Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:725

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
200.242.720_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht, schenking of overeenkomst van geldlening, art. 6:136 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 136
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.242.720/01

zaaknummer rechtbank : C/01/318345/ FA RK 17-1041

beschikking van de meervoudige kamer van 28 februari 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N. Chedra te Veghel,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B. du Fosse te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 18 december 2017 en 24 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 16 juli 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 24 april 2018.

2.2.

De man heeft op 30 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2019.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 30 januari 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door haar advocaat. De advocaat van de man heeft het hof bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

i) Partijen zijn op 11 november 2011 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

ii) Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 27 februari 2017 ingekomen bij de rechtbank Oost-Brabant.

iii) Daarop is bij beschikking van 18 december 2017 de echtscheiding uitgesproken.

iv) De echtscheidingsbeschikking is op 28 mei 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap gelast, zoals overwogen in de beschikking van 18 december 2017 onder de punten 2.8.6. tot en met 2.8.9. en met inachtneming van hetgeen is overwogen onder punt 2.2.3. van de bestreden beschikking.

4.2.

De vrouw heeft drie grieven aangevoerd. Deze betreffen:

- de schuld aan de ouders van de man (grief 1);

- de inboedel (grief 2);

- de lijfrentepolis bij ASR (grief 3).

De vierde grief betreft een zogenoemde veeggrief en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de wijze van verdeling betreft en, opnieuw rechtdoende, de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:

I. de inboedel te verdelen conform de als productie 3 bij het beroepschrift gevoegde lijst, met veroordeling van de man tot afgifte van de op voornoemde lijst gemelde goederen, binnen 7 dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat hij hiermee in gebreke blijft;

II. de activa en de passiva van de eenmanszaak aan de man toe te delen, zonder verrekening van de waarde;

III. de Volkswagen Station personenauto aan de man toe te delen en de Ford Focus personenauto aan de vrouw, zonder verrekening van de waarde;

IV. het saldo op de bankrekening op naam van de man aan de man toe te delen, zonder nadere verrekening;

V. het saldo op de bankrekening op naam van de vrouw aan de vrouw toe te delen, zonder nadere verrekening;

VI. het saldo van de en/of rekening tussen partijen bij helften te delen, c.q. gedragen worden, waarna de bankrekening zal worden opgeheven;

VII. de lijfrentepolis bij ASR aan de vrouw toe te delen, onder verrekening van de helft van de (netto) uitgekeerde waarde daarvan, te voldoen door de vrouw aan de man, rekening houdend met een belastinglatentie van 40%;

VIII. te verklaren voor recht dat geen sprake is van enige schuld aan de ouders van de man van € 18.000,-- of enig ander bedrag, en dat met een zodanig bedrag derhalve ook geen rekening behoeft te worden gehouden bij de afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de vrouw het verzoek toegelicht, aldus dat de vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarbij is beslist zoals onder II tot en met VI is weergegeven.

4.3.

De man heeft verzocht de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Peildatum

5.1.

Het hof stelt allereerst vast dat partijen geen grief hebben gericht tegen de overweging van de rechtbank dat partijen het eens zijn over de peildatum voor de omvang van de gemeenschap van goederen, zijnde 25 februari 2017. Dit betekent dat het hof voor de peildatum voor de samenstelling en de omvang van huwelijksgemeenschap van genoemde datum uit zal gaan.

De inboedel (grief 2)

5.2.

Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. Partijen hebben het volgende afgesproken:

- de man zal op zaterdag 16 februari 2019 om 17:00 uur de volgende zaken aan het adres van de vrouw afgeven:

 de buggy, merk Maclaren;

 de Weber barbecue compleet met alle accessoires;

 een usb-stick met daarop de foto’s, filmpjes en andere bestanden van de vrouw en de kinderen;

- de vrouw zal vooraf schriftelijk opgave doen aan de man van de foto’s, filmpjes en andere bestanden van haar en kinderen die zij nog wenst te ontvangen waarna de man deze op een usb-stick zal plaatsen;

- de massief kersenhouten tv kast met uitschuifbare plank en deuren blijft bij de vrouw;

- de smart tv blijft bij de man;

- e zaken van de kinderen (bed [de minderjarige 1] , leesboeken van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , spel Elektro en spel Monopoly, plastic bekers van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , bidon van “Spiderman” en de Cars kleuterfiets van [de minderjarige 2] ) worden niet in de verdeling betrokken.

5.3.

Het hof zal conform de overeenstemming van partijen de verdeling van genoemde zaken vaststellen.

De schuld aan de ouders van de man (grief 1)

5.4.

De eerste grief van de vrouw keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de schuld van € 18.000,-- aan de ouders van de man bij de wijze van verdeling van de echtelijke woning (en de bijbehorende hypothecaire geldlening) betrokken dient te worden.

Ter toelichting voert de vrouw het volgende aan.

