Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:691

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
200.221.343_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2605, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade als gevolg door mishandeling door werkgever verhaald op daders. Artikel 6:107a BW. Geen eigen schuld (6:101 BW). Re-integratiekosten (6:107a lid 3 BW) toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107a
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0292
NJF 2019/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.221.343/01

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, 5199131 CV EXPL 16-5149)

arrest van 26 februari 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: [appellant 1] c.s. en afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] ,

advocaat: mr. J. van Boekel,

tegen:

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.J.A. Jansen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 19 april 2017 dat de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Tilburg, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 7 juli 2017, hersteld bij exploot van 14 juli 2017,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met één productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties).

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[geïntimeerde] is een kappersbedrijf dat onder meer in [plaats 1] een kapsalon exploiteert.

3.2.

Tussen [geïntimeerde] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) heeft vanaf 4 april 2014 voor de bepaalde duur van 12 maanden een arbeidsovereenkomst bestaan, waarbij [betrokkene] in de functie van haarstylist 2 gedurende gemiddeld 38 uren per week werkzaam was in de kapsalon te [plaats 1] .

3.3.

In de ochtend van zaterdag 29 november 2014 is [betrokkene] als gevolg van geweld gewond geraakt. Het letsel bestond onder meer uit fracturen in zijn rechterhand.

3.4.

In het proces-verbaal van aangifte is vermeld dat [betrokkene] tegenover de politie heeft verklaard:

“Op 29 november 2014 omstreeks 03.15 uur was ik in café [café 1] , gevestigd aan [adres] te [plaats 2] . Ik was daar samen met o.a. twee vrienden (..). In [café 1] werden wij door een groep aangesproken. Volgens deze groep stonden wij op een plek in [café 1] waar wij niet mochten staan. Waarom dat niet mocht werd niet verteld, maar kennelijk vond de groep dat dat hun plek in [café 1] .

Wij zijn toch maar richting de uitgang van [café 1] gegaan. Opeens werden wij door een portier van [café 1] naar de uitgang geduwd en werden wij [café 1] uit gezet door de portier.

Wat er buiten verder is gebeurd en door wie weet ik op dit moment niet goed meer. Buiten ontstond een vechtpartij met die gasten uit [café 1] . Ik ben hierbij met een bierfles op mijn hoofd geslagen met als gevolg een hoofdwond.

Als ik morgen nuchter ben kan ik waarschijnlijk meer verklaren.

Ik ga eerst met mijn vrienden naar het ziekenhuis.”

3.5.

De volgende dag heeft [betrokkene] aan de politie verklaard:

“Ik heb een nacht in het ziekenhuis gelegen en ben net thuis, ik heb twee middenhandsbeentje gebroken, een hersenschudding, een gat en diverse sneeën in mijn hoof en een gebroken neus. Ik weet eigenlijk helemaal niet meer hoe dit is gekomen. Ik kan me niets meer herinneren van de vechtpartij die ontstond. Ik ben in het ziekenhuis ook een paar keer out gegaan. Ik kan nu niet meer werken de komende tijd, omdat ik kapper ben en mijn hand helemaal niet kan gebruiken.

Ik kan me alleen nog herinneren dat ik samen met [derde 1] en [derde 2] in [café 1] iets aan het drinken was. We stonden volgens mij, tussen een groep jongens die allemaal bij elkaar hoorden. Ik denk dat het een groep van ongeveer 20 man was. Op een gegeven moment kwam er een jongen naar me toe, die vroeg wat er was en zei dat ik naar hem keek. Ik zei tegen hem dat ik daar gewoon stond en dat er niets was. Ik zei tegen hem dat hij maar weer weg moest gaan. Toen zijn vrienden zagen dat ik met hem stond te praten, kwamen ze meteen op ons af. Ze vroegen wat er was en of we ruzie hadden. Op een moment stond de baas van [café 1] , bij de groep jongens te praten. Ze hadden het over ons, omdat hij en de jongens een aantal keer naar ons keken en wezen. Ik ben er toen naar toe gelopen en heb tegen de eigenaar gezegd, dat we niets verkeerd deden en niet op ruzie uit waren. Ik had het idee dat de jongens, de eigenaar kende, door de manier waarop ze aan het praten waren. De eigenaar zei toen tegen ons, dat we een stukje verderop in [café 1] moesten gaan staan. Dit hebben we gedaan. Eigenlijk direct, zijn er weer jongens gekomen. We hadden daar echt geen zin in en [derde 2] zei dat we gingen. We zijn de jassen gaan pakken en zijn naar buiten gegaan.

