Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:601

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.218.626_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht, afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/55
JPF 2019/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 februari 2019

Zaaknummer: 200.218.626/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/219640/ FA RK 16-1274

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. Keybeck,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.J.A.F. Beulen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2017, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen (behoudens hetgeen is beslist met betrekking tot de verkoop van de echtelijke woning) en opnieuw rechtdoende:

1. de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap vast te stellen conform de opgave van de vrouw in onderhavige procedure dan wel conform een door het hof vast te stellen opgave, waarbij dient te worden verdeeld de echtelijke woning en de inboedel en waarbij de man aan de vrouw nog dient te betalen een bedrag van € 207.490,59 ter zake van door de vrouw van haar ouders ontvangen schenkingen alsmede een bedrag van € 85.186,-- ter zake van de verkoop van kunst alsmede een bedrag van € 4.241,-- ter zake van de aan de man toegedeelde [het bedrijf] aandelen.

2. de man te veroordelen om aan de vrouw af te geven alle stukken – of goed leesbare kopieën daarvan – die zij nodig heeft om te kunnen beoordelen wat de hoogte is van het door de man aan haar te restitueren overgehevelde vermogen en om te kunnen beoordelen wat de hoogte is van haar vordering op de man in verband met de door de (?) man aan de stichting [Art Foundation] Art Foundation verkochte kunst van partijen. Meer in het bijzonder dient de man ervoor zorg te dragen dat de vrouw de beschikking krijgt over de volgende stukken:

  • -

    de bankafschriften van alle privé-bankrekeningen van de man vanaf 21 december 1989 tot 30 april 2009 en al zijn belastingaangiftes en –aanslagen tijdens de huwelijkse periode, en

  • -

    de getekende exemplaren van de overeenkomsten met de stichting [Art Foundation] Art Foundation in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2015.

3. de man te veroordelen om alle nodige medewerking – waaronder begrepen de verstrekking van een volmacht aan de vrouw – voor het opvragen van (afschriften van) ontbrekende stukken die zij nodig heeft en de terhandstelling daarvan aan haar.

4. de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling zoals vermeld onder punt 2 en 3.

5. te bepalen dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is en dat partijen dienovereenkomstig dienen over te gaan tot verevening.

6. althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2017, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Keybeck;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Beulen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen (productie 4 en 5) van de advocaat van de vrouw d.d. 8 juni 2018;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de vrouw overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 1 november 1985 te Neerijnen met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

3.1.1.

De huwelijkse voorwaarden bepalen onder meer het volgende:

Artikel 1.

1. Tussen de echtgenoten zal slechts bestaan een gemeenschap van inboedel, zodat elke andere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap wordt uitgesloten.

2. Onder inboedel wordt verstaan: alle goederen welke dienen tot stoffering en meubilering van de gemeenschappelijke woning, alle aan de gemeenschappelijke huishouding dienstbare goederen, een en ander met uitzondering van boekerijen, verzamelingen van postzegels en van voorwerpen van kunst en wetenschap, van de papieren en gedenkstukken, bijzonder tot de familie van een van de echtgenoten betrekkelijk, alsmede van goederen welke dienstbaar zijn aan het beroep of de onderneming van een der echtgenoten.

Artikel 2.

Tot de huwelijksgemeenschap zullen mitsdien ook behoren de inboedelgoederen welke door de echtgenoten ten huwelijk worden aangebracht, welke door hen gedurende het bestaan der gemeenschap door erfenis, legaat, lastbevoordeling of schenking worden verkregen, ongeacht de waarde daarvan en die, welke door hen gedurende het bestaan der gemeenschap worden verkregen onder bezwarende titel. Indien terzake van de verkrijging van inboedelgoederen een tegenprestatie wordt voldaan uit eigen goederen van een echtgenoot heeft zulks niet het ontstaan van een vergoedingsrecht tot gevolg.

(…)

Artikel 10.

Na echtscheiding zal tussen partijen in geen geval in verrekening worden gebracht de waarde van vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken.

(…)”

3.2.

