Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:723

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
200.249.945_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:7727
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag ondanks dat de moeder duurzaam instemt met de uithuisplaatsing van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 28 februari 2019

Zaaknummer : 200.249.945/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/249611 / FA RK 18-1630

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.P.J. van Riel,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI);

- de familie [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 november 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de feiten en gronden, te bepalen dat de raad in zijn verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat dit verzoek wordt afgewezen. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 31 december 2018, heeft de GI verzocht (naar het hof begrijpt:) het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. B.P.J. van Riel;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de pleegouders.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is geboren:

- [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [de minderjarige 1] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [de minderjarige 1] uit.

3.1.1.

Uit de relatie van de moeder en de heer [huidige relatie van de moeder] is, op [geboortedatum] 2017, [de minderjarige 2] geboren.

3.2.

[de minderjarige 1] staat sinds 22 april 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 22 april 2019.

[de minderjarige 1] verblijft sinds januari 2014 in het gezin van de pleegouders (grootouders moederszijde); aanvankelijk op vrijwillige basis en sinds 22 april 2014 op grond van een daartoe strekkende machtiging, welke machtiging laatstelijk is verlengd tot 22 april 2019.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige 1] beëindigd en de GI tot voogdes over [de minderjarige 1] benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd en daartoe overwogen dat aan het criterium van artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. De moeder heeft ter zitting van het hof erkend dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige 1] is overschreden. De moeder acht de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige 1] , gelet op alle omstandigheden van het geval, echter niet in het belang van [de minderjarige 1] . De moeder heeft vanaf begin 2016 haar ouderlijk gezag gebruikt ter ondersteuning en stimulering van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] . Zij heeft in de afgelopen jaren meerdere malen in haar hoedanigheid van gezagdragende ouder keuzes gemaakt waarbij zij het belang van [de minderjarige 1] voorop heeft gesteld. De moeder heeft zich sindsdien niet meer tegen de verlenging van de ondertoe-zichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] verzet; zij zal daaraan ook haar medewerking blijven verlenen. De moeder “trekt” niet aan [de minderjarige 1] en zij stemt – in het belang van [de minderjarige 1] – in met de plaatsing van [de minderjarige 1] bij de pleegouders. Ook zonder de beëindiging van het gezag van de moeder bestaat er duidelijkheid omtrent het perspectief van [de minderjarige 1] . De situatie tussen de moeder en de pleegouders is na de beëindiging van het gezag verslechterd. Er is sinds juni 2018 – na een conflict met de pleegvader – geen omgang meer tussen de moeder en [de minderjarige 1] . Er is sprake van een patroon. Zodra het goed gaat tussen de moeder en [de minderjarige 1] ontstaat bij de pleegouders de angst dat de moeder [de minderjarige 1] gaat opeisen, waardoor de situatie tussen hen escaleert. De moeder is thans volledig afgesloten van informatie over de voortgang en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] . De moeder is voor [de minderjarige 1] bereid om met de pleegouders in gesprek te gaan. Indien het verzoek van de raad tot de beëindiging van het gezag van de moeder wordt afgewezen, biedt dit de moeder meer zekerheid omdat dan met haar wordt overlegd over belangrijke beslissingen omtrent [de minderjarige 1] . Voorts kan door de ondertoezichtstelling doortastender en daadkrachtiger door de GI worden opgetreden, waarbij de hulpverlening voor [de minderjarige 1] beter kan worden gecoördineerd. De moeder is derhalve van mening dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing beter geschikt zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 1] af te wenden dan de beëindiging van haar gezag. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij er geen vertrouwen in heeft dat zij – zonder haar gezag – door de GI betrokken blijft bij [de minderjarige 1] , nu door de GI na de bestreden beschikking geen actie is ondernomen om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige 1] te herstellen of de moeder bij de ontwikkeling van [de minderjarige 1] te betrekken. Wanneer het hof de beslissing van de rechtbank omtrent de beëindiging van haar gezag bekrachtigt, wil zij geen omgang meer met [de minderjarige 1] hebben.

