Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
200.253.511_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Ondertoezichtstelling. OTS en UHP verlengen noodzakelijk in belang van hulpverlening van bijna meerderjarig kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 14 maart 2019

Zaaknummer : 200.253.511/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/347634 JE RK 18-1340

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M. Akça-Altun,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (gecertificeerde instelling),

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 november 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 januari 2019, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de nader te noemen minderjarige [minderjarige] alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2019, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. M. Akça-Altun;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

De raad is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 26 februari 2019. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

Beide ouders dragen het gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 8 januari 2018 onder toezicht van de stichting. Bij beschikking van 29 juni 2018 is ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Zij verblijft sindsdien in [instelling 1] .

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 21 september 2019. Ook is de aan de stichting verleende machtiging verlengd om haar tot uiterlijk 21 maart 2019 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat niet voldaan wordt aan de wettelijke gronden voor zowel een ondertoezichtstelling als een machtiging tot uithuisplaatsing. Samen met [minderjarige] hebben de ouders bij de [instelling 2] het MST programma (MultiSysteemTherapie) doorlopen en hierbij is een signaleringsplan opgemaakt. In geval van nood kunnen zij contact opnemen met de therapeut zodra zij signalen opvangen van [minderjarige] dat het niet goed met haar gaat. De ouders zetten zich volledig in voor [minderjarige] en het traject bij [instelling 3] kan voor [minderjarige] ook in de thuissituatie worden voortgezet. De rechtbank is daar ten onrechte niet op in gegaan. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] is volgens de ouders niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De rechtbank heeft de zorgen vanuit de ouders over de plaatsing van [minderjarige] in [instelling 1] aangehoord en ten onrechte genoegen genomen met de toezeggingen van de GI dat zij ermee aan de slag zouden gaan. De toezeggingen zijn niet nagekomen en de zorgen en onduidelijkheden bestaan nog steeds.

Ter zitting hebben de ouders verklaard dat [minderjarige] bij hen aangeeft dat zij niet naar de zelfstandigheidstraining wil die de GI voor haar van belang vindt en waar [minderjarige] op korte termijn aan kan beginnen. Het gaat nu goed met [minderjarige] , waarbij zij veel tijd thuis doorbrengt en in de avonduren 19 uur per week pizza’s bezorgt om bezig te blijven. Desgevraagd hebben de ouders als reactie op het hieromtrent door de GI gestelde, verklaard dat [minderjarige] onlangs een vriendje heeft gehad die zij heeft leren kennen bij de pizzeria, maar dat dit momenteel niet meer aan de orde is.

De hulpverlening voor [minderjarige] via de [instelling 2] zou volgens de ouders in de thuissituatie in het vrijwillig kader kunnen blijven doorgaan. Verder hebben de ouders contact met de huisarts, waar zij terecht kunnen als zij problemen ervaren met [minderjarige] .

Dat de ouders ter zitting in eerste aanleg hebben aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de ondertoezichtstelling heeft volgens de advocaat van de ouders te maken met het feit dat de rechter in eerste aanleg de indruk gaf dat als de maatregel van de ondertoezichtstelling zou vervallen de hulpverlening niet zou kunnen worden voortgezet en er dan een alternatief zou moeten worden gezocht in het vrijwillig kader. De ouders hebben toen verklaard de ondertoezichtstelling in het belang van de voortzetting van de behandeling te kunnen accepteren. Op dit moment zijn ouders van mening dat zij zelf de nodige hulp voor [minderjarige] kunnen regelen in het ambulante kader.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Alhoewel de ouders zich enorm ingezet hebben voor MST en dit traject ook positief hebben afgesloten, is [minderjarige] in de laatste week van MST gesloten geplaatst vanwege vermijdend gedrag, waarbij zij is weggelopen en ondergedoken. Voor ouders is er meer nodig dan de intensieve controle die zij hebben uitgeoefend. [minderjarige] is bijna volwassen en zij wordt hierdoor beperkt in haar ontwikkeling naar zelfstandigheid, terwijl zij juist vrijheden zou moeten kunnen opbouwen. Het MST traject is beëindigd en daardoor kan er op dit moment met de MST therapeut ook geen contact worden opgenomen indien er problemen ontstaan.

Ter zitting heeft de GI verklaard dat [minderjarige] op 6 maart 2019 een kennismakingsgesprek heeft voor de zelfstandigheidstraining die de GI voor haar van groot belang acht. [minderjarige] neemt hierin een ambivalente houding aan. Tegen haar ouders zegt ze dat ze niet wil, tegen de jeugdzorgwerker zegt ze van wel. Deze zelfstandigheidstraining start 8 maart 2019. [minderjarige] zal per die datum in een huis komen te wonen met een aantal jongeren van haar leeftijd die allemaal toewerken naar zelfstandigheid; in dit huis is er ook dag en nacht een mentor aanwezig. [minderjarige] zal in de eerste twee fasen nog wat meer met groepsleiding te maken hebben, maar zij werkt toe naar volledige zelfstandigheid. Zij heeft daar haar eigen kamer. De zelfstandigheidstraining omvat onder meer het aanleren van vaardigheden op het gebied van sociale vaardigheid en weerbaarheid. Daarnaast leert zij op het gebied van bijvoorbeeld financiën, huishouden en koken. De GI is van mening dat deze training voor een kwetsbaar meisje als [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verdere ontwikkeling naar volwassenheid. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] geeft haar de nodige dwang en regie die zij nodig heeft om daadwerkelijk tot belangrijke stappen te komen. De afgelopen periode toont de noodzaak van de dwang en regie aan. Juist dankzij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft zij nu bereikt dat er al veel meer vrijheden en verlofmogelijkheden zijn, dat er verschillende trainingen zijn gevolgd en dat deze trainingen nog steeds plaatsvinden. Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling heeft dit bewerkstelligd en werpt dus vruchten af. De GI acht het noodzakelijk in het belang van [minderjarige] dat zij de komende maanden, totdat zij achttien wordt, nog kan profiteren van dit kader waarbinnen zij belangrijke stappen zet en waardevolle vaardigheden opdoet.

