Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:965

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-03-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
20-002818-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5093, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van verduistering van € 1.035.546,46 gepleegd in dienstbetrekking en witwassen van voornoemd bedrag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002818-18

Uitspraak : 11 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 28 augustus 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-800939-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught.

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de voortgezette handeling van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, en witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag en de vordering van de [benadeelde partij] .

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de kwalificatie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en met uitzondering van de strafoplegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    het onder 2 ten laste gelegde zal kwalificeren als ‘witwassen, meermalen gepleegd’;

  • -

    verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest;

  • -

    aan het voorwaardelijk opgelegde strafdeel de bijzondere voorwaarden zal koppelen dat verdachte binnen de proeftijd een deel van het schadebedrag zal vergoeden en daarvan een bewijs van betaling aan het Openbaar Ministerie zal overleggen.

De verdediging heeft zich geschaard achter de bewezenverklaring van de rechtbank, met dien verstande dat de verdediging heeft betoogd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bewezen dient te worden verklaard dat verdachte een geldbedrag van € 1.035.546,46 zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Tot slot heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, met dien verstande dat het toe te wijzen bedrag gelijk dient te zijn aan het geldbedrag dat het hof in het onder 1 ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – middels nadere omschrijving van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering – ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 te Waalwijk en/of Opheusden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 1.037.405,04, dan wel € 1.036.453,96, in elk geval € 1.035.546,46), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [rechthebbende 1] en/of [rechthebbende 2] en/of [rechthebbende 3] en/of [rechthebbende 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en welk(e) goed(eren) hij, verdachte, al dan niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten financieel directeur schadebedrijven, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 te Waalwijk en/of Opheusden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 1.037.405,04, dan wel € 1.036.453,96, in elk geval € 1.035.546,46), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [rechthebbende 1] en/of [rechthebbende 2] en/of [rechthebbende 3] en/of [rechthebbende 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s);

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 te Waalwijk en Opheusden, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) met een totaalwaarde van € 1.037.405,04, dan wel € 1.036.453,96, in elk geval € 1.035.546,46 (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft gemaakt en/of (telkens) van voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd voorwerp was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit een of meer misdrijf/misdrijven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Verdachte heeft op 9 mei 2017 bekend dat hij een geldbedrag van ruim een miljoen euro heeft verduisterd. Ten aanzien van een de betalingen aan [persoon 1] heeft hij echter verklaard dat hij deze in opdracht van zijn directeur heeft gedaan en dat dit salaris betreft waarvoor zij heeft gewerkt. [persoon 1] heeft zelf op 18 april 2018 bij de politie verklaard dat zij in 2016 en 2017 enkele maanden bij [bedrijf] heeft geholpen en dat zij daarvoor is betaald. Zij heeft bij die gelegenheid verklaard waaruit haar werkzaamheden bestonden (p. 377). Ook [persoon 2] , die in de ten laste gelegde periode bij [bedrijf] werkzaam was, heeft op 7 maart 2018 verklaard dat zij deze [persoon 1] heeft ontmoet en dat zij in de zomer enkele weken als vakantiekracht heeft meegeholpen met het inboeken van inkopen bij [bedrijf] (p. 328).

Het hof constateert uit het bij de aangifte van [aangever] gevoegde rekeningafschrift dat er in 2016 en 2017 vanaf het [rekeningnummer] van [bedrijf] enkele relatief lage bedragen (€ 251,08, € 250,00, € 450,00 en € 907,50) aan [persoon 1] zijn uitgekeerd. Bij het bedrag van € 251,08 staat in de omschrijving een factuurnummer vermeld, bij het bedrag van € 907,50 staat in de omschrijving ‘credit 83033’ vermeld en bij het bedrag van € 450,00 staat in de omschrijving ‘payment augustus’ vermeld.

Op basis van het voorgaande kan het hof niet vaststellen dat verdachte deze geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend en heeft witgewassen. Het hof gaat derhalve uit van het ten laste gelegde geldbedrag van (€ 1.037.405,04 - € 1.858,58 =) € 1.035.546,46.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 in Nederland meermalen telkens opzettelijk geldbedragen van in totaal € 1.037.405,04 toebehorende aan [rechthebbende 1] en/of [rechthebbende 2] en/of [rechthebbende 3] en/of [rechthebbende 4] en welke goederen hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten financieel directeur schadebedrijven, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 13 december 2017 in Nederland meermalen telkens voorwerpen te weten geldbedragen met een totaalwaarde van € 1.035.546,46 heeft verworven, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van de voornoemde geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit misdrijven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Nu de verdachte het onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feit heeft bekend en er ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

In de hierna weergegeven bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, BVH nummer 2017299192, doorgenummerde dossierpagina’s 1-1215. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2017, met bijlagen (p. 420-470), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] .

