Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:81

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
17/00745
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6002, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr). Als de onroerende zaak nog niet alle bouwkundige kenmerken heeft van een woning is de onroerende zaak naar zijn aard niet als woning aan te merken. In dit geval ontbreken de leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen, zodat meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om de onroerende zaak voor bewoning geschikt te maken. Er is terecht overdrachtsbelasting naar het tarief van 6 percent voldaan.

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-03-2019
FutD 2019-0906
V-N Vandaag 2019/754
V-N 2019/23.28.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00745

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 september 2017, nummer BRE 16/3631 in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te melden voldoening op aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak [adres] (hierna: de onroerende zaak) te [woonplaats] . De volgens aangifte verschuldigde belasting ten bedrage van € 7.438 is op [datum 1] 2015 voldaan. Naar aanleiding van het tegen deze voldoening gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur besloten van dit bedrag geen teruggaaf te verlenen.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en teruggave verleend van € 4.959 aan belanghebbende, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 oktober 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [A] (de partner van belanghebbende), alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Op de zitting is, met instemming van partijen, tegelijkertijd, maar niet gevoegd, behandeld de zaak van de partner van belanghebbende, bekend bij het Hof onder procedurenummer 17/00746.

1.6.

Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Bij notariële akte van [datum 1] 2015 is aan belanghebbende en zijn partner, ieder voor de onverdeelde helft, overgedragen het recht van eigendom van de onroerende zaak, zijnde een voormalige balletzaal met ondergrond, erf, tuin met tuinbergingen en verdere aan- en onderhorigheden, ter uitvoering van een op [datum 2] 2015 gesloten koopovereenkomst.

2.2.

Ter zake van deze verkrijging hebben belanghebbende en zijn partner over een bedrag van € 247.950 naar het tarief van 6 procent overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft € 7.438 betaald.

2.3.

Het registergoed (hierna ook: het complex) waarvan de onroerende zaak onderdeel uitmaakte, is in 1483 gebouwd en jarenlang in gebruik geweest als [klooster] . Vanaf 1864 tot 1983 was in het complex de [B] gevestigd. De voormalige balletzaal was toen in gebruik als gymzaal. In de periode 1983 tot 1993 was er sprake van leegstand. Gedurende de jaren 1993 tot 1995 is het complex verbouwd tot een theater. In de jaren 1995 tot 2014 is het complex in gebruik geweest bij [C] ( [C] ). Vanaf 2014 stond het complex leeg in afwachting van verkoop.

2.4.

De verkoper heeft bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd om het complex te mogen verbouwen tot 22 appartementen. Belanghebbende en zijn partner hebben vervolgens een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning ingediend voor verbouwing van de onroerende zaak tot woning. Op [datum 3] 2015 is deze omgevingsvergunning gepubliceerd. Zes weken later is deze onherroepelijk geworden.

2.5.

In artikel 2, lid 3, van de notariële akte van [datum 1] 2015 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het verkochte wordt geleverd en aanvaard met inachtneming van de nader door verkoper uit te (laten) voeren werkzaamheden als benoemd in de overeenkomst van verkoop en koop sub “Artikel 21 Uit te voeren werkzaamheden door verkoper voor eigendomsoverdracht”.

2.6.

Uit artikel 21 van die overeenkomst blijkt dat deze werkzaamheden onder meer omvatten:

- splitsen van de balletzaal van het voormalige [C] conform eisen Bouwbesluit (…) middels het plaatsen van een woningscheidende wand in de gevelopeningen;

- ontkoppeling van de aanwezige installaties en leidingen;

- amoveren van de thans aanwezige achterbouw en het aanhelen van de achtergevel, voegwerken, cordonlijsten en dergelijke die ontbreken door de amovering;

- plaatsing van twee nieuwe raamkozijnen in de achtergevel, uitvoeren als openslaande deuren naar de tuin;

- plaatsing van twee nieuwe dakvensters;

- de draagconstructie realiseren conform ontwerp bestaande uit het toevoegen van een vloerveld aan de voorzijde van 750mm+ bovenkant begane grond vloer en het toevoegen van 2 vloervelden op de verdieping 3600mm+ bovenkant begane grond vloer met een verbindingsbrug. (…);

- het aanleggen van nutsvoorzieningen (water, elektriciteit, gas en CAI) tot in de woning.

2.7.

Na levering van de onroerende zaak zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd:

Op de begane grond is gerealiseerd:

- een hal met kast en meterkast;

- een toilet;

- twee trappen naar de verhoging naar de zithoek en TV-hoek;

- een keuken;

- een bijkeuken;

- een trap naar de verdieping.

Op de eerste verdieping is gerealiseerd:

- twee balustrades;

- een grote slaapkamer op het ene vloerdeel;

- een kleine slaapkamer van ongeveer de helft van het andere vloerdeel;

- een badkamer met toilet;

- een cv-installatie.

Alle leidingen (gas, water, elektra) van de meterkast naar alle gecreëerde ruimten en de afwerking van alle muren en vloeren.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging diende te worden aangemerkt als woning in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wbr) en daarom het tarief van 2 percent aan overdrachtsbelasting van toepassing is.

De Inspecteur is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Wettelijk kader

4.1.

Artikel 14 van de Wbr bepaalt als volgt:

1. De belasting bedraagt 6 percent.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede voor de verkrijging van aandelen en rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover deze aandelen en rechten middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen. Onder woningen worden mede begrepen aanhorigheden die tot woningen behoren of gaan behoren.

