Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:611

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
200.225.535_01 en 200.226.101_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; partneralimentatie; huwelijksvermogensrecht; gebruiksvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.225.535/01 en 200.226.101/01

zaaknummers rechtbank : C/03/221259 / FA RK 16-1811 en C/03/224799 / FA RK 16-3011

beschikking van de meervoudige kamer van 21 februari 2019

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.M. van Aarsen te Maastricht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.H. Kuiper te Heerlen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 augustus 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 16 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 17 augustus 2017.

2.2

De vrouw heeft op 30 november 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 10 januari 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

De verzoeken die betrekking hebben op de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.225.535/01. De overige verzoeken zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.226.101/01.

2.5

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 9 november 2017 met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 1 oktober 2018 met bijlagen;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 oktober 2018 met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 oktober 2018 met bijlagen;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 18 oktober 2018 met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 oktober 2018 met bijlagen;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de man van 23 oktober 2018 met bijlagen.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

  1. Partijen zijn op 14 december 1982 gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden.

  2. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 1 juni 2016 ingekomen bij de rechtbank Limburg (Maastricht).

  3. Daarop is bij de bestreden beschikking van 17 augustus 2017 de echtscheiding uitgesproken.

  4. De echtscheidingsbeschikking is op 9 februari 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In de huwelijkse voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

ARTIKEL 1

Tussen de echtgenoten zal geen enkele vermogensgemeenschap hoe ook genaamd bestaan.

(…)

ARTIKEL 7

Aan het einde van elk kalenderjaar wordt tussen de echtgenoten bij helfte verdeeld, hetgeen van hun gezamenlijk inkomen over dat jaar onverteerd is overgebleven. Heeft een der echtgenoten echter de samenwoning zonder redelijke grond verbroken of door zijn onredelijk gedrag de andere echtgenoot gedwongen de samenwoning te verbreken, dan vervalt diens aanspraak op verdeling van een eventueel overschot als in het vorige lid bedoeld. Heeft een verdeling als in lid 1 bedoeld in enig jaar niet of niet op de voorgeschreven wijze plaats gevonden, dan vervalt het recht tot vordering of tot herrekening daarvan zodra sedert het einde van het betreffende jaar twee volle jaren zijn verlopen, zonder dat die verdeling gevorderd is. (…).”

3.3

Partijen waren gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] in [plaats 1] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

  • -

    de partneralimentatie met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 1.566,- bruto per maand;

  • -

    het verzoek van de man, strekkende tot limitering van de partneralimentatie, afgewezen;

  • -

    bepaald dat het bedrag, dat de man over de periode van 1 juni 2016 tot aan de datum van levering van de voormalige echtelijke woning bij de notaris op de hypotheekschuld heeft afgelost, aan de man moet worden uitgekeerd, en dat de resterende overwaarde fiftyfifty tussen partijen dient te worden verdeeld;

  • -

    het bedrag dat de vrouw in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden aan de man moet betalen, bepaald op € 3.016,51.

Voorts is van belang dat de rechtbank in het lichaam van de beschikking waarvan beroep heeft overwogen dat niet meer behoeft te worden beslist op de ‘verzoeken’ van partijen ten aanzien van de staat van aanbrengsten en/of vergoedingsrechten, nu partijen deze ‘verzoeken’ ter zitting hebben ingetrokken.

4.2

De man verzoekt in zijn beroepschrift om de beschikking waarvan beroep te vernietigen ten aanzien van de beslissingen en de punten waartegen hij beroep heeft ingesteld en zijn grieven tegenin heeft gebracht en alsnog te bepalen:

  1. dat de netto huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 1.526,-- per maand bedraagt, dan wel € 2.593,61 zoals de vrouw zelf heeft aangegeven, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht;

  2. primair dat de vrouw redelijkerwijs geacht kan worden volledig in haar eigen (huwelijksgerelateerde) behoefte te kunnen voorzien en derhalve geen aanspraak kan maken op partneralimentatie door de man aan haar te voldoen, weshalve de man geen partneralimentatie verschuldigd is te voldoen aan de vrouw;

Subsidiair: dat de man verschuldigd is aan de vrouw als aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen een bedrag van € 32,-- per maand, doch in elk geval niet hoger dan het bedrag van € 1.566,-- per maand, zijnde de maximale draagkracht van de man, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht en daarbij te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw wordt gelimiteerd, dan wel op nihil wordt gesteld, na verloop van vijf jaren te rekenen vanaf de datum van de bestreden beschikking, onder toepassing van een jaarlijkse verlaging met 20% van het door de man verschuldigde bedrag, dan wel een zodanige beslissing en een zodanige ingangsdatum te bepalen als het hof juist acht;

3. dat de man een vergoedingsvordering heeft jegens de eenvoudige gemeenschap, gelijk aan de nominale waarde van zijn investering in de gemeenschap ad € 15.294,41, welk bedrag aan hem allereerst uitgekeerd dient te worden uit de eventuele overwaarde na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning, met de bepaling dat indien de man zijn vordering niet kan verhalen op de eenvoudige gemeenschap, omdat de waarde van de gemeenschap daartoe niet toereikend is, hij de helft van het hetgeen hij niet op de gemeenschap kan verhalen, kan verhalen op de vrouw.

4.3

De vrouw verzoekt in haar verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep en (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, zoals nadien aangevuld dan wel gewijzigd (zie bijlage bij journaalbericht d.d. 17 oktober 2018, ingekomen op diezelfde datum) bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel het beroep als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen;

  2. de bestreden beschikking (onder nummer 221259) desalniettemin te vernietigen voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie betreft en het oorspronkelijk verzoek van de vrouw alsnog toe te wijzen, althans de door de man aan haar te betalen alimentatie vast te stellen op een bedrag als het hof juist acht;

  3. de bestreden beschikking (onder nummer 224799) te vernietigen voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat het bedrag dat de man over de periode van 1 juni 2016 tot aan de datum van levering van voornoemde woning op de hypotheekschuld heeft afgelost aan de man moet worden uitgekeerd en dat de resterende overwaarde fiftyfifty tussen partijen dient te worden verdeeld, het verzoek van de man daartoe alsnog af te wijzen en in plaats daarvan te bepalen dat de netto overwaarde ter hoogte van ter hoogte van € 107.509,54 – althans de door het hof in goede justitie te bepalen netto overwaarde – fiftyfifty dient te worden verdeeld;

  4. voorwaardelijk, voor zover het hof van mening mocht zijn dat partijen niet reeds afstand hebben gedaan van hun verzoeken daartoe, te bepalen dat de man recht heeft op vergoeding van een bedrag van € 13.613,40 en de vrouw op een vergoeding van € 13.606,91 ten laste van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning;

  5. te bepalen dat de man met ingang van 4 mei 2016 de hypothecaire lasten en eigenaarslasten voor zijn rekening dient te nemen en daarnaast aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te voldoen ter hoogte van € 167,04 voor iedere maand dat hij het exclusieve gebruik van de echtelijke woning heeft gehad, welke vergoeding hij ineens aan de vrouw dient te voldoen uit zijn aandeel in de netto verkoopopbrengst van de woning;

  6. de bestreden beschikking (onder nummer 224799) voorts te vernietigen voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de vrouw in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden € 3.016,51 aan de man moet betalen en het verzoek van de man daartoe alsnog af te wijzen.

