Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:787

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
200.213.839_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1998
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging overeenkomsten. Geheimhouding. Concurrentiebeding. Relatiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer HD 200.213.839/01

arrest van 5 maart 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R. Bressers te Tilburg ,

tegen

[de vennootschap 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.M. Pals te Roermond.

op het bij exploot van dagvaarding van 10 april 2017 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (kanton, locatie Tilburgedd) gewezen vonnis van 11 januari 2017 tussen appellante in principaal appel – [appellante] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde in principaal appel – [geïntimeerde] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 5057631 CV EXPL 16-3624)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 20 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven in principaal appel, met producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende incidenteel appel, met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

  1. [geïntimeerde] drijft een franchiseorganisatie.

  2. [geïntimeerde] is als principaal een op 7 april 2011 gedateerde schriftelijke agentuurovereenkomst aangegaan met [appellante] als agent.

  3. [directeur/grootaandeelhouder] , directeur/grootaandeelhouder van [appellante] , is ook directeur/grootaandeelhouder van [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] ).

  4. [geïntimeerde] en [directeur/grootaandeelhouder] namens [appellante] hebben in een op 7 april 2011 gedateerd schriftelijk addendum bij de agentuurovereenkomst afgesproken dat bepaalde werkzaamheden buiten de agentuurrelatie mochten en worden gedaan of voortgezet. Het ging hier met name om werkzaamheden van [de vennootschap 3] .

  5. [geïntimeerde] en [appellante] hebben in de agentuurovereenkomst afspraken gemaakt over het werkgebied van [appellante] (“West Brabant”) en over een concurrentiebeding, een relatiebeding en vertrouwelijkheid.

  6. [geïntimeerde] heeft bijkomende werkzaamheden uitbesteed aan [appellante] . [geïntimeerde] en [appellante] hebben in dit kader een op 20 november 2014 gedateerde schriftelijke service-overeenkomst gesloten (inleidende dagvaarding, bijlage C; memorie van grieven in principaal appel, productie 7).

  7. [directeur/grootaandeelhouder] was eind 2015 ernstig ziek en is dat nog steeds.

  8. [directeur/grootaandeelhouder] heeft op 6 januari 2016 aan [geïntimeerde] mondeling medegedeeld dat [appellante] haar werkzaamheden als agent staakte en dat hij de [de vennootschap 3] -activa aan [de vennootschap 4] had overgedragen. [holding] Holding BV, waarvan [directeur/grootaandeelhouder] directeur/grootaandeelhouder is, verricht sindsdien werkzaamheden voor [de vennootschap 4] . Het personeel van [de vennootschap 3] is (deels) bij [de vennootschap 4] in dienst getreden.

3.2.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] bij inleidende dagvaarding in conventie gevorderd, kort samengevat, dat [appellante] en [directeur/grootaandeelhouder] uitvoerbaar bij voorraad en hoofdelijk:

  1. op straffe van een dwangsom zullen worden veroordeeld tot het verstrekken van gegevens van alle klanten waarmee [appellante] , [directeur/grootaandeelhouder] en/of [de vennootschap 3] sinds 7 maart 2011 een in de agentuurovereenkomst bedoelde transactie en/of een in de service-overeenkomst bedoelde werkzaamheid hebben gedaan,

  2. zullen worden veroordeeld tot het verstrekken van een overzicht van alle orders die [appellante] , [directeur/grootaandeelhouder] en/of [de vennootschap 3] sinds 7 maart 2011 hebben ontvangen voor producten en diensten zoals bedoeld in de agentuurovereenkomst en/of het addendum en van alle daaruit gerealiseerde omzet,

  3. op straffe van een boete zullen worden veroordeeld tot onmiddellijke naleving van art. 16 van de agentuurovereenkomst en staking van alle ten behoeve van [de vennootschap 4] verrichte activiteiten,

  4. zullen worden veroordeeld tot betaling van € 30.000,-- en een p.m-bedrag aan wegens overtreding van verschillende artikelen uit de agentuurovereenkomst verbeurde boetes, € 14.794,46 aan schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de agentuurovereenkomst, € 10.227,31 aan schadevergoeding wegens de voortijdige beëindiging van de service-overeenkomst, vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en € 5.000,-- aan kosten rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat [appellante] en [directeur/grootaandeelhouder] ernstig tekort geschoten zijn in de nakoming van de agentuurovereenkomst en de service-overeenkomst en dat [directeur/grootaandeelhouder] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

In eerste aanleg heeft [appellante] in reconventie gevorderd, samengevat, dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot het aan [appellante] betalen van € 4.979,20 ter zake van creditfacturen, € 13.873,75 ter zake van door [geïntimeerde] aan [de vennootschap 3] verschuldigde facturen die zijn gecedeerd aan [appellante] en een bedrag aan klantenvergoeding nader op te maken bij staat, alles te vermeerderen met wettelijke handelsrente en met de proceskosten.

