Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:982

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
200.247.894_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurovereenkomst

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 223
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.247.894/01

arrest van 12 maart 2019

gewezen in het incident ex artikel 223 Rv in de zaak van

Meditta Spoedzorg B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. R.W. Janssen te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. B. van Duijn te Weert,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 augustus 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante – Meditta – als eiseres en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6868081 \ CV EXPL 18-2660)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van grieven met productie en incidentele vordering;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Meditta is de rechtsopvolgster van de Stichting Huisartsenpost Midden-Limburg. Tussen voornoemde stichting en [geïntimeerde] is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

3.2.

Meditta heeft in eerste aanleg gevorderd te verklaren voor recht dat de opzegging van de huurovereenkomst die medio 2015 heeft plaatsgevonden effect heeft gesorteerd, zodat de huurovereenkomst per 1 augustus 2018 zal zijn beëindigd dan wel (in het geval het te wijzen vonnis na 1 augustus 2018 zal worden gewezen) per 1 augustus 2018 is beëindigd. Voorts heeft zij in eerste aanleg in incident een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv gevorderd.

3.3.

De kantonrechter heeft bij het thans bestreden vonnis zowel in het incident als in de hoofdzaak de vorderingen van Meditta afgewezen en Meditta veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Meditta heeft in hoger beroep haar eis in de hoofdzaak gewijzigd. Zij vordert thans een verklaring voor recht dat de opzegging van de huurovereenkomst die medio mei 2015 heeft plaatsgevonden effect heeft gesorteerd, zodat de huurovereenkomst per 1 augustus 2018 is beëindigd. Voorts vordert Meditta veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de na 31 juli 2018 door Meditta betaalde huurpenningen.

3.5.

Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat Meditta zowel appelleert tegen de afwijzing van de incidentele vordering ex artikel 223 Rv in eerste aanleg als in hoger beroep een nieuwe incidentele vordering ex artikel 223 Rv instelt. In beide gevallen vordert Meditta [geïntimeerde] te verbieden, totdat in de hoofdzaak zal zijn betwist, om aanspraak te maken op naleving door Meditta van de krachtens de huurovereenkomst op haar rustende exploitatie-verplichting, op straffe van een dwangsom. Het hof behandelt in dit arrest alleen de incidentele vordering in hoger beroep en niet het hoger beroep tegen de afwijzing van de incidentele vordering in eerste aanleg.

3.6.

[geïntimeerde] voert primair aan dat Meditta niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering, althans dat deze vordering moet worden afgewezen, omdat Meditta de incidentele vordering in hoger beroep gebruikt voor een soort spoedappel tegen de afwijzing van de incidentele vordering in eerste aanleg.
Dit verweer faalt. Het staat Meditta vrij om in hoger beroep een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te vorderen, ook als haar (deels) gelijkluidende vordering tot een voorlopige voorziening in eerste aanleg is afgewezen.

3.7.

Het hof zal voorts beoordelen of Meditta voldoende belang heeft bij haar incidentele vordering, nu [geïntimeerde] dat heeft betwist.
Meditta heeft gesteld dat zij belang heeft bij haar incidentele vordering. Dat belang is volgens haar gelegen in de omstandigheid dat zij in de hoofdzaak onder meer terugbetaling van de door haar vanaf 1 augustus 2018 betaalde huurpenningen vordert, omdat zij van mening is dat de huurovereenkomst per 1 augustus 2018 is beëindigd. Zij wil voorkomen dat toewijzing van deze vordering wordt geblokkeerd omdat zij het gehuurde is blijven gebruiken. Zij stelt dat dit gebruik alleen plaatsvindt sinds en omdat [geïntimeerde] haar op 19 februari 2017 heeft aangesproken op de naleving van de op haar rustende exploitatieverplichting. Zij stelt dat zij het gehuurde medio januari 2017 heeft verlaten. Enkel en alleen omdat [geïntimeerde] haar aansprak op de naleving van de exploitatieverplichting en ter voorkoming van een procedure hierover, is zij weer overleggen in het gehuurde gaan beleggen en laat zij aldaar kantoorwerkzaamheden uitvoeren.

3.8.

Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv). Het karakter van de voorziening brengt voorts met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak moet afwachten. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval (waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico), worden betrokken.

3.9.

De incidentele vordering van Meditta houdt in dat [geïntimeerde] wordt verboden om nakoming van de exploitatieverplichting uit de huurovereenkomst te vorderen (waaraan Meditta volgens haar nu vrijwillig, dit wil zeggen zonder veroordeling, voldoet). Zij legt daaraan ten grondslag dat [geïntimeerde] deze nakoming zal gebruiken in het kader van verweer tegen de vordering tot terugbetaling van de betalingen die zij nu vrijwillig (zonder veroordeling) aan [geïntimeerde] voldoet.

[geïntimeerde] voert aan dat hij belang heeft bij nakoming van de exploitatieverplichting. Zo neemt de kans op kraak en vernieling bij een leegstaand pand toe terwijl het ook een verhoging betekent van zijn premie voor de verzekering van het pand. Het niet gebruiken van het pand kan leiden tot een gesprongen waterleiding met alle gevolgen van dien, aldus [geïntimeerde] .

Het hof oordeelt dat het belang van Meditta bij haar incidentele vordering ondergeschikt is aan het belang van [geïntimeerde] , te meer omdat niet vaststaat dat het gestelde verweer tegen terugbetaling van de “huurpenningen” zal worden gevoerd en er niets is gesteld over de deugdelijkheid/aannemelijkheid van het verweer. Voorts kan op dit moment niet zonder nader debat en eventuele bewijsverrichtingen gezegd worden dat voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van Meditta in de hoofdzaak zullen worden toegewezen.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt Meditta in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.074,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 23 april 2019 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2019.

griffier rolraadsheer