4.4

De man verzoekt in zijn verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep en tegen het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek, zoals nadien door de vrouw aangevuld dan wel gewijzigd, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep, dan wel de grieven van de vrouw als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en de beschikking van de rechtbank op die punten te bekrachtigen. Kosten rechtens.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Ingangsdatum

5.1

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor de partneralimentatie, zijnde de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is in dit geval 9 februari 2018. Deze datum is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Huwelijksgerelateerde behoefte

5.2

De rechtbank heeft ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw het volgende overwogen:

“2.3.1 De vrouw heeft haar behoefte becijferd aan de hand van de Hofnorm door 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, € 7.000,- per maand, bestaande uit enkel het inkomen van de man, te nemen, zodat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 4.200,-- netto per maand bedraagt.

De man stelt dat niet uitgegaan dient te worden van de Hof-formule voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de vrouw haar behoefte concreet onderbouwen aan de hand van een behoeftelijstje.

Nu de man niet gemotiveerd heeft gesteld waarin in het onderhavige geval niet kan worden aangesloten bij de Hofnorm voor wat betreft de bepaling van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw, zal de rechtbank geen acht slaan op de door de vrouw overgelegde behoeftelijstjes en zal de behoefte van de vrouw conform de Hofnorm bepaald worden op € 4.200,-- netto per maand. De rechtbank acht deze benadering ook in dit geval, gelet op het traditioneel rollenpatroon dat partijen gedurende het huwelijk hadden en het feit dat de vrouw sedert 1987 geen arbeid in loondienst meer heeft verricht en zich met name heeft toegelegd op de verzorging van de (inmiddels meerderjarige) kinderen van partijen, zeker niet onredelijk.”

5.3

De man kan zich hiermee niet verenigen. Hij stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld dient te worden aan de hand van een behoeftelijst. De vrouw heeft in eerste aanleg twee behoeftelijsten in het geding gebracht, op grond waarvan zij haar behoefte uiteindelijk op € 2.593,61 netto per maand heeft gesteld. De rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden door toepassing te geven aan de hofnorm en de huwelijksgerelateerde behoefte op grond daarvan op € 4.200,-- netto per maand vast te stellen. De vrouw heeft in hoger beroep opnieuw een behoeftelijst overgelegd, waarbij zij tot een behoefte komt van € 2.695,- netto per maand. De man is van mening dat, na betwisting van diverse posten op de behoeftelijst, de netto behoefte van de vrouw in redelijkheid gesteld kan worden op € 1.803,57 per maand.

5.4

De vrouw betwist dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden, nu zij zich primair op het standpunt had gesteld – en blijft stellen – dat de huwelijksgerelateerde behoefte vastgesteld dient te worden aan de hand van de hofnorm. Subsidiair dient haar behoefte vastgesteld te worden aan de hand van een behoeftelijst. De vrouw heeft in hoger beroep een (nieuwe) behoeftelijst overgelegd op grond waarvan zij haar behoefte, aan de hand van de concrete uitgaven die zij thans heeft, heeft becijferd op € 2.695,- netto per maand.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Het hof verwerpt de stelling van de man dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te baseren op de hofnorm, nu uit het verweerschrift op zelfstandig verzoek in eerste aanleg van de vrouw blijkt onder punt 15 dat de vrouw zich beroept op toepassing van de hofnorm en enkel een behoeftelijst overlegt voor het geval dat de rechtbank van een ander standpunt uitgaat. Het feit dat de man betwist dat de hofnorm in dit geval van toepassing is, doet aan het voorgaande niet af.

5.6

Bij de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, stelt het hof het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.7

Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte (primair) enkel uit te willen gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden, miskent de vrouw dat zij, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, haar welstandsgerelateerde behoefte dient te stellen en bij betwisting door de man te onderbouwen.

Het hof zal in onderhavig geval voor de berekening van de behoefte van de vrouw niet uitgaan van de hofnorm, nu de man de toepasselijkheid van de hofnorm heeft betwist en bovendien de op basis van toepassing van de hofnorm berekende behoefte aanzienlijk hoger uitvalt dan de door de vrouw berekende behoefte op basis van de door haar zelf opgestelde behoeftelijsten. Tussen partijen is niet in geschil dat dat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk € 7.000,-- bedroeg, hetgeen conform de hofnorm een behoefte op zou leveren van € 4.200,- netto, terwijl de vrouw in haar laatste behoeftelijst uitgaat van een concrete behoefte van € 2.695,- netto. De vrouw heeft daarbij in haar verweerschrift in hoger beroep aangegeven dat zij de behoefte van € 2.695,- netto zowel aan de hand van het uitgavenpatroon tijdens het huwelijk als aan de hand van haar huidige daadwerkelijke uitgavenpatroon heeft onderbouwd. Gelet op de discrepantie tussen toepassing van de hofnorm en de door de vrouw opgestelde behoeftelijst acht het hof toepassing van de hofnorm in dit geval niet realistisch en zal daarom aansluiting zoeken bij de behoeftelijst van de vrouw.

De man heeft weliswaar (de hoogte van) diverse posten van deze lijst betwist, doch de door de vrouw opgevoerde bedragen komen het hof niet onredelijk voor. Ook was de vrouw gewend om tijdens het huwelijk van een auto gebruik te kunnen maken, zodat het hof eveneens deze post meeneemt. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de huwelijksgerelateerde behoefte, zoals door de vrouw becijferd, naar beneden toe bij te stellen. Derhalve gaat het hof uit van een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.695,-- per maand. Daarmee is voldaan aan de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte, zoals door de man is verzocht.