[appellante] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] de agentuurovereenkomst en overige overeenkomsten moet nakomen en na beëindiging de vergoeding moet betalen.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, kort samengevat:

in conventie:

a. de vordering van [geïntimeerde] tegen [directeur/grootaandeelhouder] afgewezen en

b. [appellante] :

1. op straffe van een tot € 10.000,-- gemaximeerde dwangsom veroordeeld tot het verstrekken van gegevens van alle klanten waarmee [appellante] , [directeur/grootaandeelhouder] en/of [de vennootschap 3] sinds 7 maart 2011 een in de agentuurovereenkomst bedoelde transactie en/of een in de service-overeenkomst bedoelde werkzaamheid hebben gedaan,

2. veroordeeld tot het verstrekken van een overzicht van alle orders die [appellante] , [directeur/grootaandeelhouder] en/of [de vennootschap 3] sinds 7 maart 2011 hebben ontvangen voor producten en diensten zoals bedoeld in de agentuurovereenkomst en/of het addendum en van alle daaruit gerealiseerde omzet,

3. op straffe van een tot € 100.000,-- gemaximeerde boete veroordeeld tot onmiddellijke naleving van art. 16 van de agentuurovereenkomst en staking van alle ten behoeve van [de vennootschap 4] verrichte activiteiten,

4. veroordeeld tot betaling van € 30.000,-- aan wegens overtreding van verschillende artikelen uit de agentuurovereenkomst verbeurde boete, € 8.944,-- aan schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de agentuurovereenkomst, € 10.227,31 aan schadevergoeding wegens de voortijdige beëindiging van de service-overeenkomst, vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet ter zake van het staken van de service-overeenkomst en het niet overhandigen van klantinformatie, en € 2.231,35 aan proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

in reconventie:

[geïntimeerde] veroordeeld tot het aan [appellante] betalen van € 4.879,44 ter zake van creditfacturen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en met de proceskosten.

3.4.

[directeur/grootaandeelhouder] heeft geen hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft in principaal appel vijftien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot afwijzing van het door [geïntimeerde] ten aanzien van [appellante] gevorderde en tot toewijzing van een door de kantonrechter afgewezen en in hoger beroep gewijzigd deel van het door [appellante] gevorderde zoals nader omschreven.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel een grief aangevoerd en geconcludeerd tot toewijzing van het door haar na eiswijziging gevorderde zoals nader omschreven.

3.5.

Het hof neemt allereerst in aanmerking dat [directeur/grootaandeelhouder] geen hoger beroep heeft ingesteld. Nu [directeur/grootaandeelhouder] in het principaal hoger beroep niet is betrokken, is [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar incidenteel appel voor zover dit is gericht tegen [directeur/grootaandeelhouder] . Voor (de rechtsverhouding van [geïntimeerde] tot) de niet in dit hoger beroep betrokken [directeur/grootaandeelhouder] is het bestreden vonnis in kracht van gewijsde gegaan.

3.6.

Het hof stelt verder vast dat [geïntimeerde] in incidenteel appel ook een grief wenst te formuleren op het terrein van haar – door de kantonrechter toegewezen – vordering. Zij geeft immers een nieuwe formulering van die vordering (memorie van grieven in incidenteel appel, 143-146). Het hof neemt dit onderwerp mee in de beoordeling van het tweede geschilpunt hierna.

3.7.

De grieven in principaal appel betreffen in de kern de stelling van [appellante] dat haar handelwijze bij de afwikkeling van de agentuurovereenkomst en de transactie met [de vennootschap 4] niet ongeoorloofd was, dat haar in dit kader geen verwijt kan worden gemaakt en dat zij in dit kader aanspraak heeft op vergoedingen.

3.8.

