte] ! Je bent geslaagd in het leven.”

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.


A.1 Verdachte is niet verantwoordelijk voor het jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld

De verdediging betoogt dat in het procesdossier onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn die de conclusie kunnen wettigen dat de verdachte de persoon is geweest die het jegens het slachtoffer [slachtoffer] gebruikte geweld heeft uitgeoefend, zodat vrijspraak van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde moet volgen. Hoewel de verdachte in de avond van 22 maart 2014 in het huis van het slachtoffer is geweest, waren daar eveneens [betrokkene 2] en [zoon slachtoffer] aanwezig.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is volgens de raadsman het alibi van [betrokkene 2] en [zoon slachtoffer] niet te verifiëren. Daarbij komt dat er steun voor de verklaring van de verdachte is te vinden in de omstandigheid dat er op de kleding van het slachtoffer ook DNA is gevonden van een of meerdere onbekend gebleven mannen.

A.2 Dood van het slachtoffer kan in redelijkheid niet aan de verdachte worden toegerekend
Onder verwijzing naar de deskundigenrapporten van A. Maes en F.R.W. van de Goot meent de verdediging dat duidelijk is dat het slachtoffer [slachtoffer] is overleden aan een hartinfarct. Er is geen direct causaal verband vast te stellen tussen het geweld en het ontstaan van het hartinfarct. Daaruit volgt dat het geweld dat vlak voor de dood jegens [slachtoffer] zou zijn toegepast niet van dien aard was dat dit aan het intreden daarvan een substantiële bijdrage kan hebben geleverd. Nu niet aannemelijk is dat het hartinfarct met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is ontstaan, kan de dood van het slachtoffer [slachtoffer] niet via het criterium van de redelijke toerekening aan de verdachte worden toegerekend. Bovendien is het zeer goed mogelijk dat, op het moment dat de verdachte bij de woning aan de [woonadres slachtoffer] te Well arriveerde, het hartinfarct bij [slachtoffer] reeds was begonnen.

A.3 Geen wetenschap van de valsheid van de overeenkomsten

De verdachte stelt dat hij wel degelijk het bedrag van € 1.400.00,00 op 18 maart 2014 heeft overhandigd aan het slachtoffer [slachtoffer] en dat de overeenkomsten door die [slachtoffer] zijn ondertekend. Ondanks dat uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut naar voren is gekomen dat de handtekeningen op de overeenkomsten vermoedelijk vals zijn, meent de verdediging dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van die valsheid. Ook het tapgesprek tussen de verdachte en [getuige 3] kan in dat verband niet tot het bewijs bijdragen. Om voormelde redenen dient de verdachte dan ook van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

B.1 Feit 1 subsidiair: mishandeling van [slachtoffer] , de dood ten gevolge hebbende
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer [slachtoffer] is komen te overlijden als gevolg van een hartinfarct. Uit het deskundigenrapport van drs. F.R.W. van de Goot volgt dat dit hartinfarct ongeveer 1 à 2 uren voor het intreden van de dood moet zijn begonnen.

Sectie op het lichaam en radiologisch onderzoek hebben uitgewezen dat het slachtoffer diverse letsels heeft opgelopen, aangezien er tekenen werden gezien van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals, hoog op de rug aan beide zijden, laag links op de rug alsmede in de linkerflank van de rug. Ook zijn er letsels waargenomen op beide handen en op de linkerknie. Deze letsels zijn bij leven opgelopen door het herhaaldelijk inwerken van uitwendig botsend mechanisch geweld op het lichaam. De letsels moeten op meerdere momenten zijn ontstaan binnen één uur voordat het slachtoffer kwam te overlijden. De diepe letsels in de hals en nek zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door een heftiger inwerkend geweld dan de meer oppervlakkig gelegen letsels in de onderhuidse vetweefsels.
De ribfracturen en de lucht in de weke delen van de borstholte zijn te verklaren door een compressie van de borst.