De huidige machtiging verloopt op 21 maart aanstaande en de GI heeft in het verlengingsverzoek een vervolgmachtiging voor een open plaatsing bij de rechtbank aangevraagd.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.3.

Ingevolge artikel 1:265 b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke en lichamelijke gesteldheid.

3.7.4.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.5.

Het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:255 lid 1 BW als artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan.

3.7.6.

[minderjarige] wordt tot op heden nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn gelegen in haar kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid waar het bijvoorbeeld haar contact met jongens en mannen aangaat. [minderjarige] is zeer gevoelig voor beïnvloeding van met name mannen, hetgeen in het verleden heeft geleid tot traumatische en risicovolle situaties. Het verplichte kader van de ondertoezichtstelling heeft gemaakt dat [minderjarige] inmiddels een aantal belangrijke stappen heeft gezet en waardevolle trainingen heeft gevolgd.

Ook op dit moment nog wordt [minderjarige] begeleid vanuit de [instelling 2] en volgt zij via [instelling 3] een training “Girls Talk” om nog weerbaarder te worden. Het wordt in het belang van [minderjarige] geacht dat deze ingezette positieve maar ook nog kwetsbare ontwikkeling kan worden voortgezet. Weliswaar wordt door de ouders betoogd dat ook in het vrijwillig kader de huidige hulpverlening zal kunnen worden voortgezet, doch dit is onvoldoende concreet geworden. De enkele begeleiding door de huisarts wordt onvoldoende geacht, terwijl de GI gemotiveerd heeft betwist dat de ouders zich voor hulp nog kunnen wenden tot de MST-therapeut. Daarbij komt dat ook al zetten ouders zich voor vrijwillige hulpverlening aan [minderjarige] in, er onvoldoende aanwijzingen zijn dat ook [minderjarige] in het vrijwillig kader aan deze hulpverlening zal blijven meewerken.

Gelet hierop is er grond om de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur te verlengen.

3.7.7.

Met betrekking tot de vraag of de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 21 maart 2019 noodzakelijk in het belang van [minderjarige] is, wordt het volgende overwogen.

De ouders hebben goede intenties en zij vertonen enorme inzet. Toch zijn zij niet altijd bij machte gebleken om te voorkomen dat [minderjarige] terugvalt in wegloopgedrag en beïnvloeding door jongens, met alle gevolgen van dien. Ook recent is gebleken dat [minderjarige] een meerderjarig vriendje had, dat, in de visie van de GI hetgeen door de ouders niet is betwist, op [minderjarige] geen goede invloed had. Door ingrijpen van de GI is deze verkering inmiddels gestopt.

Op dit moment verblijft [minderjarige] nog steeds op [instelling 1] en begrijpt het hof de zorgen die de ouders in verband daarmee hebben. In aanmerking wordt daarbij genomen hetgeen de rechtbank in dat verband ook heeft overwogen. Inmiddels echter heeft [minderjarige] uitgebreide verlofmogelijkheden, waardoor zij veel tijd thuis doorbrengt bij de ouders. Maar bovenal is er thans concreet zicht op een plaatsing van [minderjarige] in een huis van waaruit zij een zelfstandigheidstraining kan volgen. Met de GI is het hof van oordeel dat het in het belang van de verdere ontwikkeling van [minderjarige] is dat zij aan deze zelfstandigheidstraining kan gaan deelnemen. Het is van belang dat [minderjarige] zelfstandig leert om haar eigen verantwoordelijke keuzes te maken en leert omgaan met vrijheden waar zij de rest van haar volwassen leven mee geconfronteerd zal worden. De zelfstandigheidstraining zal hieraan bijdragen en professionele hulp zal haar hierbij begeleiden. Anders dan de ouders kennelijk menen, ziet een dergelijke zelfstandigheidstraining niet alleen op het ontwikkelen van praktische vaardigheden op het terrein van bijvoorbeeld huishouding en financiën. Zeker ook de zelfstandige weerbaarheid en de ontwikkeling van andere sociale vaardigheden zullen bijdragen aan de ontwikkeling naar zelfstandigheid van [minderjarige] . Onvoldoende is gebleken dat deze hulpverlening in de thuissituatie in het vrijwillig kader kan en zal worden ingezet. Daarom wordt de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing tot 21 maart 2019 noodzakelijk in het belang van [minderjarige] geacht. Ook de begeleiding vanuit de [instelling 2] is op deze wijze gegarandeerd, terwijl ook de therapie bij [instelling 3] , Girls Talk kan worden voortgezet. Het behoud van de goede relatie tussen de ouders en [minderjarige] en hun betrokkenheid is daarbij uitdrukkelijk van belang.

Het hof is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk zijn in het belang van haar verzorging, opvoeding en veiligheid.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 november 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, L.Th.L.G. Pellis en M.I. Peereboom van Druninck en is op 14 maart 2019 uitgesproken door mr. L.Th.L.G. Pellis in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.