Buiten hebben we op het terras nog een sigaret gerookt. We stonden met onze gezichten naar [café 1] gericht. Toen we daar stonden, kwam er een jongen [café 1] uit en kwam op ons af. (...) Hij was rustig en vroeg ons, wat er nou precies aan de hand was. We legde uit wat er was gebeurd, vanaf dat moment weet ik niets meer. Ik kan me alleen weer herinneren dat ik op de grond lag en allemaal “prikken” voelde. Ik stond op en merkte dat ik onder het bloed zat.

Ik weet niet wie dit heeft gedaan of hoe dit is gegaan. De wond op mijn hoofd is zo groot, dat ik me niet kan voorstellen dat dit door een klap of schop is gebeurd. Ik denk dat het met glas is gedaan. Of dit dan gegooid of geslagen is weet ik niet.

Ik ben erg benadeeld omdat ik mijn werk niet kan uitoefenen. Ik moet komende week geopereerd worden aan mijn hand, omdat ze hem niet recht konden zetten. Dit moet nu operatief gebeuren. Ik ben daarna ook nog weken uitgeschakeld, omdat ik dan in het gips moet. (…)”

3.6.

In het op 2 december 2014 door een politieambtenaar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen zijn camerabeelden van dit voorval als volgt beschreven:

“Op onderstaande tijdstippen is onderstaande te zien:

Om 03:14:31 uur

is te zien dat er een drietal jongens tussen het terras van cafe [café 2] en cafe [café 1] staan. Deze drie jongens staan met diens gezicht richting cafe [café 1] .

(…)

Om 03:14:36 uur

is te zien dat er persoon uit cafe [café 1] gelopen komt. (...) Deze persoon is nader te noemen persoon 1.

Om 03:14:41 uur

is te zien dat deze persoon naar het drietal jongens loopt en hen aanspreekt. Er vind een gesprek plaats, dat gepaard gaat met verschillende arm bewegingen. Het geheel oogt rustig te verlopen.

Om 03:15:28 uur

is te zien dat er een persoon uit cafe [café 1] gelopen komt. (…) Dit is nader te noemen persoon 2.

Om 03:15:20 uur

is te zien dat persoon 2, midden in het groepje van de drie jongens loopt en een klap uitdeelt. Hierbij is te zien dat de klap aankomt bij slachtoffer 2. Slachtoffer 2 dejnst hierdoor achteruit. Slachtoffer 3 reageert door direct naar voren te stappen en de confrontatie aangaat met persoon 2. Er vallen daarbij over en weer klappen.

Om 03:15:33 uur

is te zien dat slachtoffer 1 [hof: hiermee wordt [betrokkene] bedoeld] een voorwerp uit zijn rechterjaszak of broekzak haalt. Dit voorwerp, dat vermoedenlijk een bierflesje is, tracht hij op het hoofd van persoon 2 te slaan. Slachtoffer 2, staat op dit moment nog alleen zonder dat hij belaagd wordt.

Om 03:15:35 uur

is te zien dat er vanuit cafe [café 1] een manspersoon gelopen komt. (…) In zijn rechter hand heeft deze persoon een bierflesje vast. Deze persoon is de nader te noemen persoon 3.

Om 03:15:38 uur

is te zien dat slachtoffer 1, door een onbekende persoon wordt neergeslagen.

Tevens is te zien dat slachtoffer 2 belaagd wordt door verschillende personen, waaronder persoon 1. Persoon 1 slaat slachtoffer 2 en trapt slachtoffer 2 terwijl deze op de grond ligt.

Slachtoffer 3, wordt door een onbekende persoon en persoon 2 belaagd. Hij wordt door persoon 2, meerdere malen geslagen. Slachtoffer 3, slaat terug.

Om 03:15:40 uur

is te zien dat persoon 3, tegen slachtoffer 1 aan schopt, terwijl deze op de grond ligt.

Om 03:15:42 uur

is te zien dat Persoon 1, wordt door een beveiliger weggeduwd om slachtoffer 2 te

ontzetten.

Om 03:15:44 uur

is te zien dat persoon 3, word aangehouden door een beveiliger.

Om 03:15:45 uur

is te zien dat persoon 1 weg rent. (...)

Om 03:15:48 uur

is te zien dat persoon 2 weg rent. (...)

Personen 1 en 2, worden kort na dit voorval door de politiemedewerkers te fiets, aangehouden. (...)"

Onder deze beschrijving is in het proces-verbaal door de politieambtenaar onder meer het volgende opgetekend:

“Ik kan met zekerheid zeggen dat de bovengenoemde persoon 1, [appellant 2] is. (...) Ook kan ik met zekerheid zeggen, dat ik persoon 2 herken alszijnde [appellant 3] . (…) Tevens kan ik met zekerheid zeggen dat persoon 3, [appellant 1] is. (…)”

3.7.