Het hof stelt vast dat er meerdere letsels op diverse plaatsen op het lichaam waren en dat deze letsels niet te verklaren zijn door een enkele eenvoudige val of het eenmalig eenvoudig stoten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer [slachtoffer] zijn verwondingen zelf heeft veroorzaakt, maar dat het geheel aan geconstateerde verwondingen redelijkerwijs geen andere conclusie toelaat dan dat deze verwondingen vlak voor zijn dood door een ander zijn toegebracht. Uit het onderzoek ter terechtzitting of het procesdossier zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die nopen tot een andersluidend oordeel.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de persoon is geweest die het slachtoffer heeft mishandeld. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Vaststaat dat de vriendin van [slachtoffer] hem om 19.17 uur heeft gebeld en dat het toen nog goed ging met [slachtoffer] . Hij verwachtte bezoek, dat kennelijk aan de late kant was, en repte niet over de aanwezigheid van anderen.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte op 22 maart 2014 samen met het slachtoffer [slachtoffer] aanwezig is geweest in het woonhuis aan de [woonadres slachtoffer] te Well in de gemeente Bergen. Zij hadden kennelijk een afspraak in verband met een mogelijke (ver)koop van een middeleeuws houten engelenbeeld. Dat was in de periode tussen ongeveer 19.30 uur en 20.50 uur. De verdachte was immers om 19.22 uur nog bij het tankstation en bevond zich blijkens de telefoonmastgegevens hemelsbreed maximaal 5 kilometer van de plaats delict.
Getuige [getuige 1/vriendin slachtoffer] kwam tegen 20.30 uur met de bus in Well aan, belde om 20.29 uur met [slachtoffer] en kreeg toen geen gehoor. Zij is vervolgens naar huis gaan lopen.

Zij arriveerde na ongeveer 20 minuten lopen, derhalve omstreeks 20.50 uur, bij de woning, alwaar zij het levenloze lichaam van het slachtoffer [slachtoffer] aantrof.
Het ten laste gelegde moet zich derhalve voor 20.50 uur hebben voorgedaan.


Allereerst kan worden vastgesteld dat blijkens de getuigenverklaring van [getuige 3] de gesprekken van de verdachte met [slachtoffer] niet goed liepen, dat de zaken niet rond kwamen en dat de spanning opliep.
Er heeft tussen de verdachte en het slachtoffer ook lichamelijk contact plaatsgehad, nu met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid is vastgesteld dat het op de trui van het slachtoffer aangetroffen DNA-profiel het DNA van de verdachte betreft.

Dat dit geen zachtaardig contact is geweest, volgt uit het feit dat op de plaatsen waar de trui is bemonsterd en het celmateriaal van – met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid – de verdachte is aangetroffen, namelijk de achterzijde van de kraag en de rechter en linker bovenzijde van de rug bij de schouders, eveneens letsel is geconstateerd. Zoals reeds is vermeld zijn de diepe letsels in de hals en nek – derhalve ter hoogte van de bemonstering van de achterzijde van de kraag – naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door een heftiger inwerkend geweld dan de meer oppervlakkig gelegen letsels in de onderhuidse vetweefsels.

Voorts komt uit het feit dat de verdachte de slaapkamerdeur heeft vernield, zoals door hem is toegegeven, naar voren dat de verdachte zich agressief heeft getoond. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer bewusteloos was, dat hij hem slecht hoorde ademen en dat hij blauw in zijn gezicht was, waardoor eveneens vastgesteld kan worden dat de verdachte in de nabijheid van het slachtoffer was toen hij stervende was.

De bewijsmiddelen wijzen naar de verdachte als zijnde degene die het slachtoffer heeft mishandeld en in wiens aanwezigheid [slachtoffer] een groot hartinfarct heeft gekregen waaraan hij is overleden.

Voor het door de verdediging hiertegenover gestelde alternatieve scenario, kort gezegd inhoudende – zo begrijpt het hof – dat de beweerdelijk aldaar tevens aanwezige [betrokkene 2] en/of [zoon slachtoffer] , respectievelijk een zeer goede vriend en een zoon van [slachtoffer] , voor dit geweld verantwoordelijk zouden zijn geweest, is naar het oordeel van het hof zelfs geen begin van aannemelijkheid.

