Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:620

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
200.247.728_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank waarbij het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van de kinderen is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 21 februari 2019

Zaaknummer : 200.247.728/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/252147 / JE RK 18-1517 en C/03/252146 / JE RK 18-1517

in de zaak in hoger beroep van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de moeder] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. S.C.H. Poelman (hierna te noemen: de moeder);

- [de vader] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. F.G.H.J. Niemarkt, vader van de hierna te noemen [minderjarige 2] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2018, heeft de GI verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI alsnog toe te wijzen inhoudende haar te machtigen om de hierna te noemen minderjarigen in een voorziening van pleegzorg te plaatsen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 november 2018, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 december 2018, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de moeder, bijgestaan door mr. Poelman;

- de vader, bijgestaan door mr. Niemarkt.

De partners van zowel de moeder als de vader hebben de mondelinge behandeling eveneens bijgewoond.

2.4.1.

Namens de raad is, met bericht van verhindering d.d. 24 december 2018, geen vertegenwoordiger ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de GI d.d. 11 januari 2019 met bijlage;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 10 januari 2019.

2.6.

Volgens afspraak ter zitting is na de mondelinge behandeling bij de griffie van dit hof nog ingekomen:

- de brief van de GI d.d. 22 januari 2019 met als bijlage onder meer de rapportages van Anacare over de periode 27 februari 2018 tot en met 21 januari 2019;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 29 januari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] , geboren op

[geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .

3.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 2] .

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 6 juni 2016 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 juni 2019.

[minderjarige 1] is bij eerdere beschikkingen van 18 juni 2009 en 6 juni 2016 uit huis geplaatst.

[minderjarige 2] is bij eerdere beschikking van 6 juni 2016 uit huis geplaatst.

Deze laatste uithuisplaatsing van beide kinderen liep tot 1 juni 2017.

3.4.

Bij afzonderlijke beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 juli 2018 - zaaknummer C/03/252146 / JE RK 18-1516 respectievelijk C/03/252147 / JE RK 18-1517 - zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op grond van een daartoe strekkende machtiging met ingang van 5 juli 2018 voor de duur van twee weken uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de GI om een machtiging om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, afgewezen.

3.6.

De GI kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De GI voert in het beroepschrift - kort samengevat - aan dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is.

Dit aangezien de bij aanvang van de ondertoezichtstelling bestaande ontwikkelingsbedreigingen thans nog steeds aanwezig zijn.

De rechtbank heeft volgens de GI ten onrechte geoordeeld dat er zich een positieve ontwikkeling heeft ingezet in de communicatie tussen de vader en de moeder en in de houding tussen de ouders en de hulpverlening. De GI voert daartoe aan dat er gaandeweg de ondertoezichtstelling sprake was van een voortdurende strijd tussen de ouders. Deze strijd kon met hulp van de aanwezige hulpverlening niet doorbroken worden. Gezamenlijke gesprekken met de ouders gericht op de communicatie tussen hen hebben niet geleid tot een betere communicatie en onderlinge samenwerking. Tijdens de ondertoezichtstelling werden door de ouders de gemaakte afspraken niet nagekomen en is de onderlinge strijd meerdere malen geëscaleerd.

De GI heeft met de moeder bovendien weinig constructieve gesprekken kunnen voeren.

De moeder lijkt niet of nauwelijks leerbaar, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft met haar verstandelijke beperking. Ook staat zij niet open voor samenwerking met de gezinsvoogd. Hoewel de samenwerking met de vader beter is, laat hij volgens de GI niet het achterste van zijn tong zien.

De GI betwist dat [minderjarige 1] een positieve ontwikkeling laat zien op school en zich sociaal en emotioneel goed ontwikkelt. De GI verwijst daarvoor naar een brief van de school van 7 mei 2018 waaruit onder meer volgt dat [minderjarige 1] ver onder het streefniveau van de groep functioneert.

Tot slot voert de GI aan dat de moeder geen stabiel netwerk om zich heen heeft en zij er in feite alleen voor staat in de opvoeding en verzorging van de kinderen; er is derhalve geen sprake van een sociaal netwerk waar zij op terug kan vallen.

3.8.

De moeder voert in het verweerschrift - kort samengevat - aan dat de informatie uit het beroepschrift en de tijdlijn waar de GI naar verwijst gedateerd en achterhaald zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een positieve ontwikkeling verder is doorgezet in de communicatie tussen de ouders. Deze ontwikkeling is thans niet meer pril te noemen. De ouders communiceren dagelijks met elkaar over de kinderen en zij zijn in de afgelopen maanden regelmatig bij elkaar op bezoek geweest. Ook heeft de vader de verjaardag van [minderjarige 2] bij de moeder gevierd.

De moeder vraagt aandacht voor het feit dat zij al negen gezinsvoogden in amper tweeënhalf jaar tot haar huishouding heeft toegelaten. De huidige gezinsvoogd heeft zij slechts twee keer gezien en hij is niet goed bereikbaar.