De moeder heeft zich volledig ingezet om haar persoonlijke problematiek te boven te komen, hetgeen haar ook is gelukt. Zij heeft – behoudens gesprekken met haar huisarts – geen begeleiding meer voor haar persoonlijke problematiek; zij heeft geen vertrouwen meer in instanties. Uit de inhoud van het rapport van de raad van 24 april 2018 kan worden opgemaakt dat de GI niet volledig achter het verzoek van de raad staat, aldus de moeder.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en gepersisteerd bij het eerder gedane verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het feit dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige 1] is verstreken staat niet ter discussie. Het doel van een ondertoezicht-stelling en een machtiging uithuisplaatsing is dat wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een thuisplaatsing is hier niet meer aan de orde, hetgeen ook door de moeder wordt erkend. [de minderjarige 1] is goed gehecht aan de pleegouders. De raad is van mening dat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling is ingezet op de positie van de moeder en de omgang met [de minderjarige 1] . Rondom de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ontstaat er druk op de relatie tussen de moeder en de pleegouders. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek, waardoor zij grillig kan reageren en in de emotie kan schieten. De raad is van mening dat door de beëindiging van het gezag van de moeder duidelijkheid omtrent het perspectief voor [de minderjarige 1] ontstaat waardoor de communicatie tussen de moeder en de pleegouders mogelijk ook verbetert. De raad voert aan dat ook na een voogdijmaatregel doelen door de GI worden gesteld. Het herstel van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige 1] dient in het kader van de voogdijmaatregel door de GI te worden opgepakt. [de minderjarige 1] heeft last van de onvoorspelbare omgang met de moeder. De raad heeft geen hoge verwachting van een traject om de communicatie tussen de moeder en – met name – de pleegmoeder te herstellen, gelet op de langdurige ernstige problematiek tussen hen beide.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

In de afgelopen jaren is gebleken dat het de moeder niet is gelukt om haar volledige gezag uit te oefenen. De GI erkent wel dat de moeder stappen heeft gezet om haar persoonlijke problematiek aan te pakken. De slechte relatie tussen de moeder en met name de pleegmoeder zorgt voor onrust bij [de minderjarige 1] ; er is tijdens de ondertoezichtstelling geen stabiliteit in deze relatie ontstaan. De onderlinge spanning en strijd komen voortdurend terug wanneer er beslissingen rondom [de minderjarige 1] dienen te worden genomen. De GI acht de kans groot dat de overlegmomenten tussen de moeder en de pleegouders strijd verhogend werken wat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] niet ten goede komt. [de minderjarige 1] is een kwetsbaar kind dat veel hulp en ondersteuning nodig heeft. De jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing brengt dusdanige spanningen tussen de moeder en de pleegouders met zich dat [de minderjarige 1] dit ook meekrijgt. De GI is van mening dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gericht dienen te zijn op een thuisplaatsing van een minderjarige. De GI acht de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk om het perspectief van [de minderjarige 1] bij de pleegouders te kunnen borgen, nu het voor iedereen duidelijk is dat het perspectief van [de minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt. Hierdoor ontstaat er meer rust rondom [de minderjarige 1] . De GI zal de moeder blijven betrekken en informeren omtrent de ontwikkeling en vooruitgang van [de minderjarige 1] . De moeder kan de GI altijd om informatie vragen. Het gaat nu goed met [de minderjarige 1] . Op school zijn testen afgenomen bij [de minderjarige 1] waaruit blijkt dat een onderzoek naar zijn IQ nodig is.

De GI stelt vast dat de moeder zich niet kan verenigen met een omgangsregeling waarbij zij één uur per week omgang heeft met [de minderjarige 1] . Er is tussen de moeder, de pleegmoeder en de GI geen overeenstemming bereikt over een voor [de minderjarige 1] passende omgangsregeling. De moeder heeft daarop besloten om zich terug te trekken in de omgang met [de minderjarige 1] . De moeder heeft daarbij aangegeven dat zij momenteel – vanwege haar persoonlijke problematiek – de omgang met [de minderjarige 1] niet aankan; zij heeft tijd nodig om aan zichzelf te werken. De GI vindt het belangrijk dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige 1] wordt hersteld. De GI heeft daartoe afzonderlijke gesprekken met de moeder en de pleegmoeder gevoerd, maar dit heeft niet tot het herstel van de omgang geleid. De GI is van mening dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige 1] het beste kan worden hersteld door middel van begeleide omgangsmomenten bij een derde instantie zoals bijvoorbeeld AnaCare.

3.8.

De pleegouders voeren ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – aan dat zij zich kunnen verenigen met de gezagsbeëindigende maatregel, nu dit [de minderjarige 1] veel meer rust geeft. [de minderjarige 1] weet wie zijn moeder is en spreekt haar ook als zodanig aan. Verder vinden de pleegouders het prettig dat de GI tot voogd is benoemd en zij eerst met de GI moeten overleggen voor zaken aangaande [de minderjarige 1] . Het feit dat er geen omgang is tussen de moeder en [de minderjarige 1] is te wijten aan de moeder. De moeder mag [de minderjarige 1] altijd bezoeken; zij komt echter omgangsafspraken niet na. Er is veel hulpverlening ingezet om de communicatie en relatie tussen de pleegmoeder en de moeder te verbeteren maar dit heeft niet geholpen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van gezag. Beoordeeld dient in deze zaak dan ook enkel te worden of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 aanhef en sub a BW.

3.9.3.