In de eerste plaats heeft de verdachte hieromtrent wisselend en tegenstrijdig verklaard, hetgeen zijn verklaringen ongeloofwaardig maken. Het hof wijst in dat verband op het volgende.
Op 8 juli 2014 heeft de verdachte verklaard dat toen hij de 22e maart 2014 in de woning van [slachtoffer] was er ook ‘andere mannen’ waren, dat zijn vrouw en zoon niet daar aanwezig waren en dat de zoon van [slachtoffer] meermalen naar [slachtoffer] belde. [zoon slachtoffer] had hij maar één keer gezien, namelijk die dag dat hij naar het perceel van [slachtoffer] was gaan kijken (hof: 15 maart 2014) (dossierpagina’s 1210 en 1212).
Op 9 juli 2014 heeft de verdachte verklaard dat de 22e maart 2014 meer personen in de woning van [slachtoffer] waren, waaronder [betrokkene 2] en een mannetje van hem, dat [slachtoffer] moeilijker ademde en dat de aanwezigen hem onder druk zetten. [betrokkene 2] en zijn mannetje brachten [slachtoffer] naar de kelder, waarop de verdachte uit machteloosheid de keukendeur intrapte en hij vanuit de kelder een tasergeluid hoorde (dossierpagina 1223).
Later die dag beroept de verdachte zich eerst op zijn zwijgrecht, omdat hij niet weet welke belastende informatie er over hem is, maar uiteindelijk verklaart de verdachte dat het slachtoffer naar de kelder is gebracht (dossierpagina 1246). Op 10 juli 2014 verklaarde de verdachte aanvullend dat dit is gebeurd door de zoon van [slachtoffer] en [betrokkene 2] en dat hij, verdachte, het slachtoffer in de kelder op zijn buik heeft zien liggen (dossierpagina’s 1253 e.v.).

Daarnaast hebben [betrokkene 2] en [zoon slachtoffer] verklaard dat zij in de avond van 22 maart 2014 elders waren, terwijl hun verklaringen worden ondersteund door (onder meer) historische belgegevens.

Zo heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij vermoedt dat hij, zoals hij altijd op zaterdag doet als hij alleen met zijn vrouw is, in de avond van zaterdag 22 maart 2014 samen met zijn vrouw is gaan eten in een Japans restaurant te Venlo. Hij werd daarna omstreeks 21.15 uur gebeld door [getuige 1/vriendin slachtoffer] . Op dat moment lag hij op de bank thuis (dossierpagina 263). Uit historische belgegevens komt naar voren dat de telefoon van [betrokkene 2] in de avond van 22 maart 2014 niet een antenne in de buurt van de plaats delict heeft aangestraald (maar om 19.22.14 uur en 21.42.59 uur een zendmast in Lomm) en dat hij die avond na 21.00 uur inderdaad telefonisch contact heeft gehad met [getuige 1/vriendin slachtoffer] (dossierpagina’s 656-658).

De zoon [zoon slachtoffer] heeft verklaard dat hij zijn vader voor het laatst op 22 maart 2014 overdag op diens kantoor thuis in Well heeft gezien (dossierpagina 279). Uit de historische belgegevens komt verder naar voren dat het laatst bekende telefonische contact van [zoon slachtoffer] op 22 maart 2014 is gesignaleerd om 18.57 uur te Venlo, waarbij hij contact had met een telefoonnummer toebehorend aan [betrokkene 3] (dossierpagina’s 666-667). Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 3] volgt dat hij op 22 maart 2014 omstreeks 20.00 uur op bezoek is geweest bij [zoon slachtoffer] en dat hij ook nog bij hem was toen het telefoontje kwam dat de vader van [zoon slachtoffer] was overleden (dossierpagina’s 167-168).

Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat uit de getuigenverklaring van [getuige 3] volgt dat de verdachte hem heeft gezegd dat hij in de woning samen was met ‘die man’ (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) en hij niets heeft verteld over de aanwezigheid van anderen.

Het hof is aldus van oordeel dat het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario op geen enkele wijze steun vindt in het procesdossier. Nu evenmin is gebleken van de betrokkenheid van een andere persoon, faalt het dienaangaande gevoerde verweer.

Het verweer van de verdediging, inhoudende dat de aanwezigheid van DNA van een onbekende man op de trui het alternatieve scenario van de verdachte ondersteunt, treft evenmin doel. Immers, uit het procesdossier komt naar voren dat op een later moment gedurende het onderzoek met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid is vastgesteld dat de ‘onbekende man A’ het slachtoffer [slachtoffer] is.

Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die jegens het slachtoffer [slachtoffer] meermalen geweld heeft gebruikt, waardoor die [slachtoffer] letsels heeft bekomen, temeer nu van de betrokkenheid van een ander niet is gebleken.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of er sprake is van een causaal verband tussen het door de verdachte uitgeoefende geweld en de dood van het slachtoffer [slachtoffer] . In dat verband overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft het slachtoffer mishandeld, waardoor hij diverse letsels heeft opgelopen, te weten op het hoofd, de hals, hoog op de rug aan beide zijden, laag links op de rug, in de linkerflank van de rug, op beide handen en op de linkerknie. Deze letsels zijn bij leven ontstaan en wel binnen één uur voor het intreden van de dood. Het hartinfarct is eveneens ongeveer één uur, doch hoogstens twee uren, vóór het overlijden begonnen, zodat kan worden geconcludeerd dat de mishandeling en het hartinfarct gedurende min of meer hetzelfde tijdsbestek hebben plaatsgevonden.

Dit wordt bevestigd door het feit dat de verdachte heeft verklaard dat de spanningen opliepen, terwijl inmiddels blijkens hetgeen hiervoor is overwogen is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer herhaaldelijk en met tussenpozen flink heeft mishandeld en dat hij vervolgens zag dat het slachtoffer plotseling naar zijn hartstreek greep, niet goed werd en op de grond viel, ademhalingsproblemen had en blauw aanliep. Dit zijn allemaal verschijnselen die wijzen op een acuut hartinfarct. De verdachte sprak zelf ook over een hartaanval. De verdachte is op dat moment weggegaan en heeft het slachtoffer aan zijn lot overgelaten.

De deskundige A. Maes heeft gerapporteerd dat stress en pijn als gevolg van het geweld in oorzakelijk verband kunnen staan met het ontstaan van het hartinfarct. De beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen de bewezen verklaarde mishandeling van [slachtoffer] door de verdachte en de dood van [slachtoffer] , dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het door de verdachte op [slachtoffer] uitgeoefende geweld aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu niet zonder meer kan worden vastgesteld dat deze mishandeling in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor de ingetreden dood, is daarvoor tenminste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid. Die vraag wordt door de bevindingen van deskundige Maes positief beantwoord.


Daarnaast acht het hof het aannemelijk dat stress en pijn als gevolg van het herhaaldelijk toegepaste geweld op het 72-jarige slachtoffer, dat reeds te kampen had met hartproblemen, met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hebben bijgedragen aan het ontstaan van het hartinfarct, waaraan het slachtoffer uiteindelijk is overleden. Herhaaldelijk inwerkend geweld op een persoon met hartproblemen is immers naar zijn aard geschikt om een dodelijk hartinfarct teweeg te brengen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er sprake is van letsels door geweldshandelingen, toegebracht in dezelfde periode dat het hartinfarct is ontstaan, in samenhang met de verklaringen van [getuige 1/vriendin slachtoffer] (dossierpagina 368) en [buurman] (dossierpagina’s 203-204), inhoudende dat er die dag tussen 16.50 uur en 19.15 uur nog geen aanwijzingen waren dat [slachtoffer] zich niet goed voelde.


Aldus leidt naar het oordeel van het hof toepassing van de maatstaf van de redelijke toerekening tot de conclusie dat sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en de dood van het slachtoffer.

B.2 Feit 2 primair: Opzettelijk gebruik maken van valse overeenkomsten

Per gewone en aangetekende post heeft [getuige 1/vriendin slachtoffer] op 16 of 17 mei 2014 en één of twee dagen daarna brieven ontvangen, gedateerd 15 en 16 mei 2014, met als bijlagen koopovereenkomsten en een factuur. In de brieven is gesteld dat [slachtoffer] van de verdachte op 19 maart 2014 geld zou hebben ontvangen voor de verkoop van het beeldhouwwerk ‘de Engel’ en een stuk grond. Mr. [advocaat] , advocaat te Haarlem, verzocht namens de verdachte tot terugbetaling van een bedrag van € 1.400.000,00.

