Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:773

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
20-002200-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:3707, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met inachtneming van de volgende wijzigingen en aanvullingen:

- de bewijsmiddelen worden aangevuld

- de bewijsoverweging wordt vervangen

- de strafmotivering wordt vervangen

VOORWAARDELIJK OPZET

Het hof stelt vast dat de kans dat iemand overlijdt ten gevolge van het voor langere tijd met kracht dichtknijpen van de keel, waarbij tevens de mond wordt dichtgehouden – zoals in de voorliggende zaak aan de orde is – naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is. Immers wordt hierdoor de ademhaling van het slachtoffer belemmerd en wordt de bloedtoevoer naar de hersenen geblokkeerd.

Anders dan door de verdediging aangevoerd, acht het hof hierbij niet van belang dat het slachtoffer in de voorliggende zaak ‘slechts’ gedurende één tot anderhalve minuut is gewurgd. Immers constateert het hof, zoals in het kader van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde nader aan de orde komt, dat in de voorliggende zaak sprake is van een zogenaamde ‘onvoltooide poging’. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte met de verwurging is gestopt door een auto die kwam aanrijden. Aan de enkele omstandigheid dat verdachtes poging ten gevolge van deze van zijn wil onafhankelijke omstandigheid vroegtijdig is gestaakt, komt bij de vaststelling van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer derhalve geen betekenis toe.

De verdachte moet als normaal intelligente man van voormelde, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans op de dood van het slachtoffer op de hoogte zijn geweest.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg – te weten de dood van het slachtoffer – dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties, bijvoorbeeld in de vorm van een vrijwillige terugtred is het hof niet gebleken

VRIJWILLIGE TERUGTRED

Het hof stelt vast dat het slachtoffer kort na de bewezen verklaarde gedragingen weliswaar zeer geschrokken en ook oppervlakkig gewond was, doch dat zij niet in een medisch kritieke toestand verkeerde. Derhalve was in de voorliggende zaak geen sprake van een voltooide poging tot doodslag en was het acuut staken van de ten laste gelegde gedragingen naar aard en tijdstip geschikt om het intreden van het gevolg – te weten de dood van het slachtoffer – te beletten.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt echter dat de verdachte niet vrijwillig is opgehouden met de verwurgingshandelingen bij het slachtoffer.

Noch het dossier, noch het verhandelde ter zitting heeft ook maar een enkele aanwijzing opgeleverd dat de verdachte (in overwegende mate) is opgehouden met het verwurgen van het slachtoffer omdat hij spijt kreeg in plaats van dat hij vreesde te worden betrapt. Gelet hierop constateert het hof dat aan het kernvereiste van de vrijwillige terugtred niet is voldaan.

Met de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

STRAFMAAT

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, ondanks verdachtes berouw en motivatie om aan zichzelf te werken, in verband met een juiste normhandhaving de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, in de voorliggende zaak passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002200-17

Uitspraak : 4 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 juli 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-865171-16 en 01-860315-17, tegen

[verdachte] ,

geboren [in het jaar] 1993,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de verdachte vrijgesproken van de onder parketnummer 01-865171-16 primair ten laste gelegde poging tot moord, doch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, ter zake de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag. De vordering van de benadeelde partij, het slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] , betreffende dat feit is door de rechtbank integraal toegewezen.

Bij ditzelfde vonnis is de verdachte vrijgesproken van de onder parketnummer 01-860315-17 aan hem ten laste gelegde bedreiging. Dientengevolge is de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] in die zaak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis op 12 juli 2017 hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich derhalve mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder parketnummer 01-860315-17 ten laste gelegde feit, te weten de bedreiging van [benadeelde partij 2] . Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen voormeld feit is gericht

Omvang van het hoger beroep

Gelet op het voorgaande, beperkt het hoger beroep zich tot hetgeen de verdachte onder parketnummer 01-865171-16 ten laste is gelegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de gehele tenlastelegging. Subsidiair is bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en meer subsidiair is bepleit dat louter het meest subsidiair ten laste gelegde – te weten een poging tot zware mishandeling – bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met inachtneming van de hierna te noemen wijzigingen en aanvullingen.

Bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals in een lopend betoog weergegeven op pagina’s 3 en 4, eerste alinea van het vonnis.

Het hof is echter van oordeel dat het proces-verbaal van aangifte op pagina’s 62-64 van het eindproces-verbaal in het vonnis te summier is weergegeven. Derhalve zal het hof de van voetnoot 4 voorziene passage op pagina 3 van het vonnis geheel vervangen:

Voetnoot 4. Verklaring aangeefster [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] , blz. 62-63

Aangeefster [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] heeft op 26 december 2016 verklaard:

“Ik doe aangifte van poging doodslag dan wel moord. Ik heb niemand het recht of toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

Op maandag 26 december 2016, omstreeks 21.35 uur ben ik weggefietst vanaf de [adres 1] te Elshout. Ik fietste de [straatnaam 1] uit in de richting van de [straatnaam 2] . Ik ben niemand tegengekomen. Geen auto, geen fietser en niemand die de hond aan het uitlaten was.

Op enig moment hoorde ik dat er iemand aan kwam lopen vanaf mijn linkerzijde. Ik hoorde snelle voetstappen. Op dat moment werd ik gelijk met een behoorlijke kracht omgeduwd. Ik kwam op mijn rechterzij terecht, op mijn rechterbovenarm en ik kwam met mijn hoofd op de grond terecht.

Ik voelde dat ik bij mijn keel gepakt werd. Het was echt bij mijn keel en met twee handen. Hij kneep toen al behoorlijk. Ik zag dat het een man was. Ik weet dat hij op me ging zitten. Mijn linkerbeen zat klem onder de fiets. Hij ging toen bij de zijkant van mijn keel knijpen. Hij heeft toen een hand losgelaten om zijn hand voor mijn mond te doen. Hij heeft mij met zijn linkerhand vastgehouden en mijn mond met zijn rechterhand dichtgehouden. Op dat moment kon ik ook niet gillen. Ik begon toen met een hand te krabben in de richting van zijn gezicht. Ik heb hem ook geraakt, in zijn gezicht in ieder geval. Ik begon te gillen. Na het krabben ging hij weer terug naar mijn keel en met zijn andere hand om mijn mond dicht te houden. Toen voelde ik ook dat mijn strot echt ingedrukt werd. Ik voelde me toen echt wegglijden. Het werd heel stil. Er kwamen geen geluiden meer. Er kwam niks meer binnen. Het werd helemaal stil in me. Ik voelde me echt stikken. Op dat moment voelde ik mijn benen wegzakken en voelde ik dat ik in mijn broek plaste. Toen liet ik me slap worden maar toen voelde ik dat hij mijn nek met twee handen omvatte. Ik voelde toen dat hij echt mijn keel dicht kneep. Het voelde alsof ik ingesnoerd werd. Het deed pijn onder mijn rechterkaak.

Ik probeerde een gil uit te brengen. Ik ben toen ook gaan trappen. Hij liet toen niet los, hij liet pas los toen er mensen met een auto om de hoek kwamen. Ik zag dat er een auto om de hoek kwam, komende vanuit de [straatnaam 3] . Ik zag dat deze auto de [straatnaam 1] ingereden kwam. Ik voelde dat hij losliet. Ik hoorde dat de man toen wegrende.”

Voorts is het hof van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvulling behoeven. Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, met inbegrip van de bovengenoemde wijziging, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen:

Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 73-74, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

Op maandag 26 december 2016 omstreeks 21.50 uur was ik, [verbalisant 1] , belast met directe hulpverlening district Den Bosch.

Van het Operationeel centrum kwam de melding dat er zojuist op de [straatnaam 1] te Elshout een man een vrouw vanachter had besprongen en daarbij zou hij gepoogd hebben haar te wurgen.

Ter plaatse op het kruispunt [straatnaam 1] / [straatnaam 3] zag ik aangeefster [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . Ik hoorde haar zeggen dat ze een aantal seconden buiten bewustzijn was geweest en dat zij door de spanning en angst haar urine had laten lopen.

Het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina’s 95-97, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

Beelden [adres 2] te Elshout

Camerabeelden die zijn opgemaakt door camera’s die bevestigd zijn aan de buitenzijde van de woning.