Er is geen sprake van een schuld van € 18.000,-- aan de ouders van de man. De man heeft hulp van zijn ouders gehad bij de aankoop van zijn appartement in [plaats] voor circa € 155.000,--, maar de vrouw ging er altijd van uit dat dit een schenking betrof en geen geldlening. De broer van de man kocht indertijd namelijk eenzelfde type appartement in dezelfde woonwijk en ook ten behoeve van die aankoop werden door de ouders van de man gelden geschonken.

Na de verkoop door de man van zijn appartement, kochten partijen samen de voormalige echtelijke woning (waarvan de verkoop en levering aan een derde plaatsvond op 2 juli 2018). Daar is geen geld van de ouders van de man voor gebruikt. Dat zou ook niet logisch zijn, aangezien de aankoopwaarde van de woning € 238.000,-- bedroeg, terwijl de hypothecaire geldlening € 265.000,-- behelsde. De gehele koopsom werd gefinancierd middels de hypothecaire geldlening.

De man legt geen stukken over waaruit blijkt dat hij € 18.000,-- van zijn ouders heeft geleend. Dat de geldlening in de aangiften IB is opgenomen, zegt niets. De man deed altijd de financiële zaken voor partijen en gebleken is dat er in het verleden veel aangiftes fout zijn ingediend. Er is geen bewijs gegeven van de transactie, noch van eventuele aflossingen.

5.5.

De man voert daartegen het volgende aan.

Er is wel degelijk sprake van een schuld van € 18.000,-- aan zijn ouders. Hij heeft voor het huwelijk van partijen van zijn ouders een bedrag van € 55.000,-- geleend voor zijn aankoop van een appartement in [plaats] (de man verwijst naar productie 6 bij zijn brief van 9 november 2017). Tijdens het huwelijk heeft hij dit appartement verkocht en hebben partijen de echtelijke woning gekocht. De koopprijs van deze woning bedroeg € 238.000,--. Partijen zijn in verband met deze koop een hypothecaire geldlening aangegaan van € 240.000,--, hetgeen op dat moment het maximale bedrag was dat partijen konden lenen. Deze hypothecaire geldlening was weliswaar voldoende voor de aankoop van de woning maar niet voor voldoening van de bijkomende kosten koper (ca. 10% van de koopsom). Partijen hebben enkele jaren na de aankoop de woning verbouwd en daartoe hebben zij de hypotheek overgesloten en zijn een nieuwe hypothecaire geldlening aangegaan van € 265.000,--.

Ingevolge de tussen de man en zijn ouders gesloten geldleningsovereenkomst was de man gehouden om bij de verkoop van zijn appartement de schuld van € 55.000,-- aan zijn ouders af te lossen. Aangezien partijen niet de middelen hadden voor het betalen van de “kosten koper”, heeft de man met zijn vader de afspraak gemaakt dat de schuld niet volledig, maar slechts tot een bedrag van € 18.000,-- uit de verkoopopbrengst van het appartement werd afgelost. Fiscaal is dit zo ingericht dat de man de schuld van € 55.000,-- volledig heeft afgelost en vervolgens weer € 18.000,-- van zijn ouders heeft geleend. In de aangiften IB is vanaf het jaar van verwerving van de echtelijke woning deze schuld dan ook als eigenwoningschuld opgenomen en als zodanig ook door de fiscus geaccepteerd.

Partijen hebben jaarlijks aan de ouders van de man rente over deze lening van € 18.000,--betaald, die fiscaal in aftrek is genomen. Anders dan zij stelt, was de vrouw wel degelijk op de hoogte van deze constructie en ook in haar eigen aangiften IB is deze eigenwoningschuld van € 18.000,-- altijd aangegeven.

5.6.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in art. 150 Rv, dat ook in verzoekschriftenprocedures van toepassing is, rust op de man de stelplicht. Hij dient derhalve alle (rechts)feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg (het bestaan van een schuld van de huwelijksgemeenschap aan zijn ouders krachtens een overeenkomst van geldlening met zijn ouders) en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat de man hieraan niet heeft voldaan en overweegt hiertoe als volgt.