4.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot toevoeging van het tweede lid aan artikel 14 van de Wet BRV vermeldt het volgende met betrekking tot het begrip ‘woning’ in dat tweede lid (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 115-116):

“Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die op het moment van de juridische overdracht naar hun aard zijn bestemd voor bewoning. Als een onroerende zaak feitelijk wordt bewoond, maar naar zijn aard niet bestemd is voor bewoning, dan wordt deze onroerende zaak niet aangemerkt als woning. Bij twijfel of een onroerende zaak naar zijn aard bestemd is voor bewoning is mede van belang of de gemeente aan de onroerende zaak een woonbestemming heeft gegeven. Het gedogen door de gemeente van bewoning is niet voldoende om een onroerende zaak als woning aan te merken. Voor toepassing van het verlaagde tarief maakt het geen verschil of de verkrijger de woning zelf gaat bewonen of dat de verkrijger de woning verhuurt aan een particulier. Ook ontneemt tijdelijke leegstand aan de onroerende zaak niet het karakter van woning.

De maatregel geldt ook voor de tweede woning en de recreatiewoning, indien deze naar hun aard bestemd zijn voor bewoning. Daarnaast geldt de maatregel voor een nieuwe woning in aanbouw. Als de fundering is aangebracht is in dit kader sprake van een nieuwe woning in aanbouw. Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning valt niet onder de maatregel. (…)”

Beoordeling van het geschil

4.3.

De Hoge Raad heeft op 24 februari 2017 een viertal arresten gewezen over de vraag wat moet worden verstaan onder ‘woning’ als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wbr. In het arrest nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.3.3. In artikel 14, lid 2, Wbr noch elders heeft de wetgever nader omschreven wat bij de toepassing van dit wettelijk voorschrift moet worden verstaan onder ‘woning’. Zoals is uiteengezet in de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal kan uit de wetsgeschiedenis slechts worden opgemaakt dat de wetgever voor ogen had bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking te laten komen het bouwwerk dat ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’.

De wetsgeschiedenis geeft dan ook geen aanknopingspunt om aan te nemen (zoals het middel lijkt te doen) dat de wetgever voor de toepassing van artikel 14, lid 2, Wbr heeft willen aansluiten bij de rechtspraak met betrekking tot artikel 220a, lid 2, Gemeentewet, waarin mede doorslaggevend is geacht dat het pand naar aard en inrichting niet alleen bestemd maar ook geschikt is om als woning te dienen.

2.3.4.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van het tweede lid van artikel 14 Wbr is benadrukt dat feitelijke bewoning nog niet meebrengt dat het gekochte bouwwerk naar zijn aard tot bewoning is bestemd, terwijl ook niet van belang is of de koper het gekochte zelf wil gaan bewonen. Gelet op deze toelichting ligt het in de rede om de vraag of de verworven onroerende zaak ‘naar zijn aard voor bewoning is bestemd’, te beantwoorden met toepassing van een zo objectief mogelijke maatstaf, dat wil zeggen een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf.

2.3.5.

Aanknoping bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Indien dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, kan het alleen worden geacht zijn aard van woning te hebben behouden indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken.

Met een pand dat oorspronkelijk is gebouwd voor bewoning wordt in dit verband gelijkgesteld een pand dat oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd.

2.3.6.

Indien toepassing van de hiervoor in 2.3.5 vermelde regels niet leidt tot een duidelijke slotsom, komt mede betekenis toe aan de eisen of beperkingen die voor het (gebruik van het) bouwwerk voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften.

4.4.

In dit geval betreft het een pand dat oorspronkelijk niet als woning is ontworpen en gebouwd. De vraag die moet worden beantwoord is of ten tijde van de verkrijging sprake is van een situatie dat de onroerende zaak naar zijn aard tot woning is bestemd. Vast staat dat de verbouwing tot woning ten tijde van de verkrijging nog niet was afgerond, omdat de onder 2.7. genoemde werkzaamheden zijn verricht na de datum van verkrijging. De onder 2.6. genoemde werkzaamheden, die voor de datum van verkrijging zijn afgerond, hebben grotendeels betrekking op de transformatie van een onzelfstandig deel van het complex naar een zelfstandige onroerende zaak. Naar het oordeel van het Hof zijn deze werkzaamheden onvoldoende om de zelfstandige onroerende zaak ten tijde van de verkrijging naar zijn aard als woning aan te merken. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onroerende zaak, met name door het ontbreken van de leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen, nog niet alle bouwkundige kenmerken heeft van een woning. Dit betekent dat meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om de onroerende zaak voor bewoning geschikt te maken. Dat het in dit geval gaat om een loftwoning, zonder – kort gezegd – indeling in verschillende leefruimtes, maakt dit niet anders. Immers, een loftwoning dient ook te beschikken over leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen. Anders dan de Rechtbank acht het Hof dus niet relevant of meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om de onroerende zaak weer voor een andere vorm van gebruik dan bewoning geschikt te maken. Aan de vraag of mede betekenis moet worden toegekend aan de eisen of beperkingen die voor het gebruik voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften, komt het Hof in dit geval niet toe.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging niet naar zijn aard tot woning is bestemd en dat de overdrachtsbelasting terecht is voldaan naar het tarief van 6 percent.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd en het beroep bij de Rechtbank ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 11 januari 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, P. Fortuin en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.