Behoeftigheid

5.8

De rechtbank heeft in dit kader het volgende overwogen:

“Ook al zou de rechtbank rekening houden met een (fictief) inkomen aan de zijde van de vrouw van € 1.241,- netto per maand, zoals door de man naar voren gebracht, dan nog heeft zij – gelet op haar totale behoefte – de hierna vast te stellen partnerbijdrage (€ 1.566,- per maand) nodig om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. Een uitgebreide bespreking van de behoeftigheid van de vrouw kan dan ook achterwege blijven.”

5.9

De man stelt zich primair op het standpunt dat, nu de vrouw geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent haar inkomsten, zij niet-ontvankelijk is in haar verzoek om partneralimentatie, dan wel haar verzoek afgewezen moet worden. Subsidiair stelt hij dat de vrouw deels in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien, door haar verdiencapaciteit te benutten. De man stelt dat de vrouw meer kan werken dan zij thans doet, nu daarvoor geen belemmerende factoren zijn. Zij spant zich onvoldoende in om te komen tot volledige benutting van haar verdiencapaciteit, welke verdiencapaciteit volgens de man kan worden gesteld op € 1.241,-- netto per maand. Het eigenhandig stopzetten van de inkomsten uit persoonsgebonden budget (pgb) die zij ontving voor de zorg die zij aan haar moeder verleende, acht de man verwijtbaar inkomensverlies. Voorts is de man van mening dat bij het vaststellen van de aanvullende behoefte van de vrouw rekening gehouden moet worden met de zorg- en huurtoeslag waar zij recht op heeft.

5.10

De vrouw betwist dat zij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zij stelt dat zij actief heeft gesolliciteerd en inmiddels een baan heeft gevonden. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte salarisspecificaties blijkt dat haar verdiencapaciteit beduidend lager ligt dan de door de man gestelde € 1.241,-- netto per maand. In dit verband dient ook rekening gehouden te worden met het klassiek rollenpatroon dat het huwelijk van partijen kenmerkte en met de leeftijd van de vrouw (thans 59 jaar). Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij gemiddeld 20 uur per week werkt. Het is niet mogelijk voor haar om meer te werken, nu daartoe enerzijds vanuit haar werkgever geen mogelijkheden zijn en dit anderzijds fysiek te zwaar voor haar is. De vrouw was aanvankelijk ook mantelzorger van haar moeder, waarvoor een pgb beschikbaar was. Zij heeft deze werkzaamheden beëindigd, omdat dit te zwaar werd. De vrouw betwist voorts dat dat bij het bepalen van haar aanvullende behoefte rekening gehouden moet worden met eventuele zorg- en huurtoeslag.

5.11

Het hof stelt voorop dat, zoals blijkt uit rov. 5.1, de ingangsdatum voor de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie 9 februari 2018 is. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de vrouw over de periode vanaf 9 februari 2018 tot heden geen openheid van zaken heeft gegeven. Alle voor de beoordeling relevante gegevens – zoals onder meer salarisspecificaties – zijn door de vrouw in het geding gebracht. Voor zover de man heeft gesteld dat de vrouw diverse kledingbonnetjes heeft overgelegd waarop staat vermeld “personeelskorting” en uit de polis ZVW blijkt dat zij recht heeft op een collectiviteitskorting (van [groep] groep) en de man daarmee beoogt te stellen dat de vrouw mogelijke inkomsten heeft verzwegen, is het hof van oordeel dat de vrouw dit met de door haar gegeven toelichting voldoende heeft weersproken.

Dat de vrouw geen gegevens omtrent eventuele zorg- en huurtoeslag in het geding heeft overgelegd, acht het hof niet van belang. De huur- en zorgtoeslag moet gezien worden als een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud op de voet van art. 1:157 BW (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3266, JPF 2018/23 en HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, NJ 2017/303).

5.12

Verder overweegt het hof dat een onderhoudsplicht alleen bestaat voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke inkomsten als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Er dient derhalve ook rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de opleiding, de werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de eventuele zorg voor kinderen.

Het hof is aldus met de man van oordeel dat de vrouw zich dient in te spannen om zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.13

Uit de stukken is gebleken dat de vrouw de vrouw met ingang van 13 februari 2018 werkzaam is bij “ [bedrijf 1] ” tegen een uurloon van € 10,77 bruto. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij gemiddeld 20 uur per week werkt, zodat zij geacht wordt hiermee in ieder geval, afgerond, € 1.008,-- bruto per maand ( [(20 uur x € 10,77 x 52 weken) : 12 maanden] x 1,08) te verdienen.

Naast haar werkzaamheden bij [bedrijf 1] , heeft de vrouw zorgtaken voor haar moeder uitgeoefend, waarvoor in het kader van de Zorgwet over 2018 een pgb van in totaal € 1.688,31 beschikbaar was gesteld. Aldus gaat het hof ervan uit – gegeven ook de omstandigheid dat de vrouw over de periode januari 2018 tot en met juli 2018 in dit kader € 943,96 heeft gedeclareerd – dat de vrouw hiermee een inkomen genereerde ter hoogte van het beschikbaar gestelde budget (zijnde € 140,69 per maand).

Uit een door de vrouw overgelegd e-mailbericht d.d. 8 oktober 2018 blijkt dat de indicatie voor hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb, in het kader van de Wmo, wordt omgezet naar Zorg in Natura. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij per 14 oktober 2018 geen pgb meer ontvangt en dat zij op eigen initiatief is gestopt met deze werkzaamheden/zorgtaken voor haar moeder. Als reden heeft zij daarvoor aangevoerd dat haar moeder meer hulp nodig had en zij dit niet (meer) kon bieden, enerzijds om dat zij dit niet kon combineren met haar werkzaamheden in loondienst en anderzijds omdat dit te zwaar voor haar werd. De vrouw heeft deze stellingen evenwel niet met relevante verificatoire bescheiden onderbouwd. Zij heeft weliswaar gegevens omtrent haar medische gesteldheid overgelegd, maar uit de door haar overgelegde gegevens blijkt niet dat haar medische gesteldheid enige belemmering vormt voor arbeid in welke zin dan ook.

