Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:925

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
200.247.050_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging ondertoezichtstelling. Geen omgangsondertoezichtstelling. Ernstige ontwikkelingsbedreiging en hulpverlening wordt jarenlang niet daadwerkelijk geaccepteerd. Geen strijd met IVRK en EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 7 maart 2019

Zaaknummer : 200.247.050/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/346422 JE RK 18-1128

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C. Sneper,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland,

locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.C.H. Poelman,

en

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 5 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 25 september 2018 met producties, ingekomen ter griffie van het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht - naar het hof begrijpt - voornoemde beschikking van de rechtbank van 5 juli 2018 te vernietigen, (en zo begrijpt het hof, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen) dan wel een beslissing te nemen zoals het gerechtshof in goede justitie meent te behoren en in het belang van de minderjarige acht.

2.2.

Bij verweerschrift van 8 november 2018, ingekomen ter griffie op diezelfde datum, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bevestigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de GI van 21 november 2018, ingekomen ter griffie van het hof op

23 november 2018;

- de brief van de advocaat van de moeder met productie van 27 november 2018, ingekomen ter griffie van het hof op 30 november 2018.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.F.P. Scheele, als vervanger van zijn kantoorgenoot

mr. Sneper;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de vader, bijgestaan door mr. S.C.H. Poelman;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

3.2.

De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] . De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2018 bepaald dat het gezag voorlopig mede aan de vader toekomt, totdat hierop door de rechtbank nader is beslist.

3.3.

[de minderjarige] woont bij de moeder.

3.4.

[de minderjarige] is bij de bestreden beschikking van 5 juli 2018 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 juli 2018 tot 5 juli 2019.

3.5.

De moeder kan zich met deze laatstgenoemde beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

De moeder voert het volgende aan. Er is geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging die een zwaar middel als een ondertoezichtstelling noodzakelijk maakt. De moeder kan [de minderjarige] de stabiele thuissituatie bieden die zij nodig heeft. De moeder heeft immers een eigen appartement, geschakeld aan de woning van haar ouders, die de moeder kunnen bijstaan indien nodig. De moeder is wel op zoek naar nieuwe woonruimte in de buurt van haar ouders. De moeder heeft bovendien sinds kort een eigen bedrijfje en volgt een opleiding. Daarnaast verloopt het contact tussen de moeder en de vader goed. Ook wordt uitvoering gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde contactregeling en heeft de vader [de minderjarige] zelfs vaker gezien dan vastgesteld. De moeder werkt mee aan de benodigde hulpverlening, waaronder een persoonlijkheidsonderzoek, waarvoor zij zich heeft aangemeld. Verder is er hulp en zicht op de moeder en [de minderjarige] via het consultatiebureau en de kinderopvang van [de minderjarige] , die geen zorgen hebben. Het vrijwillig kader, in combinatie met hulp, is gelet op het voorgaande toereikend.

Volgens de moeder heeft de rechtbank niet voldaan aan de op haar rustende verzwaarde motiveringseisen nu het erop lijkt dat er sprake is van een omgangs-ondertoezichtstelling. Daarnaast is er volgens de moeder niet voldaan aan de vereisten van een omgangs-ondertoezichtstelling, waarbij de moeder naar jurisprudentie in dat kader verwijst. Tevens is er sprake van strijd met artikel 3 IVRK en 8 EVRM omdat de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is en een ongeoorloofde inbreuk maakt op het gezinsleven. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank een verkeerde belangenafweging gemaakt door [de minderjarige] onder toezicht te stellen.

3.6.

De raad voert het volgende aan. De beschikking moet bekrachtigd worden. Al sinds 2009 wordt er in hetzelfde kringetje rondgedraaid. Dit heeft eerder geleid tot de uithuisplaatsing van de drie andere kinderen van de moeder. De moeder geeft telkens aan hulp te willen (accepteren), maar vervolgens komt dit niet van de grond. De houding van de moeder vraagt daarom om een zeer actieve gezinsvoogdijmedewerker Er zijn zorgen over het functioneren van de moeder en de thuissituatie en een persoonlijkheidsonderzoek is noodzakelijk. Ook is er geen zicht op [de minderjarige] en haar gevoel van veiligheid en stabiliteit. Aangezien de moeder aangeeft dat het goed gaat met haar en [de minderjarige] had het op de weg van de moeder gelegen haar standpunt te onderbouwen met verslagen van bijvoorbeeld het kinderdagverblijf of de huisarts.

3.7.

De vader voert het volgende aan. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat de moeder de hulp in het vrijwillig kader al negen jaar lang onvoldoende accepteert en de hulp daardoor dus niet van de grond komt. Bovendien zijn in het verleden de drie oudere kinderen van de moeder uit huis geplaatst. De vader ziet een patroon in de houding van de moeder: zij zegt bijvoorbeeld al jaren een persoonlijkheidsonderzoek te willen laten uitvoeren, maar uiteindelijk komt het er niet van. De vader is er van overtuigd dat als er geen sprake is van een ondertoezichtstelling de moeder direct weer zal verhuizen, hetgeen de contactregeling tussen hem en [de minderjarige] in gevaar brengt.