Naar aanleiding van het bovenstaande werden [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 1] wegens het ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ (artikel 141 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) door de rechtbank te Breda veroordeeld tot taakstraffen ( [appellant 2] en [appellant 3] ), respectievelijk een geldboete ( [appellant 1] ).

3.8.

[betrokkene] heeft zich op 29 november 2014 bij [geïntimeerde] ziekgemeld.

3.9.

[geïntimeerde] heeft [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 1] bij brieven van 14 december 2015 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade, bestaande uit: “het moeten doorbetalen van loonkosten zonder arbeid van de werknemer, het moeten maken van re-integratiekosten en kosten voor de inhuur van externe adviseurs, waaronder juridisch advies.” In die brieven heeft zij aan elk van hen verzocht aansprakelijkheid te erkennen en heeft zij aangeboden een minnelijke regeling te treffen voor de betaling van die schade.

3.10.

[appellant 2] , [appellant 3] , noch [appellant 1] heeft aansprakelijkheid erkend.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade, [appellant 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 10.023,73, met wettelijke rente, en [appellant 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten waaronder de nakosten. De vordering van [geïntimeerde] is gegrond op artikel 6:107a BW en betreft het door [geïntimeerde] betaalde nettoloon aan [betrokkene] voor de maanden december 2014 tot en met maart 2015 van drie keer € 1.538,98 en één keer

€ 1.538,97, in totaal € 6.155,91, alsmede re-integratiekosten van in totaal € 142,80. Daarnaast vordert [geïntimeerde] betaling door [appellant 1] c.s. van de door haar gemaakte kosten voor juridische bijstand van € 3.680,42 en driemaal € 44,60 aan kosten voor uittreksels uit het gemeentelijke Basisregister Personen.

4.2.

De kantonrechter heeft de verklaring voor recht toegewezen en [appellant 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 4.975,19. Ook is [appellant 1] c.s. veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft overwogen dat [appellant 1] c.s. het nettoloon dat [geïntimeerde] over de maanden december 2014 tot en met maart 2015 aan [betrokkene] heeft betaald, dient te vergoeden, maar dat daarop in mindering strekt het loon over de uren waarin [betrokkene] in het kader van zijn re-integratie werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde] . Aldus heeft de kantonrechter € 4.832,39 aan loonschade toegewezen. Ook het gevorderde bedrag aan re-integratiekosten van € 142,80 in verband met de begeleiding van [betrokkene] bij de re-integratie door een medewerkster van [geïntimeerde] (art. 6:107a lid 3 BW) is toegewezen. De gevorderde juridische kosten zijn afgewezen omdat een specificatie van de verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten niet in het geding is gebracht waardoor niet kan worden vastgesteld dat het gaat om kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, buitengerechtelijke kosten of kosten waarvoor artikel 241 Rv al een vergoeding pleegt in te sluiten. Het gevorderde bedrag van € 44,60 aan kosten uittreksels uit het gemeentelijk Basisregister Personen is afgewezen nu deze kosten als ingesloten in de proceskosten in de zin van voornoemd artikel zijn beschouwd.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellant 1] c.s. heeft tegen het vonnis van de kantonrechter vijf grieven aangevoerd.

5.2.

De eerste, tweede, derde en vierde grief komen in de kern op tegen het verwerpen door de kantonrechter van het beroep op eigen schuld (in de zin van art. 6:101 BW) van de zijde van [betrokkene] . Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3.

[appellant 1] c.s. betoogt dat er sprake is van eigen schuld van [betrokkene] omdat hij zelf een actieve rol heeft gespeeld in het openlijk geweld door op eigen initiatief deel te nemen aan het gevecht, terwijl daarvoor geen reden was nu de vechtpartij zich aanvankelijk buiten hem af speelde. [betrokkene] heeft zelfs gezorgd voor escalatie van het openlijk geweld omdat hij een voorwerp, waarschijnlijk een bierflesje, uit zijn zak heeft gehaald en daarmee heeft geprobeerd [appellant 3] (persoon 2 in het pv, zie 3.6.) op het hoofd te slaan. Volgens [appellant 1] c.s. heeft [betrokkene] daarmee bewust het risico voor lief genomen dat hij verwondingen zou oplopen. Volgens [appellant 1] c.s. dient ook in aanmerking te worden genomen dat [betrokkene] behoorlijk veel alcohol had gedronken. Ten slotte betoogt [appellant 1] c.s. dat [betrokkene] de verwondingen aan zichzelf te danken heeft zodat het causaal verband ontbreekt met het handelen van [appellant 1] c.s.

