Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:882

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
20-000601-18 (OWV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-000601-18

Uitspraak: 13 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 februari 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-866408-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij uitspraak waarvan beroep is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van € 6.000,00.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal afwijzen dan wel dat het hof de verplichting tot betaling aan de Staat op nihil zal stellen.

Uitspraak waarvan beroep

De uitspraak zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 februari 2019 (parketnummer 20-000602-18) veroordeeld tot straf. Het hof heeft in voornoemd arrest onder andere bewezen verklaard dat veroordeelde – kort gezegd – op 14 oktober 2014 te [locatie] , opzettelijk 78 hennepplanten heeft geteeld.

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde voorafgaand aan de hierboven genoemde, bewezen verklaarde datum van 14 oktober 2014 hennep heeft geteeld en dat hij daaruit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

Het hof neemt – voor zover hierna niet anders wordt vermeld – voor de schatting van bedoeld voordeel tot uitgangspunt het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (rapportnummer 2014122433), op 2 december 2015 opgemaakt door [verbalisant] .

Tevens neemt het hof tot uitgangspunt het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna te noemen: het BOOM-rapport), editie november 2010.

A. Opbrengst

Op 14 oktober 2014 heeft de politie in de woning van de veroordeelde aanwijzingen gevonden die duidden op (een) eerdere oogst(en). Zo trof de politie hennepresten aan, alsmede stof op de koolstofcilinder en op andere voorwerpen. Veroordeelde heeft tegenover de politie verklaard over zowel de aanwezige hennep als over één eerdere oogst.

Hoewel in het dossier aanwijzingen te vinden zijn van meer dan één oogst, zal het hof – ten voordele van veroordeelde – bij de schatting uitgaan van één (eerdere) oogst van 78 hennepplanten. De veroordeelde heeft voorts verklaard dat de opbrengst van de oogst slechts € 1.200,- bedroeg, omdat hij maar € 2,- per gram kreeg vanwege de slechte kwaliteit van de hennepplanten.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat veroordeelde zijn stelling dat hij € 1.200,- heeft verdiend aan de oogst in kwestie op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Gelet op de algemene ervaringsregels (zie hierna) omtrent de opbrengst per plant, gaat het hof aan die verklaring van veroordeelde voorbij. Zonder nadere uitleg - die ontbreekt - valt immers niet in te zien waarom verdachte bij de verkoop slechts een fractie van de te doen gebruikelijke opbrengst ontvangen zou hebben.

Nu veroordeelde geen inzicht heeft gegeven in de opbrengst van de eerdere oogst, gaat het hof bij de berekening van de daaruit genoten opbrengst dan ook uit van de volgende berekening voor wat betreft de opbrengst.

In de woning stonden 78 hennepplanten. Er was sprake van 16 hennepplanten per m². Op grond van het BOOM-rapport uit 2010 kan bij 16 planten per m² uitgegaan worden van een gemiddelde opbrengst van 27,7 gram hennep per plant.

Het hof is van oordeel dat bij de bepaling van de opbrengst dient te worden uitgegaan van een verkoopprijs van een kilogram hennep van € 3.280,- (zie BOOM-rapport), zijnde € 3,28 per gram.

De opbrengst bedraagt dan:

78 x 27,7 gram per plant = 2.160,60 gram hennep x € 3,28 = € 7.086,76

B. Kosten

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door veroordeelde naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten. Naar het oordeel van het hof dienen op voormeld bedrag derhalve de navolgende kosten, die in directe relatie staan met het delict en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, in mindering te worden gebracht.

Ten aanzien van de afschrijvingskosten overweegt het hof dat veroordeelde blijkens zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg veruit de meeste spullen om niet heeft gekregen en dat hij alleen de koolstoffilter en de plantjes zelf heeft gekocht. Het hof begroot de kosten voor een koolstoffilter naar redelijkheid en billijkheid op € 50,00.

Ten aanzien van de kosten van de hennepstekken overweegt het hof dat veroordeelde heeft verklaard dat hij hiervoor € 1,50 per hennepstek heeft betaald. De betaalde kosten voor de hennepstekken bedragen aldus 78 hennepplanten x € 1,50 = € 117,00.

Overeenkomstig de opgave in het hiervoor vermelde BOOM-rapport stelt het hof de overige variabele kosten (waaronder kosten in verband met kweekmedium, water en voedingsstoffen), uitgaande van één oogst à 78 planten, vast op € 3,33 per hennepplant x 78 hennepplanten = € 259,74.

Het hof zal op voornoemde opbrengst voorts een gedeelte van de aan Enexis B.V. betaalde netwerk- en verbruikskosten in mindering brengen. Deze bedragen zijn op de factuur van Enexis B.V. gebaseerd op een periode van 322 dagen. De netwerkkosten bedragen op deze factuur € 419,32 en de kosten voor verbruik van elektriciteit € 2.106,36.1 Het is het hof voorts ambtshalve bekend dat Enexis B.V. bij de vorderingen die zij indient ter zake van gestolen stroom in geval van een hennepkwekerij uitgaat van een kweekcyclus van 10 weken. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het hof bij de vaststelling van het te ontnemen bedrag uit van één eerdere oogst. Het hof stelt de in rekening gebrachte en betaalde netwerkkosten derhalve op (10 weken x 7 dagen =) 70 x 1,30222 = (afgerond op twee decimalen) € 91,15 en de betaalde verbruikskosten op (70 : 322) x € 2.106,36 = (afgerond op twee decimalen) € 457,90.

Totale kosten

€ 50,00 + € 117,00 + € 259,74 + € 91,15 + € 457,90 = € 975,79

C. Netto wederrechtelijk verkregen voordeel

Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de onderhavige hennepkwekerij wordt op grond van het bovenstaande geschat op € 7.086,76 minus € 975,79 = € 6.110,97.

Het hof zal dit bedrag in het voordeel van verdachte afronden op € 6.000,00.

Op te leggen betalingsverplichting

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken, die voor het hof aanleiding zijn het door de veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.000,00 (zesduizend).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.000,00 (zesduizend).

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 13 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Zie dossierpagina 132.

2 € 419,32/ 322 = € 1,3022.