Het eerste geschilpunt in principaal appel betreft de opzegging van de agentuurovereenkomst en de service-overeenkomst. Het gaat om de vergoedingen op grond van art. 7:439 lid 1-2 BW (vordering [geïntimeerde] ), art. 7:439 lid 3 BW (vordering [geïntimeerde] ), art. 7:442 BW (vordering [appellante] ) en de service-overeenkomst (vordering [geïntimeerde] ).

3.9.

Het hof neemt wat de eerste vergoeding betreft in aanmerking dat [directeur/grootaandeelhouder] ernstig ziek is (memorie van grieven in principaal appel, 167, 173). De ziekte van [directeur/grootaandeelhouder] (eind 2015) levert een dringende reden op voor beëindiging van de agentuurovereenkomst, die onverwijld (begin januari 2016) is medegedeeld aan [geïntimeerde] (art. 7:439 BW lid 1-2). [geïntimeerde] wijst op de inzet van [directeur/grootaandeelhouder] bij [de vennootschap 4] en stelt dat het allemaal meevalt, maar in welke mate dat werk bij [de vennootschap 4] belastend of tijdrovend is, vergeleken met de inzet als agent voor [geïntimeerde] , is niet duidelijk geworden. Ook de transactie met [de vennootschap 4] levert een dringende reden op, die onverwijld (begin januari 2016) is medegedeeld aan [geïntimeerde] . Partijen wilden daarna toch niet meer samenwerken. Het vertrouwen over en weer, dat noodzakelijk is voor de samenwerking in een franchiseorganisatie, was weg. Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken, gelet op de ziekte van [directeur/grootaandeelhouder] en de transactie met [de vennootschap 4] , van [appellante] redelijkerwijs niet kon worden gevergd de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten. Dit betekent dat [appellante] geen vergoeding verschuldigd is op de voet van het bepaalde in art. 7:439 lid 1-2 BW.

3.10.

De volgende vraag is of [appellante] schadeplichtig is op de voet van het bepaalde in art. 7:439 lid 3 BW. Het gaat hier om een verwijt dat een partij treft in verband met de beëindiging van de agentuurovereenkomst. Indien [appellante] een dergelijk verwijt treft, moet zij een som vergoeden gelijk aan de beloning over de tijd dat de overeenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren, waarbij het hof rekening houdt met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren (art. 7:441 lid 1 BW). [geïntimeerde] kan er echter ook voor kiezen volledige schadevergoeding te vorderen (art. 7:441 lid 3 BW). Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] (in appel) deze keuze heeft gemaakt. [geïntimeerde] vordert in appel schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ter zake het niet verstrekken van klantinformatie en het verlies van klanten, orders en omzet (memorie van grieven in incidenteel appel, blz. 47, 146 d V). Deze vordering komt hierna bij de behandeling van het tweede geschilpunt aan de orde. De vergoeding van art. 7:439 lid 3 en 7:441 lid 1 BW valt hier geheel onder. [geïntimeerde] heeft geen belang bij een afzonderlijke beoordeling van haar vordering op grond van art. 7:439 lid 3 en 7:441 lid 1 BW.

3.11.

Vervolgens is er het beroep van [appellante] op art. 7:442 BW. [appellante] heeft in het geheel niet toegelicht (a) dat en hoe zij nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid, (b) hoe deze overeenkomsten met deze bestaande klanten nog aanzienlijke voordelen opleveren voor [geïntimeerde] en (c) welke provisie [appellante] heeft verloren uit lopende overeenkomsten met welke klanten van [geïntimeerde] . De stellingen van [appellante] over haar gemiddelde omzet de afgelopen jaren zijn zonder nadere toelichting onvoldoende om een vergoeding te rechtvaardigen. Het hof verwerpt het beroep van [appellante] op art. 7:442 BW.

3.12.

[geïntimeerde] vordert ook een vergoeding voor het onregelmatig beëindigen van de service-overeenkomst. [appellante] voert tot verweer aan dat de aan haar verleende opdrachten op grond van de service-overeenkomst ook aan andere bedrijven kunnen worden verleend onder soortgelijke voorwaarden, zodat schade ontbreekt. [geïntimeerde] is hier niet op ingegaan. [geïntimeerde] heeft niet uitgelegd welke schade zij lijdt door de handelwijze van [appellante] . Het hof acht deze vordering van [geïntimeerde] dan ook ongegrond.

3.13.