Gelet op de inspanningsplicht van de vrouw om zoveel mogelijk in eigen levensonderhoud te voorzien, past het de vrouw niet om inkomen prijs te geven. Voorts had het, gelet ook op de stellingen van de man, op de weg van de vrouw gelegen om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij actief heeft getracht zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zulks heeft zij evenwel nagelaten. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat het niet mogelijk is om bij haar huidige werkgever urenuitbreiding te krijgen, maar zij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Evenmin heeft zij stukken in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij initiatieven heeft ontplooid dan wel ontplooit om (daarnaast) elders meer uren te gaan werken; de laatste door de vrouw in het geding gebrachte sollicitatie dateert van 28 juni 2017. Voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof het redelijk acht om aan de vrouw met ingang van 9 februari 2018 een verdiencapaciteit toe te dichten van € 1.241,-- netto per maand, zoals door de man gesteld. In dit oordeel heeft het hof tevens betrokken dat de vrouw niet de zorg heeft voor (kleine) kinderen, niet is gebleken dat er arbeid belemmerende factoren zijn en zij zich al vanaf augustus 2015 heeft kunnen voorbereiden om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Bij het bepalen van de netto verdiencapaciteit, heeft het hof rekening gehouden met de heffingskortingen waar de vrouw recht op heeft, zijnde de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.14

Aldus stelt het hof de aanvullende behoefte van de vrouw vast op € 1.454,-- netto per maand (zijnde € 2.695,-- minus € 1.241,--) of wel € 2.922,- bruto per maand. Laatstgenoemd bedrag heeft de vrouw nodig, nu de vrouw gehouden is om over de door haar te ontvangen partneralimentatie inkomstenbelasting en een (inkomensafhankelijke) bijdrage ZVW af te dragen.

Draagkracht van de man

5.15

De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil.

5.16

De man is werkzaam bij [bedrijf 2] in [plaats 2] . Tussen partijen is niet in geschil dat hij niet belastingplichtig is in Nederland, zodat aan zijn inkomenszijde uitgegaan moet worden van zijn netto salaris. Ter zitting heeft het hof de door de man bij journaalbericht d.d. 23 oktober 2018 in het geding gebrachte draagkrachtberekeningen besproken. Partijen verschillen van mening omtrent de inkomsten en het draagkrachtloos inkomen van de man.

A. Inkomen van de man

5.17

De man heeft ter zitting toegelicht dat hij het inkomen, zoals weergegeven in zijn draagkrachtberekeningen, heeft gebaseerd op de salarisstrook van augustus 2018. Hij is daarbij uitgegaan van een maandelijks inkomen ad € 5.387,78 netto, hetgeen een netto jaarinkomen oplevert van € 64.653,--.

5.18

De vrouw daarentegen gaat in de door haar bij journaalbericht van 19 oktober 2018 in het geding gebrachte draagkrachtberekening uit van een netto jaarinkomen van € 71.664,--. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de salarisstrook van de man van juli 2018. De vrouw heeft, naast het netto inkomen ad € 5.407,48 per maand, rekening gehouden met de “cost of living” ad € 448,83 die de man maandelijks ontvangt. Daarnaast heeft de vrouw de door de werkgever betaalde premie ziektekosten ad € 111,79 per maand en de premie ongevallenverzekering ad € 3,91 per maand bij het inkomen van de man opgeteld.

5.19

Het hof ziet, anders dan de man, geen reden om de maandelijkse toelage zijnde “cost of living” buiten beschouwing te laten, nu de man deze toelage ook daadwerkelijk ontvangt en er geen sprake is van een vergoeding waartegenover kosten staan.

Voorts ziet het hof aanleiding om de “sickness insurance” die op het salaris wordt ingehouden, bij het inkomen van de man op te tellen. Het gaat hier immers om premie ziektekosten die via een inhouding op het salaris wordt voldaan. De ingehouden premie ongevallenverzekering zal het hof, anders dan de premie ziektekosten, niet bij het inkomen van de man optellen, nu deze premie beschouwd kan worden als een reguliere inhouding.

Nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij geen vakantiegeld ontvangt, stelt het hof het netto jaarinkomen van de man – gebaseerd op de salarisstrook van augustus 2018 – vast op (afgerond) € 71.696,-- [12x (€ 5.387,78 + € 447,18 + € 139,74)] ofwel op € 5.974,67 per maand.

B. Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

De man is na de breuk tussen partijen in de (voormalige) echtelijke woning van partijen blijven wonen, welke woning op 22 mei 2018 is verkocht en geleverd. De man heeft met ingang van 15 maart 2018 een huurwoning betrokken. Aldus maakt het hof een onderscheid in drie periodes, te weten:

(1) de periode van 9 februari 2018 tot 15 maart 2018 (alleen hypothecaire lasten);

(2) de periode van 15 maart 2018 tot 22 mei 2018 (hypothecaire lasten én huurlasten);

(3) de periode met ingang van 22 mei 2018 (alleen huurlasten).

Uit het door de man overgelegde hypotheekoverzicht (journaalbericht d.d. 1 oktober 2018, bijlage 22) blijkt dat de hypotheekrente € 624,-- per maand bedraagt en dat de man € 937,-- per maand aan aflossing op de hypothecaire schuld betaalt. De huurlast van de man bedraagt onweersproken € 949,-- per maand. Het hof zal met deze lasten rekening houden, doch voor wat betreft de aflossing houdt het hof slechts rekening met de helft, derhalve met een bedrag ad € 468,50. Daartoe is van belang dat, zoals uit rov. 5.34 blijkt, de vrouw in het kader van de verdeling de helft van deze lasten voor haar rekening dient te nemen. Aldus houdt het hof rekening met de volgende lasten:

€ 949,-- aan huur (met ingang van 15 maart 2018);

€ 624,-- aan hypotheekrente, nu de man de volledige hypotheekrente, derhalve ook het aandeel van de vrouw in de te betalen hypotheekrente, voor zijn rekening neemt en onbetwist is dat de man geen hypotheekrenteaftrek kan realiseren (9 februari 2018 tot 22 mei 2018);

€ 468,50 (zijnde ½ van € 937,--) aan aflossing (9 februari 2018 tot 22 mei 2018);

€ 95,-- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten (9 februari 2018 tot 22 mei 2018).

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 139,74 aan premie ziektekosten, zijnde de premie die via het salaris wordt ingehouden;

€ 5,57 aan aanvullende premie ziektekosten, waarvan partijen ter zitting zijn overeengekomen dat deze premie € 66,81 per jaar – en dus niet per maand – bedraagt;

€ 58,96 aan overige zelf betaalde, niet vergoede ziektekosten (zijnde op jaarbasis gemiddeld [(€ 717,-- + € 698,--) : 2] of wel € 707,50);

minus € 35,--, zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande. Het ziet geen aanleiding om, anders dan gebruikelijk, dit bedrag niet in mindering te brengen op de ziektekosten.

