Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:961

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
18/00045
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8623, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1404
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door het overlijden van erflater is sprake van een fictieve vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen. De inspecteur beschikt over een nieuw feit voor navordering. Het Hof ziet geen aanleiding om aan belanghebbenden een (integrale) proceskostenvergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2019/1196
FutD 2019-0805 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/29.1.4
NTFR 2019/1475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00045

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbenden] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 21 december 2017, nummer BRE 16/7431, in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbenden is onder aanslagnummer [aanslagnummer] .H.07 over het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar - voor zover van belang - een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 799.449. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 32.720 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [de echtgenote] , bijgestaan door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbenden, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.5.

Belanghebbenden hebben tijdens deze zitting een urenverantwoording van hun gemachtigde overgelegd. De Inspecteur heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De heer [erflater] (hierna: erflater) is op [datum] 2010 overleden. Erflater was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [de echtgenote] . Op het moment van overlijden behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap een aandelenpakket in [de BV] (hierna: het aanmerkelijk belang).

2.2.

In de op 27 september 2010 ingediende aangifte erfbelasting (hierna: de aangifte erfbelasting) is met betrekking tot het (vererfde) aanmerkelijk belang geen beroep gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35b van de Successiewet 1956 (hierna: de BOF). De aanslag erfbelasting is opgelegd met dagtekening 12 juni 2012.

2.3.

Op 25 april 2012 is door de belanghebbenden, namens erflater, op elektronische wijze de aangifte IB/PVV 2010 (hierna: de aangifte IB/PVV) ingediend middels een zogenoemd F-biljet. In de aangifte IB/PVV is geen (inkomen uit) aanmerkelijk belang aangegeven. Met dagtekening 25 mei 2012 is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag IB/PVV) geautomatiseerd vastgesteld overeenkomstig de aangifte IB/PVV.

2.4.

In het kader van een landelijke actie waarbij gegevens zijn uitgewisseld tussen de inspecteur erfbelasting en de inspecteur inkomstenbelasting, is laatstgenoemde begin oktober 2015 ervan op de hoogte geraakt dat in de aangifte erfbelasting geen gebruik is gemaakt van de BOF en dat de vererving van de aanmerkelijkbelangaandelen voor de erfbelasting als een belaste - niet vrijgestelde - verkrijging is aangemerkt. Vervolgens is onderzocht of in de aangifte IB/PVV de vererving op dezelfde wijze - derhalve zonder toepassing van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) - is verantwoord. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat in de aangifte IB/PVV niet is verzocht om toepassing van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 en geen inkomen uit aanmerkelijk belang ter zake van de fictieve vervreemding (het overlijden van erflater) is aangegeven. Naar aanleiding van deze constateringen heeft de Inspecteur op 6 februari 2016 de navorderingsaanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 799.449.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is sprake van een nieuw feit zodat navordering is gerechtvaardigd?

II. Hebben belanghebbenden recht op een (integrale) proceskostenvergoeding?

Belanghebbenden zijn van mening dat deze eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben partijen hun stellingen nader toegelicht.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente en tot een vergoeding van de (daadwerkelijke) proceskosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbenden niet te kwader trouw zijn. Tussen partijen is evenmin in geschil dat, indien kan worden nagevorderd, de navorderingsaanslag is opgelegd naar het juiste bedrag.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Is sprake van een nieuw feit?

4.1.

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Inspecteur niet over een nieuw feit beschikte, dan wel een ambtelijk verzuim heeft begaan, omdat de aanslag IB/PVV zonder nader onderzoek van de aangifte IB/PVV is opgelegd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de gegevens die zijn uitgewisseld met de inspecteur erfbelasting een nieuw feit vormen dat navordering rechtvaardigt.

4.2.

Artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

“1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. Hoge Raad 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 en Hoge Raad 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Voorts heeft te gelden dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier, bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers, die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen, die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. Hoge Raad 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249 en Hoge Raad 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515).