Op 17 juni 2014 is op grond van deze stellingen, na aldus verkregen toestemming van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken en een houten engelenbeeld in de nalatenschap van [slachtoffer] . Bij dagvaarding van 19 juni 2014 zijn de erven van [slachtoffer] in rechte betrokken om te verschijnen voor de handelskamer van de rechtbank Limburg te Roermond. Als titel voor die vordering is de koopovereenkomst van 19 maart 2014 genoemd.

Anders dan de verdachte heeft gesteld en in de koopovereenkomsten en bijbehorende factuur is vermeld, is er op 19 maart 2014 geen geldbedrag van € 1.400.000,00 door de verdachte aan [slachtoffer] betaald. Deze stelling vindt namelijk zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, meer specifiek in de getuigenverklaringen van [getuige 1/vriendin slachtoffer] en [getuige 4] , alsmede in die van getuige [getuige 2] die heeft verklaard dat [slachtoffer] in de namiddag van 22 maart 2014 een geldtelmachine bij hem kwam halen.

De verdachte heeft later verklaard dat deze betaling al op 18 maart 2014 zijn beslag zou hebben gehad (dossierpagina 1221). Dit is niet alleen strijdig met voornoemde bewijsmiddelen, maar zelfs met zijn eerdere verklaringen dat deze betaling op 19 maart 2014 zou hebben plaatsgevonden (zie bijvoorbeeld dossierpagina 1213). Het hof gaat dan ook aan deze verklaring, als zijnde ongeloofwaardig, voorbij.

Zowel [zoon slachtoffer] als [getuige 1/vriendin slachtoffer] hebben verklaard dat de handtekening op de overeenkomst van 19 maart 2014 waarbij het houten engelenbeeld en een perceel grond te Venlo zouden zijn verkocht, niet de handtekening is van [slachtoffer] . [getuige 1/vriendin slachtoffer] heeft op 19 maart 2014 niet gezien dat [slachtoffer] een overeenkomst heeft getekend, terwijl zij toen voortdurend in zijn nabijheid was. [zoon slachtoffer] heeft in dit verband nog verklaard dat in het geval zijn vader [slachtoffer] een beeld zou verkopen, hij normaliter zelf een koopovereenkomst zou schrijven.

De overeenkomsten zijn middels vergelijkend handschriftonderzoek onderzocht. De op de koopovereenkomsten gezette handtekeningen zijn daarbij vergeleken met het beschikbare referentiemateriaal, waarop de daadwerkelijke handtekening van [slachtoffer] is vermeld. De conclusies luiden dat het veel waarschijnlijker is dat de overeenkomsten door één en dezelfde persoon is geschreven dan dat deze door verschillende personen zijn geschreven en dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de betwiste handtekeningen van [slachtoffer] vervalsingen zijn, dan dat deze authentieke handtekeningen van [slachtoffer] betreffen.

Aan de originele koopovereenkomsten is voorts door het Nederlands Forensisch Instituut DNA-onderzoek verricht. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat er met betrekking tot het aangetroffen celmateriaal op alle onderzochte documenten geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van het celmateriaal van [slachtoffer] , terwijl er op de handgeschreven overeenkomst wel DNA is aangetroffen dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de verdachte is. Daarbij is geconcludeerd dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als hypothese I (de bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte en een onbekende andere persoon) juist is, dan als hypothese II (de bemonstering bevat celmateriaal van twee onbekende personen) juist is.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie verklaard dat hij voor de koop van een perceel grond en het engelenbeeld het onderhavige handgeschreven contract heeft opgesteld (dossierpagina 1204). Gezien het feit dat:

- deze overeenkomst bij de advocaat van de verdachte is aangetroffen met daarop ook de beweerdelijke handtekening van [slachtoffer] en tezamen met een identieke getypte overeenkomst met diezelfde handtekening;

- de twee getuigen die 19 maart 2014 ter plaatse aanwezig waren ( [getuige 1/vriendin slachtoffer] en [getuige 4] ) niets hebben gezien van het sluiten van een koop of van het door [slachtoffer] ondertekenen van een overeenkomst;

- uit onderzoek is gebleken dat de beweerdelijke handtekeningen van [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk vervalsingen zijn,

moet de verdachte naar ’s hofs oordeel beide documenten – dus zowel de handgeschreven als getypte overeenkomst – hebben opgesteld en moet hij tevens de valse handtekeningen, die moesten doorgaan voor die van [slachtoffer] , hebben geplaatst.


