Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:799

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
200.208.733_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4602
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

In dit arrest doet het hof de zaak FNV c.s./[de vennootschap 1] af, die door de Hoge Raad naar het hof was verwezen bij arrest van 25 november 2016, nummer 15/03022, ECLI:NL:HR:2016:2687. De vorderingen van FNV c.s. worden grotendeels toegewezen.

In het tussenarrest van 24 oktober 2017 had het hof [de vennootschap 1] toegelaten te ontzenuwen de voorshands bewezen geachte stelling dat op 20 mei 2010 mondeling tussen FNV en [de vennootschap 2] is overeengekomen dat het Sociaal Plan ook van toepassing zou zijn op de achterblijvers. Het hof komt in dit eindarrest tot de slotsom dat [de vennootschap 1] hierin niet geslaagd is.

De uitleg van de wilsovereenstemming, die op 20 mei 2010 tussen FNV en [de vennootschap 2] is bereikt, op het punt van de vraag of de achterblijvers al dan niet onder het Sociaal Plan zouden vallen moet naar oordeel van het hof worden beantwoord volgens de Haviltexmaatstaf (rov. 6.4 tot en met 6.10).

Het hof blijft, wat betreft de waardering van de gebeurtenissen na 20 mei, bij hetgeen al is overwogen in rov. 3.4.12 van het tussenarrest. De conclusie daarvan is dat de achterblijvers onder het Sociaal Plan vallen. (rov. 6.11).

Ook de door [de vennootschap 1] afgegeven garantie wordt uitgelegd met de Haviltexmaatstaf (rov. 6.13). Het hof komt tot de slotsom dat de garantie van [de vennootschap 1] alle verplichtingen van [de vennootschap 2] uit hoofde van het Sociaal Plan betrof, dus ook de verplichtingen jegens de achterblijvers (rov. 6.14).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0275
JAR 2019/92
INS-Updates.nl 2019-0053
RAR 2019/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.208.733/01

arrest van 5 maart 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3 [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4 [appellant 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5 [appellant 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6 [appellant 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

7 [appellant 7] ,

wonende te [woonplaats] ,

8 [appellant 8] ,

wonende te [woonplaats] ,

9 [appellant 9] ,

wonende te [woonplaats] ,

10 [appellant 10] ,

wonende te [woonplaats] ,

11 [appellant 11] ,

wonende te [woonplaats] ,

12 de gezamenlijke erfgenamen van [appellant 12] ,

wonende te [woonplaats] ,

13 [appellant 13] ,

wonende te [woonplaats] ,

14 [appellant 14] ,

wonende te [woonplaats] ,

15 [appellant 15] ,

wonende te [woonplaats] ,

16 [appellant 16] ,

wonende te [woonplaats] ,

17 [appellant 17] ,

wonende te [woonplaats] ,

18 [appellant 18] ,

wonende te [woonplaats] ,

19 [appellant 19] ,

wonende te [woonplaats] ,

20 [appellant 20] ,

wonende te [woonplaats] ,

21 [appellant 21] ,

wonende te [woonplaats] ,

22 [appellant 22] ,

wonende te [woonplaats] ,

23 [appellant 23] ,

wonende te [woonplaats] ,

24 [appellant 24] ,

wonende te [woonplaats] ,

25 [appellant 25] ,

wonende te [woonplaats] ,

26 [appellant 26] ,

wonende te [woonplaats] ,

27 [appellant 27] ,

wonende te [woonplaats] ,

28 [appellant 28] ,

wonende te [woonplaats] ,

29 [appellant 29] ,

wonende te [woonplaats] ,

30 [appellant 30] ,

wonende te [woonplaats] ,

31 [appellant 31] ,

wonende te [woonplaats] ,

32 [appellant 32] ,

wonende te [woonplaats] ,

33 [appellant 33] ,

wonende te [woonplaats] ,

34 [appellant 34] ,

wonende te [woonplaats] ,

35. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als FNV c.s.,

advocaat: mr. R.A. Severijn te Utrecht,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [de vennootschap 1] ,

advocaat: mr. A.J.D. Bekius te Zwolle,

in het geding in hoger beroep na cassatie en verwijzing naar dit hof door de Hoge Raad bij arrest van 25 november 2016, nummer 15/03022 (ECLI:NL:HR:2016:2687), gewezen tussen FNV c.s. als eisers tot cassatie en [de vennootschap 1] als verweerster in cassatie.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 24 oktober 2017;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor op 15 februari 2018;

- de memorie na enquête van [de vennootschap 1] met 5 producties;

- de antwoordmemorie na enquête van FNV c.s..