4.4.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur weliswaar bekend was met het overlijden van erflater en het feit dat erflater het aanmerkelijk belang hield, maar dat er geen reden bestond om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat er geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang, bijvoorbeeld omdat gebruik zou zijn gemaakt van de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001. Het Hof is tevens van oordeel dat - gelet op de onder 4.3 vermelde uitgangspunten - de Inspecteur niet verplicht was om het dossier van erflater bij de inspecteur belast met de heffing van de erfbelasting te raadplegen. Belanghebbenden hebben verwezen naar de aangiften en aanslagen IB/PVV over voorgaande jaren. Hoewel die gegevens niet door belanghebbenden zijn overgelegd, begrijpt het Hof belanghebbenden aldus dat daaruit kan worden afgeleid dat erflater een aanmerkelijk belang hield. Zoals het Hof hiervoor reeds heeft overwogen, is er in dat geval sprake van een situatie waarin de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat er geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang. Er kon immers een verzoek om toepassing van artikel 4.17a Wet IB 2001 zijn gedaan of nog worden gedaan en voorts is niet uitgesloten dat de waarde in het economische verkeer niet hoger was dan de verkrijgingsprijs en om die reden geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat de aanslag IB/PVV is opgelegd na automatische afhandeling van de aangifte IB/PVV brengt - anders dan belanghebbenden betogen - niet met zich dat op de onder 4.3 vermelde uitgangspunten geen acht hoeft te worden geslagen. Dat de aangifte IB/PVV geautomatiseerd is afgehandeld betekent immers niet dat deze aangifte niet is beoordeeld. Op basis van de inhoud van de aangifte wordt geautomatiseerd beoordeeld of aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid moet worden getwijfeld. Ook indien de aangifte handmatig zou zijn beoordeeld zou de desbetreffende controlemedewerker niet in redelijkheid aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven hoeven twijfelen gelet op de hiervoor genoemde omstandigheid dat de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB toegepast kon zijn, dan wel dat er - vanwege de waarde in het economische verkeer - geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan. De Inspecteur heeft na ontvangst van de gegevens van de inspecteur erfbelasting voor het eerst kennis genomen van het feit dat voor de heffing van erfbelasting geen beroep was gedaan op de BOF en dat er voor de heffing van inkomstenbelasting mogelijk sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang.

Beschikking heffingsrente

4.6.

Het hoger beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking heffingsrente. Belanghebbenden hebben geen concrete grieven aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en het Hof is ook niet gebleken dat de heffingsrente onjuist is vastgesteld. De beschikking heffingsrente blijft dan ook in stand.

Een (integrale) proceskostenvergoeding

4.7.

Belanghebbenden stellen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zodat de daadwerkelijk gemaakte kosten vergoed dienen te worden. Belanghebbenden hebben hiertoe - kort samengevat - aangevoerd dat het gedrag van de Inspecteur in deze zaak onacceptabel is, omdat (i) de Inspecteur communiceert wanneer het hem uitkomt, (ii) afspraken niet worden nagekomen (iii) belanghebbenden nodeloos aan het lijntje zijn gehouden en (iv) belanghebbenden onder valse voorwendselen een verzoek om een dwangsom hebben ingetrokken.

4.8.

Belanghebbenden hebben op 19 mei 2016 een ingebrekestelling gestuurd die op 20 mei 2016 door de Inspecteur is ontvangen. Naar aanleiding van die ingebrekestelling is er telefonisch en per e-mail contact geweest tussen de gemachtigde van belanghebbenden en de Inspecteur. Uit de e-mailcorrespondentie die op 3 juni 2016 heeft plaatsgevonden blijkt dat partijen hebben afgesproken dat de ingebrekestelling wordt ingetrokken indien de Inspecteur uiterlijk 15 juni 2016 zijn standpunt aan belanghebbenden kenbaar maakt. De Inspecteur stuurt echter pas op 7 juli 2016 een brief aan belanghebbenden waarbij diverse stukken met betrekking tot de nalatenschap worden toegestuurd. Op 11 juli 2016 wordt, na contact met de Inspecteur, de ingebrekestelling ingetrokken. Op 3 augustus 2016 vindt een hoorgesprek plaats en op 8 augustus 2016 doet de Inspecteur uitspraak op het bezwaar.

4.9.

Gelet op de onder 4.8 vermelde gang van zaken deelt het Hof het standpunt van belanghebbenden dat de ingebrekestelling onder valse voorwendselen is ingetrokken niet. Ten tijde van het intrekken van de ingebrekestelling, op 11 juli 2016, waren belanghebbenden er immers al van op de hoogte dat de eerder toegezegde datum van 15 juni 2016 niet was gehaald. De Inspecteur heeft binnen één maand na intrekking van de ingebrekestelling uitspraak op het bezwaar gedaan, waarbij belanghebbenden in de tussentijd ook nog zijn gehoord. Na de intrekking van de ingebrekestelling heeft de procedure dus niet lang meer geduurd. Ook voor het overige acht het Hof geen (bijzondere) omstandigheden aanwezig die aanleiding vormen om de Inspecteur te veroordelen tot een vergoeding van de door belanghebbenden gemaakte kosten.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 maart 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.