Op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen is bovendien komen vast te staan dat de verdachte geen bedrag van € 1.400.00,00 aan [slachtoffer] heeft betaald, zoals dus in strijd met de waarheid in die handgeschreven en getypte overeenkomsten staat vermeld. Dat wordt bevestigd door de inhoud van het tapgesprek tussen de verdachte en [getuige 3] , waarin alles wat de erven naar aanleiding van het gelegde beslag en de aangespannen rechtszaak zouden betalen wordt betiteld als: ‘Het is wel winst, wat je ook maar kan lospeuteren. Als er werkelijk een groot bedrag komt, dan…. zoooo, dan ben je wel binnen, [verdachte] ’. Het terugvorderen van een eerder betaalde grote geldsom kan immers bezwaarlijk als winst worden betiteld.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verdachte wist dat sprake was van valse koopovereenkomsten op het moment dat hij die overeenkomsten gebruikte om (in rechte) voornoemd bedrag van de erven te vorderen en op de nalatenschap beslag te laten leggen. De enkele omstandigheid dat in het getapte telefoongesprek eveneens uitlatingen zijn gedaan als ‘want ze weten dat ze schuldig zijn’ en ‘we zitten achter iets aan waar we recht op hebben’, zoals nog ten verwere door de raadsman is aangevoerd, dwingt niet tot een ander oordeel.

C.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling (tijds)verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft –, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 2 primair ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, terwijl dat feit de dood ten gevolge heeft, alsmede aan het meermalen opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als ware dat geschrift echt en onvervalst in een poging om van de erven van het slachtoffer een som van 1,4 miljoen euro afhandig te maken.

De verdachte is kort nadat hij [betrokkene] heeft trachten te overreden met hem op een gewelddadige wijze geld afhandig te maken van een of meer personen in de omgeving van het slachtoffer [slachtoffer] , in contact gekomen met het slachtoffer in het kader van een hoogstwaarschijnlijk geveinsde belangstelling voor de aankoop van een houten engelenbeeld en een perceel grond. De verdachte had schulden en was niet in staat een dergelijk grote aankoop te doen. De zoon van de ‘rijke’ Turkse relatie van de verdachte maakte op [zoon slachtoffer] en [betrokkene 2] een weinig serieuze indruk tijdens het eerste gesprek op 15 maart 2014 (dossierpagina’s 278, 255-256 en 263-264). Deze was ook niet meer aanwezig toen de verdachte op 19 maart 2014 bij [slachtoffer] naar het engelenbeeld kwam kijken. Over de verkoop van het stuk grond van [slachtoffer] werd toen al niet meer gesproken (dossierpagina 278). Neef [getuige 4] moest die dag met een koffer met voor hem onbekende inhoud de indruk wekken dat daarin een groot bedrag aan contanten zat.

Op 22 maart 2014 heeft de verdachte zich ten slotte alleen naar de woning van het slachtoffer aan de [woonadres slachtoffer] te Well begeven onder het mom aldaar het engelenbeeld aan te kopen. Tijdens zijn bezoek heeft de verdachte op meerdere momenten (fors) geweld toegepast op het 72-jarige slachtoffer. Waarom dat geweld is gebruikt, is onduidelijk gebleven. De verdachte heeft daarover niets verklaard. Duidelijk is in ieder geval wel dat de verdachte geen geld had voor de aankoop van dit beeld. Ten gevolge van het door de verdachte uitgeoefende geweld heeft het slachtoffer een hartinfarct gekregen, waaraan hij is komen te overlijden. Hoewel de verdachte heeft gezien dat de verdachte stervende was, is hij weggegaan en heeft hij nagelaten enige vorm van hulp te verlenen of in te schakelen.
Het slachtoffer is hierdoor in de kelder van zijn woning, zonder de nabijheid van zijn naasten, komen te overlijden. Voorafgaand aan zijn laatste momenten moet het slachtoffer grote angsten hebben uitgestaan en pijn hebben ondervonden. De verdachte heeft met zijn handelen aan de nabestaanden immens en onherstelbaar leed toegebracht.

