Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:690

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
20-002365-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:3262, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een afweging moeten maken tussen enerzijds het recht op vergelding voor de slachtoffers, waarvoor het hof bepaald niet blind is, en anderzijds het voorkomen van herhaling, waarmee de veiligheid van de samenleving wordt gediend. Het hof komt, hoewel dat een zeer moeilijke afweging is geweest, tot de conclusie dat de veiligheid van de samenleving bij deze afweging in deze bijzondere zaak het zwaarst dient te wegen en dat deze het meest wordt gewaarborgd door verdachte niet te veroordelen tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte de duur van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, overstijgt.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden (720 dagen), met aftrek van voorarrest (3 dagen), waarvan 717 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met oplegging van een reeks aan bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en zijn medewerking zal verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers op de aanwezigheid van kinderporno en heimelijk gemaakte opnames het hiervoor genoemde doel, te weten de veiligheid van de samenleving, het meest wordt gediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002365-18

Uitspraak : 26 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-880443-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van, kort gezegd:

 ontucht met een persoon jonger dan 16 jaren (feit 1);

 kinderpornografie vervaardigen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt (feit 2);

 kinderpornografie verspreiden, verwerven, in bezit hebben of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt (feit 3),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, met een bevel dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij, te weten € 1.000,-- aan immateriële schade, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tot slot heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen behoudens de opgelegde gevangenisstraf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden die door de rechtbank zijn opgelegd met de bepaling dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn.

De verdediging heeft het hof verzocht verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, gecombineerd met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, zoals deze ook zijn opgelegd door de rechtbank. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel termijnbetaling toe te staan.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behoudens de opgelegde de gevangenisstraf en de schadevergoedingsmaatregel.

Op te leggen sanctie

Het hof overweegt met betrekking tot de strafoplegging het volgende.

Het hof stelt voorop dat het bij de bepaling van de op te leggen straf heeft gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Aard en ernst van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, daaronder begrepen de gevolgen van het bewezen verklaarde voor de slachtoffers, overweegt het hof in lijn met de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zich in een periode van twee maanden voorgedaan als een 14-jarig meisje door een profiel op Instagram aan te maken met de naam [naam] en daarbij een foto van een meisje te gebruiken. In die hoedanigheid heeft hij contact gezocht met de destijds 12-jarige [slachtoffer] . Verdachte was toentertijd de voetbaltrainer van deze [slachtoffer] . Zij hebben vervolgens seksueel getinte gesprekken gevoerd en verdachte heeft [slachtoffer] – die in de veronderstelling verkeerde dat hij contact had met een meisje van ongeveer zijn leeftijd – uiteindelijk ontuchtige handelingen laten verrichten, bestaande uit het maken van seksueel getinte foto’s die [slachtoffer] naar verdachte heeft verstuurd. [slachtoffer] is daartoe overgegaan, omdat verdachte daarom vroeg en hij eerst seksueel getinte foto’s en video’s van een meisje naar hem had gestuurd.

Voorts heeft verdachte heimelijk foto’s gemaakt van zeven 11 à 12-jarige jongens van het voetbalteam dat hij trainde, waaronder [slachtoffer] , terwijl deze jongens zich nietsvermoedend in de kleedkamer aan het douchen en omkleden waren. Deze foto’s zijn als kinderpornografisch aan te merken. Verdachte heeft een aantal van deze foto’s ook aan anderen gestuurd in ruil voor andere kinderpornografische afbeeldingen. Verdachte heeft hiermee een zeer grote inbreuk op de persoonlijke integriteit van deze jonge jongens gemaakt. Bovendien heeft verdachte het vertrouwen dat de jongens en hun ouders in hun

– destijds door een ieder zeer geliefde – voetbaltrainer stelden op grove wijze beschaamd. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de slachtofferverklaringen die zijn afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

Uit al deze verklaringen komt steeds als rode draad naar voren dat de slachtoffers en hun ouders enorm zijn geschaad in het vertrouwen dat zij in verdachte stelden als voetbaltrainer en dat verdachte dit vertrouwen op grove wijze heeft geschaad en misbruikt. Tevens wordt het verdachte zeer kwalijk genomen dat hij de foto’s van de jongens via het internet heeft geruild tegen andere kinderpornografische afbeeldingen, waardoor deze foto’s voor eeuwig op het internet zijn te vinden en dat deze foto’s hiermee ook in handen zijn gekomen van andere (pedoseksuele) mannen, die vervolgens seksueel opgewonden raken van de foto’s van deze kinderen. Ook komt uit deze verklaringen naar voren dat de jongens boos zijn, woede voelen en zich misbruikt voelen door verdachte.