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

De bewijslevering

6.1.

In het tussenarrest heeft het hof [de vennootschap 1] toegelaten te ontzenuwen de voorshands bewezen geachte stelling dat op 20 mei 2010 mondeling tussen FNV en [de vennootschap 2] is overeengekomen dat het Sociaal Plan ook van toepassing zou zijn op de achterblijvers.

6.2.

Er zijn op verzoek van [de vennootschap 1] twee getuigen gehoord: de heer [hoofd personeelszaken] en de heer [controller] . [de vennootschap 1] heeft verder aanvullend schriftelijk bewijs in het geding gebracht, namelijk het pamflet waarvan FNV in de onderneming van [de vennootschap 2] exemplaren heeft opgehangen, personeelsinfo van het management van [de vennootschap 2] van 31 mei 2010, opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van de heer [appellant 34] en e-mails van de heer [hoofd personeelszaken] van 11, 19 en 21 mei 2010.

6.3.

De getuigenverklaringen houden onder meer in:

[hoofd personeelszaken] :

“(….) Wat ik mij herinner van 20 mei 2010 is dat de vergadering meerdere keren is geschorst. Dat heeft in het bijzonder te maken gehad met de onrekenfactor, de c-factor en omdat er een garantie werd gevraagd voor de uitvoering van het sociaal plan (hierna: ‘SP’). De vraag was of de garantie ook voor de achterblijvers geldt. De mening van onze partij was dat het SP niet van toepassing op de achterblijvers is. Er is telefonisch overleg met meneer [directeur van de vennootschap 1] geweest. Meneer [controller] heeft met hem gebeld. Ik kan niet 100 procent bevestigen dat [appellant 34] erbij is geweest. De kans is groot, ik weet het niet meer. Het kan zijn dat hij buiten was. Ik was bij het telefoongesprek dat [controller] had met [directeur van de vennootschap 1] . Ik heb de context en de inhoud van het gesprek goed kunnen volgen. Ik heb meegekregen dat er buiten de c-factor geen bereidheid was, dat het SP zou gelden voor achterblijvers, omdat in de andere bedrijven van de Groep ook geen garantie was voor welke uitkeringen dan ook ingeval van faillissement. Als je dat dan plaats in de crisis van 2010, toen de crisis nog wat zwaarder drukte. Wij, [controller] en ik, hebben na heropening van de vergadering teruggekoppeld, maar wie welke zin exact heeft gezegd weet ik niet meer. (….)

U houdt mij de verklaring van mevrouw [bestuurder van FNV 2] voor, en leest voor de passage ‘toen wij weer binnenkwamen… t/m afgesproken’. Het kan zijn dat andere getuigen iets anders verklaren. Het is niet mijn verhaal dat ik over heb gehouden van die middag. (….)

De brief met het positief advies van de OR heb ik gescand en niet meer bestudeerd of gedaan. Ik heb het vluchtig bekeken en gedacht: er moet wat gebeuren nu. (….)”

[controller] :

“Wij kregen het verzoek van de FNV de achterblijvers mee te nemen in het SP en het onderwerp van het gesprek met [directeur van de vennootschap 1] was dat wij daar niet mee akkoord gingen. Dat was de strekking van het gesprek. De achterblijvers waren vóór de onderhandelingsronde van 20 mei niet aan de orde geweest en daarom had ik er niet met meneer [directeur van de vennootschap 1] over gesproken. De uitkomst van het telefoongesprek was dat wij niet garant zouden kunnen staan voor de achterblijvers. Ik weet niet of meneer [appellant 34] bij dat telefoongesprek aanwezig is geweest; ik vermoed van niet, maar ik kan het me niet exact herinneren. Na dit telefoongesprek met meneer [directeur van de vennootschap 1] heb ik in de vergadering medegedeeld dat we niet akkoord gaan met de garantstelling van de achterblijvers. Dat heb ik als eerste gezegd, [hoofd personeelszaken] kan het vervolgens ook gezegd hebben. (….)