De conclusie van het voorgaande is dat partijen over en weer geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding die samenhangt met de beëindiging van de agentuurovereenkomst of de service-overeenkomst. De stellingen van partijen over de werkwijze bij de beëindiging en over de opzegtermijn kunnen verder onbesproken blijven.

3.14.

Het tweede geschilpunt in principaal appel betreft de vraag of [appellante] klanten op ongeoorloofde wijze – namelijk buiten [geïntimeerde] – heeft geadministreerd en meegenomen en uiteindelijk verkocht aan [de vennootschap 4] . Het concurrentiebeding, het relatiebeding en het geheimhoudingsbeding staan hier centraal (in elk geval voor zover het gaat om de agentuurovereenkomst). [geïntimeerde] vordert op de voet van deze bepalingen en de service-overeenkomst verstrekking van gegevens, naleving van de genoemde bedingen, betaling van boetes en vergoeding van schade.

3.15.

Het gaat bij het tweede geschilpunt in wezen om de agentuurovereenkomst en het addendum (memorie van grieven in principaal appel, producties 3-4). De tekst ervan is niet in geschil. Overige uitlatingen bij het aangaan ervan zijn niet gesteld.

3.16.

Enkele bepalingen zijn van belang in de agentuurovereenkomst.

  1. [geïntimeerde] exploiteert een onderneming op het gebied van mobiele telefonie en ( [directeur/grootaandeelhouder] namens) [appellante] wil klanten en orders bij [geïntimeerde] aanbrengen voor verkoop van producten en diensten op het gebied van mobiele telefonie (considerans, A en B).

  2. [appellante] zal het unieke concept van [geïntimeerde] en de positie en rechten van [geïntimeerde] dienaangaande volledig en loyaal eerbiedigen (considerans, D).

  3. “Producten” bestaan uit hardware geschikt voor onder meer telefonie en bijbehorende software (art. 1 lid 1).

  4. Het “Contractsgebied” is “West Brabant” (art. 1 lid 3).

  5. [geïntimeerde] stelt [appellante] aan als agent (art. 2), [appellante] zal uitsluitend verkopen binnen het Contractsgebied (art. 3 lid 2) en [appellante] zal zich inspannen om de Producten in het Contractsgebied aan te prijzen en te verkopen (art. 9 lid 1).

  6. [appellante] zal niet werkzaam zijn als agent voor een concurrent (art. 3 lid 4) en geen concurrerende of aanverwante producten aanprijzen of verkopen, zoals producten op het terrein van onder meer vaste telefonie (art. 3 lid 5-6).

  7. [appellante] zal volledige geheimhouding betrachten, ook wat betreft de Producten en de organisatie van [geïntimeerde] (art. 15 lid 1).

  8. [appellante] mag niet binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst binnen het Contractsgebied werkzaam zijn voor een concurrent of zakelijk contact hebben met klanten uit dat gebied (art. 16 lid 1 onder a-b).

3.17.

In het addendum staat onder meer het volgende.

  1. [appellante] heeft een klantenbestand uit voormalige activiteiten, namelijk “verkoop en aflevering/installatie van telefooncentrales (hardware)” ( [de vennootschap 3] ), en wil vrij zijn deze activiteiten voor haar bestaande klanten te blijven verrichten (considerans, C-D).

  2. Klanten, die behoren tot het klantenbestand van op 7 maart 2011 reeds bestaande eigen klanten van [appellante] , zullen niet worden beschouwd als klanten van [geïntimeerde] (art. 1).

  3. Deze klanten staan op een bijgevoegde lijst (art. 2).

  4. [appellante] mag ten aanzien van deze klanten activiteiten verrichten, “bestaande in verkoop en aflevering van telefooncentrales (hardware) en mits voor het overige (dus los van de bedoelde verkoop en levering van centrales) ook ten aanzien van deze klanten niet in strijd wordt gehandeld met de agentuurovereenkomst. Dit betekent onder andere dat [ [appellante] ] andere Producten en Diensten dan geleverde telefooncentrales, zoals bijvoorbeeld vaste lijnen en mobiele lijnen en de afhandeling daarvan, ook ten aanzien van die klanten via [ [geïntimeerde] ] zal laten lopen” (art. 3).

  5. “Na het einde van de agentuurovereenkomst zal het concurrentiebeding, zoals opgenomen in artikel 16.1 sub b, niet van toepassing zijn ten aanzien van klanten, die behoren tot het eigen klantenbestand van [ [appellante] ] (bijlage A)” (art. 4).