De communicatie tussen de ouders laat – in tegenstelling tot hetgeen de moeder aangeeft – nog te wensen over. Er is geen sprake van een gelijkwaardige situatie tussen de ouders nu de moeder de vader ook niet informeert over bijvoorbeeld afspraken bij het consultatiebureau. De vader zou willen dat de moeder laat zien dat zij een stabiel leven kan leiden.

3.8.

De GI voert het volgende aan. De beschikking moet bekrachtigd worden. Het is dringend noodzakelijk dat er bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. Hier wordt de moeder al tien jaar om verzocht. De moeder heeft – in tegenstelling tot hetgeen ze tijdens de mondelinge behandeling verklaart – de GI te kennen gegeven niet aan de benodigde hulpverlening te willen meewerken. De moeder geeft de GI verder ook geen toestemming om contact op te nemen met de betrokken hulpverleners.

Het CJG heeft bovendien aangegeven dat zwaardere hulpverlening nodig is, zoals Multi Systeem Therapie (MST). De GI kan desgevraagd geen toezegging doen wanneer helder is welke hulpverlening precies nodig is, welke organisatie dat kan bieden en wanneer die hulp kan beginnen. De ondertoezichtstelling is verder noodzakelijk omdat de GI de vrees van de vader dat de contactregeling tussen hem en [de minderjarige] – die op dit moment goed verloopt – komt te vervallen op het moment dat de ondertoezichtstelling beëindigd zou worden, onderschrijft.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.2.

Gebleken is dat er al jarenlang ernstige zorgen zijn rondom het gezin van de moeder. Naast het feit dat [de minderjarige] in haar nog jonge leven al diverse keren is verhuisd heeft zij vanwege een slechte onderlinge oudercommunicatie geen constant en stabiel contact met haar vader gehad. Ook hebben er zich kort voor het uitspreken van de ondertoezichtstelling nog ernstige incidenten voorgedaan, waarbij de moeder bijvoorbeeld ‘s avonds met [de minderjarige] in verwarde toestand op straat is aangetroffen. Gelet op het voorgaande - en mede in het licht van de voorgeschiedenis van de moeder - heeft de rechtbank terecht overwogen dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Er bestaan terecht ernstige zorgen over de gevoelens van veiligheid en duidelijkheid van [de minderjarige] . Duidelijk is dat die zorgen zich niet enkel tot het contact met de vader beperken, zodat van een omgangs-ondertoezichtstelling geen sprake is. Het had op de weg van de moeder gelegen om haar standpunt te onderbouwen dat het op dit moment goed gaat met haar en [de minderjarige] . Dit is niet althans onvoldoende door haar gedaan. Daar komt nog bij dat het hof heeft geconstateerd dat de moeder op dit moment door haar ouders behoorlijk wordt ondersteund in het huishouden, maar desondanks toch heeft aangegeven opnieuw te willen verhuizen met [de minderjarige] . Tenslotte heeft de vader aangegeven dat de moeder niet op een constructieve wijze vorm geeft aan het invullen van de contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] , hetgeen door de moeder ook niet wordt betwist. Gelet op het voorgaande is er ook op dit moment nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] .

Daarnaast accepteert de moeder de hulp die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet daadwerkelijk. De hulpverlening die dringend noodzakelijk wordt geacht om zicht te krijgen op de thuissituatie, de nodige opvoedondersteuning en de persoonlijkheid van de moeder komt al jarenlang niet van de grond. Dit is de afgelopen periode niet veranderd. De GI heeft tevergeefs diverse pogingen ondernomen om zicht te krijgen op de situatie rondom de moeder. Zo heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing gekregen van de GI. De GI heeft de moeder ook verzocht haar hulpvraag bij het CJG neer te leggen, maar na terugkoppeling van het CJG bleek dat de moeder heeft aangegeven geen hulpvraag te hebben. Ook uit de door de moeder overgelegde brief van Mentaal Beter blijkt dat de moeder aangeeft geen hulpvraag te hebben, ten gevolge waarvan het persoonlijkheidsonderzoek niet is afgenomen. Daarnaast heeft de moeder volgens de GI geen toestemming verleend aan de GI om contact op te mogen nemen met Mentaal Beter, hetgeen door de moeder ook niet is betwist. Daar komt bij dat de GI de houding van de moeder om mee te werken anders ervaart buiten de zittingszaal. Het hof merkt in dit kader op dat het wel van belang is dat de GI voor de moeder inzichtelijk blijft maken welke doelen de moeder moet vervullen.

Ten aanzien van het beroep van de moeder op het IVRK en het EVRM oordeelt het hof tenslotte op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dat voldoende vast is komen te staan dat de ondertoezichtstelling in het belang is van [de minderjarige] en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke beslissing verzetten.

Dit alles tezamen bezien maakt dat de ondertoezichtstelling op goede gronden is uitgesproken en dat die gronden op dit moment nog steeds aanwezig zijn.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking bekrachtigd wordt.

4 De beslissing

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juli 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en E.L. Schaafsma-Beversluis en is op 7 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.