Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:1002

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.271.320_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 maart 2020

Zaaknummer : 200.271.320/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/349068/ JE RK 19-1169

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.L.D. Thomas,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in principaal en incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader],
wonende te [woonplaats] ,
tevens verzoeker in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.J.C.W. Scholte-van de Ven.
hierna te noemen: de vader;

- [de pleegmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder;

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] ,
    geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
    hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] ,
    geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
    hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

  • -

    [minderjarige 3] ,
    geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,
    hierna te noemen: [minderjarige 3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 september 2019.

2 Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing zoals gedaan door de GI af te wijzen dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

Uit de grieven blijkt dat de moeder subsidiair verzoekt de termijn van de machtiging uithuisplaatsing te verkorten.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 januari 2020, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, waar het de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, en die termijn te verkorten tot zes maanden.

Het hof merkt het verweerschrift van de vader tevens aan als incidenteel hoger beroep. Bij brief van 20 februari 2020 heeft het hof partijen en de pleegmoeder daarvan op de hoogte gesteld en daarbij tevens opgemerkt dat een ieder ter mondelinge behandeling in de gelegenheid zal zijn (mondeling) verweer te voeren tegen het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Thomas. Voor de moeder is H.A. Kok opgetreden als tolk in de Portugese taal (tolknummer 868);

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader, bijgestaan door mr. N.P. Scholte, waarnemend voor mr. Scholte-van de Ven;

- de pleegmoeder.

2.4.1.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft de raad het hof bericht niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

Het ouderlijk gezag over deze kinderen berust bij de ouders.

3.2.

De kinderen staan sinds 2 oktober 2017 onder toezicht van de GI.

3.3.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 2 januari 2019 uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin: bij de moeder van de vader (hierna ook: de oma).

3.4.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 2 oktober 2019 verlengd tot uiterlijk 2 oktober 2020, en de aan de GI verleende machtiging om de kinderen uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin verlengd met ingang van 2 oktober 2019 tot uiterlijk 2 oktober 2020.

3.5.

De moeder en de vader kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in (incidenteel) hoger beroep gekomen.

Het principaal en het incidenteel hoger beroep richten zich niet tegen de beslissing betreffende de ondertoezichtstelling.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder het primaire verzoek ingetrokken en haar subsidiaire verzoek gehandhaafd in die zin dat zij verzoekt de duur van de uithuisplaatsing te beperken tot zes maanden, derhalve tot uiterlijk 2 april 2020.

Het hof oordeelt, gezien het voorgaande en gezien het verzoek van de vader in incidenteel appel, alleen nog over de duur van de gegeven machtiging uithuisplaatsing.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

De ouders hebben een turbulente relatie gehad, maar zij zijn in rustiger vaarwater terecht gekomen. De moeder wil alleen nog contact met de vader hebben over zaken die de kinderen betreffen. De moeder heeft een eigen woning waarin zij de kinderen kan ontvangen. Zij kan de kinderen een goede opvoeding bieden. Ook is zij in staat praktische zaken voor de kinderen te regelen. De moeder wil aan zichzelf werken en daarbij heeft zij hulp nodig. De omgangsregeling tussen de kinderen en de moeder verloopt goed. Het perspectief van de kinderen ligt bij de moeder. Een terugplaatsing bij de moeder zal daarom niet belastend voor hen zijn.

De termijn van een jaar waarmee de uithuisplaatsing is verlengd, is niet passend bij de situatie, waarin gewerkt moet worden naar thuisplaatsing bij de moeder, en is niet passend bij de leeftijd van de kinderen. Hoewel de moeder achter het familieonderzoek staat dat uitgevoerd zal worden door Bureau [bureau] , vindt zij dat het te lang duurt. De moeder meent dat het onderzoek parallel aan de thuisplaatsing van de kinderen kan plaatsvinden. Er is namelijk geen enkele reden om te twijfelen aan de opvoedcapaciteiten van de moeder. Bovendien zijn de omstandigheden die maakten dat aanvankelijk aan de gronden voor de uithuisplaatsing werd voldaan, ingrijpend gewijzigd. De moeder heeft nu immers een eigen woning. De moeder heeft ook niet langer de hoop en verwachting dat zij nog samen met de vader voor de kinderen zal kunnen zorgen.