Camerabeelden opnamen:
20161226-214407 (het hof begrijpt1: 26 december 2016 te 21:44:07 uur)
Beeldopnamen vanuit camera 3

Ik, verbalisant, zag een fietser in beeld fietsen. Ik zag dat de fietser ter hoogte van het hek hard omver werd geduwd. Ik zag dat de manspersoon vanuit de oprijlaan bij de tegenoverburen de openbare weg op kwam rennen en de fietser hard omver duwde. Ik zag dat de man zich vervolgens voorover bukte.

201626-214546 (het hof begrijpt: 26 december 2016 te 21:45:46 uur)
Beeldopnamen vanuit camera 3
Ik, verbalisant, zag dat de man in de richting van de camera rende op het moment dat ik ook zag dat er licht de straat in scheen. Ik zag dat de man via de oprijlaan, [adres 2] , naar de achterzijde van de woning rende. Ik zag vervolgens dat een personenauto de straat inreed.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De bewijsmotivering van de rechtbank – feitelijk weergegeven vanaf de tweede alinea op pagina 4 van het vonnis – behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsmotivering in haar geheel vervangen.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, te weten poging tot moord, respectievelijk poging tot doodslag. Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde is aangevoerd dat de ten laste gelegde voorbedachte raad niet bewezen kan worden. Voorts is ten aanzien van beide feiten bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat van vol opzet – zoals aangenomen door de rechtbank – geen sprake kan zijn omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de intentie heeft gehad [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] te doden. Voorts kan voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer wat de verdediging betreft niet bewezen worden. Immers leest de verdediging het dossier aldus, dat verdachtes handelen redelijkerwijs geen aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] in het leven kan hebben geroepen. Subsidiair is door de verdediging bepleit dat, mocht het hof desalniettemin van oordeel zijn dat van een dergelijke aanmerkelijke kans wel degelijk sprake is geweest, de verdachte deze kans in elk geval niet heeft aanvaard.

Poging tot moord

Met de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten de poging tot moord op slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . Kort gezegd heeft het hof niet op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachtes handelen op 26 december 2016 is voortgekomen uit ‘kalm beraad en rustig overleg’, oftewel voorbedachte raad. Nu het hof komt tot bevestiging van het vonnis en aldus met de rechtbank komt tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, behoeven het onder 1 primair ten laste gelegde en het dienaangaande gevoerde verweer in hoger beroep in zoverre geen bespreking.

Poging tot doodslag

Met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer aangaande verdachtes opzet op de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] , overweegt het hof als volgt.

Voorwaardelijk opzet

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag voorwaardelijk opzet volstaat. Dergelijk voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] – zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij zal het in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich vervolgens willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het –behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Aanmerkelijke kans

Uit het strafdossier volgt onder meer dat de verdachte op 26 december 2016 [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] met een behoorlijke kracht van haar fiets heeft geduwd, ten gevolge waarvan [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] ten val kwam. Vervolgens is de verdachte op [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] gaan zitten en heeft hij haar keel dichtgeknepen gedurende circa anderhalve minuut. Dit deed hij aanvankelijk met twee handen, vervolgens met één hand, terwijl hij met de andere hand de mond van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] dicht hield, en daarna wederom met beide handen. Hierbij is een behoorlijke kracht uitgeoefend op de keel van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . Haar strot werd ingedrukt, haar mond dichtgehouden, en haar keel ingesnoerd, waardoor ze het gevoel had dat ze stikte, ze zich voelde wegglijden, haar benen voelde wegzakken, haar urine liet lopen en het helemaal stil werd in haar.

Het hof stelt vast dat de kans dat iemand overlijdt ten gevolge van het voor langere tijd met kracht dichtknijpen van de keel, waarbij tevens de mond wordt dichtgehouden – zoals in de voorliggende zaak aan de orde is – naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is. Immers wordt hierdoor de ademhaling van het slachtoffer belemmerd en wordt de bloedtoevoer naar de hersenen geblokkeerd.