Tot slot heeft verdachte een grote hoeveelheid andere kinderpornografische afbeeldingen verworven, in zijn bezit gehad en verspreid. Onder deze afbeeldingen bevonden zich foto’s, video-opnamen en/of filmpjes waarop vergaande seksuele handelingen met minderjarigen (voornamelijk jongens) werden gepleegd. Door het verzamelen van dit materiaal heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de commerciële markt voor kinderporno. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die slachtoffer zijn van het maken van kinderporno nog jarenlang, zo niet permanent, niet alleen psychische maar ook vaak lichamelijke gevolgen ondervinden van het (seksueel) misbruik dat zij hebben moeten doorstaan en de daarmee gepaard gaande vernederingen. Het behoeft geen betoog dat dergelijk misbruik zeer nadelige gevolgen kan hebben, in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade bij de desbetreffende kinderen en dat zij hierdoor ernstig kunnen worden geschaad in hun verdere ontwikkeling.

Verdachte heeft zich, door te handelen zoals hij heeft gedaan, dan ook schuldig gemaakt aan drie ernstige feiten die in beginsel een gevangenisstraf voor een langere duur rechtvaardigen.

Persoon van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden

Bij het bepalen van de strafmaat dient het hof ook rekening te houden met de persoon van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden. Ten aanzien hiervan overweegt het hof in lijn met de rechtbank het volgende.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia, neergelegd in het rapport van 11 januari 2018 van K.J. de Wijs-Heijlaerts, gezondheidszorgpsycholoog, komt naar voren dat verdachte een gesloten, intelligente, tamelijk onzekere en emotioneel enigszins onrijpe jongeman is. Hij is nog jong ten aanzien van zijn seksuele en emotionele ontwikkeling en heeft weinig inzicht in zijn eigen gevoelsleven. Geconcludeerd is dat verdachte lijdend is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als pedofilie. Het is volgens de psycholoog zeer voorstelbaar dat verdachte op basis van deze pedofiele stoornis en zijn gebrekkige gevoelshuishouding onvoldoende weerstand heeft kunnen bieden aan zijn seksuele drang, waardoor deze drang hem in enige mate beperkt heeft om zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. Zij adviseert dan ook om alle ten laste gelegde feiten verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Zuiver statistisch gezien valt verdachte in de categorie ‘matig-hoog risico op herhaling van zedendelicten’. Het hof is van oordeel dat de psycholoog inzichtelijk en goed onderbouwd heeft gemotiveerd op grond waarvan zij tot haar conclusies en adviezen is gekomen en neemt deze over. Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte dienen te worden toegerekend en het zal bij de strafoplegging daar rekening mee houden.

Net als de rechtbank heeft het hof tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies van 1 juni 2018, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. Daaruit volgt dat verdachte, na de huiszoeking in de woningen van zowel zijn vader als zijn moeder in augustus 2017, zich in september 2017 vrijwillig heeft gemeld bij Kairos voor een ambulante behandeling. Bij die ambulante behandeling is tot op het moment van het opstellen van het rapport, vanwege de gesloten houding van verdachte en het feit dat hij (nog) geen inzicht in zijn delictgedrag heeft, nog (te) weinig vooruitgang geboekt. Sinds maart 2018 doet verdachte mee aan groepstherapie en langzaamaan lijkt hij zich daar meer open te stellen. De verwachting is daarom dat een voortzetting van de ambulante behandeling bij Kairos voldoende is om te voorkomen dat verdachte zal terugvallen in delictgedrag, waarvan het risico door de reclassering als gemiddeld is ingeschat. De reclassering adviseert dan ook om de voortzetting van de ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf op te leggen. De voorkeur vanuit de reclassering voor voortzetting van de ambulante behandeling is mede ingegeven door het feit dat een klinische behandeling uitsluitend mogelijk is in Assen of Heiloo en het voor een geslaagde behandeling van verdachte noodzakelijk wordt geacht dat zijn netwerk daarbij wordt betrokken.

Bovendien heeft het hof acht geslagen op de brief van [behandelaar van verdachte] , psychotherapeut/ regiebehandelaar bij Kairos, d.d. 29 januari 2019. Volgens [behandelaar van verdachte] is verdachte nu op de goede weg: hij heeft meer oog voor wat zijn gedrag teweeg heeft gebracht en kan ook uitspreken dat hij slachtoffers heeft gemaakt. Voorts is er volgens [behandelaar van verdachte] ontwikkeling merkbaar bij verdachte; een vermijdende persoonlijkheid die vertrouwen krijgt in zijn therapeutisch proces en groei laat zien. Wel is verdachte nog op zoek naar het antwoord op de vraag “Waar staan mijn delicten voor, welke behoefte heb ik daarmee willen bevredigen?”. Naar het oordeel van [behandelaar van verdachte] is het nu niet gewenst verdachte te detineren. Een dergelijke straf zou volgens haar verdachte in een nieuwe, voor hem onveilige, omgeving brengen, waardoor hij terug zal vallen op zijn oude overlevingsstrategie, te weten vermijden en terugtrekken uit sociale contacten. Verdachte zal zijn angsten en overige negatieve gevoelens opnieuw niet delen en zich “opsluiten in zichzelf” is, naar het oordeel van [behandelaar van verdachte] , een van de oorzakelijke factoren van zijn delictgedrag.

