Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:728

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
18/00009 en 18/00010
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8340, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Belanghebbende heeft een zogenoemde “Rente wegen Erwerbsunfähigheit” toegekend gekregen van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen. Deze uitkering ziet op de periode 1 januari 1998 tot 1 juli 2014. In geschil is of het in 2014 ontvangen bedrag terecht is gerekend tot het belastbaar inkomen uit werk en woning, het premie-inkomen voor de volksverzekeringen en het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet. Naar het oordeel van het Hof is dat het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-05-2019
V-N Vandaag 2019/1157
FutD 2019-1362
V-N 2019/29.1.1
Viditax (FutD), 13-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00009 en 18/00010

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 19 december 2017, nummers BRE 16/7500 en 17/3353, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te vermelden aanslagen en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.628. Gelijktijdig is bij beschikking € 180 belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Daarnaast is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) 2014 opgelegd waarbij het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 8.804. Beide aanslagen worden hierna samen ook wel aangeduid als de aanslagen.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Bij uitspraak van de Inspecteur is de aanslag IB/PVV gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de hiervoor genoemde uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Tevens is met toestemming van partijen prorogatie toegepast met betrekking tot de aanslag Zvw 2014. Met betrekking tot beide beroepen heeft de griffier van de Rechtbank eenmaal griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ten aanzien van dit beroep heeft de griffier eenmaal griffierecht geheven van € 126.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op [geboortedatum] 1952 in Duitsland geboren en bezit de Nederlandse nationaliteit. In 2014 woonde belanghebbende in Nederland. Sinds 1990 is hij in Nederland in dienstbetrekking werkzaam.

2.2.

Bij brief van 14 mei 2014 is belanghebbende een “Rente wegen Erwerbsunfähigheit” toegekend van € 8.522,85 van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen (hierna ook: de Duitse invaliditeitsuitkering). Deze uitkering ziet op de periode 1 januari 1998 tot 1 juli 2014. Vanaf 1 juli 2014 ontvangt belanghebbende € 140,01 per kwartaal. In 2014 heeft belanghebbende in totaal een bedrag van € 8.804 ontvangen.

2.3.

Op 1 maart 2015 heeft belanghebbende voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan. In die aangifte heeft belanghebbende de ontvangen Duitse invaliditeitsuitkering aangegeven als buitenlandse inkomsten uit vroegere arbeid. Daarnaast heeft belanghebbende loon uit dienstbetrekking aangegeven van € 22.561 en uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 737 en een restant persoonsgebonden aftrek (hierna: PGA) uit voorgaande jaren van € 15.000 in mindering gebracht op het inkomen.

2.4.

Met dagtekening 26 maart 2016 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2014 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2014 vastgesteld. Daarbij is de Inspecteur van de aangifte IB/PVV afgeweken door het restant PGA uit voorgaande jaren te corrigeren. De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2014 is vastgesteld op € 475.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de Inspecteur de Duitse invaliditeitsuitkering terecht heeft gerekend tot:

  1. het belastbaar inkomen uit werk en woning;

  2. het premie-inkomen voor de volksverzekeringen;

  3. het bijdrage‑inkomen voor de Zorgverzekeringswet.

Daarnaast is in geschil of terecht belastingrente in rekening is gebracht.

Belanghebbende is van mening dat de vragen 1 tot en met 3 ontkennend moeten worden beantwoord en dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Belanghebbende heeft verzocht om de heer [A] van de afdeling Bijzondere Zaken van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) te [plaats] op te roepen als getuige. De heer [A] zou zich hebben uitgelaten over de vraag of de Duitse invaliditeitsuitkering in de Nederlandse belastingheffing zou worden betrokken. Belanghebbende heeft de heer [A] niet zelf opgeroepen als getuige. Het Hof heeft geen aanleiding gezien om de heer [A] op te roepen als getuige. In het midden kan namelijk blijven wat de heer [A] al dan niet heeft gezegd over de vraag waar belasting zou zijn verschuldigd aangezien niet het UWV, maar de Inspecteur degene is die daarvoor verantwoordelijk is. Aan een eventueel door de heer [A] gedane toezegging kon belanghebbende dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur de Duitse invaliditeitsuitkering niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning zou rekenen.