Ik heb geen verklaring voor de verklaring van mevrouw [bestuurder van FNV 2] . Ik heb het zeker niet begrepen dat het SP op de achterblijvers betrekking had, omdat we dat niet overeengekomen zijn. Ik lees in de verklaring van mevrouw [bestuurder van FNV 2] dat zij daar anders tegenaan kijkt. Ik kan het niet verklaren. (….)”

6.4.

De uitleg van de wilsovereenstemming, die op 20 mei 2010 tussen FNV en [de vennootschap 2] is bereikt, op het punt van de vraag of de achterblijvers al dan niet onder het Sociaal Plan zouden vallen moet naar oordeel van het hof worden beantwoord volgens de Haviltexmaatstaf. Het gaat om hetgeen deze partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6.5.

De context van de bespreking op 20 mei 2010, de laatste bespreking over het Sociaal Plan, was dat tussen FNV en [de vennootschap 2] over een aantal elementen van het Sociaal Plan al overeenstemming was bereikt, waaronder de looptijd van het Sociaal Plan. Deze was als resultante van eerder overleg verlengd tot 5 jaar, terwijl beide partijen er van uitgingen dat de reorganisatie binnen een paar maanden zou zijn afgewikkeld. Tijdens de bijeenkomst op 20 mei 2010 werd onderhandeld over:

a. de hoogte van de ontslagvergoeding (door getuigen wel aangeduid als “de omrekenfactor” of “de kantonrechtersformule”);

b. de eis van FNV dat het Sociaal Plan ook voor achterblijvers zou gelden en

c. de eis van FNV dat (ook) de verplichtingen van [de vennootschap 2] tegenover de achterblijvers werden gegarandeerd door [de vennootschap 1] .

De punten b en c hielden nauw verband met elkaar. De gevraagde garantstelling (punt c) impliceert immers dat de achterblijvers onder het Sociaal Plan vielen (punt b). Het hof acht, gezien de verklaringen van de getuigen, aannemelijk dat beide punten in het overleg in de beleving van de betrokkenen door elkaar gelopen hebben.

6.6.

Over de vraag wat [controller] (en/of [hoofd personeelszaken] ) na de schorsing heeft gezegd over de punten b en/of c hebben de getuigen tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In 2011 hebben alle op verzoek van FNV c.s. gehoorde getuigen verklaard dat [controller] heeft gezegd dat de garantie zich zou uitstrekken tot de achterblijvers, hetgeen dus impliceert dat de achterblijvers onder het Sociaal Plan zouden vallen. [controller] en [hoofd personeelszaken] hebben in 2018 ten overstaan van de raadsheer-commissaris tegengesteld verklaard. Het hof heeft geen aanwijzingen gevonden om te concluderen dat de ene, dan wel de andere, groep getuigen opzettelijk heeft verklaard in strijd met de herinnering die zij hadden op het moment dat zij als getuige werden gehoord. Op zichzelf acht het hof voor de waardering van de verklaringen niet doorslaggevend dat aan de zijde van FNV c.s. meer getuigen een verklaring hebben afgelegd dan aan de zijde van [de vennootschap 1] , waarbij het hof in aanmerking neemt dat een aantal van de aan de zijde van FNV c.s. gehoorde getuigen als partijgetuige moet worden aangemerkt.

6.7.

Wel acht het hof, bij die waardering, van belang dat de aan de zijde van FNV c.s. gehoorde getuigen relatief kort na de gebeurtenissen zijn gehoord en de aan de zijde van [de vennootschap 1] gehoorde getuigen pas vele jaren later. Het hof acht door de getuigenverklaringen aangetoond dat de aan de zijde van FNV c.s. gehoorde getuigen de woorden van [controller] (en/of [hoofd personeelszaken] ) tijdens de bespreking op 20 mei 2010 hebben opgevat in de zin, waarover zij in 2011 als getuige hebben verklaard, dus in de zin dat [controller] (en/of [hoofd personeelszaken] ) heeft verklaard dat de garantie zich zou uitstrekken tot de achterblijvers.