Tot slot heeft het hof de brief van de ouders van verdachte die als bijlage is gevoegd bij de brief van de raadsvrouwe d.d. 7 februari 2019 bij zijn oordeel betrokken. Blijkens deze brief leeft verdachte thans in spijt, verdriet, angst en in afzondering van de wereld in zijn eigen gevangenis, zijn huis. Verder blijkt uit de brief dat verdachte, al is hij voor de wet volwassen, hij sociaal emotioneel nog aardig wat stappen heeft te gaan. Hij is nu bijna anderhalf jaar bezig met therapie en maakt volgens zijn behandelaren vorderingen, maar heeft hierin nog een lange weg te gaan. De ouders van verdachte hebben het verdriet en de angst in zijn ogen gezien en zien ook de pijn en de spijt in zijn ogen. Tegen zijn moeder heeft verdachte letterlijk gezegd: “Mam, ik ben zo stom geweest, ik heb er zo’n spijt van, ik heb alles kapot gemaakt en iedereen last bezorgd, wat moet ik nou nog met mijn leven, het is kapot. Er is niets meer”.

Afweging

Het hof wenst allereerst op te merken dat het op basis van voornoemde brief van de ouders van verdachte, voornoemde brief van de psychotherapeut van verdachte bij Kairos en de verklaring van verdachte zelf en diens voorkomen ter terechtzitting in hoger beroep, de overtuiging heeft bekomen dat verdachte oprechte en doorleefde spijt ervaart van zijn bewezen verklaarde handelen. Daarbij merkt het hof nog op dat de omstandigheid dat de slachtoffers van verdachte en hun ouders dit anders ervaren zeer begrijpelijk en invoelbaar is. Naar ’s hofs oordeel kan de reden voor dit beeld met name worden gevonden in de psychische problematiek van verdachte en de manier waarop hij zich als gevolg daarvan uit.

Het hof ziet zich in deze zaak geconfronteerd met enerzijds zeer ernstige feiten waar jonge kinderen het slachtoffer zijn geworden van het handelen van verdachte en anderzijds met een sociaal emotioneel jonge, schuldbewuste en verminderd toerekenbare verdachte, die lijdt aan psychische problematiek.

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou voor een beroep of gewoonte maken van het verspreiden van kinderporno alsmede het vervaardigen van kinderporno een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren als passend kunnen worden beschouwd. Gelet hierop neemt het hof, overigens met de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt. De vraag waar het hof zich thans voor gesteld ziet is of, en zo ja hoeveel van, deze 24 maanden onvoorwaardelijk dienen te worden opgelegd.

Zoals reeds hiervoor overwogen houdt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, alsmede de persoon van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden. Daarnaast beoogt de strafrechter met het opleggen van een straf en/of maatregel verschillende doelen na te streven, zoals normbevestiging richting de samenleving, het recht op vergelding voor het slachtoffer voor het leed dat is aangedaan en anderzijds het voorkomen van herhaling van strafbare feiten, waarmee de veiligheid van de samenleving wordt gediend.

In deze zaak komt het uiteindelijk vooral neer op de afweging tussen enerzijds het recht op vergelding voor de slachtoffers, waarvoor het hof bepaald niet blind is, en anderzijds het voorkomen van herhaling, waarmee de veiligheid van de samenleving wordt gediend.

Tegen deze achtergrond komt het hof, hoewel dat een zeer moeilijke afweging is geweest, tot de conclusie dat de veiligheid van de samenleving bij deze afweging in deze bijzondere zaak het zwaarst dient te wegen en dat deze het meest wordt gewaarborgd door verdachte niet te veroordelen tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte de duur van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, overstijgt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Dat de gevangenis voor deze verdachte, in het bijzonder vanwege de aard van diens bewezen verklaarde delicten, zijn psychische gesteldheid, zijn emotionele jeugdigheid en zijn algehele voorkomen, als een bijzonder onveilige en daarmee beangstigende omgeving heeft te gelden, is evident. Volgens zijn psychotherapeut [behandelaar van verdachte] zal dit ervoor zorgen dat verdachte zal terugvallen in zijn oude overlevingsstrategie, te weten vermijden en terugtrekken uit sociale contacten. Hij zal zijn angsten en overige negatieve gevoelens opnieuw niet delen en zich “opsluiten in zichzelf”, hetgeen volgens [behandelaar van verdachte] een van de oorzakelijke factoren van zijn delictgedrag is. Gelet op de omstandigheid dat door de gesloten houding van verdachte, hetgeen wordt verklaard door diens psychische problematiek, de behandeling van hem maar zeer moeizaam op gang is gekomen en hij in het eerste driekwart jaar hierin slechts weinig vooruitgang boekte, vreest het hof dat een behandeling van verdachte na een langdurige gevangenisstraf niet dan wel onvoldoende van de grond zal komen, omdat – naar te verwachten valt – de houding van verdachte dan nog geslotener zal zijn en hij nog minder inzicht zal hebben in zijn eigen gevoelsleven. Hierdoor bestaat het aanzienlijke risico dat verdachte uiteindelijk onbehandeld, dan wel onvoldoende behandeld, terugkeert in de maatschappij, terwijl de oorzakelijke factoren van zijn delictgedrag mogelijk sterker aanwezig zijn dan ten tijde van het bewezen verklaarde. Het hof acht daar een langdurige ambulante behandeling van verdachte geïndiceerd en is van oordeel dat ter bescherming van de maatschappij moet worden getracht te voorkomen dat verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving.