2. Een proces-verbaal van aanvullende aangifte d.d. 9 februari 2018, met bijlagen (p. 471-632).

3. Een proces-verbaal van bevindingen gesprek [verdachte] d.d. 9 mei 2018 (los opgenomen in het dossier), inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 25 februari 2019, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Witwassen (feit 2)

Voor een veroordeling ter zake van witwassen zoals bewezen is verklaard, is vereist dat bewezen wordt geacht dat verdachte het voorwerp waarop de verdenking van witwassen is gebaseerd, heeft verworven, heeft overgedragen of omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Ten aanzien van deze omschrijving van witwassen als bedoeld in art. 420bis, lid 1, onder b Sr is bestendige jurisprudentie dat voor zover aan de verdachte als gedraging ten laste is gelegd dat hij een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf heeft verworven, uit de motivering moet kunnen worden afgeleid dat de gedraging(en) van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp (vgl. HR 26 oktober 2010, NJ 2010/655; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:188; HR 18 december 2018,ECLI:NL:HR:2018:2344 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78). Deze rechtspraak heeft in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin (mede) is bewezenverklaard het ‘overdragen’ en ‘omzetten’ en – naar het hof voorkomt – van ‘gebruik maken’ van een voorwerp. Niet valt echter uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het uitzonderlijke geval dat het ‘overdragen’, ‘omzetten’ en ‘gebruik maken’ van een door eigen misdrijf verkregen voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee een door dat misdrijf verkregen voorwerp voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het (schuld)witwassen van dat voorwerp (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2344).

Het hof merkt in de eerste plaats op dat voor wat betreft de bestanddelen ‘onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf’ in de onderhavige zaak naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander vermogensmisdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp voorhanden heeft gehad. Daarnaast vloeit rechtstreeks uit de bewijsvoering voort dat sprake is van – kort gezegd – het voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Voor wat betreft het uit de jurisprudentie afgeleide vereiste dat de gedraging(en) van de verdachte ook (kennelijk) gericht dienen te zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp, stelt het hof het volgende. Het hof acht ten aanzien van het bewezenverklaarde handelen van verdachte – het verwerven, het overdragen en omzetten, althans het van de voornoemde geldbedragen gebruik maken – dat in casu geen sprake is van het ontbreken van verhullingshandelingen. Verdachte heeft nadat hij de geldbedragen had verduisterd, deze direct via het internet overgemaakt naar de rekening van anderen en de betreffende bedragen omgezet in bitcoins en andere crytovaluta en daarbij de toegang tot deze bedragen versleuteld door een viervoudige versleuteling. Hij heeft immers de geldbedragen die hij had verkregen uit eigen misdrijf op verschillende momenten overgemaakt naar rekeningnummers van andere personen (waaronder [persoon 3] , [persoon 1] en ten behoeve van zijn schoonmoeder), hij heeft reizen betaald met de geldbedragen en hij heeft de geldbedragen omgezet in onder andere (versleutelde) bitcoins en andere cryptovaluta. In het bijzonder de laatst genoemde gedraging(en) van de verdachte waren derhalve weldegelijk (kennelijk) gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Door deze handelingen te verrichten heeft verdachte de geldbedragen immers niet traceerbaar gemaakt en daarmee gedragingen verricht die zijn gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen. Als gevolg hiervan acht het hof het witwassen zoals tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de geldbedragen (van totaal € 1.035.546,46) een criminele herkomst hebben en dat deze onmiddellijk afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Het geldbedrag betreft immers de buit van een door verdachte begaan vermogensdelict, te weten verduistering in dienstbetrekking.

Voortgezette handeling

De regeling van de bepalingen van samenloop, waaronder die betreffende de voortgezette handeling, geven uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer mag worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Het gaat daarbij met andere woorden om het voorkomen van – kort gezegd – onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van een voortgezette handeling indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068).

Het Hof oordeelt dat het handelen van verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 echter niet moet worden beschouwd als een voortgezette handeling, maar dat bij de betreffende bewezen verklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop. Het gaat volgens het hof bij genoemde feiten weliswaar om gedragingen waarbij sprake is van opeenvolging in de tijd, maar bij beide bewezen verklaarde gedragingen is sprake van (in wezen) één verwijt, noch van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') welke zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Verdachte heeft er niet alleen voor gekozen om op verschillende momenten de geldbedragen uit de beschikkingsmacht van de rechthebbende te onttrekken door er als heer en meester over te gaan beschikken. Hij heeft er daarnaast voor gekozen om deze geldbedragen aan het zicht van de rechthebbende te onttrekken door deze geldbedragen om te zetten in bitcoins en andere cryptovaluta. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen dienen te worden aangemerkt als twee verschillende verwijten en dat in casu dus sprake is van meerdaadse samenloop.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan

verduistering in dienstbetrekking en heeft daarbij in totaal ruim één miljoen euro van zijn

werkgever weggenomen. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn functie als financieel

directeur bij [bedrijf] en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen, door op

geraffineerde wijze geldbedragen naar zijn eigen bankrekening en naar die van anderen uit zijn omgeving over te maken. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van dit geld. Het buitgemaakte geld heeft hij naar eigen zeggen onder andere uitgegeven aan reizen en aan de aanschaf van bitcoins en andere cryptovaluta. Door zijn handelen heeft verdachte grote financiële schade toegebracht aan zijn werkgever. Uit de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 augustus 2018 blijkt dat een aantal werknemers nachten hebben moeten doorwerken om de problemen die verdachte heeft veroorzaakt, op te lossen. De werkgever begrijpt nog altijd niet waarom verdachte zo gehandeld heeft. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Het hof neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een lange tijd met zich brengt.