Het hof houdt geen rekening met een verplicht eigen risico ad € 385,-- per jaar, nu niet is gebleken of inzichtelijk gemaakt dat deze kosten niet reeds zijn verdisconteerd in het hierboven meegenomen bedrag ad € 58,96 per maand.

Premie inkomensvoorzieningen

Partijen zijn het erover eens dat, anders dan de rechtbank heeft gedaan, geen rekening gehouden dient te worden met een bedrag van € 50,-- per maand aan premies inkomensvoorzieningen.

Vaststelling van de alimentatie

5.20

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte in vorenbedoelde periodes van achtereenvolgens € 3.843,-- per maand (periode 1), € 2.894,-- per maand (periode 2) respectievelijk € 4.081,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

Tussen partijen is niet in geschil dat dit bedrag niet dient te worden gebruteerd, omdat de man niet belastingplichtig is in Nederland. De draagkracht van de man kan dan ook worden vastgesteld op:

(1) € 2.306,-- per maand (de periode van 9 februari 2018 tot 15 maart 2018);

(2) € 1.736,-- per maand (de periode van 15 maart 2018 tot 22 mei 2018;

(3) € 2.449,-- per maand (de periode met ingang van 22 mei 2018).

Limitering

5.21

De rechtbank heeft ter zake de door de man verzochte limitering als volgt overwogen:

“Voor een limitering van de onderhoudsbijdrage ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen grond. Niet te verwachten valt dat de vrouw, gelet op haar huidige leeftijd (58 jaar) en haar zeer beperkte arbeidsverleden, binnen afzienbare tijd een inkomen zal kunnen genereren waarmee zij kan voor zien in het deel van haar huwelijksgerelateerde behoefte waarin niet door de man wordt voorzien (zijnde 4.200 – 1.566 =) € 2.634,- netto per maand. Dit laat overigens onverlet dat de vrouw er de komende tijd alles aan zal moeten doen, eventueel door middel van bijscholing, om een eigen inkomen te genereren en daarmee zoveel mogelijk zelf in haar behoefte te voorzien.”

5.22

De man grief hiertegen. Nu de vrouw niet daadwerkelijk poogt om in eigen levensonderhoud te voorzien, dan wel nu zij geen inzage heeft gegeven in haar daadwerkelijke inkomsten is er alle reden om de partneralimentatie in duur te beperken dan wel voor een termijn op nihil te stellen. Het ligt immers niet in de verwachting dat de vrouw daadwerkelijk (aantoonbaar) in haar eigen inkomen zal gaan voorzien, als zij daartoe niet gedwongen zal worden.

5.23

De vrouw verweert zich tegen het door de man gestelde. Niet te verwachten is dat zij geheel zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte zal kunnen voorzien. Gelet op het feit dat partijen bijna vijfendertig jaar getrouwd zijn geweest en zij bewust hebben gekozen voor een traditioneel rollenpatroon, is limitering bovendien niet redelijk.

5.24

Het hof overweegt dat de rechter op grond van art. 1:157 lid 3 BW de partneralimentatie kan toekennen onder vaststelling van een termijn. Volgens vaste jurisprudentie gelden voor limitering van de alimentatieduur hoge eisen aan de stelplicht van de alimentatieplichtige en aan de motivering van de rechter (HR 29 september 2006, LJN AY7000). Ingevolge art. 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud, indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden die de man heeft aangevoerd een limitering van de duur van de alimentatieverplichting niet rechtvaardigen, en overweegt daartoe als volgt. Het hof heeft hiervoor overwogen dat het inkomen dat de vrouw thans geacht wordt te verdienen, lager is dan haar huwelijksgerelateerde behoefte. De man heeft voorts niet betwist dat de rolverdeling tijdens het huwelijk traditioneel was in zin dat de man veel werkte en de vrouw voor de kinderen zorgde. Gezien het arbeidsverleden van de vrouw, haar opleiding en haar leeftijd is niet te verwachten dat de vrouw op voorzienbare termijn in een grotere mate dan thans van haar wordt verwacht, in haar levensonderhoud zal kunnen voorzien. Gelet op het voorgaande, zal het hof het verzoek van de man tot limitering van de duur van de alimentatieverplichting afwijzen. Om bovengenoemde redenen ziet het hof evenmin aanleiding om, zoals de man heeft verzocht, de alimentatiebijdrage van de man jegens de vrouw op nihil te stellen of een afbouw te bepalen.

Vergoedingsvordering(en)

5.25

De rechtbank heeft in rov. 2.4.5 van de bestreden beschikking het volgende overwogen:

2.4.5 Staat van aanbrengsten / vergoedingsrechten

Beide partijen hebben hun ‘verzoeken’ ten aanzien van de staat van aanbrengsten en/of vergoedingsrechten ter zitting ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.”

5.26

De man erkent dat partijen hun verzoeken dienaangaande hebben ingetrokken, maar stelt dat hij was overrompeld door de opmerkingen van de rechter. Hij wenst dat alsnog uitspraak wordt gedaan op zijn verzoek. Voor zover het hof van oordeel is dat nu partijen hun verzoeken hebben ingetrokken, geen grief mogelijk is, formuleert de man een zelfstandig verzoek inhoudende om alsnog te oordelen over het door hem gestelde vergoedingsrecht betreffende zijn aanbrengsten ten huwelijk, zoals deze blijken uit de staat van aanbrengsten. Hieruit blijkt dat de man bij huwelijk heeft aangebracht een bedrag van in totaal fl. 39.005,98 (zijnde fl. 34.615,-- + fl. 4.390,98) ofwel (het hof begrijpt:) € 17.700,14 Dit bedrag heeft de man geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning (aankoop en verbouwing). Hij wijst in dit verband ook op het verschil tussen de koopprijs van de voormalige echtelijke woning en de hypothecaire lening van fl. 34.985,70. Aangezien er geen andere gelden waren, heeft de man zijn banktegoed moeten aanwenden om het verschil tussen de koopprijs en de hypothecaire lening bij te leggen voor de aankoop van de woning. Er is in de woning na aankoop nog het nodige geïnvesteerd, dus geconcludeerd kan worden dat het geld van de man zoals vermeld op de staat van aanbrengsten is geïnvesteerd in de woning. De man wil aannemen dat de vrouw haar aanbrengsten ad fl. 5.048,02 eveneens in de voormalige echtelijke woning heeft geïnvesteerd, maar betwist dat zij een erfenis heeft ontvangen ad fl. 25.000,-- (zijnde € 11.344,51) en dus ook dat zij uit de erfenis ontvangen gelden in de woning heeft geïnvesteerd. De man heeft jegens de eenvoudige gemeenschap dan ook een nominaal vergoedingsrecht ter grootte van € 15.409,46. Dit bedrag komt hem uit de overwaarde eerst toe, waarna het restant van de overwaarde bij helfte verdeeld dient te worden.