Anders dan door de verdediging aangevoerd, acht het hof hierbij niet van belang dat het slachtoffer in de voorliggende zaak ‘slechts’ gedurende één tot anderhalve minuut is gewurgd. Immers constateert het hof, zoals in het kader van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde nader aan de orde komt, dat in de voorliggende zaak sprake is van een zogenaamde ‘onvoltooide poging’. Zoals hierna bij de bespreking van de strafbaarheid van het feit nader zal worden gemotiveerd, volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen immers dat de verdachte met de verwurging is gestopt door een auto die kwam aanrijden. Aan de enkele omstandigheid dat verdachtes poging ten gevolge van deze van zijn wil onafhankelijke omstandigheid vroegtijdig is gestaakt, komt bij de vaststelling van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer derhalve geen betekenis toe.

Bewuste aanvaarding

De verdachte moet als normaal intelligente man van voormelde, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans op de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] op de hoogte zijn geweest. [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] heeft zich op de momenten dat zij dit kon, tegen verdachtes greep verzet door te krabben, trappen en te gillen, maar de verdachte liet niet los. Zelfs toen [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] zich helemaal slap voelde worden, in haar broek plaste en voor korte tijd het bewustzijn verloor, heeft de verdachte zijn handelen niet gestaakt. Daarentegen zag hij zijn kans schoon om haar keel – die hij op dat moment met één hand dichthield om haar met de andere hand de mond te kunnen snoeren – wederom met twee handen te omvatten en deze met twee handen echt dicht te knijpen.

Het hof is van oordeel dat bovengenoemde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg – te weten de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] – dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties, bijvoorbeeld in de vorm van een vrijwillige terugtred, zoals hierna besproken, is het hof niet gebleken.

Conclusie

Concluderend heeft het hof op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte, door te handelen zoals bewezen verklaard, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het overlijden van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] ten gevolge daarvan. Mitsdien acht het hof de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De strafbaarheid van het feit

In hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de verdachte op grond van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij op eigen initiatief zijn handelen zou hebben gestaakt toen hij het verschrikkelijke daarvan inzag.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vrijwillige terugtred

Het hof stelt voorop dat van vrijwillige terugtred, als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, sprake is wanneer de verdachte vrijwillig is teruggetreden vóórdat het betrokken misdrijf is voltooid.

Het hof stelt vast dat het slachtoffer kort na de bewezen verklaarde gedragingen weliswaar zeer geschrokken en ook oppervlakkig gewond was, doch dat zij niet in een medisch kritieke toestand verkeerde. Derhalve was in de voorliggende zaak geen sprake van een voltooide poging tot doodslag en was het acuut staken van de ten laste gelegde gedragingen naar aard en tijdstip geschikt om het intreden van het gevolg – te weten de dood van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] – te beletten.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt echter dat de verdachte niet vrijwillig is opgehouden met de verwurgingshandelingen bij het slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] verklaart immers dat de verdachte pas ophield met het dichtknijpen van haar keel toen een auto vanaf de [straatnaam 3] de [straatnaam 1] kwam ingereden. Dit wordt bevestigd door de beelden waarop is te zien dat de verdachte het slechts een fractie voor het op camera in beeld komen van de lichtbundels van de auto op een lopen zette, en via het perceel van de [adres 2] , in tegengestelde richting van de aankomende auto, in het donker verdween en – blijkens verdachtes eigen verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 juli 2018 – door een weiland over hekken en sloten wegvluchtte. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat naar algemene ervaringsregels de lichtbundels en het geluid van de auto voor het slachtoffer en de verdachte eerder waarneembaar moeten zijn geweest dan dat de lichtbundels van de auto vanwege het beperkte bereik van de camera zichtbaar waren op de beelden die werden opgenomen vanaf het pand aan de [adres 2] .

Noch het dossier, noch het verhandelde ter zitting heeft ook maar een enkele aanwijzing opgeleverd dat de verdachte (in overwegende mate) is opgehouden met het verwurgen van [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] omdat hij spijt kreeg in plaats van dat hij vreesde te worden betrapt. Gelet hierop constateert het hof dat aan het kernvereiste van de vrijwillige terugtred niet is voldaan.

Met de rechtbank is het hof aldus van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

Het verweer faalt.

