Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.234.867_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind.

Mentorschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 21 februari 2019

Zaaknummer: 200.234.867/01

Zaaknummers eerste aanleg: 5967004 OV VERZ 17-5384, 6067032 OV VERZ 17-6759, 6067066 OV VERZ 17-6760

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: voorheen mr. D.M. Terpstra, thans zonder procesvertegenwoordiging,

In deze zaak worden als belanghebbenden aangemerkt:

  • -

    ZEKER Financiële Zorgverlening B.V.,
    gevestigd te [vestigingsplaats] ,
    hierna te noemen: de bewindvoerder

  • -

    Stichting Mentorschap Midden en Noordoost Brabant,
    gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de mentor;

- [de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de dochter.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 6 december 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 6 maart 2018, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, het bewind over de goederen van de rechthebbende op te heffen en het mentorschap voor de rechthebbende te beëindigen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens de bewindvoerder: [de uitvoerend bewindvoerder] (hierna te noemen: de uitvoerend bewindvoerder);

  • -

    de dochter.

2.3.1.

Aan [schoonvader van de dochter] , schoonvader van de dochter, is bijzondere toegang verleend. Hij is als toehoorder ter zitting aanwezig geweest.

2.3.2.

De rechthebbende en de mentor zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 21 maart 2018, ontvangen op 22 maart 2018;

  • -

    de ambtshalve door het hof bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, opgevraagde stukken, te weten de beschikking van 10 april 2015 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, waarbij onder meer het bewind en mentorschap ten behoeve van de rechthebbende is ingesteld, alsmede de in eerste aanleg door de rechtbank op 5 oktober 2017 ter griffie ontvangen brief van mevrouw [uitvoerend mentor] (hierna te noemen: de uitvoerend mentor) van 27 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 10 april 2015 zijn de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren onder bewind gesteld en is [de voormalige bewindvoerder] , vennoot van [Beheer & Advies] Beheer & Advies (hierna te noemen: de voormalige bewindvoerder) tot bewindvoerder benoemd.

Tevens is daarbij een mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende en is [mentor] tot mentor benoemd.

3.2.

Bij beschikking van 14 september 2015 is [mentor] als mentor ontslagen en is Stichting Mentorschap Midden en Noordoost Brabant, hiervoor genoemd, tot opvolgend mentor benoemd.

3.3.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
- met ingang van 1 januari 2018 de voormalige bewindvoerder ontslagen;

- met ingang van 1 januari 2018 de bewindvoerder benoemd;

- het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind en mentorschap afgewezen.

3.4.

De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover haar verzoek om opheffing van het bewind en mentorschap is afgewezen, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De rechthebbende voert - kort samengevat – het volgende aan.

De rechthebbende acht zichzelf goed in staat om haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Zij vraagt zelf toeslagen en bijzondere bijstand aan. Zij verricht vrijwilligerswerk en is op oproepbasis overblijfkracht. De rechthebbende heeft geen schulden en er zijn geen concrete aanwijzingen voor het ontstaan daarvan in het geval van opheffing van het bewind. Zij is zeer alert op haar inkomsten en uitgaven.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de rechthebbende verzocht ter zake een medische verklaring in het geding te brengen. De rechthebbende kan de kosten die daarmee gemoeid zijn echter niet opbrengen. De rechthebbende verzoekt een deskundigenonderzoek te gelasten en te bepalen dat de kosten daarvan ten laste van het Rijk komen. Dit heeft de rechthebbende in eerste aanleg al verzocht, maar de rechtbank heeft daarop niet beslist.

De rechthebbende ervaart geen meerwaarde in het mentorschap. Zorgen, problemen en ervaringen kan de rechthebbende delen met haar eigen sociale netwerk.

3.6.

Namens de bewindvoerder is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Bij de aanvang van zijn werkzaamheden kon de uitvoerend bewindvoerder de rechthebbende nog goed te woord staat. Er was rust en met de rechthebbende ging het goed. In de zomer heeft de uitvoerend bewindvoerder nog belastingaangifte gedaan waarna een teruggave volgde van circa € 750,-. In oktober was dat bedrag helemaal uitgegeven en daarna is het misgegaan.:de rechthebbende viel de uitvoerend bewindvoerder lastig, belde hem iedere dag en schold hem daarbij ook uit. Hierop heeft de de uitvoerend bewindvoerder besloten de telefoon niet meer te beantwoorden. Daarop heeft de rechthebbende het hoofdkantoor gebeld en de uitvoerend bewindvoerder beschuldigd van seksuele intimidatie. Sinds die tijd heeft hij geen contact meer gehad met de rechthebbende. De uitvoerend bewindvoerder zorgt dat de rechthebbende haar weekgeld krijgt en dat alle rekeningen worden betaald. Hij is ondanks het ontbreken van contact met de rechthebbende in staat zich van zijn taken te kwijten, maar is van mening dat enige vorm van begeleiding van de rechthebbende van groot belang is om verder afglijden van haar te voorkomen, om hem in staat te stellen ook in de toekomst zijn werk te kunnen blijven doen. De uitvoerend bewindvoerder is van mening dat curatele eigenlijk een meer passende maatregel zou zijn. In ieder geval dienen het bewind en mentorschap in het belang van de rechthebbende gehandhaafd te worden.