6.8.

Dat deze getuigen de woorden van [controller] (en/of [hoofd personeelszaken] ) in deze zin opvatten was voor [de vennootschap 2] kenbaar. Het hof acht door de getuigenverklaringen van [bestuurder van FNV 1] en [bestuurder van FNV 2] bewezen dat [bestuurder van FNV 2] , na de woorden van [controller] en [hoofd personeelszaken] , het in de visie van FNV overeen gekomene heeft samengevat en in dat verband onder meer heeft gezegd dat het Sociaal Plan ook zou gelden voor de achterblijvers. Dit is bevestigd door [appellant 34] , in die zin dat hij heeft verklaard dat [bestuurder van FNV 2] in haar samenvatting heeft gesproken over de garantstelling voor de achterblijvers, hetgeen, zoals blijkt in het bovenstaande, naar het oordeel van het hof impliceert dat de achterblijvers onder het Sociaal Plan vielen. Voor dit onderdeel van de verklaringen van [bestuurder van FNV 1] , [bestuurder van FNV 2] en [appellant 34] geldt naar het oordeel van het hof ook dat de geloofwaardigheid ervan wordt ondersteund door het advies van de ondernemingsraad. Het hof verwijst naar rov. 3.4.10. van zijn tussenarrest. Deze verklaringen worden onvoldoende weerlegd door de verklaringen van [hoofd personeelszaken] en [controller] . [de vennootschap 1] heeft in dit geding ook geen aannemelijke gang van zaken geschetst over de afronding van de bespreking op 20 mei 2010, de samenvatting van [bestuurder van FNV 2] weggedacht.

6.9.

Door [de vennootschap 1] is niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken, dat de werkgeversdelegatie heeft geprotesteerd tegen de door [bestuurder van FNV 2] gegeven samenvatting van de afspraken. Het hof concludeert hieruit dat deze samenvatting onweersproken is gebleven. Hieraan mocht FNV, gezien de gang van zaken tijdens de bespreking, die nu juist was geschorst vanwege (onder meer) het punt van de achterblijvers, redelijkerwijs de betekenis toekennen dat [de vennootschap 2] deze samenvatting onderschreef, en dat heeft FNV ook daadwerkelijk gedaan, zoals blijkt uit de gebeurtenissen na 20 mei 2010.

6.10.

Het door [de vennootschap 1] overgelegde aanvullende schriftelijke bewijs werpt geen ander licht op de zaak. Dat de positie van de achterblijvers niet in de mails van [hoofd personeelszaken] van 11 en 19 mei 2010 vermeld staat is naar het oordeel van het hof niet relevant, omdat vast staat dat dit punt op 20 mei 2010 is besproken en mede over dit punt ruggenspraak met de heer [directeur van de vennootschap 1] heeft plaatsgevonden. De mail van 21 mei 2010 van [hoofd personeelszaken] met de vraag om opmerkingen over de concepttekst van het Sociaal Plan door te geven is niet van belang omdat, zoals het hof al heeft overwogen in rov. 3.4.12. van het tussenarrest, alle betrokkenen uitgingen van de op 20 mei 2010 bereikte mondelinge overeenstemming. Dat FNV geen opmerkingen heeft gemaakt over de werkingssfeerbepaling wordt verklaard doordat FNV over het hoofd heeft gezien dat een woordelijke uitleg van die bepaling zou leiden tot de conclusie dat de achterblijvers niet onder het Sociaal Plan zouden vallen, wat in de visie van FNV niet is overeengekomen. De omstandigheid dat op het pamflet, waarvan FNV in de onderneming van [de vennootschap 2] exemplaren heeft opgehangen, niet staat vermeld dat de achterblijvers onder het sociaal plan zouden vallen, biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat (ook) FNV ervan uitging dat dit niet zo was, omdat op het pamflet op geen enkel punt wordt ingegaan op de inhoud van het sociaal plan. Ook in de personeelsinfo van het management van [de vennootschap 2] van 31 mei 2010 wordt op de meeste punten niet inhoudelijk ingegaan, zodat reeds daarom uit het feit dat in deze info niet wordt vermeld dat het sociaal plan ook op achterblijvers van toepassing zou zijn niet mag worden geconcludeerd, zoals [de vennootschap 1] doet, dat [appellant 34] , onder wiens verantwoordelijkheid deze info is verspreid, toen de mening was toegedaan dat de achterblijvers niet onder het Sociaal Plan zouden vallen.