5.4.

Artikel 6:101 BW kent als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf van artikel 6:101 BW houdt een causaliteitsafweging in, die in een geval als het onderhavige daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [betrokkene] en anderzijds het gedrag van [appellant 1] c.s. aan het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij toepassing van de tevens in artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie, waarop hierna zal worden ingegaan.

5.5.

Gelet op het proces-verbaal van politie (zie 3.6.) alsmede het in het geding gebrachte beeldmateriaal staat vast dat [betrokkene] (in voornoemd pv slachtoffer 1 genoemd) met twee anderen (in voornoemd pv slachtoffers 2 en 3 genoemd) een sigaret stond te roken tussen het terras van Café [café 1] en Café [café 2] met hun gezichten gericht naar Café [café 1] , op het moment dat [appellant 2] uit Café [café 1] kwam lopen en een gesprek met het drietal begon. Na enige tijd is ook [appellant 3] uit Café [café 1] gelopen om naar het groepje jongens (waaronder [betrokkene] ) toe te lopen en vrijwel direct een klap uit te delen (aan slachtoffer 2). Daarop heeft slachtoffer 3 gereageerd door de confrontatie aan te gaan met [appellant 3] waarbij over en weer klappen zijn uitgedeeld. Vervolgens heeft [betrokkene] een voorwerp – waarvan de politie vermoedt dat dit een bierflesje is maar dat is op de videobeelden niet te zien – uit zijn zak gehaald dat hij tracht op het hoofd van [appellant 3] te slaan. Daarop komt [appellant 1] uit het café gelopen met in zijn rechterhand een bierflesje. Drie seconden later wordt [betrokkene] door iemand anders neergeslagen en, toen hij op de grond lag, door iemand geschopt.

5.6.

Onder voornoemde omstandigheden kan het hof [appellant 1] c.s. niet volgen in de stelling dat sprake zou zijn van eigen schuld van [betrokkene] . [betrokkene] bevond zich met twee vrienden buiten het café op straat en zij stonden met [appellant 2] te praten. Aanstichter van het daarop gevolgde geweld is [appellant 3] . Hij komt vanuit het betreffende café ( [café 1] ) en begint schijnbaar vanuit het niets met slaan en vrijwel onmiddellijk daarna mengen ook [appellant 2] en [appellant 1] zich aan zijn zijde in deze orgie van geweld. Evenals de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet dadelijk is in te zien hoe [betrokkene] zich aan dit geheel had kunnen onttrekken. Dat [betrokkene] iemand of iets zou hebben geslagen met een bierflesje staat allerminst vast. Op de beelden is dat niet te zien. Dat het handletsel van [betrokkene] door de slaande beweging van [betrokkene] zou zijn ontstaan is dan ook onvoldoende onderbouwd. Evenmin is toegelicht laat staan onderbouwd dat dit letsel voortkomt uit ander eigen handelen van [betrokkene] . De enkele omstandigheid dat hij alcohol had gedronken is daartoe in dit geval onvoldoende. Het betoog dat [betrokkene] door zijn deelname aan het gevecht de aanmerkelijk kans heeft aanvaard om verwondingen op te lopen wordt gelet op het voorgaande eveneens verworpen.

5.7.

Dit betekent dat het hof evenals de kantonrechter concludeert dat geen sprake is van eigen schuld van [betrokkene] in de zin van art. 6:101 BW. Nu reeds de causaliteitsafweging niet leidt tot een mate van eigen schuld aan de kant van [betrokkene] , komt het hof aan de billijkheidscorrectie van voornoemd artikel niet toe.

5.8.

Met de vijfde grief komt [appellant 1] c.s. op tegen het toegewezen bedrag voor re-integratiekosten. Het gaat hier om tien uur arbeid van medewerkster [salonmanager] , in dienst bij [geïntimeerde] als salonmanager. Zij heeft gedurende tien weken re-integratieoverleg gevoerd met [betrokkene] , het plan van aanpak opgesteld, de administratie rond de re-integratie verricht etc. Volgens [geïntimeerde] heeft zij aan deze taken wekelijks één uur arbeid verricht tegen een uurloon van € 14,28. Volgens [appellant 1] c.s. behoren deze werkzaamheden tot de normale bedrijfsvoering van een salonmanager die belast is met personeelsbeleid. De daarmee samenhangende loonkosten behoren tot de overhead van de onderneming. Aldus heeft [geïntimeerde] geen extra kosten moeten maken voor het re-integreren van [betrokkene] . Gesteld noch gebleken is dat [salonmanager] extra is betaald, de re-integratiewerkzaamheden t.a.v. [betrokkene] vielen binnen haar functieomschrijving, aldus [appellant 1] c.s.

