Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:980

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
200.233.105_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4436
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4978
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:1335
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:212
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2130
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenkomst (art. 217-219a Rv). Hoger beroep. Belangvereiste.

Diverse andere processuele verwikkelingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 217
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 218
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 219a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.105/01

arrest van 12 maart 2019

gewezen in het incident ex artikel 225 Rv

opgeworpen door

Mr. B.A.H.M. Boelens,

in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap

van [appellante] ,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

eiseres in het incident,

hierna aan te duiden als: de vereffenaar,

advocaat: mr. R.D.W. Reijn te Eindhoven,

in de zaak van

1 [appellante] ,
laatstelijk wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

hierna respectievelijk aan te duiden als: moeder en [appellant] ,

advocaat: mr. R. Dhalganjansing te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. N.M.A. Deckers te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in het incident van 13 november 2018 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch met zaak-/rolnummer C/01/320433 / HA ZA 17-286, op 3 januari 2018 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, moeder als gedaagde in de hoofdzaak en [appellant] als eiser in het incident.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 13 november 2018;

  • -

    de akte houdende schorsing ex artikel 225 Rv van de vereffenaar;

  • -

    de antwoordakte op akte houdende schorsing ex artikel 225 Rv van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest in het incident.

6 De beoordeling

In het incident

6.1.

De vereffenaar vordert in dit incident als formele procespartij in plaats van moeder, die op 5 augustus 2018 is overleden, schorsing van de procedure op de voet van artikel 225 lid 1 onder a en c Rv.

6.2.

De vereffenaar stelt daartoe het volgende.

Moeder heeft voor het laatst over haar wil beschikt bij testament van 6 juni 2018. In dat testament heeft zij haar twee kinderen [appellant] en [geïntimeerde] onterfd en Stichting Exploitatie Villa Pardoes te [plaats] benoemd tot enige erfgenaam. Bij akte van 19 september 2018 heeft deze stichting de nalatenschap verworpen. De broers, zussen en – bij plaatsvervulling – nichtjes van moeder zijn tot de nalatenschap geroepen. Zij hebben nog geen keuze gemaakt of zij de nalatenschap (beneficiair) aanvaarden of verwerpen.

De vereffenaar is bij beschikking van 7 november 2018 door de rechtbank Oost-Brabant benoemd. Zij heeft een aanvang gemaakt met haar werkzaamheden ter zake het beheer van de nalatenschap en heeft diverse instanties en de erfgenamen aangeschreven en de schuldeisers opgeroepen. Gezien de complexiteit van de nalatenschap en het aantal procedures dat bij het hof en bij de rechtbank Oost-Brabant aanhangig is, roept de vereffenaar de schorsing in van de onderhavige procedure.

6.3.

[geïntimeerde] is van mening dat sprake is van een geldige schorsing van de procedure, nu de vereffenaar de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt en bevoegd is de schorsing wegens het overlijden van moeder in te roepen. Daarom refereert [geïntimeerde] zich aan het oordeel van het hof. Verder meent [geïntimeerde] dat de schorsing ook betekent dat de vereffenaar moeder, althans de erfgenamen als haar rechtsopvolgers in deze procedure, vertegenwoordigt en mr. Dhalganjansing niet langer als haar advocaat in deze procedure kan optreden nu de vereffenaar een nieuwe advocaat heeft gesteld.

6.4.

[appellant] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet geantwoord in het incident.

6.5.

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Na het overlijden van een partij kan de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv worden geschorst. Voor een geldige schorsing in geval van overlijden van een procespartij is vereist dat de aanzegging tot schorsing de personalia vermeldt van de belanghebbenden die tot schorsing overgaan, de schorsingsgrond, het rechtsfeit dat hen tot belanghebbende maakt en de aanzegging dat men schorst. Het doel van de in artikel 225 Rv gegeven regeling is onder meer dat een periode van beraad wordt ingelast, bijvoorbeeld om zo nodig de rechtsopvolger(s) in de plaats te stellen van de oorspronkelijke procespartij.

6.6.

Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat mr. B.A.H.M. Boelens bij beschikking van 7 november 2018 door de rechtbank Oost-Brabant is benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van moeder. Gelet op de in artikel 4:211 BW omschreven taak en bevoegdheden van de vereffenaar, is het hof van oordeel dat deze als belanghebbende in de zin van artikel 225 Rv kan worden aangemerkt. Aangezien de vereffenaar haar belang bij schorsing voldoende heeft toegelicht, betekent dit dat de zaak rechtsgeldig is geschorst met ingang van 18 december 2018, de roldatum dat de vereffenaar de akte houdende schorsing ex artikel 225 Rv heeft genomen. De incidentele vordering zal worden toegewezen, in die zin dat het hof vaststelt dat het geding vanaf 18 december 2018 is geschorst.

6.7.

In verband met de schorsing, zal het hof de zaak na het uitspreken van dit arrest ambtshalve doorhalen. Het geding kan (eventueel) na de periode van schorsing bij exploot of, indien de wederpartij daarmee instemt, bij akte ter rolle worden hervat in de stand waarin deze zich nu bevindt. Partijen stellen dan opnieuw advocaat (artikel 227 lid 3 Rv).

7 De uitspraak

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering toe;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

stelt vast dat het geding is geschorst vanaf 18 december 2018;

bepaalt dat de zaak nu ambtshalve zal worden doorgehaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2019.

griffier rolraadsheer