6.11.

De slotsom van het bovenstaande is dat [de vennootschap 1] het bewijs dat op 20 mei 2010 mondeling tussen FNV en [de vennootschap 2] is overeengekomen dat het Sociaal Plan ook van toepassing zou zijn op de achterblijvers niet heeft ontzenuwd. Het hof blijft, wat betreft de waardering van de gebeurtenissen na 20 mei, bij hetgeen al is overwogen in rov. 3.4.12 van het tussenarrest. De conclusie daarvan is dat de achterblijvers onder het Sociaal Plan vallen.

6.12.

[de vennootschap 1] heeft voorts, samengevat, betoogd dat ook indien de achterblijvers onder het Sociaal Plan vallen haar garantie in elk geval níet de verplichtingen van [de vennootschap 2] jegens de achterblijvers omvat. [de vennootschap 1] stelt in dit verband dat zij niet de wil had een verderstrekkende garantie af te geven, dan die welke zag op de groep medewerkers die onderdeel uitmaakte van de reorganisatie (punt 38 e.v. conclusie van dupliek, zoals uitgewerkt in punt 3 memorie na enquête). FNV c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de garantie van [de vennootschap 1] alle verplichtingen van [de vennootschap 2] ingevolge het Sociaal Plan betrof.

6.13.

Ook voor dit onderdeel van de op 20 mei 2010 bereikte wilsovereenstemming geldt dat het moet worden uitgelegd met de Haviltexmaatstaf. Het gaat dus ook in dit opzicht om hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6.14.

Het hof verwerpt het betoog van [de vennootschap 1] . Het hof acht de volgende omstandigheden met name van belang.

6.14.1.

De nakoming van de verplichtingen van [de vennootschap 2] jegens de groep medewerkers die onderdeel uitmaakte van de reorganisatie was op een korte termijn aan de orde. De nakoming van de verplichtingen van [de vennootschap 2] jegens de achterblijvers zou pas op een in de toekomst liggend moment aan de orde kunnen komen onder omstandigheden waardoor verdere inkrimping of sluiting van [de vennootschap 2] nodig zou zijn. Daarom bestond er ten tijde van de totstandkoming van het Sociaal Plan onzekerheid over de financiële mogelijkheden van [de vennootschap 2] om laatstbedoelde verplichtingen na te komen, en wel in sterkere mate dan over de mogelijkheden van [de vennootschap 2] om de verplichtingen jegens de groep medewerkers die onderdeel uitmaakte van de reorganisatie na te komen. Het belang van FNV c.s. dat de garantie van [de vennootschap 1] zich uitstrekte tot de verplichtingen van [de vennootschap 2] jegens de achterblijvers was dus groot en dat moet voor [de vennootschap 1] duidelijk zijn geweest.

6.14.2

Voorts acht het hof van belang dat [de vennootschap 1] niet, althans niet voldoende onderbouwd, heeft gesteld dat namens haar op of na 20 mei 2010 aan FNV c.s. is meegedeeld dat de garantie niet zag op alle verplichtingen van [de vennootschap 2] uit hoofde van het Sociaal Plan, maar slechts op een gedeelte daarvan, namelijk alleen op de verplichtingen jegens de groep medewerkers die onderdeel uitmaakte van de reorganisatie. In tegendeel, tijdens de bijeenkomst hebben de eisen van FNV dat het Sociaal Plan ook voor achterblijvers zou gelden en dat (ook) de verplichtingen van [de vennootschap 2] tegenover de achterblijvers werden gegarandeerd door [de vennootschap 1] door elkaar gelopen. Het hof verwijst naar hetgeen hierboven in rov. 6.5. en verder is overwogen.

