Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:962

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
18/00129
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende werkt voor een Duitse werkgever in Nederland. Zijn echtgenote woont in Kroatië. In geschil is de aftrek van financieringsrenten ter zake van een in Kroatië gelegen eigen woning. De woning bestaat uit appartementen waarvan twee bestemd zijn voor verhuur aan toeristen en één uit een zelfstandige wooneenheid die door de zoon wordt bewoond. De rest wordt volgens belanghebbende bewoond door hemzelf en zijn echtgenote. De Inspecteur heeft slechts 25% van de woning als eigen woning aangemerkt en slechts dat deel van de rente in aftrek toegestaan.

Het Hof is van oordeel dat de voor de verhuur bestemde appartementen en het appartement dat door de zoon wordt bewoond, geen eigen woning zijn voor belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan rente-aftrek dan door de Inspecteur is aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-05-2019
V-N Vandaag 2019/1195
FutD 2019-1426
V-N 2019/32.7 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/1736 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00129

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Kroatië),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 januari 2018, nummer BRE 16/9015 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.966. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 14 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde] , alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek op de zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft de Kroatische nationaliteit. In 2012 werkte belanghebbende in Nederland in loondienst voor een Duitse werkgever. Belanghebbende beschikte over woonruimte in Duitsland en stond ook aldaar ingeschreven. Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] . De echtgenote woonde in 2012 in Kroatië.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2012 twee onroerende zaken in eigendom, [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] in Kroatië. Volgens informatie van de Kroatische Belastingdienst exploiteerde belanghebbende op het adres [adres 2] een hotel genaamd ‘ [hotelnaam] ’ voor rekening van een door hem opgerichte vennootschap. Belanghebbende woonde volgens die gegevens op het adres [adres 1] . Het huis bestaat uit vier appartementen, waarvan in elk geval een deel volgens de Kroatische Belastingdienst werd verhuurd. Op foto’s op google-maps is te zien dat op de muur van [adres 1] een bordje is bevestigd waarop een bed staat afgebeeld. Eén appartement wordt bewoond door de zoon van belanghebbende.

2.3.

Belanghebbende heeft over 2012 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.254, bestaande uit loon uit Nederlandse dienstbetrekking van € 55.089 en inkomsten uit eigen woning in Kroatië van € 24.835 negatief. Belanghebbende heeft in de aangifte gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslag 2012 heeft de Inspecteur het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met een bedrag van € 10.365 winst uit onderneming in Kroatië en vastgesteld op € 40.966. Voor de winst uit onderneming in Kroatië is een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend van € 1.203. De aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is volgens de Inspecteur ten onrechte verleend omdat bij de berekening is verzuimd om de positieve buitenlandse inkomsten te salderen met de negatieve buitenlandse inkomsten uit eigen woning van € 24.488.

2.5.

In de bestreden uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag met toepassing van interne compensatie gehandhaafd. De correctie winst uit onderneming is volgens de Inspecteur niet terecht, omdat uit de informatie van de Kroatische Belastingdienst volgt dat het hotel niet door belanghebbende zelf werd geëxploiteerd, maar door een door hem opgerichte Kroatische vennootschap. Echter, uit de informatie van de Kroatische Belastingdienst volgt ook dat de echtgenote van belanghebbende drie vakantieappartementen verhuurde gelegen op het adres van de eigen woning, [adres 1] , waardoor een deel van de woning niet als eigen woning kwalificeert en de verleende aftrek eigen woning te hoog was. De Inspecteur heeft het deel dat voor verhuur wordt gebruikt vastgesteld op 75% van het totaal, zodat de aftrek eigen woning voor € 18.366 (75% van € 24.488) te hoog is verleend.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende een bedrag van € 24.835 als negatieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking mag nemen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.254. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij tot een bedrag van € 24.835 recht heeft op aftrek van negatieve inkomsten uit de eigen woning in Kroatië. De Inspecteur heeft de omvang van deze aftrek gemotiveerd bestreden. De bewijslast voor de omvang van de aftrek rust op belanghebbende.

4.2.

De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld, onder verwijzing naar de informatie van de Kroatische Belastingdienst, dat de onroerende zaak [adres 1] in [woonplaats] in Kroatië, mede bestaat uit drie appartementen die worden verhuurd aan toeristen. Belanghebbende heeft op de zitting in hoger beroep bevestigd dat twee appartementen bestemd zijn voor de verhuur en dat één appartement door belanghebbendes zoon wordt bewoond en dat dit een zelfstandige wooneenheid is.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat de appartementen die zijn bestemd voor verhuur en het appartement dat door de zoon wordt bewoond, niet zijn aan te merken als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Deze delen van het pand staan belanghebbende of personen die tot zijn huishouden behoren niet als hoofdverblijf ter beschikking. Voor zover de geldlening is aangewend voor de financiering van deze onderdelen van de onroerende zaak [adres 1] kan de over de lening verschuldigde rente niet als kosten ter zake van de eigen woning in aanmerking worden genomen.

4.4.

De Inspecteur heeft het deel van de eigen woning geschat op 25% van de gehele onroerende zaak. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deel dat - naar hij stelt - is bestemd als eigen woning meer bedraagt. Het op de zitting in hoger beroep gedane aanbod voor het leveren van nader bewijs passeert het Hof. Afweging van enerzijds het belang dat belanghebbende heeft met betrekking tot het aanleveren van nader bewijs ter ondersteuning van zijn standpunt en anderzijds het belang dat de Inspecteur heeft bij een voortvarende behandeling van de onderhavige procedure, hecht het Hof meer belang aan dit laatste. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat diverse malen door de Inspecteur om nader bewijsmateriaal is gevraagd en belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad tot het leveren van nader bewijs. Het Hof is daarom van oordeel dat dit bewijsaanbod te laat is gedaan.

4.5.

Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de geldlening waarvan de rente in de aangifte in aftrek is gebracht, uitsluitend betrekking heeft op de financiering van het woninggedeelte van het pand.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 maart 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.J.C. Pieterse en H.A. Wiggers, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.