Indien de man zijn vordering niet op de eenvoudige gemeenschap kan verhalen, omdat de waarde daartoe niet toereikend is, wenst hij de helft van hetgeen hij niet op de gemeenschap verhalen, te verhalen op de vrouw. De man verzoekt zulks ook op te nemen in de uitspraak.

5.27

De vrouw is primair van mening dat de man afstand van recht heeft gedaan. De man (en ook de vrouw) heeft het verzoek ter zake onvoorwaardelijk ingetrokken. De vrouw is dan ook van mening dat de man niet kan worden ontvangen in zijn verzoek. Ter zitting wijst de vrouw in dit verband op een uitspraak van dit hof van 3 juli 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2795) en een uitspraak van de Hoge Raad van 23 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:281). Voor zover het hof van oordeel is dat dit wel het geval is, wenst ook de vrouw haar in eerste aanleg ingetrokken verzoek (opnieuw) voor te leggen. Alsdan verzoekt de vrouw vergoeding van het bedrag dat zij uit eigen middelen in de eerste woning van partijen heeft geïnvesteerd, zijnde fl. 30.048,02 (fl. 5.048,02 aanbrengsten + fl. 25.000,-- uit erfenis) of wel € 13.635,20.

De vrouw betwist dat de man met de ten huwelijk gebrachte gelden een bedrag van fl. 34.985,70 heeft betaald om de echtelijke woning in eigendom te kunnen verwerven. Hij heeft niet aangetoond dat dit bedrag daadwerkelijk van zijn privérekening is betaald. De vrouw weet niet meer hoe de woning is bekostigd, maar haar spaargeld ad fl. 5.048,02 is in ieder geval aangewend voor de aankoop.

De vrouw wil er wel vanuit gaan dat de man het door hem ten huwelijk aangebrachte bedrag in de woning is geïnvesteerd, indien hij de investeringen van de vrouw in de woning ook erkent. Alsdan bedraagt de meerinvestering van de man hooguit (het hof begrijpt:) € 4.064,90. De overwaarde is toereikend om beide vorderingsrechten te voldoen.

5.28

Het hof overweegt dat het de man (en de vrouw) vrij staat om een in eerste aanleg ingetrokken verzoek (opnieuw) aan het hof voor te leggen. Daartoe is van belang dat het hier een verzoek betreffende een nevenvoorziening behelst in de zin van art. 827 lid 1 Rv. Dergelijke verzoeken kunnen ook voor het eerst in hoger beroep worden gedaan, aldus Hoge Raad 7 april 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA5410) en Hoge Raad 23 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB0201).

De verwijzing van de vrouw naar de hierboven in rov. 5.27weergegeven jurisprudentie kan haar niet baten, nu aldaar werd teruggekomen op een eerder tussen partijen bereikte overeenstemming en daarvan thans geen sprake is. Aldus zal het hof het verzoek van de man, en daarmee tevens het verzoek van de vrouw, inhoudelijk beoordelen.

5.29

Partijen hebben een eenvoudige gemeenschap van woning. Bij verdeling hiervan, heeft iedere echtgenoot in beginsel recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed (Hoge Raad 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938). De vrouw heeft de stelling van de man dat hij een bedrag uit privévermogen ten behoeve van de verkrijging van de woning heeft besteed voldoende gemotiveerd betwist. Uit het gegeven dat er voor de aankoop van de woning eigen middelen ten bedrage van fl. 34.985,70 nodig waren, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat deze gelden afkomstig zijn geweest van de aanbrengst van de man van fl. 39.005,98 (of anderszins uit een eventueel privévermogen van de man), terwijl de vrouw heeft verklaard dat ook zij eigen middelen heeft aangewend voor de aankoop van de woning. Bankafschriften van de man (maar ook van de vrouw) rond de datum van levering waaruit blijkt dat er concrete bedragen van privérekeningen naar de notaris zijn gegaan ontbreken. Evenmin kan uit de stukken worden herleid welke investeringen in de woning zijn gedaan en welke specifieke gelden daarvoor zijn aangewend. In dit oordeel heeft het hof betrokken dat de vrouw ter zitting onweersproken heeft gesteld dat van de gelden van partijen ook de notaris is betaald en er roerende zaken zijn aangeschaft.
Hetzelfde geldt voor de door de vrouw gestelde ontvangen erfenis. Zo de vrouw al een erfenis heeft ontvangen, dan staat daarmee nog niet vast dat deze gelden zijn geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning van partijen. Nu aldus niet kan worden vastgesteld wie welke bedragen uit zijn/haar privévermogen ten behoeve van de verkrijging/investering van de (voormalige) echtelijke woning heeft besteed, zal het hof de verzoeken van zowel de man (zoals geformuleerd onder punt 3 van zijn petitum) als de vrouw (zoals geformuleerd onder punt 4 van haar petitum) afwijzen.

Aflossing op de hypotheekschuld

5.30

De rechtbank heeft in rov. 2.4.3 het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van de man, omdat een juridische grondslag daarvoor ontbreekt. Feit is dat de man met eigen middelen heeft afgelost op een schuld waarvoor de vrouw ook hoofdelijk aansprakelijk is, zodat ook de vrouw daarmee is gebaat. De rechtbank zal dan ook bepalen dat het bedrag, dat de man over de periode van 1 juni 2016 tot aan de datum van levering van de woning bij de notaris op de hypotheekschuld heeft afgelost, aan de man moet worden uitgekeerd, en dat de resterende overwaarde fiftyfifty tussen partijen dient te worden verdeeld.”