De moeders wijst er verder op dat zij alle hulpverlening toelaat en hier ook om vraagt wanneer dit nodig is. Een medewerker van Anacare komt enkele keren per week langs en dit contact verloopt goed. De moeder volgt adviezen op en benadert hulpverlening op eigen initiatief wanneer zij een hulpvraag heeft.

De moeder kan zich verder niet vinden in het door de GI geschetste beeld over haar emotionele ontwikkeling. Zij kreeg eerder hulp van Radar en na haar verhuizing is dit overgenomen door Meander Zorg.

Ten aanzien van [minderjarige 1] voert de moeder aan dat zij wel degelijk een aantoonbare positieve ontwikkeling laat zien op school. Dit volgt uit de door de moeder in eerste aanleg overgelegde schoolrapporten. De moeder erkent dat [minderjarige 1] in een eerder stadium vaak aandacht op school vroeg met betrekking tot pijntjes. Dit moeder heeft dit, nadat uit onderzoek door de huisarts niets volgde, met de juf besproken. Dankzij een beloningssysteem ( [minderjarige 1] mag wanneer ze niet klaagt over pijntjes in de middag bij de juf zitten) gaat het nu heel goed en klaagt [minderjarige 1] nu bijna niet meer. Verder heeft de moeder op eigen initiatief een nuttige dagbesteding voor [minderjarige 1] op een zorgboerderij geregeld.

Wat betreft haar sociale netwerk voert de moeder aan dat zij kan terugvallen op haar partner, haar moeder en haar partner, haar schoonouders die sinds haar verhuizing naar [plaats] in de buurt wonen en verder haar beste vriendin en nicht.

Tot slot benadrukt de moeder dat er door haar en de vader hard gewerkt wordt aan de doelen die door de rechtbank zijn genoemd in de bestreden beschikking. De ouders laten zien dat zij onderling goed kunnen communiceren met betrekking tot de kinderen en dat zij dit in de afgelopen maanden consequent hebben volgehouden. Zij hebben een vriendschappelijke band met elkaar opgebouwd en benaderen elkaar positief.

3.9.

De vader voert in het verweerschrift, - kort samengevat - aan dat het feitenrelaas in de vorm van de tijdlijn zoals de GI in hoger beroep is overgelegd, gedateerd is en dat de positieve ontwikkelingen van nadien niet zijn meegenomen.

De ouders hebben inmiddels begrepen en ervaren dat een goede communicatie en samenwerking tussen hen in het belang van de kinderen is. De positieve ontwikkeling die de rechtbank heeft geconstateerd en beloond, heeft de ouders gestimuleerd om de ontwikkeling door te zetten. Zij gaan nu zelfs weer vriendschappelijk met elkaar om. Van een slechte communicatie is dan ook geen sprake meer.

De vader heeft nooit hulp geweigerd en hij leert wel degelijk van hetgeen de hulpverlening hem aandraagt. Hij weet dat de moeder het belang van hulpverlening inziet en hulpverlening ook accepteert,

Zowel de vader als de moeder doen hun uiterste best om in het belang van de kinderen te handelen. Zij accepteren niet alleen de hulpverlening maar schakelen deze hulpverlening ook zelf in en proberen te handelen naar hun raadgevingen.

De rechtbank heeft terecht de schoolverslagen als informatiebron meegenomen en geconstateerd dat [minderjarige 1] volgens deze verslagen wel een positieve ontwikkeling doormaakt en zich tevens sociaal-emotioneel goed ontwikkelt.

De vader is ervan op de hoogte dat er verschillende mensen zijn in de sociale kring van de moeder die zich regelmatig om haar en de kinderen bekommeren en op wie zij terug kan vallen. Ook de vader springt bij waar nodig. Het opnieuw uit huis plaatsen van de kinderen zou traumatiserend zijn en als een “straf” voor de ouders voelen.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.2.

Aan de eerder genoemde beslissingen van 5 juli 2018 tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lag de hevige ex-partnerstrijd van de ouders ten grondslag waarbij het hen niet lukte om dit patroon te doorbreken. De kinderen waren getuige van fikse ruzies

en escalaties tussen de moeder en de vader. Directe aanleiding voor deze uithuisplaatsing was een incident in het weekend voorafgaand aan deze beschikkingen.

3.10.3.

In de bestreden beschikking is door de rechtbank benoemd dat de vader en de moeder hard bezig zijn om hun onderlinge communicatie te verbeteren en dat zij geen ruzie meer maken. De ouders stellen zich leerbaar op en hebben beiden het beste met de kinderen voor.

Ook heeft de rechtbank opgemerkt dat de ouders duidelijk hun best doen om tot verbetering te komen en dat zij bovendien hulpverlening toelaten. Anacare en Radar krijgen alle ruimte om begeleiding te bieden. De moeder heeft voor [minderjarige 2] zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid hulp gezocht om helderheid te krijgen in zijn persoonlijke problematiek. [minderjarige 1] laat op school een positieve ontwikkeling zien, waaruit volgt dat zij zich ook sociaal-emotioneel goed ontwikkelt. Er is verder een sociaal (buren)netwerk rond de moeder waarop zij terug kan vallen. De moeder heeft een nieuwe partner, waardoor zij zich rustiger voelt, tevens accepteert zij nu begeleiding voor haar eigen persoonlijke problematiek.