3.18.

Het hof behandelt eerst drie thema’s die partijen verdeeld houden wat betreft de uitleg van de agentuurovereenkomst en het addendum.

3.19.

Het eerste thema betreft de definitie van het contractsgebied van [appellante] (“West Brabant”). [geïntimeerde] werkt vanuit [plaats 1] en beschouwt [plaats 1] als de oostelijke helft van Brabant, en [plaats 2] en [plaats 3] als de westelijke helft van Brabant (“West Brabant”). [appellante] stelt dat het contractsgebied moet worden opgevat als [plaats 3] en omgeving en dat [plaats 2] en omgeving niet tot West Brabant, maar tot Midden Brabant behoren. [appellante] was daarom steeds, zo stelt zij, vrij buiten de franchiseorganisatie voor zichzelf te werken in [plaats 2] en omgeving. Het hof verwerpt deze stellingen als onvoldoende toegelicht. [appellante] heet niet voor niets zo. Zij is in [plaats 2] gevestigd. Dat is geen toeval. Niets is geregeld in de agentuurovereenkomst voor een regio “Midden Brabant”. Niets is gesteld over een andere franchisenemer of over andere franchiseactiviteiten in Midden Brabant. Het hof overweegt – bij gebreke van een nadere toelichting – dat ( [geïntimeerde] bij het aangaan van de agentuurovereenkomst redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat) onder “West Brabant” ook [plaats 2] en omgeving wordt verstaan. Het hof stelt dus vast dat het contractsgebied, zoals [geïntimeerde] stelt, de westelijke helft van Brabant is, met inbegrip van [plaats 2] en omgeving.

3.20.

Het tweede thema betreft de reikwijdte van de agentuurovereenkomst. [appellante] voert aan dat het hierbij gaat om mobiele telefonie. Zij wijst op de considerans van de agentuurovereenkomst (3.16 a hiervoor). Het hof verwerpt dit standpunt. Het hof neemt in aanmerking dat partijen in het addendum uitdrukkelijk aandacht hebben besteed aan de werkzaamheden die buiten de samenwerking zouden vallen (3.17 d hiervoor). Het gaat om “verkoop en aflevering van telefooncentrales (hardware)” en “geleverde telefooncentrales”. In dezelfde passage staan “bijvoorbeeld vaste lijnen en mobiele lijnen en de afhandeling daarvan” uitdrukkelijk genoemd als werkzaamheden die binnen de samenwerking vallen. Een beperking van de samenwerking tot mobiele telefonie, zoals verdedigd door [appellante] , kan uit het addendum redelijkerwijs niet worden afgeleid. [appellante] heeft geen andere concrete feiten naar voren gebracht waaruit redelijkerwijs de door haar voorgestane uitleg zou kunnen volgen.

3.21.

Het derde thema betreft de service-overeenkomst en de door [appellante] genoemde “individuele opdrachten” (aan [de vennootschap 3] ) op het gebied van vaste telefonie (memorie van grieven in principaal appel, 23-43; memorie van antwoord in principaal appel, 19-20). [appellante] voert aan dat werkzaamheden die worden verricht op de voet van de service-overeenkomst en individuele opdrachten niet vallen onder de agentuurovereenkomst. Het concurrentiebeding en het relatiebeding zijn dan ook volgens [appellante] niet van toepassing. [geïntimeerde] bestrijdt dit. Zij meent dat zij alleen met [appellante] samenwerkte. [geïntimeerde] wijst op het addendum. Het hof neemt in aanmerking dat het blijkbaar steeds gaat om diensten zoals omschreven in de service-overeenkomst, die eerst op grond van opdrachten werden verleend en later op grond van de service-overeenkomst. Aan [appellante] kan naar het oordeel van het hof worden toegegeven dat de agentuurovereenkomst strikt genomen niet van toepassing is op deze dienstverlening. Maar dit betekent niet dat de agentuurovereenkomst niet relevant is in dit kader. Het gaat steeds om klanten van [geïntimeerde] , zo stelt [geïntimeerde] onweersproken. [geïntimeerde] merkt ook op, onweersproken, dat zij deze diensten juist onder [geïntimeerde] -logo en tegen de achtergrond van de samenwerking in de agentuurovereenkomst heeft uitbesteed (aan [appellante] ). Uit de redelijkheid en billijkheid, naar de aard van de service-overeenkomst en de daaraan voorafgaande opdrachten, kan volgen dat [appellante] geheimhouding moest betrachten en klanten niet mocht verkopen aan (de concurrent) [de vennootschap 4] . De beoordeling hiervan hangt af van de concrete omstandigheden ten aanzien van elke klant of opdracht. Partijen hebben daarover nog niets gesteld. Deze omstandigheden moeten worden betrokken bij de verdere beoordeling.