Dat weerhield de verdachte er niet van om deze situatie uit te buiten. Niet gehinderd door enige wroeging over zijn handelen en de dood van het slachtoffer, heeft de verdachte namelijk valse koopovereenkomsten opgesteld en gebruikt om de erven van [slachtoffer] op zeer slinkse wijze een bedrag van € 1.400.00,00 afhandig te maken. Daartoe heeft hij die erven in rechte betrokken en heeft hij beslag laten leggen op goederen van de nalatenschap. Het ontbreekt de verdachte volledig aan moreel besef en aan empathie voor de nabestaanden. Door aldus te handelen heeft hij niet alleen getracht zich ongerechtvaardigd te verrijken ten koste van de erven, maar ook zijn advocaat, de voorzieningenrechter en de handelskamer van de rechtbank misleid.

Dit handelen van de verdachte getuigt naar het oordeel van het hof van een grote mate van gewetenloosheid en koelbloedigheid en is zeer berekenend. De verdachte schroomt klaarblijkelijk geen enkel middel om zijn doel, te weten het verkrijgen van eigen financieel gewin, te bereiken.

Dezelfde gewetenloosheid spreekt uit zijn kort daarvoor jegens [betrokkene] geuite criminele voornemen om iemand uit financiële motieven van zijn vrijheid te beroven, te vermoorden en/of diens lijk weg te maken. Dat onvoldoende duidelijk is geworden of [slachtoffer] of [betrokkene 2] het beoogde slachtoffer was, staat er niet aan in de weg om deze kwade intenties in het nadeel van de verdachte in de straftoemeting te betrekken.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voorts gebleken dat de verdachte thans nog steeds op geen enkele wijze is doordrongen van het kwalijke van zijn gedrag, hetgeen hem eveneens in strafverzwarende zin wordt aangerekend.

Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte, zij het reeds lange tijd geleden in 2005, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij twee kinderen heeft, dat hij sinds de scheiding met zijn ex-echtgenote in 2007 alleenstaand is, dat hij in de weekenden thuis mag verblijven onder elektronisch toezicht en dat hij thans op doordeweekse dagen overdag werkzaam is bij een bedrijf in de autoverhuur in het kader van zijn detentiefasering.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met oplegging van de respectievelijk door de rechtbank gevonniste en door advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest zou naar ’s hofs oordeel onvoldoende recht worden gedaan aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Ook komen in die straf de hierboven door het hof in het nadeel van de verdachte betrokken feiten en omstandigheden die strafverhogend werken onvoldoende tot uitdrukking. Het hof zal derhalve overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Het hof acht – alles afwegende – in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak en daarmee samenhangend de redelijke termijn ambtshalve het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte eerst op 8 juli 2014 door de politie als verdachte is aangehouden en gehoord. Op 18 september 2014 is hij weer in vrijheid gesteld. Het politieonderzoek werd op 21 juli 2016 afgesloten. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 20 juni 2018 vonnis gewezen. Op 30 augustus 2018 is de verdachte opnieuw in voorlopige hechtenis genomen. Het hof doet bij arrest van heden uitspraak op het ingestelde hoger beroep.

Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve 3 jaren en ruim 11 maanden. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 5 jaren en 8 maanden, zodat de duur in eerste aanleg niet kan worden gecompenseerd door de voortvarende behandeling in hoger beroep.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak complex van aard is en het politieonderzoek mede door het benodigde deskundigenonderzoek lange tijd heeft geduurd, is het hof van oordeel dat die reden niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat in de fase van de eerste aanleg einduitspraak is gedaan na het verstrijken van twee jaren, waarmee de redelijke termijn met ruim 23 maanden is overschreden. Het hof zal deze overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 6 maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Beslag


Tijdens het vooronderzoek is er strafvorderlijk beslag gelegd op diverse papieren alsmede op een pandbrief.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de bewezenverklaarde valsheid in geschrift (feit 2 primair) met behulp van de inbeslaggenomen papieren is begaan. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal daarom de onttrekking aan het verkeer bevelen van voornoemde inbeslaggenomen goederen.

Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op de pandbrief, zal het hof daarvan de teruggave gelasten aan de verdachte, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon van die pandbrief.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 57, 63, 225 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van twee stuks papier met beslagnummer 462338 en één stuk papier met beslagnummer 462342, welke voorwerpen in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven;

gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven pandbrief met beslagnummer 462346.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 23 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.