Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:638

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
17/00752
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:9435, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Marktgeld. Belanghebbende is als marktkoopman middels een opslag in de marktgeldtarieven aangeslagen voor elektriciteitsverbruik, terwijl hij geen elektriciteit heeft verbruikt. Het Hof oordeelt dat de gemeente een totaalpakket van diensten heeft verstrekt en dat belanghebbende het gebruik en genot van dat totaalpakket heeft gehad. Dat belanghebbende geen elektriciteit heeft verbruikt doet daar niet aan af. De aanslag is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-05-2019
V-N Vandaag 2019/1145
FutD 2019-1386
V-N 2019/31.23 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2019/255 met annotatie van A.W. Schep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00752

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (BsGW)

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 28 september 2017, nummer AWB 16 / 3741, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de aanslag marktgelden over februari 2016.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2016 een aanslag in de gemeentelijke belastingen opgelegd (hierna: de aanslag), bestaande uit onder meer marktgelden voor de maand februari 2016 voor de zaterdagmarkt in Geleen naar een bedrag groot € 91,44. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij beschikking met dagtekening 13 oktober 2016 door de Heffingsambtenaar gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag vernietigd voor zover het betreft de marktgelden voor de maand februari 2016 voor de zaterdagmarkt in Geleen en de Heffingsambtenaar gelast aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 23 november 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [ambtenaar 1] , [ambtenaar 2] , [ambtenaar 3] en [ambtenaar 4] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende drijft een onderneming bestaande uit een markthandel. Als zodanig staat belanghebbende met een kraam op de zaterdagmarkt in Geleen (hierna: de markt).

2.2.

Tot en met het kalenderjaar 2015 belastte de gemeente het gebruik van elektriciteit op de markt door aan marktkooplieden op basis van hun werkelijke verbruik. Uit een interne notitie van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de gemeente) blijkt dat jaarlijks circa 40% van de tot en met 2015 voor de verstrekking van elektriciteit aan marktkooplieden door de gemeente betaalde bedragen, daadwerkelijk wordt gedragen door de marktkooplieden. In februari 2015 is aan de markt(advies)commissie voorgesteld om de kosten betreffende het aanbieden van elektriciteit door de gemeente vanaf het kalenderjaar 2016 middels een opslag groot € 0,13 per m2 marktkraam op te nemen in de marktgeldtarieven. Genoemd bedrag bestaat voor € 0,10 uit kosten betreffende de infrastructuur en de voorzieningen die de gemeente aangaande de elektriciteitsvoorzieningen verzorgt rondom de markt en voor € 0,03 uit de kosten van elektriciteit.

2.3.

In de raadsvergadering van 12 november 2015 heeft de gemeenteraad van de gemeente de ‘Verordening op de heffing en invordering van markt- en markpromotiegelden Sittard-Geleen 2016’ (hierna: de Verordening) vastgesteld. Vanaf het kalenderjaar 2016 wordt op basis van de Verordening aan de marktkooplieden, middels de heffing van marktgeld, de in onderdeel 2.2 genoemde opslag doorbelast voor elektriciteit, ongeacht het werkelijke verbruik.

2.4.

Belanghebbende heeft in februari 2016 geen elektriciteit verbruikt tijdens zijn verblijf op de markt.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de Gemeentewet en de Verordening voldoende grondslag bieden voor de heffing van het deel van de in onderdeel 2.2 bedoelde opslag dat ziet op de kosten van elektriciteit (€ 0,03 per m² marktkraam). De Heffingsambtenaar is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het deel van de in onderdeel 2.2 bedoelde opslag, dat ziet op de in dat onderdeel genoemde infrastructuur en voorzieningen van € 0,10 per m2 marktkraam, niet in geschil is.

3.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 229 van de Gemeentewet (hierna te noemen: GW) luidt, voor zover van belang, in het in geschil zijnde jaar als volgt:

1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

c. (…)

4.2.

De bepalingen in de Verordening luiden – voor zover van belang - als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;

(…)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘Marktgelden’ worden rechten geheven voor het gebruik of genot van de door het college als markt aangewezen openbare grond met de daarbij behorende voorzieningen.

Artikel 3 Belastingplicht

Het marktgeld wordt geheven van degene, die gebruik maakt van de in artikel 2 genoemde openbare grond met de daarbij behorende voorzieningen, of daarvan het genot heeft.

(…)

Artikel 8 Tarief

De rechten worden geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

4.3.