5.31

De vrouw stelt dat de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de man al vanaf eind 2015 alleen in de woning woont. De aflossing op de hypotheek is bij de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 mei 2016 betreffende voorlopige voorzieningen, geheel ten laste van de draagkracht van de man gebracht als gevolg waarvan de vrouw een lagere bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ontving. Via deze lagere alimentatie betaalt de vrouw aldus indirect mee aan alle hypothecaire – en eigenaarslasten. Met ingang van 1 augustus 2016 heeft de vrouw ook eigen woonlasten, zodat zij in feite anderhalf keer woonlasten draagt. De vrouw acht het niet redelijk en billijk om in de periode waarin de man het exclusief gebruik van de woning heeft, de vrouw via alimentatie mee te laten betalen aan de hypotheekaflossingen en haar vervolgens nog eens te laten meebetalen aan deze aflossingen door de man een vergoedingsrecht toe te kennen ten laste van de gemeenschap.

5.32

De man erkent dat met de verplichte aflossing op de hypotheekschuld rekening is gehouden bij de berekening van zijn draagkracht in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar hij betwist dat de vrouw daardoor dubbel betaalt. De vrouw heeft er voordeel van dat de man maandelijks heeft afgelost op de hypotheekschuld, daar dit heeft geleid tot een hogere overwaarde. De maandelijkse verplichte aflossingen op de hypothecaire schuld, hebben nu eenmaal zijn draagkracht beïnvloed, zodat het logisch is dat daarmee bij de bepaling van zijn draagkracht rekening is gehouden. Onjuist is dat de vrouw in feite anderhalf keer woonlasten draagt. De vrouw leverde immers geen bijdrage in de rente- en aflossingsverplichtingen. Als de vrouw al meebetaald zou hebben, dan is dit niet voor de helft en heeft de man nog altijd een vergoedingsrecht. Hooguit zou gesteld kunnen worden dat zij voor een klein percentage bijgedragen zou hebben door een lagere alimentatie.

5.33

Het hof stelt allereerst vast dat de grief van de man enkel betrekking heeft op de door hem betaalde aflossing en niet op de door hem betaalde hypotheekrente, met welke rente in het kader van de partneralimentatie door het hof rekening is gehouden. Het hof overweegt vervolgens als volgt. Feit is dat de man met eigen middelen heeft afgelost op een schuld waarvoor de vrouw ook hoofdelijk aansprakelijk is. Op grond van art. 6:10 lid 1 BW is de vrouw gehouden voor de helft bij te dragen in de schuld en de kosten van de echtelijke woning die partijen gezamenlijk toebehoort. Nu de man niet de helft maar de volledige voormelde kosten heeft voldaan, heeft de man voor dat meerdere een vordering op de vrouw.
Op grond van art. 6:2 lid 1 BW zijn partijen verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en is op grond van lid 2 van genoemd wetsartikel een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval niet maken dat het naar die maatstaven onaanvaardbaar is dat de vrouw de helft van de aflossingen alsnog dient te voldoen aan de man en dat moet worden afgeweken van het algemene uitgangspunt dat ieder voor de helft dient bij te dragen. De man heeft dan ook recht op de helft van het bedrag dat hij over de periode van 1 juni 2016 tot aan de datum van levering van de echtelijke woning bij de notaris op de hypotheekschuld heeft afgelost. Dit betekent dat bij de verdeling van de overwaarde die resteert na aflossing van de hypotheekschuld, van het aandeel van de vrouw derhalve éérst een bedrag afgaat ter hoogte van de helft van de aflossingen over genoemde periode, welk bedrag er dus bij de man bijkomt.
Indien en voor zover de overwaarde hiervoor niet toereikend is, heeft de man een vordering op de vrouw. Bij de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, houdt het hof geen rekening met hetgeen de rechtbank in de voorlopige voorzieningen d.d. 4 mei 2016 ten aanzien van de door de man (voorlopig) aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft overwogen. Het feit dat in die beschikking houdende voorlopige voorzieningen bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening is gehouden met de gehele aflossing, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het staat de vrouw vrij om desgewenst een wijziging van de voorlopige voorzieningen te vragen. Het hof wijst in dit verband op de mogelijkheid om op de voet van art. 824 lid 2 Rv wijziging van een eerdere voorlopige voorziening te vragen, óók na afloop van de periode waarop deze betrekking heeft (zie onder meer HR 15 april 1977, NJ 1978, 162; Hof ’s-Gravenhage 14 november 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007: BC0731 en Hof ’s-Gravenhage, 1 februari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8010).

Hypotheekrente, eigenaarslasten en gebruiksvergoeding

5.34

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van 4 mei 2016 de hypothecaire lasten en eigenaarslasten voor zijn rekening dient te nemen en daarnaast aan de vrouw op grond van art. 3:169 BW juncto art. 1:165 BW en art. 822 aanhef en onder a Rv een gebruiksvergoeding moet voldoen. Deze vergoeding dient te worden berekend op 4% van de helft van de overwaarde van de woning, te rekenen vanaf de datum waarop aan de man het uitsluitend gebruik van de woning is toegekend (of wel 4 mei 2016).

5.35

De man stelt dat de hypotheekrente en eigenaarslasten voor rekening van beide partijen komen, nu beiden eigenaar zijn van de woning. Voorts stelt de man dat de door hem voor de vrouw betaalde lasten in de draagkrachtberekening verwerkt moeten worden.

De man verweert zich voorts tegen de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding. Hij voert in de eerste plaats aan dat, nu partijen al niet meer samenwoonden op het moment dat aan hem het uitsluitend gebruik voor een periode van 6 maanden na datum inschrijving van de echtscheiding is toegekend, de vrouw geen gebruiksvergoeding toegekend kan worden. Voorts is de man van mening dat als de vrouw een gebruiksvergoeding had gewild over de periode van de werking van de voorlopige voorzieningen, zij zulks eerder had moeten verzoeken. De man acht het voorts in strijd met de redelijkheid en billijkheid om alsnog achteraf een gebruiksvergoeding vast te stellen.

Een gebruiksvergoeding van 4% van de helft van de overwaarde is niet reëel. Hij stelt dat er thans helemaal geen rente meer wordt vergoed op een positief saldo, zodat aan de vrouw geen vergoeding toekomt. Zij heeft immers geen vermogensschade geleden.

5.36

Het hof overweegt als volgt.