6.14.3.

Ten slotte acht het hof de tekst van de garantie, die is geciteerd in 3.1. onder (x) van het arrest van 24 oktober 2017 van belang. [de vennootschap 1] garandeert “de” uitvoering van het sociaal plan, en er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen wel en niet gegarandeerde verplichtingen van [de vennootschap 2] , terwijl de garantie ook overigens geen enkele aanwijzing bevat dat deze slechts een deel van de verplichtingen van [de vennootschap 2] betreft.

Naar het oordeel van het hof mochten FNV c.s. aan de verklaringen en gedragingen van [de vennootschap 1] in deze omstandigheden redelijkerwijs de betekenis toekennen dat de garantie van [de vennootschap 1] alle verplichtingen van [de vennootschap 2] uit hoofde van het Sociaal Plan betrof.

6.15.

Het bovenstaande leidt het hof tot de slotsom dat het Sociaal Plan ook voor de achterblijvers geldt en dat de garantie van [de vennootschap 1] mede betrekking heeft op de verplichtingen van [de vennootschap 2] jegens achterblijvers. De grieven I tot en met IV slagen in zoverre en het vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2013 zal worden vernietigd.

6.16.

De berekening van door appellanten 1 tot en met 34 gevorderde geldbedragen en de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 1 augustus 2011 zijn door [de vennootschap 1] als zodanig niet gemotiveerd weersproken. Wel heeft [de vennootschap 1] een beroep gedaan op matiging (3.39 conclusie van antwoord), maar van matiging (artikel 6:109 BW) kan ten aanzien van de geldvorderingen van de appellanten 1 tot en met 34, die de nakoming van de door [de vennootschap 1] afgegeven garantie betreffen, geen sprake zijn, daargelaten de gronden die [de vennootschap 1] voor het beroep op matiging heeft aangevoerd.

Het hof zal de geldvorderingen van de appellanten 1 tot en met 34 dus toewijzen.

6.17.

De door FNV gevorderde schade ter hoogte van € 22.500,00 bestaat, kort gezegd, uit naamschade, uit apparaatskosten en uit kosten die zij in dit dossier heeft gemaakt aan zaalhuur, huur van touringcars, ledenbijeenkomsten etc. De schade is in al haar onderdelen door [de vennootschap 1] in de conclusie van antwoord gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft FNV haar schade onvoldoende onderbouwd. Zo is ten aanzien van de gestelde naamschade niet onderbouwd waarom, in de specifieke omstandigheden van dit geval, kan worden aangenomen dat FNV schade heeft opgelopen als gevolg van de weigering van [de vennootschap 1] om het Sociaal Plan na te komen, zijn de gevorderde apparaatskosten niet deugdelijk gespecificeerd en is ten aanzien van de overige schadeposten niet duidelijk geworden dat zij verband houden met deze zaak. Het hof zal de door FNV gevorderde schadevergoeding reeds om deze reden afwijzen.

6.18.

De vordering van FNV dat [de vennootschap 1] in het geding tussen FNV en [de vennootschap 1] wordt veroordeeld tot nakoming van het Sociaal Plan d.d. 27 mei 2010 jegens de appellanten 1 tot en met 34 komt voor toewijzing in aanmerking. Het hof ziet geen aanleiding om deze veroordeling met een dwangsom te versterken omdat niet gesteld of gebleken is dat deze nakoming meer of anders behelst dan de betaling van geldbedragen aan de appellanten 1 tot en met 34 en de vorderingen van deze appellanten 1 tot en met 34 tot betaling daarvan in dit zelfde arrest worden toegewezen.

6.19.

Het hof zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren en het betoog van [de vennootschap 1] om daarvan af te zien dus passeren, mede gezien de lange duur van de procedure en het belang van appellanten 1 tot en met 34 op spoedige betaling van de door [de vennootschap 1] verschuldigde bedragen.

6.20.