Uit de overgelegde stukken (waaronder het rapport van de raad van 24 april 2018) blijkt dat [de minderjarige 1] een kwetsbaar kind met een belast verleden is. Bij [de minderjarige 1] is verder onder meer sprake van een ontwikkelingsachterstand op het gebied van taal en communicatie. [de minderjarige 1] wordt, gelet op het voorgaande, ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige 1] heeft meer dan een gemiddeld kind behoefte aan een opvoedingsklimaat waarin sprake is van een vaste structuur, duidelijkheid, rust, veiligheid en ondersteuning, hetgeen de moeder hem – mede gelet op haar persoonlijke problematiek – niet kan bieden.

3.9.4.

[de minderjarige 1] woont sinds januari 2014 bij de pleegouders (zijn grootouders moederszijde). In hoger beroep is niet in geschil dat het perspectief van [de minderjarige 1] bij de pleegouders ligt en de in de wet genoemde aanvaardbare termijn voor [de minderjarige 1] is verstreken. Het voorgaande brengt – naar het oordeel van het hof – met zich dat terecht de maatregel tot gezagsbeëindiging wordt overwogen, nu is voldaan aan het wettelijk criterium van artikel 1:266 lid 1 onder a BW.

De moeder stelt zich echter op het standpunt dat zij, ook al is er geen sprake meer van een terugplaatsing van [de minderjarige 1] bij haar, toch het gezag dient te behouden nu zij op die manier door de GI (meer) betrokken en geïnformeerd wordt omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige 1] . De vraag die in hoger beroep aan de orde is, is of de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige 1] , nu de moeder stelt duurzaam in te stemmen met de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de pleegouders.

Volgens vaste jurisprudentie dient de duurzame bereidheid van een ouder om de minderjarige in het pleeggezin te laten opgroeien in de beoordeling te worden betrokken, maar staat die duurzame bereidheid niet (zonder meer) aan een gezagsbeëindiging van die ouder in de weg. Of een gezagsbeëindiging aan de orde is, moet worden beoordeeld op grond van alle omstandigheden van het geval. Daarbij speelt het belang van de minderjarige bij stabiliteit en duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief een grote rol. Een jaarlijkse verlenging van de maatregelen ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn dan in beginsel niet meer de geëigende maatregelen om de ontwikkelingsbedreiging van een minderjarige weg te nemen.

3.9.5.

Zowel uit de stukken als ter zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de communicatie en de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders al jarenlang ernstig zijn verstoord. Een incident tussen de moeder en de pleegvader heeft ertoe geleid dat zij sinds juni 2018 geen enkele omgang meer met [de minderjarige 1] heeft. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling is door de GI – tevergeefs – getracht de communicatie en verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders te verbeteren en tevens te komen tot een stabiele en een voor [de minderjarige 1] passende omgangsregeling. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige 1] dat de strijd tussen de moeder en de pleegouders wordt verminderd en de omgang tussen [de minderjarige 1] en de moeder weer wordt hervat. Voorts dient er voor [de minderjarige 1] duidelijkheid te ontstaan over zijn toekomstperspectief en over de (eind)verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding. Het hof neemt tevens in aanmerking dat de beëindiging van het gezag van de moeder ook in de relatie tussen de moeder en de pleegouders strijdverlagend kan werken, nu de onderlinge strijd en spanning vooral terug lijken te keren wanneer er beslissingen rondom [de minderjarige 1] dienen te worden genomen. Het hof acht, gelet op het voorgaande, de door de rechtbank uitgesproken gezagsbeëindigende maatregel – ondanks de bereidheid van de moeder om [de minderjarige 1] in het pleeggezin te laten opgroeien – in het belang van [de minderjarige 1] noodzakelijk. Hierdoor zal de voor [de minderjarige 1] noodzakelijke rust en duidelijkheid ontstaan.

3.9.6.

Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat zij – na de beëindiging van het gezag – door de GI niet meer wordt geïnformeerd en betrokken bij de ontwikkeling van [de minderjarige 1] , merkt het hof op dat de moeder de (juridisch) ouder van [de minderjarige 1] blijft en dat zij een plaats in het leven van [de minderjarige 1] als “ouder op afstand” blijft behouden. De GI heeft ter zitting van het hof toegezegd dat zij de moeder blijft informeren en betrekken bij de ontwikkeling van [de minderjarige 1] . Het hof wijst de moeder verder op haar verantwoordelijkheid als (juridisch) ouder om ook – na de beëindiging van haar gezag en ondanks de slechte verstandhouding met de pleegouders – haar moederrol te blijven vervullen en de omgang met [de minderjarige 1] te herstellen. Het hof merkt tenslotte ook op dat de GI stappen dient te zetten om het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige 1] – op een voor [de minderjarige 1] passende wijze – tot stand te brengen en de moeder hierin te ondersteunen, al dan niet onder professionele begeleiding van bijvoorbeeld AnaCare.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

3.11.

Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 augustus 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het Centraal Gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.