Op te leggen straf

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank opgelegde straf. In het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede gelet op de nieuwe rapportages betreffende de persoon van de verdachte, ziet het hof aanleiding deze straf opnieuw te motiveren.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met kracht en gedurende circa anderhalve minuut dichtknijpen van de keel van het slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] . Hoewel hij [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] tot die dag nog nooit had ontmoet, is hij haar in de avond van 26 december 2016 zonder enige aanleiding achternagerend en heeft hij haar van haar fiets geduwd, om vervolgens op haar te gaan zitten en haar keel met één, respectievelijk met twee handen te omsnoeren. Pas toen hij werd opgeschrikt door een auto die de straat in kwam gereden, heeft de verdachte zijn aanval op [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] gestaakt en is hij via het perceel van een nabijgelegen woning weggevlucht. Het hof rekent de verdachte zeer zwaar aan dat hij slachtoffer [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] voor haar leven heeft doen vrezen, waarvan zij tot op de dag van vandaag de gevolgen ondervindt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 december 2018, waaruit naar voren komt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Tevens heeft het hof gelet op de deskundigenrapporten betreffende de persoon van de verdachte, zoals deze zich bevinden in het dossier. Met name de multidisciplinaire Pro Justitiarapportage d.d. 7 januari 2019, opgemaakt door [psychiater] , [GZ-psycholoog] en [milieuonderzoeker] , acht het hof in zoverre van belang. Daaruit komt naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van psychopathologie in enge zin. Wel zijn er aanwijzingen voor pathologisch middelengebruik, zij het dat objectiveerbare informatie daarover niet beschikbaar is. Concluderend achten de rapporteurs het recidiverisico van de verdachte laag en komen zij niet tot een advies om het bewezen verklaarde feit niet of verminderd toe te rekenen aan de verdachte. Het lijkt hen wel zinvol dat de verdachte zich na terugkomst in Polen vrijwillig wendt tot de hulpverlening om stil te staan bij zijn problematische middelengebruik in het verleden, zijn neiging problemen of moeilijke zaken te ontwijken of te loochenen en om de traumatische periode rondom het ten laste gelegde te verwerken.

Voorts heeft het hof acht geslagen op verdachtes houding ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft – ogenschijnlijk oprecht – berouw getoond, heeft zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer en heeft haar de hand geschud. Voorts heeft hij te kennen gegeven na zijn detentie terug te zullen keren naar Polen, alwaar hij voornemens is psychologische en/of psychiatrische hulp te zoeken om de gebeurtenissen van 26 december 2016 te kunnen begrijpen en in de toekomst te kunnen voorkomen. Om aldaar voortvarend aan een eventuele behandeling te kunnen beginnen, heeft de verdachte voormelde rapporten reeds in zijn moedertaal – het Pools – laten vertalen en heeft hij verklaard dat hij dat ook zal doen met de door het slachtoffer op schrift gestelde verklaringen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, en aldus de in eerste aanleg opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, zal bevestigen. Door de raadsman is daarentegen verzocht een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, door te benadrukken dat de verdachte first offender is, dat bij hem geen noemenswaardige psychologische of psychiatrische problemen zijn vastgesteld en dat de verdachte heeft gehandeld in een vlaag van verstandsverbijstering.

Anders dan door de raadsman bepleit, is het hof onder de gegeven omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt. Het hof benadrukt dat [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] haar leven uitsluitend te danken heeft aan een toevallige omstandigheid die de verdachte ervan heeft weerhouden zijn poging om [slachtoffer, tevens benadeelde partij 1] te doden te voltooien.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof aldus van oordeel dat, ondanks verdachtes berouw en motivatie om aan zichzelf te werken, in verband met een juiste normhandhaving de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, in de voorliggende zaak passend en geboden is.

Al hetgeen van de zijde van de verdediging is aangevoerd aangaande de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-860315-17 ten laste gelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J. Nederlof en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.J. Hendricksen, griffier,

en op 4 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Gelet op het e-mailbericht d.d. 28 maart 2018 van [medewerkster ressortsparket] namens het ressortsparket aan het hof en de verdediging.