Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
17/00820
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6443, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In zoverre is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor de opgelegde boetes wordt anders geoordeeld. Belanghebbende stelt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. De Inspecteur heeft de onjuistheid van deze stelling niet bewezen. De Inspecteur moet opnieuw uitspraak doen op de bezwaren tegen de boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-05-2019
FutD 2019-1369
V-N Vandaag 2019/1181
V-N 2019/29.19.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00820

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 oktober 2017, nummer BRE 16/8700, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de na te melden naheffingsaanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het tijdvak oktober 2015, onder aanslagnummer [aanslagnummer] en met dagtekening 23 december 2015, een naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 4.250 opgelegd. Daarbij zijn bij beschikkingen een aangifteverzuimboete van € 65 en een betaalverzuimboete van € 127 opgelegd. De tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen gemaakte bezwaren zijn door de Inspecteur bij uitspraken van 4 oktober 2016 niet‑ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 december 2018 te

‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft over het onderhavig tijdvak geen aangifte gedaan. De Inspecteur heeft vervolgens op 23 december 2015 een naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 4.250 aan loonheffingen. Tevens is daarbij bij beschikking een aangifteverzuimboete van € 65 en een betaalverzuimboete van € 127 opgelegd.

2.2.

In een brief van 16 juni 2016 schrijft belanghebbende, voor zover hier van belang:

“Naar aanleiding van het ingediende bezwaar tegen de naheffingsaanslag Loonheffing (…) met aanslagnummer [aanslagnummer] hebben wij tot op heden geen reactie / uitspraak op het bezwaar ontvangen.

(…)”

2.3.

De Inspecteur heeft voormelde brief van belanghebbende aangemerkt als een (eerste) bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag. Bij brief van 24 augustus 2016 deelt de Inspecteur aan belanghebbende mede dat niet eerder een bezwaarschrift is ontvangen. De Inspecteur vraagt belanghebbende een kopie van het eerdere bezwaarschrift te overleggen. Belanghebbende heeft geen eerder bezwaarschrift overgelegd.

2.4.

Op 4 oktober 2016 heeft de Inspecteur uitspraken op de bezwaren betreffende de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen gedaan, waarbij de bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard.

2.5.

De Rechtbank heeft het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.6.

Eerst in hoger beroep heeft belanghebbende de volgende stukken overgelegd:

- een aanmaning met dagtekening 21 januari 2016 betreffende de onderhavige naheffingsaanslag en beschikkingen;

- een brief van belanghebbende met dagtekening 10 februari 2016, waarin belanghebbende naar aanleiding van de ontvangen aanmaning schrijft dat er reeds op 3 januari 2016 bezwaar is aangetekend; daarbij is gevoegd een bezwaarschrift met dagtekening 3 januari 2016 tegen de onderhavige naheffingsaanslag en beschikkingen;

- een brief van de Ontvanger met dagtekening 22 februari 2016, waarin hij uitstel van betaling verleent betreffende de naheffingsaanslag en beschikkingen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Gemachtigde:

- Ik verleen niet beroepsmatig rechtsbijstand.

- Indien uw Hof het bezwaar ontvankelijk acht, wil ik graag dat de Inspecteur mijn bezwaar opnieuw behandelt.

De Inspecteur:

- Voor wat betreft de boeten: ik kan niet bewijzen dat belanghebbende het bezwaarschrift van 3 januari 2016 niet heeft verstuurd. Ik kan alleen zeggen dat de Belastingdienst het niet heeft ontvangen. Het eerste moment waarop de Belastingdienst op de hoogte is van een bezwaarschrift, is na ontvangt van de brief van belanghebbende van 10 februari 2016, waarbij het bezwaarschrift van 3 januari 2016 is gevoegd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en terugwijzing naar de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Van de brieven met dagtekening 16 juni 2016 en 10 februari 2016 staat vast dat deze door de Inspecteur (dan wel de Ontvanger) zijn ontvangen. Gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag en boetebeschikkingen (23 december 2015) zijn deze buiten de bezwaartermijn van zes weken ingediend.

4.2.

Belanghebbende stelt dat hij reeds op 3 januari 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikkingen.

4.3.1.

Voor wat betreft de naheffingsaanslag rust de bewijslast van deze stelling op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Niet-ontvankelijkverklaring kan dan slechts nog achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest (artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht). Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende bij het overschrijden van de bezwaartermijn in verzuim is geweest. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.3.2.

Voor wat betreft de boetebeschikkingen dient anders te worden geoordeeld. Belanghebbende hoeft in dit verband slechts te stellen dat hij het bezwaarschrift tijdig heeft ingediend. De niet-ontvankelijkheid kan slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling is bewezen (vgl. Hoge Raad 10 april 2009, nr. 08/02908, ECLI:NL:HR:2009:BI0550). De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat hij dit bewijs niet kan leveren. Dit betekent dat er van moet worden uitgegaan dat belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de boetebeschikkingen. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de boetebeschikkingen dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal de uitspraken op bezwaar vernietigen en de Inspecteur opdragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaren tegen de boetebeschikkingen.

Slotsom

4.4.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 334 respectievelijk € 501, in totaal derhalve € 835, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat zij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag ongegrond;

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen;

- draagt de Inspecteur op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op de bezwaren tegen de boetebeschikkingen te beslissen;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 835 vergoedt.

Aldus gedaan op 21 februari 2019 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, P. Fortuin en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.