De ondertoezichtstelling geeft voldoende waarborgen voor het contact tussen de kinderen en de vader en de veiligheid van de kinderen. De moeder wil inzetten op parallel ouderschap.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

Het familieonderzoek is nodig vóór een eventuele thuisplaatsing zou kunnen plaatsvinden. Onderzocht gaat immers worden in hoeverre de ouders in staat zijn om voor de kinderen te zorgen: wat hebben de kinderen afzonderlijk nodig en in welke mate kunnen de ouders hun dat bieden. Het zou schadelijk zijn voor de kinderen als na een terugplaatsing blijkt dat het thuis niet goed gaat.

Het onderzoek zal zo snel mogelijk aanvangen en zal dan drie maanden in beslag nemen.

De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Tijdens de gesprekken met de ouders laten die zien niet in het belang van de kinderen te denken en spreken. De GI verwijst naar de zorgelijke gang van zaken rondom het regelen van de vijftiende verjaardag van [minderjarige 1] . Er zijn ook zorgen gekomen uit het onderzoek van Praktijk [praktijk] naar de persoonlijkheidsontwikkeling van [minderjarige 2] . Er dient rust te komen voor [minderjarige 2] en de ouders moeten hiervoor zorgen. Hier gaan de ouders niet op in; er wordt met name gesproken over de leerresultaten van [minderjarige 2] . Een andere zorg is dat de moeder [minderjarige 3] als enige ‘ [naam] ’ noemt, terwijl hij door anderen zo niet wordt genoemd. Hiermee lijkt het alsof zij [minderjarige 3] ’s persoonlijkheid ontkent.

Aangeboden hulpverlening wordt steeds afgewezen of niet aanvaard, dan wel negatief afgesloten. De moeder zegt nu wel dat zij bereid is therapie voor zichzelf te aanvaarden, maar dat zou de GI eerst zwart op wit willen zien. De echtscheidingsprocedure is door de vader weer ingetrokken. De kinderen blijven in de weekenden bij de ouders belast worden met volwassen zaken en blijven klem zitten in hun loyaliteit richting beide ouders. Dezelfde patronen herhalen zich als ten tijde van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] in 2013. Het ontbreekt de ouders aan inzicht wat belangrijk is voor de kinderen en hun ontwikkeling. De ouders blijven hangen in het verleden. Op deze manier komt er geen rust en duidelijkheid voor de kinderen. De ouders dienen hun problematiek op te lossen, zonder de kinderen hiermee te belasten. Bij de oma ervaren de kinderen rust en stabiliteit.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

De machtiging uithuisplaatsing is terecht verlengd. De ouders hebben de turbulente periode afgesloten, maar over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg kunnen zij het niet eens worden. Aangezien de oma slechts éénmaal de pleegmoeder van de kinderen wil zijn (en na het mislukken van een thuisplaatsing niet opnieuw) heeft iedereen er belang bij dat een regeling tot stand komt die door beide ouders gedragen wordt en door onderzoek wordt ondersteund. De vader staat achter het familieonderzoek van [bureau] en dat in dat kader onderzocht wordt hoe hij functioneert als vader en of er ruimte is voor verbetering. Hij heeft nog geen hulp voor zichzelf ingeschakeld; het lijkt hem verstandig de resultaten van het familieonderzoek af te wachten. De uithuisplaatsing van zes maanden is voldoende, ook al is het familieonderzoek wellicht niet al op 2 april 2020 afgerond. De kinderen kunnen in ieder geval niet vóór de afronding van het onderzoek bij de moeder worden geplaatst, omdat de situatie bij haar nog onzeker is.