3.22.

De beslissingen onder 3.18-3.21 hiervoor zijn richtinggevend voor het vervolg van de beoordeling.

3.23.

Het hof komt dan tot de kern van het geschil. Partijen zijn het erover eens dat de lijst van klanten, die als bijlage A zou worden bijgevoegd, nooit is opgemaakt. Partijen hebben geen concrete informatie aangereikt over welke bedrijven op de lijst hadden moeten staan. Dit is waar het in het geschil eigenlijk steeds om gaat. Welke klanten en omzet horen volgens de agentuurovereenkomst en het addendum thuis in de samenwerking (franchiseorganisatie), en welke niet? Deze vraag valt uiteen in enkele onderdelen, die hierna aan de orde komen.

3.24.

Het hof heeft voor de verdere behandeling van het geschil behoefte aan deskundig onderzoek en advisering over de volgende vragen.

( a) Kunt u gemotiveerd aangeven welke klanten naar uw mening op de lijst hadden moeten worden geplaatst (3.23 hiervoor)?

( b) Kunt u gemotiveerd aangeven welke omzet voor deze klanten gedurende de looptijd van de agentuurovereenkomst is verantwoord buiten [geïntimeerde] om?

( c) Kunt u gemotiveerd aangeven of en in hoeverre omzet buiten [geïntimeerde] om is verantwoord die binnen [geïntimeerde] had moeten worden verantwoord? Zo ja, welke?

( d) Kunt u gemotiveerd aangeven welke activa zijn verkocht en overgedragen aan [de vennootschap 4] ? Vielen deze activa binnen of buiten [geïntimeerde] ?

( e) Wat acht u verder nog van belang om op te merken?

3.25.

Aan de deskundige wordt verzocht deze vragen in het licht van de agentuurovereenkomst en het addendum te bezien en de overwegingen hiervoor onder 3.16-3.21 bij zijn onderzoek te betrekken.

3.26.

Partijen zijn verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deskundige. Dit betekent in het bijzonder dat [appellante] zo nodig haar administratie ter beschikking moet stellen alsmede inzicht in de administratie van gelieerde organisaties dient te bevorderen, zoals bijvoorbeeld [de vennootschap 3] en [de vennootschap 4] . De deskundige kan in overleg met partijen contact opnemen met de nog te benoemen raadsheer-commissaris indien overleg gewenst is over de aanpak of werkwijze in het onderzoek of over kwesties op het gebied van vertrouwelijke gegevens.

3.27.

Het hof is voornemens één deskundige te benoemen (een accountant). Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de hiervoor onder 3.24 omschreven vragen.

3.28.

Het hof is voornemens het voorschot voor de kosten van de deskundige voor de helft ten laste te brengen van iedere partij. Het gaat immers om de afwikkeling van de agentuurovereenkomst en het addendum.

3.29.

Het hof wijst om redenen van proceseconomie op het volgende. [geïntimeerde] beoogt in hoger beroep te bereiken dat [directeur/grootaandeelhouder] persoonlijk wordt veroordeeld, maar dit is niet mogelijk (3.5 hiervoor). [appellante] wil bereiken dat [geïntimeerde] voor een hoger bedrag dan in eerste aanleg wordt veroordeeld, maar haar vordering moet in zoverre worden afgewezen (3.11 hiervoor). Dit geldt ook voor de vorderingen van [geïntimeerde] die samenhangen met de opzegtermijnen (3.9, 3.10 en 3.12 hiervoor). De overige vorderingen van [geïntimeerde] blijven ter beoordeling over (3.6 en 3.14 en verder hiervoor). [geïntimeerde] stelt dat [appellante] een lege vennootschap is die niet kan of zal betalen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het belang van het hoger beroep in dit stadium.

3.30.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 2 april 2019 voor akte van beide partijen als omschreven onder 3.27 en 3.29 hiervoor;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 maart 2019.

griffier rolraadsheer