De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat belanghebbende als belastingplichtige in de zin van de Verordening kan worden aangemerkt, de gemeente vrij is in het opnemen van heffingsmaatstaven in de Verordening en de beleidsvrijheid voor de gemeente daarbij groot is, het bedrag van de marktgelden zich niet behoeft te richten naar de individuele dienstverlening aan een belanghebbende en de aanslag wordt gebaseerd op het feit dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de als markt aangewezen grond met de daarbij behorende voorzieningen. Het individuele gebruik van de elektriciteitsvoorziening is hierbij niet van belang, aldus de Heffingsambtenaar.

Belanghebbende heeft in wezen gesteld dat hij niet als belastingplichtige in de zin van de Verordening kan worden aangemerkt aangezien hij geen elektriciteit heeft verbruikt en voorts dat het marktgeldtarief leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever in formele zin met het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van gemeentelijke belastingen niet op het oog kan hebben gehad, nu marktkooplieden die geen elektriciteit verbruiken tijdens hun verblijf op de markt desondanks worden belast. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat de elektravoorzieningen op de markt niet op verzoek van de marktkooplieden door de gemeente (ambtshalve) worden verstrekt. De wetgever heeft aan gemeenten de bevoegdheid gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat gemeenten dan ook in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (vgl. onder meer Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 16/05127, ECLI:NL:HR:2017:1174, BNB 2017/173). Voor een onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276). De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 7 mei 1997, nr. 31 845, ECLI:NL:HR:1997:AA2090, BNB 1997/208, bepaald dat een gemeente rechten mag heffen als er sprake is van werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang, welk oordeel de Hoge Raad heeft bevestigd in zijn arrest van 9 september 2011, nr. 10/04967, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, BNB 2011/257 (ID-kaart arrest). Een rechtstreeks verband tussen de te heffen rechten en de omvang van de door de gemeente verstrekte diensten is niet vereist (vgl. Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27 457, ECLI:NL:HR:1991:BH8250, BNB 1991/351 en Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32 569, ECLI:NL:HR:1997:AA3345, BNB 1998/70).

4.5.

Het Hof is van oordeel dat de gemeente vanaf het jaar 2016 aan alle marktkooplieden op de markt een totaalpakket van diensten als bedoeld in artikel 229 van de GW heeft verstrekt, onder meer bestaande uit het gebruik van gemeentebezittingen en het genot van door of vanwege de gemeente verstrekte diensten op het vlak van infrastructuur en voorzieningen waaronder schoonmaakdiensten, een marktmeester, verkeerstechnische maatregelen, publicaties en voorzieningen betreffende het gebruik van elektriciteit. Naar ’s Hofs oordeel heeft de gemeente – gelet op de in onderdeel 4.4 bedoelde vrijheid en de in dat onderdeel genoemde jurisprudentie – in redelijkheid kunnen besluiten tot het in- en ter beschikking stellen van bedoeld totaalpakket met bijbehorende tarieventabel en heeft zij daarbij de haar door de wetgever gegeven bevoegdheden niet overschreden. Het Hof acht hierbij de door de Heffingsambtenaar gestelde praktische uitvoerbaarheid van de Verordening en het gemeentelijk streven de kosten van uitvoering, controle en bezwaarprocedures te beperken, van belang, evenals de door de Heffingsambtenaar gestelde, en door belanghebbende niet weersproken, verschillen in verbruik van de diverse onderdelen van bedoeld pakket door de diverse marktkooplieden.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende het gebruik en genot gehad van het in onderdeel 4.5 bedoelde totaalpakket. In die zin is er sprake van een individualiseerbaar belang als bedoeld in onderdeel 4.4. Dat belanghebbende zelf geen gebruik heeft gemaakt van een specifiek (klein) onderdeel van dat totaalpakket, te weten het elektriciteitsverbruik, doet aan het gebruik en genot van bedoeld totaalpakket niet af. Aan het vorenstaande doet evenmin af hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 november 2018, nr. 18/00366, ECLI:NL:HR:2018:2111, aangezien dat arrest handelt over het verstrekken van één enkele dienst en in onderhavig geval sprake is van een samenstel van verschillende (leveringen en) diensten.

4.7.

Gelet op het voorgaande is aan belanghebbende de aanslag terecht opgelegd. Van een onredelijke en willekeurige heffing is geen sprake.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 21 februari 2019 door A.J. Kromhout, voorzitter, M. Harthoorn en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.