5.9.

Op grond van artikel 6:107a, lid 3, BW is [appellant 1] c.s. verplicht de door [geïntimeerde] gemaakte redelijke kosten ter nakoming van haar in artikel 7:658a BW bedoelde verplichtingen inzake de re-integratie van een arbeidsongeschikte werknemer te vergoeden. Daarbij geldt een maximum: [geïntimeerde] kan de re-integratiekosten verhalen tot ten hoogste het bedrag waarvoor [appellant 1] c.s. aansprakelijk zou zijn jegens [betrokkene] (het zogenaamde civiele plafond). Dit betekent dat het verhaal van deze kosten door [geïntimeerde] alleen mogelijk is voor zover de werknemer, [betrokkene] , zo hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, ook had kunnen verhalen op [appellant 1] c.s. Indien [betrokkene] zelf iemand had ingeschakeld om hem te helpen bij zijn re-integratie zou hij die kosten hebben kunnen verhalen op [appellant 1] c.s., nu aansprakelijkheid van [appellant 1] c.s. vaststaat. De gevorderde re-integratiekosten komen het hof ook redelijk voor. De vordering van [geïntimeerde] op dit punt is door de kantonrechter dan ook terecht toegewezen. Het hof onderschrijft hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 4.6.2. op dit punt heeft overwogen. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] een werkneemster in dienst heeft die belast is met personeelsbeleid waaronder re-integratiewerkzaamheden, maakt het voorgaande niet anders. Evident is immers dat zij ander werk had kunnen verrichten indien zij niet genoodzaakt was om de re-integratie van [betrokkene] te begeleiden. Hier komt nog bij dat re-integratie ook in het belang is van [appellant 1] c.s. omdat daardoor de inkomensschade van [betrokkene] is beperkt. Aldus zijn deze re-integratiekosten ook te beschouwen als kosten ter beperking van schade in de zin van artikel 6:96, lid 2, onder a, BW en dienen deze kosten ook op die grond mits redelijk, door [appellant 1] c.s. te worden vergoed. De door [betrokkene] gevorderde kosten voor re-integratie zijn redelijk, zodat deze ook op grond van voornoemd artikel voor toewijzing in aanmerking komen. Dit betekent dat ook grief 5 faalt.

5.10.

Als de in het principaal hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant 1] c.s. in de kosten daarvan veroordelen.

Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,00

- salaris advocaat € 759,00 (1 punt x tarief € 759,00).

5.11.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

incidenteel hoger beroep

5.12.

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar juridische kosten in rechtsoverweging 4.7. van het bestreden vonnis.

5.13.

Op grond van artikel 6:96, lid 2, BW komen buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking indien dit redelijke kosten betreft die in redelijkheid zijn gemaakt. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de door haar gevorderde kosten als productie 14 bij memorie van antwoord een overzicht in het geding gebracht van de verrichte werkzaamheden waaruit blijkt dat het gaat om kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het opstellen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure (op 10 mei 2016). De aldus gevorderde kosten van € 1.442,40 ex. btw aan loonkosten en € 113,72 ex. btw aan kantoorkosten komen het hof redelijk voor. Dat betekent dat de incidentele grief doel treft en het vonnis waarvan beroep in zoverre zal worden vernietigd.

5.14.

Als de in het incidentele hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant 1] c.s. in de kosten daarvan veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 379,50 (0,5 punt x tarief € 759,00)

5.15.

Nu het incidenteel hoger beroep slaagt, zal het hof omwille van de duidelijkheid het gehele vonnis vernietigen en opnieuw recht doen als hierna volgt.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

6.1.

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 19 april 2017;

6.2.

verklaart voor recht dat [appellant 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade;

6.3.

veroordeelt [appellant 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [geïntimeerde] van € 4,975,19, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 december 2015 tot aan de dag van de volledige betaling;

6.4.

veroordeelt [appellant 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 716,00 voor verschotten en op

€ 759,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het einde van bedoelde termijn voor voldoening.

6.5.

veroordeelt [appellant 1] c.s. hoofdelijk in de nakosten van het principaal hoger beroep, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

6.6.

veroordeelt [appellant 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.442,40 en € 113,72, vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 14 december 2015 tot aan de dag van de volledige betaling;

6.7.

veroordeelt [appellant 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 379,50;

6.8.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en P.V. Eijsvoogel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

de griffier, de rolraadsheer,