Voorts overweegt het hof dat, gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, het gegeven dat er aanwijzingen zijn dat bij verdachte sprake is van pedofilie en het feit dat verdachte nog geen inzicht heeft in zijn delictgedrag, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit maakt het mogelijk dat het hof de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf kan bepalen op meer dan 3 jaren. Gelet op de te verwachten lange duur van de noodzakelijk geachte behandeling van verdachte, alsmede het belang dat verdachte nog een geruime tijd onder toezicht zal staan, is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is dat de proeftijd 5 jaren zal bedragen en dat eveneens aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden worden verbonden, die de rechtbank hieraan heeft verbonden. Met de rechtbank zal het hof eveneens bevelen dat deze bijzondere voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht op de naleving van die voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Dit houdt in dat gedurende een periode van 5 jaren (of zoveel korter als de reclassering nodig acht) verdachte onder toezicht zal staan van de reclassering, zich ambulant zal laten behandelen bij Kairos of een soortgelijke zorgverlener, zich niet zal ophouden op het terrein van voetbalvereniging [naam voetbalvereniging] in [plaats] , geen (vrijwilligers)werk zal verrichten met minderjarigen en zijn medewerking zal verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers op de aanwezigheid van kinderporno en heimelijk gemaakte opnames. Indien verdachte zich gedurende deze 5 jaren niet aan deze voorwaarden houdt, kan alsnog het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf voor de duur van bijna 24 maanden worden tenuitvoergelegd. Op deze wijze staat verdachte nog zeer lange tijd onder toezicht en behandeling en in het geval hij een misstap begaat, zal hij alsnog deze langdurige gevangenisstraf moeten ondergaan.

Al het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden (720 dagen), met aftrek van voorarrest (3 dagen), waarvan 717 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met oplegging van voornoemde bijzondere voorwaarden, het hiervoor genoemde doel, te weten de veiligheid van de samenleving, het meest wordt gediend.

Het hof zal hiernaast aan verdachte een taakstraf voor de maximale duur, te weten 240 uren, opleggen en indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Het hof heeft de ogen niet gesloten voor het feit dat deze strafoplegging wellicht een zeer onbevredigende uitkomst is voor de slachtoffers, doch het hof is van oordeel dat uiteindelijk de maatschappij, en daarmee tenslotte ook de slachtoffers, het meest gebaat is bij deze strafoplegging.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof met de rechtbank in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2016. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente met als aanvangsdatum 1 december 2016, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd aanleiding om te bepalen dat de schadevergoeding in 20 maandelijkse termijnen van elk € 50,-- groot, mag worden voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 36f, 57, 240b en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 717 (zevenhonderdzeventien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

 zich binnen twee dagen na de uitspraak zal melden bij Reclassering Nederland via het telefoonnummer [telefoonnummer reclassering] . De veroordeelde zal zich daarna blijven melden op de afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

 zich ambulant zal laten behandelen bij Kairos of een soortgelijke zorgverlener. Deze behandeling zal de gehele proeftijd duren of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft in het kader van de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

 zich niet zal ophouden op het terrein van voetbalvereniging [naam voetbalvereniging] in [plaats] ;

 geen (vrijwilligers)werk zal verrichten met minderjarigen;

 gedurende de proeftijd of zoveel korter als door de reclassering verantwoord wordt geacht, zijn medewerking zal verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers op de aanwezigheid van kinderporno en heimelijk gemaakte opnames. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. De medewerking dient uit het volgende te bestaan:

  • -

    de veroordeelde moet maximaal tweemaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot de woning(en) waar hij verblijft;

  • -

    de veroordeelde moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers;

  • -

    de veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 20 (twintig) termijn(en) van

1 maandelk groot € 50,00 (vijftig euro).

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

1 december 2016.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, inclusief de maatregel van onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 26 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.