Het hof constateert dat de man steeds alle hypotheekrente en eigenaarslasten heeft betaald, dat hij ter zake van deze kosten geen regresvordering tegen de vrouw heeft ingediend en dat hij de volledige door hem betaalde hypotheekrente en eigenaarslasten meegenomen heeft in de draagkrachtberekening (die het hof op dit punt, zoals onder rov. 5.19 is gebleken, heeft gevolgd). Uit de handelwijze van de man leidt het hof af, mede gelet op artikel 6:10 BW en HR 11 oktober 1991, NJ 1992, 600, dat deze schulden in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw, kennelijk de man aangaan. Gelet hierop slaagt het onderdeel van de grief van de vrouw dat betrekking heeft op de hypotheekrente en de eigenaarslasten.

Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door de vrouw worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:169 BW (onder andere: HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA9143 en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is de andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de man gehouden is om – voor de periode dat hij de echtelijke woning met uitsluiting van de vrouw gebruikt – aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw vanaf 4 mei 2016 niet meer in de woning verbleef en de man de woning met uitsluiting van de vrouw gebruikt. Het hof zal daarom het verzoek om een gebruiksvergoeding toewijzen tot aan het moment dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde (22 mei 2018). Hetgeen de man aanvoert leidt niet tot een ander oordeel, in het bijzonder is toekenning van de vergoeding achteraf niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, nu artikel 3:169 BW daarvoor geen beletsel vormt, de gebruiksvergoeding voorts eenvoudig verrekend kan worden bij de verdeling van de overwaarde en de man overigens onvoldoende heeft onderbouwd waarom toekenning van de vergoeding in dit geval in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ook dit onderdeel van de grief slaagt derhalve.

Het hof acht het ten aanzien van de hoogte van de gebruiksvergoeding redelijk om deze vast te stellen op 2,5% van de helft van de overwaarde, zijnde 2,5% van de helft van (de onbetwist door de vrouw gestelde overwaarde ad) € 107.509,54 of wel € 1.343,86 per jaar dan wel € 111,99 per maand.

Verrekening spaargeld

5.37

De rechtbank heeft het volgende overwogen in rov. 2.4.4 van de beschikking van 17 augustus 2017:

“2.4.4 Verrekening

Partijen hebben niet jaarlijks met elkaar verrekend, zodat ingevolge artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek het nog wel aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Ter zitting hebben partijen erkend dat dit vermogen wordt gevormd door enerzijds het (positieve) saldo op de bankrekening bij ABN Amro op naam van de man (eindigend op [nummer 1] ) van € 328,77 en anderzijds de (positieve) saldi op de bankrekeningen bij de Rabobank op naam van de vrouw (eindigend op [nummer 2] en [nummer 3] ) van € 5.000,- respectievelijk € 1.361,80, zijnde in totaal € 6.361,80. Het totale vermogen bedraagt daarmee € 6.690,57, waarvan de helft aan ieder der partijen toekomt. Dit betekent dat de vrouw in het kader van de verrekening nog een bedrag van (6.391,80 – 3.345,29 =) € 3.016,51 aan de man dient te voldoen, zodat de rechtbank aldus zal beslissen.”

5.38

De vrouw grieft hiertegen. Zij stelt dat partijen het gezamenlijke spaargeld reeds in 2015 met elkaar hebben verrekend. De man heeft in zijn verweerschrift onder punt 10 gesteld dat hij de helft van het spaartegoed op de rekening van de vrouw heeft gestort. Uit art. 7 huwelijkse voorwaarden volgt dat slechts verrekend hoeft te worden over de periode dat partijen samenwoonden. Nu partijen aan het eind van hun samenwoning het spaargeld hebben verdeeld, valt er niets meer te verrekenen.

5.39

De man stelt dat het juist is dat de hij de helft van het spaartegoed van partijen op de eigen rekening van de vrouw heeft gestort in de periode van 26 november 2015 tot 29 februari 2016. De vrouw legt art. 7 huwelijkse voorwaarden evenwel onjuist uit. Als peildatum heeft te gelden de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, zodat aldus op dat moment bekeken moet worden wat op ieders rekening het positieve saldo is geweest. Aldus heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vrouw aan de man in het kader van de verrekening nog een bedrag dient te voldoen van € 3.016,51.

5.40

Het hof overweegt als volgt. Uit art. 7 van de huwelijkse voorwaarden volgt niet dat slechts verrekend hoeft te worden over de periode dat partijen samenwoonden. Vaststaat dat partijen niet jaarlijks met elkaar hebben verrekend, zodat ingevolge art. 1:141 lid 3 BW het nog wel aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Weliswaar was het aanwezige vermogen, voor zover hier relevant, op de peildatum € 6.690,57 (zoals door de rechtbank vastgesteld), maar betrof dit vermogen dat partijen al verrekend hadden. Partijen zijn namelijk zelf al tot de verrekening overgegaan waartoe art. 1:141 lid 3 BW hen zou nopen. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de man reeds de helft van het spaartegoed van partijen op de rekening van de vrouw heeft gestort en wel in de periode van 26 november 2015 tot 29 februari 2016. Op deze wijze hebben partijen al uitvoering gegeven aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden c.q. art. 1:141 lid 3 BW, op dat punt. Partijen hebben met wederzijdse instemming het saldo van de spaartegoeden reeds verrekend en de vrouw heeft uit de overboeking door de man van de helft van deze tegoeden op haar rekening ook mogen begrijpen en er ook op mocht vertrouwen, dat de man instemde met de consequenties van deze verrekening. Uit de tussen partijen bereikte overeenstemming kan niet anders worden begrepen dan dat partijen ter zake (de verrekening van) deze spaartegoeden over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Nu partijen aldus op dit punt reeds uitvoering hebben gegeven aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden c.q. art. 1:141 lid 3 BW, slaagt de grief van de vrouw.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen, en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

in zaaknummer 200.225.535/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 augustus 2017, voor zover daarbij is bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud dient te betalen € 1.566,-- per maand en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:

- € 2.306,-- per maand met ingang van 9 februari 2018 tot 15 maart 2018;

- € 1.736,-- per maand met ingang van 15 maart 2018 tot 22 mei 2018;

- € 2.449,-- per maand met ingang van 22 mei 2018, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

in zaaknummer 200.226.101/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 augustus 2017, voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden aan de man moet betalen € 3.016,51 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de man strekkende tot verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden;

bepaalt dat de man met ingang van 4 mei 2016 de hypothecaire lasten en eigenaarslasten voor zijn rekening dient te nemen;

bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning met ingang van 1 juni 2016 tot aan 22 mei 2018 op € 111,99 per maand;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, G.J. Vossestein en K. Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 21 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.