[de vennootschap 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg (de andersluidende beslissing in het arrest van 17 maart 2015 is door FNV c.s. in cassatie bestreden) en het hoger beroep op basis van tarief VIII van het liquidatietarief. De kosten van de dagvaarding in eerste aanleg bedroegen € 95,64. De kosten voor salaris van de advocaat in eerste aanleg worden begroot op € 15.424,00 (4 punten á € 3.856,00). De kosten van de dagvaarding in hoger beroep waren € 92,82. Daar komt bij een bedrag van € 102,76 dagvaardings- en oproepingskosten na verwijzing. Het salaris van de advocaat in hoger beroep begroot het hof in navolging van het hof Arnhem-Leeuwarden op € 4.580,00 voor het gedeelte van het hoger beroep tot de cassatie en op € 13.752,00 (2,5 punten á € 5.501,00) voor het gedeelte na verwijzing.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2013;

Opnieuw rechtdoende:

7.2.

veroordeelt [de vennootschap 1] tot betaling aan:

1. [appellant 1] van een bedrag groot € 57.995,91 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. [appellant 2] van een bedrag groot € 39.071,27 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [appellant 3] van een bedrag groot € 47.319,63 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

4. [appellant 4] van een bedrag groot € 92.349,42 bruto, te vermeerderen

met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele

voldoening;

5. [appellant 5] van een bedrag groot € 41.273,87 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

6. [appellant 6] van een bedrag groot € 60.103,13 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

7. [appellant 7] van een bedrag groot € 37.829,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

8. [appellant 8] van een bedrag groot € 29.916,52 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

9. [appellant 9] van een bedrag groot € 53.801,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

10. [appellant 10] van een bedrag groot € 57.163,86 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

11. [appellant 11] van een bedrag groot € 58.285,02 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

12. de erfgenamen van [appellant 12] , overleden op [datum] 2013 te [plaats] , van een bedrag groot € 44.834,63 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

13. [appellant 13] van een bedrag groot € 29.889,76 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

14. [appellant 14] van een bedrag groot € 22.417,32 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

15. [appellant 15] van een bedrag groot € 14.731,36 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

16. [appellant 16] van een bedrag groot € 20.922,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

17. [appellant 17] van een bedrag groot € 14.944,88 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

18. [appellant 18] van een bedrag groot € 43.019,96 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

19. [appellant 19] van een bedrag groot € 38.669,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

20. [appellant 20] van een bedrag groot € 106.852,53 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

21. [appellant 21] van een bedrag groot € 62.258,86 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

22. [appellant 22] van een bedrag groot € 78.087,01 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

23. [appellant 23] van een bedrag groot € 46.235,73 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

24. [appellant 24] van een bedrag groot € 16.439,37 bruto, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

25. [appellant 25] van een bedrag groot € 55.413,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

26. [appellant 26] van een bedrag groot € 36.081,26 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

27. [appellant 27] van een bedrag groot € 80.799,68 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

28. [appellant 28] van een bedrag groot € 83.414,92 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

29. [appellant 29] van een bedrag groot € 73.493,95 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

30. [appellant 30] van een bedrag groot € 18.391,87 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

31. [appellant 31] van een bedrag groot € 6.505,59 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele

voldoening;

32. [appellant 32] van een bedrag groot € 104.573,85 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

33. [appellant 33] van een bedrag groot € 7.733,48 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

34. [appellant 34] van een bedrag groot € 15.953,34 bruto, te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2011 tot aan de dag der

algehele voldoening;

7.3.

veroordeelt [de vennootschap 1] in het geding tussen FNV en [de vennootschap 1] om het Sociaal Plan van 27 mei 2010 na te komen jegens appellanten 1 tot en met 34;

7.4.

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van appellanten op € 95,64 aan dagvaardingskosten, op € 3.621,00 aan griffierecht en op € 15.424,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 195,58 aan dagvaardings- en oproepingskosten, op € 1.553,00 aan griffierecht en op € 18.332,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

7.5.

verklaart deze beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, H.AE. Uniken Venema en D.J.B. de Wolff en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 maart 2019.

griffier rolraadsheer