Belastbaar inkomen uit werk en woning

4.2.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de Duitse invaliditeitsuitkering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft gerekend. Belanghebbende was in 2014 inwoner van Nederland en daardoor belastingplichtig voor zijn wereldinkomen. Dat wil zeggen dat belanghebbende voor zijn wereldwijd behaalde inkomen in Nederland in de belastingheffing wordt betrokken. De Duitse invaliditeitsuitkering die hij in 2014 heeft ontvangen, maakt daarvan dus onderdeel uit (zie hoofdstuk 3, afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001). Dat is niet anders in dit geval waar sprake is van een nabetaling. Als het bedrag van de nabetaling op reguliere wijze in voorgaande jaren aan belanghebbende zou zijn uitgekeerd, zou het in die jaren in de belastingheffing zijn betrokken. Om dubbele belastingheffing met Duitsland te vermijden heeft de Inspecteur voor dit inkomen voorkoming van dubbele belasting gegeven. Als gevolg daarvan wordt eenmaal belasting geheven over de uitkering, te weten in Duitsland.

4.3.

Het Hof stelt vervolgens voorop dat de Inspecteur de inkomens heeft vastgesteld en de aanslagen heeft opgelegd en niet het UWV. Naar de mening van belanghebbende heeft het UWV een fout gemaakt doordat het UWV achter zijn rug om de Duitse invaliditeitsuitkering heeft aangevraagd en hem vervolgens verkeerd heeft voorgelicht over de belastingheffing over die uitkering. Belanghebbende is dan ook van mening dat alleen het UWV schuld heeft aan deze situatie. De Inspecteur zou dan ook niet hem in de heffing moet betrekken, maar het UWV.

4.4.

Het Hof heeft uit de stukken in het dossier opgemaakt dat in het verleden (1990) contact is geweest tussen het UWV en de Duitse autoriteiten. Destijds heeft het UWV kennelijk verzuimd belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid een aanvulling vanuit Duitsland aan te vragen of belanghebbende hiermee te helpen. Daarnaast heeft het UWV kennelijk verzuimd om belanghebbende over de contacten met de Duitse autoriteiten te informeren. Het UWV heeft aangegeven dit te betreuren. Hoe vervelend deze situatie ook is, dit maakt echter nog niet dat de wet in dit geval anders zou moeten worden toegepast. Zoals hiervoor in 4.2. is uiteengezet, is belanghebbende in Nederland immers belastingplichtig voor zijn wereldinkomen. Daar komt bij dat het UWV in dit geval geen belasting en premies kon inhouden op de ontvangen Duitse invaliditeitsuitkering aangezien die is uitbetaald door de Deutsche Rentenversicherung Westfalen. Dit zou slechts anders zijn indien de uitkering door het UWV zou zijn uitbetaald. In dat geval zou het UWV in beginsel belasting en premies hebben ingehouden op de betaling. In zoverre is dan ook geen sprake van onzorgvuldig handelen door de Inspecteur of het UWV.

Premie‑inkomen voor de volksverzekeringen

4.5.

In artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) is bepaald dat degene die is verzekerd in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is. Op grond van artikel 6, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) is een ingezetene verzekerd voor de volksverzekeringen. Artikel 2 van de AOW bepaalt dat een ingezetene in de zin van de volksverzekeringen is, degene die in Nederland woont. De overige volksverzekeringswetten hebben soortgelijke bepalingen zoals ook de Rechtbank heeft overwogen.

4.6.

De Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (hierna: de Vo 883/2004) en de daaraan voorafgaande Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (hierna: de Vo 1408/71) bevatten aanwijsregels op grond waarvan wordt bepaald welke wetgeving van toepassing is op personen die vallen binnen de personele werkingssfeer van de betreffende verordening. Artikel 11, derde lid, van de Vo 883/2004, wijst in dit geval Nederland aan als de lidstaat waarvan de wetgeving, omtrent de sociale zekerheid, van toepassing is. Op grond van de in 4.5. genoemde verzekeringsbepalingen is belanghebbende verzekerd voor de volksverzekeringen zodat belanghebbende premieplichtig is.

4.7.

De hoogte van de premie hangt af van het premie‑inkomen (artikel 7 Wfsv) waaronder wordt verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning volgens hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 8 Wfsv). Daartoe behoort ook de Duitse invaliditeitsuitkering zoals hiervoor in 4.2. is overwogen.

Bijdrage‑inkomen

4.8.

Ten aanzien van de derde vraag overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende woont in Nederland en is op grond daarvan in Nederland verzekerd voor de Zvw (artikel 2 van de Zvw in samenhang gelezen met artikel 1.2.1 en 2.1.1 van de Wet langdurige zorg). Als verzekeringsplichtige is belanghebbende een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het in een kalenderjaar genoten bijdrage-inkomen (artikel 41 van de Zvw). Dit bijdrage-inkomen omvat in dit geval de Duitse invaliditeitsuitkering (artikel 43, lid 2, aanhef en onderdeel d, van de Zvw).

Opgewekt vertrouwen

4.9.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat uit de e‑mail van de Inspecteur van 30 augustus 2016 kan worden afgeleid dat de Duitse invaliditeitsuitkering niet tot het premie- en bijdrage‑inkomen mag worden gerekend. Belanghebbende heeft zich op de volgende passage beroepen:

“U ontving vóór 1 mei 2010 al een pensioen uit Duitsland en u betaalt nog steeds in Duitsland uw sociale premies. U hoeft dan in Nederland geen premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw te betalen. Deze uitzondering geldt alleen als u grensoverschrijdend heeft gewerkt.”

In genoemde e‑mail wordt daarnaast onder meer vermeld:

“(…)

Woont u in Nederland en ontvangt u een pensioen uit Duitsland (Deutsche Rente), bijvoorbeeld een ouderdomspensioen, een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een nabestaandenpensioen? Dan bent u in Nederland verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen en de Zorgverzekeringswet (…). U bent in Nederland ook verplicht verzekerd als u naast uw pensioen uit Duitsland nog ander Nederlands inkomen hebt, zoals bijvoorbeeld AOW of loon.

(…)

Premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw betalen

Woont u in Nederland en ontvangt u een pensioen uit Duitsland? Dan bent u in Nederland verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet (Zvw). U moet dan ook meestal premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw betalen.

(…)

Mbt de inkomstenbelasting hebt u aftrek genoten ter voorkoming van dubbele belasting (omdat u reeds belasting hebt betaald in Duitsland)

Mbt de premies volksverzekeringen dient u uw wereldinkomen aan te geven. De duitse rente hoort daar bij.”

4.10.

Deze e-mail kan volgens het Hof niet worden uitgelegd als een inlichting die afwijkt van een juiste wetstoepassing. De vraag of en in hoeverre sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel komt alleen daarom al niet aan de orde. Ten slotte is niet gebleken dat belanghebbende voldoet aan een van de overige voorwaarden zoals hierboven geciteerd waardoor de Duitse invaliditeitsuitkering niet tot het premie- en bijdrage‑inkomen hoeft te worden gerekend.

Belastingrente

4.11.

Belanghebbende heeft ook geklaagd over de in rekening gebrachte belastingrente. Niet is gebleken dat in dit geval de in rekening gebrachte belastingrente naar een onjuist bedrag is berekend.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat de vragen 1 tot en met 3 bevestigend moeten worden beantwoord en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 28 februari 2019 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.