De rechtbank heeft gelet op deze positieve ontwikkeling geen noodzaak gezien om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen en het verzoek van de GI daartoe afgewezen. Wel hechtte de rechtbank eraan aan de ouders mee te geven dat zij deze positieve ontwikkeling vast moeten houden en moet blijven werken aan veiligheid, structuur en rust in hun beider gezinssituaties.

3.10.4.

De GI heeft ter zitting van het hof erkend dat er een betere samenwerking is tussen de ouders, maar desondanks meent de GI nog steeds dat daarmee de ontwikkelingsbedreiging van de beide kinderen niet is weggenomen. Daartoe voert de GI aan dat de moeder weigert om met de GI samen te werken en dat dit de GI belemmert om goed toezicht te kunnen houden. De moeder staat de GI niet toe om de kinderen te zien. De GI ziet geen positieve ontwikkeling bij de kinderen en ook de school van [minderjarige 1] geeft aan dat haar ontwikkeling stil staat.

De stellingen van de GI staan haaks op de door de ouders ter zitting van het hof beschreven ontwikkelingen. De moeder erkent dat zij geen contact met de huidige gezinsvoogd wil aangezien hij degene was die aanwezig was bij de meest recente uithuisplaatsing, die traumatisch is verlopen. Het probleem zit hem veeleer in de persoon van deze gezinsvoogd en niet in de GI als zodanig , aldus de moeder. Zij ervaart veel steun van Anacare en door Anacare wordt gezien dat de communicatie tussen de ouders is verbeterd en dat de moeder erg haar best doet. De vader bevestigt dat hij en de moeder samen op de goede weg zijn en zij, in samenwerking met de hulpverlening, er alles aan doen om voor de kinderen te zorgen.

3.10.5.

Het hof heeft de door de rechtbank geconstateerde positieve ontwikkeling, waarbij de vader en de moeder onder meer druk doende zijn om hun onderlinge communicatie te verbeteren, eveneens waargenomen. De ouders hebben niet alleen de onderlinge communicatie verbeterd, maar zij zijn er ook in geslaagd om op een vriendschappelijke manier met elkaar om te gaan. Zij en hun partners hebben samen met de kinderen Kerst gevierd en de ouders en hun partners zijn gezamenlijk naar de zitting van het hof gekomen.

Daarbij komt dat de GI heeft verzuimd om de door haar gestelde ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen nader te onderbouwen aan de hand van recente informatie, nu de bestreden beschikking al weer van meer dan een half jaar geleden dateert. De enkele stelling van de GI dat de moeder niet mee wil werken en dat de GI daarom geen inzicht heeft in de situatie van de kinderen acht het hof dan ook onvoldoende, temeer omdat uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die enkel wordt opgelegd indien het nagestreefde doel niet op een minder ingrijpende wijze als met enkel een ondertoezichtstelling kan worden bereikt (vgl. ook artikel lid 2 van het EVRM). Dit klemt temeer daar [minderjarige 1] inmiddels al drie keer eerder en [minderjarige 2] al twee keer eerder uit huis geplaatst is. Aan het wederom uithuisplaatsen van de kinderen, zoals de GI voorstaat, moeten dan ook wel duidelijke en actuele ontwikkelingsbedreigingen ten grondslag gelegd kunnen worden, die thans onvoldoende zijn gebleken.

3.10.6.

Bovendien volgt uit de door de GI, op verzoek van het hof, na de zitting van het hof, overgelegde verslagen van Anacare over de periode 27 februari 2018 tot medio januari 2019 dat de communicatie tussen de ouders ook in de periode na juli 2018 is verbeterd en dat de omgang tussen de vader en de kinderen goed verloopt. Er is vanuit Anacare zicht op de situatie bij de moeder en zij zien dat de ouders de door de rechtbank in de bestreden beschikking omschreven doelen van de ondertoezichtstelling nastreven. Verder blijkt uit deze verslagen dat de moeder in een gesprek met de gezinsvoogd heeft aangegeven niet met hem te willen samenwerken, maar wel met een andere gezinsvoogd.

Het aanvullend plan van aanpak d.d. 31 augustus 2018 inzake het onderwijsarrangement van [minderjarige 1] laat zien dat haar sociaal-emotionele ontwikkeling extra aandacht behoeft. Daar staat echter tegenover dat uit de schoolverslagen van [minderjarige 1] van medio december 2018 ook volgt dat zij goed haar best doet op school en dat dit wordt gezien door de leerkrachten.

3.10.7.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel is dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW en het verzoek van de GI afgewezen dient te worden.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.12.

Het hof wijst de ouders evenwel op het door de rechtbank in de bestreden beschikking opgenomen advies om de ingezette positieve ontwikkeling – van welke positieve ontwikkeling ook na de bestreden beschikking tot nu toe voldoende is gebleken - vast te blijven houden en te blijven werken aan veiligheid, structuur en rust in hun beider gezinssituaties en zij zich te blijven richten op de doelen van de ondertoezichtstelling.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 juli 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.L. Schaafsma-Beversluis en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 21 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.