De uitvoerend mentor, mevrouw [uitvoerend mentor] , heeft ook ervaren dat het steeds slechter gaat met de rechthebbende en zij heeft naar aanleiding van verbale en fysieke bedreigingen door de rechthebbende haar werkzaamheden neergelegd. Het centrale kantoor pakt de zaak nu verder op. De bewindvoerder weet niet of een andere uitvoerend mentor van de stichting aan de rechthebbende zal worden toegewezen, dan wel of om ontslag van de stichting als mentor en benoeming van een opvolgend mentor zal worden verzocht.

De rechthebbende heeft momenteel geen schulden.

3.7.

De dochter voert – kort samengevat – het volgende aan.

De dochter en de rechthebbende hebben jarenlang geen contact met elkaar gehad. Recent heeft de rechthebbende weer contact opgenomen met de dochter. Op basis van de ervaringen van de dochter met de rechthebbende in het verleden is zij van mening dat het bewind en mentorschap zeer noodzakelijk zijn. Over het functioneren van de moeder in de afgelopen circa zestien jaar kan de dochter niets zeggen.

De rechthebbende heeft altijd veel steun gehad aan haar psychiater, [psychiater] , die de situatie lange tijd stabiel kon houden. De dochter denkt dat de rechthebbende nu wellicht gebaat is bij een meer gedwongen vorm van hulpverlening.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

De rechtbank heeft in de beschikking van 10 april 2015 waarbij het bewind en mentorschap ten behoeve van de rechthebbende zijns ingesteld overwogen dat uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat de rechthebbende als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, reden waarom de rechter het verzoek tot onderbewindstelling en het instellen van het mentorschap heeft ingewilligd.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.

3.8.3.

Ingevolge artikel 1:462 lid 2 BW kan de kantonrechter het mentorschap opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of degene die gerechtigd is het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451 BW, alsmede ambtshalve.

3.8.4.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat er, anders dan de rechthebbende meent, geen gronden zijn om het bewind en het mentorschap op te heffen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De rechthebbende is een vierenvijftigjarige vrouw met een langdurige geschiedenis van diverse persoonlijke en psychiatrische problematiek. Daarnaast heeft de rechthebbende een zwakke fysieke gezondheid.

De rechthebbende stond lange tijd onder behandeling van psychiater [psychiater] . Sinds medio 2017 gaat het slechter met de rechthebbende en heeft zij een problematische relatie met haar hulpverleners en de (voormalige) uitvoerend bewindvoerder en de uitvoerend mentor ontwikkeld. Uit het verslag van de uitvoerend mentor van 20 juni 2017 blijkt dat de rechthebbende niet meer begeleidbaar is, medicatie weigert en geen afspraken meer wil maken met de psychiater. De rechthebbende heeft de (voormalige) uitvoerend bewindvoerder en de uitvoerend mentor (ernstig) bedreigd en lastig gevallen. Een en ander heeft ertoe geleid dat de uitvoerend mentor haar taken heeft neergelegd. De uitvoerend bewindvoerder vindt dat hij nog voldoende zijn taken kan uitoefenen, maar dat enige vorm van begeleiding van de rechthebbende (zoals het mentorschap) noodzakelijk is om verder afglijden te voorkomen en hem in staat te stellen ook in de toekomst zijn werk te kunnen blijven doen. Tevens is hij van mening dat curatele eigenlijk meer passend zou zijn in deze situatie. Ook de dochter acht op basis van haar ervaring met de betrokkene, destijds in haar rol als moder, van belang dat zij de nodige begeleiding krijgt.

3.8.5.

De rechtbank heeft de rechthebbende nog in de gelegenheid gesteld stukken in het geding te brengen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij (weer) voldoende wilsbekwaam is om haar niet-vermogensrechtelijke en vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De behandelaar respectievelijk huisarts van de rechthebbende bleek echter niet bereid of in staat zich hierover uit te laten.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voor het hof voldoende aannemelijk geworden dat de rechthebbende nog steeds niet in staat is of bemoeilijkt wordt tijdelijk of duurzaam zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. Het hof heeft dan ook geen behoefte aan een deskundigenonderzoek, zoals verzocht.

3.8.6.

Het hof overweegt hierbij dat de uitvoerend bewindvoerder ter zitting van het hof uitvoerig heeft verklaard over de situatie rondom de rechthebbende, voor welke verklaring het hof steun vindt in de stukken, en welke verklaring overigens onbetwist is gebleven nu de rechthebbende niet ter zitting van het hof is verschenen en ook haar advocaat zich reeds voor de zitting had onttrokken. Het hof kan derhalve enkel concluderen dat de zorgen over de geestelijke toestand van de rechthebbende fors zijn.

Het hof ziet op basis van de enkele niet-onderbouwde stelling van de rechthebbende dat zij zichzelf goed in staat acht om zelf haar belangen van vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke aard waar te nemen geen aanleiding om anders te oordelen.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtiging, voor zover het hoger beroep daartegen is gericht.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 6 december 2017, voor zover het hoger beroep daartegen is gericht;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.A.R.M. van Leuven en E.H. Schijven-Bours en is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.