De door de man in het geding gebrachte (notariële) schuldbekentenis, gedateerd 12 november 2002, betreft de door zijn ouders aan hem verstrekte lening van € 55.000,-- ten behoeve van de aankoop van een appartement. Blijkens deze schuldbekentenis is aflossing van de lening verplicht bij – onder meer – de verkoop van het appartement. De man heeft zijn stelling(en) dat een deel van genoemde lening, het bedrag van € 18.000,--, bij de verkoop van het appartement uiteindelijk niet aan zijn ouders behoefde te worden afgelost en dat dit bedrag, om fiscale redenen, als het ware opnieuw van zijn ouders werd geleend ten behoeve van de aankoop van de (voormalige) echtelijke woning, niet, althans onvoldoende, met (verificatoire) feiten onderbouwd. Een schriftelijke overeenkomst van geldlening ontbreekt, verder is geen schuldbekentenis ter zake van de lening van € 18.000,-- overgelegd en heeft de man zich evenmin erover uitgelaten waarom er ter zake van de lening van € 55.000,-- wel en ter zake van de lening van € 18.000,-- geen (notariële) schuldbekentenis is opgesteld (terwijl voor een latere geldlening van partijen ter grootte € 8.365,-- wel een schuldbekentenis (d.d. 13 september 2016) is opgesteld). Evenmin zijn bankafschriften overgelegd waaruit de rentbetalingen van partijen aan de ouders van de man blijken. De man heeft enkel gewezen op de aangiften IB (geen aanslagen) waarin een eigenwoningschuld van € 18.000,-- is opgenomen, maar dit acht het hof, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man door de vrouw en met inachtneming van het voren overwogene, van onvoldoende betekenis.

Dit geldt te meer nu de man heeft nagelaten inzicht te geven in de verkoopopbrengst van zijn appartement en de totale kosten van de echtelijke woning, waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat er daadwerkelijk een tekort was van € 18.000,--. Dit klemt temeer nu de man wel stelt dat partijen ten behoeve van de aankoop van de echtelijke woning op 1 mei 2006 een hypothecaire geldlening van € 240.000,-- zijn aangegaan, maar uit de hypotheekakte van die datum blijkt dat door partijen een bedrag van € 257.530,-- ter leen is ontvangen. De stelling van de man dat dit bedrag het ingeschreven hypotheekbedrag (de zogenaamde hypotheekstelling) betreft en aan partijen slechts € 240.000,-- ter leen is verstrekt, berust op een onjuiste lezing van de (notariële) hypotheekakte.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een schuld uit hoofde van een overeenkomst van geldlening van € 18.000,-- van de huwelijksgemeenschap aan de ouders van de man. Hetgeen de man in eerste aanleg in dit kader heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de grief van de vrouw slaagt.

De lijfrente ASR (grief 3)

5.7.

Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte het (zelfstandige) verzoek van de man tot splitsing van de polis heeft toegewezen en het verzoek van de vrouw tot toedeling van de polis aan haar, zonder verrekening van de waarde, heeft afgewezen.

Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

De vrouw heeft nog verschillende bedragen van de man te vorderen vanwege schulden die de man heeft laten ontstaan. Ter onderbouwing hiervan verwijst de vrouw naar de bij voornoemd journaalbericht van 18 januari 2019 in het geding gebrachte producties 4 tot en met 14. Toedeling van de polis aan de vrouw geeft haar de mogelijkheid deze bedragen te verrekenen.

5.8.

De man voert daartegen aan dat partijen over en weer vorderingen op elkaar hebben. Ter onderbouwing van zijn vorderingen op de vrouw verwijst de man naar zijn brief van 9 november 2017 waarin staat aangegeven aan welke schulden en belastingen de vrouw volgens hem nog voor de helft dient bij te dragen.

5.9.

Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting van het hof heeft de vrouw desgevraagd bevestigd dat zij met haar grief een beroep doet op verrekening bij wege van verweer. Artikel 6:136 BW bepaalt aldus:

“De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.”

De gegrondheid van dit verweer van de vrouw is niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

Uit de door de vrouw overgelegde producties 4 tot en met 14 blijkt weliswaar dat er diverse (huwelijkse) schulden zijn die op de vrouw zijn/worden verhaald dan wel (door de Belastingdienst) zijn verrekend, maar uit deze producties kan het hof niet afleiden welke bedragen wanneer (voor of na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap) ter zake deze schulden op de vrouw zijn verhaald dan wel zijn verrekend. Nu de vrouw overig bewijs van haar (tegen)vorderingen niet heeft aangeboden, kan het hof deze vorderingen niet op eenvoudige wijze vaststellen. Evenmin kan het hof, op basis van de gedingstukken, vaststellen dat de vorderingen van de vrouw op de man overigens voor toewijzing vatbaar zijn. Het beroep van de vrouw op verrekening wordt daarom op grond van het bepaalde in art. 6:136 BW verworpen. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot toedeling van de polis aan haar, zonder verrekening van de waarde, afwijzen. Deze grief van de vrouw faalt.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 24 april 2018, voor zover het betreft de schuld van € 18.000,-- aan de ouders van de man (zoals besproken in rov. 2.2.3. van die beschikking en in rov 2.8.9. van de beschikking van 18 december 2017), en in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat er geen schuld is van € 18.000,-- aan de ouders van de man, die in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap valt;

stelt de verdeling vast van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap genoemd in rov. 5.2. van deze beschikking conform het bepaalde in die rechtsoverweging;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, bijgestaan door mr. C.M.H.M. van Lent als griffier, en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.