Hierbij heeft het hof aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden. Als oriëntatiepunt voor fraudezaken bij een ‘first offender’ en een benadelingsbedrag van één miljoen euro of hoger wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bij de straftoemeting in fraudezaken dient naast het benadelingsbedrag evenzeer te worden gelet op de in de LOVS opgesomde strafvermeerderende en strafverminderende factoren. In dat kader overweegt het hof dat er meerdere strafverhogende factoren van toepassing zijn.

Het hof merkt de lange pleegperiode en de hoogte van het verduisterde en witgewassen bedrag als strafverhogend aan. Ook neemt het hof in aanmerking dat verdachte niet uit eigen beweging is gestopt. De zaak is pas aan het licht gekomen nadat verdachte zijn werkgever publiekelijk in een negatief daglicht had gezet, door ongefundeerde, niet bewezen, negatieve uitlatingen over de werkgever in de pers te brengen. Verder merkt het hof als strafverhogende factor aan dat het ontstane nadeel tot op heden niet ongedaan is gemaakt. Verdachte heeft meerdere malen aangegeven tot een oplossing te willen komen en het geld terug te willen geven, maar geeft uiteindelijk niet thuis. Telkens zegt hij ‘schoon schip te willen maken’, maar de werkgever heeft nog niet één euro van hem teruggekregen.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de rapportage van 15 mei 2018 van de reclassering. Over de mogelijke achterliggende gedachte en reden van het delict rapporteert de reclassering dat verdachte meent over veel vaardigheden en kennis te beschikken op het

gebied van cijfers en computers. Aan deze kennis en vaardigheden en zijn werk als

financieel directeur ontleende hij status en een gevoel van eigenwaarde. Deze status en het

gevoel van eigenwaarde lijken te hebben bijgedragen aan de totstandkoming en het voortduren van delictsgedrag. Dit is tevens een risicofactor omdat verdachte mogelijk weer

op zoek zal gaan naar een dergelijke behoeftebevrediging. Het recidiverisico is als laag tot

gemiddeld ingeschat. Op grond van het recidiverisico en de criminogene factoren zijn geen

(gedrags)interventie(s) en/of behandelingen geïndiceerd. Verdachte wordt voldoende in

staat geacht, gezien zijn cognitieve vaardigheden en steunend netwerk, om zijn leefgebieden

op orde te krijgen. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke

gevangenisstraf, zonder bijzondere voorwaarden, op te leggen.

Het hof heeft zich voor de beantwoording van de vraag gesteld gezien in hoeverre de op te leggen straf dienstig kan worden gemaakt aan het bevorderen van de bereidheid bij verdachte om de ontvreemde geldbedragen terug te betalen. Hij heeft immers aangegeven toegang te hebben of te kunnen krijgen tot de delen van de bedragen die hij heeft omgezet in cryptocurrency. Het hof is tot de slotsom gekomen dat die bereidheid het meest doeltreffend kan worden bevorderd door voorwaarden te verbinden aan de mogelijk in de toekomst te verlenen voorwaardelijke invrijheidstelling. Anders dan de rechtbank en het advies van de reclassering zal het hof dan ook niet een gedeeltelijk voorwaardelijke straf opleggen.

De door de rechtbank opgelegde straf voor de duur van 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, betekende voor verdachte een detentieperiode van 42 maanden. Het hof acht, alle omstandigheden afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De daadwerkelijk ten uitvoer te leggen straf komt derhalve neer op 36 maanden. De door het hof op te leggen nominale straf betekent evenwel een langer voorwaardelijk gedeelte in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling, ervan uitgaande dat verdachte zijn kans hierop niet bederft door zich ernstig te misdragen tijdens zijn detentie dan wel na zijn veroordeling.

Beslag

Het onder verdachte in beslag genomen voorwerp als vermeld op de beslaglijst, te weten 0,00927454 Bitcoin, is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het aan verdachte toebehoort en geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.037.405,04, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering voorts gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.035.546,46, zijnde het door het hof bewezen verklaarde verduisterde geldbedrag. De benadeelde partij heeft deze schade voldoende onderbouwd en voorts is de schade door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2017 – zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de overige gevorderde materiële schadevergoeding en bepaalt dat zij het niet toegewezen gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 57, 322 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

0,00927454 Bitcoin (G1854982);

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.035.546,46 (eenmiljoen vijfendertigduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 december 2017;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.035.546,46 (eenmiljoen vijfendertigduizend vijfhonderdzesenveertig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,

en op 11 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.