De vader heeft altijd een groot aandeel gehad in de zorg voor de kinderen; dat kan en wil hij in toekomst behouden. De vader heeft het echtscheidingsverzoek ingetrokken omdat niemand beter wordt van alle procedures, zeker de kinderen niet. Als de moeder niet op korte termijn in staat is de zorg voor de kinderen op zich te nemen, vanwege praktische belemmeringen of omdat zij over onvoldoende opvoedkwaliteiten beschikt, dienen de kinderen volledig bij de vader te worden geplaatst, waarbij een zorgregeling met de moeder wordt afgesproken. De vader ziet echter ook mogelijkheden voor een co-ouderschapsregeling/parallel ouderschap. Hij hoopt zo snel mogelijk met de moeder hierover afspraken te kunnen maken.

Met de ondertoezichtstelling, gecombineerd met onderzoek naar het gezin en hulpverlening voor de moeder, kunnen de ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen worden weggenomen.

3.9.

De pleegmoeder -oma- heeft tijdens mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Met de kinderen gaat het goed bij haar. De ouders halen en brengen de kinderen voor de omgangsweekenden. Dit gaat wisselend. De kinderen zijn afstandelijk als zij van de ouders terugkomen. ’s Avonds vertellen zij vaak wat er gebeurd is.

De moeder zou hen hebben verteld dat de pleegmoeder tegen de buik van de moeder had geschopt toen zij zwanger was van [minderjarige 3] . Dat is niet waar; in ieder geval blijkt hieruit dat de kinderen worden belast met verhalen; zij hebben het al moeilijk genoeg. De ouders zijn nog niet zover dat de kinderen terug naar huis kunnen. In gezamenlijke gesprekken hebben zij altijd ruzie. Dat zal niet goed gaan als de kinderen weer thuis wonen. De kinderen hebben rust, begeleiding en liefde nodig. De ouders zijn te druk met de dingen die om hen heen gebeuren. Zij kunnen daardoor te weinig aandacht aan de kinderen besteden. De pleegmoeder hoopt dat de kinderen pas teruggeplaatst worden als de ouders goed voor hen kunnen zorgen.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.10.3.

Niet in geschil is dat ten tijde van de bestreden beschikking de uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was. De ouders menen dat de uithuisplaatsing echter niet langer dan een half jaar noodzakelijk is, dus tot uiterlijk 2 april 2020: de moeder meent dat de kinderen na verloop van een half jaar weer bij haar kunnen worden geplaatst; de vader meent dat de kinderen na verloop van een half jaar bij hem kunnen worden geplaatst.

3.10.4.

Het hof is van oordeel dat, zolang het familieonderzoek van [bureau] nog niet is afgerond, in de woonsituatie van de kinderen geen wijziging moet worden gebracht. In het kader van het onderzoek moet juist duidelijk worden wat de (pedagogische) mogelijkheden en belemmeringen bij beide ouders zijn. Het hof acht het, met de GI, niet in het belang van de kinderen om het risico te nemen dat zij, eenmaal bij een van beide ouders geplaatst, daar toch niet kunnen blijven wonen.

Het onderzoek zal op korte termijn aanvangen en zal ongeveer drie maanden duren. Vóór 2 april 2020 zal het onderzoek dus niet afgerond zijn. Het moet in alle rust kunnen plaatsvinden en ook daarbij past niet dat halverwege het onderzoek ingrijpende wijzigingen in de situatie worden aangebracht.

Het hof ziet reeds in deze omstandigheden voldoende rechtvaardiging voor het handhaven van de duur van de huidige machtiging van twaalf maanden.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek in hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 september 2019, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover betreft de duur van de (verlengde) machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en E.L. Schaafsma-Beversluis en bijgestaan door de griffier en is op 19 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.