Op 3 september 2015 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 22 augustus 2016 is daarop de echtscheiding uitgesproken.

De echtscheidingsbeschikking is op 22 september 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden (eind)beschikking van 31 maart 2017 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht bepaald dat partijen gehouden zijn hun volledige medewerking te geven aan de verkoop aan een derde van de woning aan de [adres] te [plaats] , dat na de verkoop de hypothecaire geldlening wordt afgelost en dat na aftrek van de verkoopkosten van het restant aan de man allereerst een bedrag van € 15.000,- toekomt en het restant per datum levering van de woning aan een derde bij helfte moet worden verdeeld.

Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover daarbij haar verzoeken in eerste aanleg met betrekking tot de kunstvoorwerpen, schenkingen, inboedel, [het bedrijf] aandelen en pensioenrechten, zijn afgewezen.

3.5.

De vrouw heeft vijf grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep.

De grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    kunst (grief 1);

  • -

    schenkingen (grief 2);

  • -

    [het bedrijf] aandelen (grief 3);

  • -

    pensioenrechten (grief 4);

De vijfde grief betreft een zogenoemde veeggrief die geen afzonderlijke bespreking behoeft.

3.6.

Het hof zal de grieven hierna bespreken.

Kunst (grief 1)

3.7.1.

Grief 1 richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man ter zake van de door hem aan de Stichting [Art Foundation] Art Foundation te [vestigingsplaats] (hierna: de Stichting) verkochte kunstvoorwerpen aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 85.186,--.

De rechtbank overwoog in de beschikking van 31 maart 2017:

“3.2. (…) De vrouw heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat ook kunstvoorwerpen aan de [Art Foundation] (Stichting [Art Foundation] Art Foundation – hof) zijn verkocht die aan partijen gezamenlijk of aan haar in privé toebehoorden, en dat de man om die reden een bedrag van € 85.186,-- aan haar dient te vergoeden.”

3.7.2.

Ter onderbouwing van haar grief heeft de vrouw het volgende aangevoerd.

Zij heeft wel degelijk onderbouwd dat de man zonder haar toestemming kunstwerken van partijen heeft overgedragen aan de Stichting voor een bedrag van € 170.372,--. De vrouw wijst in dit verband op een conceptovereenkomst die zij in eerste aanleg heeft overgelegd als productie 26. Het betreft een conceptovereenkomst tussen partijen en de Stichting. Daarin is expliciet opgenomen dat de man en de vrouw kunst aan de Stichting overdragen voor een bedrag van € 170.372,--. Ook is in die overeenkomst expliciet opgenomen dat de man en de vrouw volledig eigenaar zijn van de betreffende kunstwerken.

De vrouw beschikt niet over de definitieve overeenkomst(en) met de Stichting. De man is echter voorzitter geweest van de Stichting. Hij zou op eenvoudige wijze moeten kunnen beschikken over deze overeenkomst(en). Desondanks heeft de man nagelaten de betreffende overeenkomst(en) in het geding te brengen. Daarmee heeft de man de op hem rustende verplichting ex art. 21 Rv (partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, hof) geschonden. De enige juiste gevolgtrekking die uit het niet overleggen van de stukken dient te worden gedaan, is dat door de man aan de Stichting gezamenlijke kunst is overgedragen voor een bedrag van in totaal € 170.372,--. Aangezien de vrouw geen vergoeding heeft ontvangen ten aanzien van haar deel (zijnde de helft), dient de man haar hiervoor alsnog het bedrag van (€ 170.372,-- / 2 =) € 85.186,-- te vergoeden.

3.7.3.

De man heeft de grief weersproken. Hij voert hiertoe het volgende aan.

Van enige vergoeding aan de vrouw kan geen sprake zijn. De man heeft aan de Stichting enkel kunst verkocht die zijn eigendom was. Het gaat om kunstvoorwerpen die zijn gemaakt door zijn familie (moeder en oom). De stichting, door de belastingdienst in 2009 aangewezen als algemeen nut beogende instelling (ANBI), is door de man samen met zijn moeder opgericht. De man heeft in oktober 2010 een schenking gedaan aan de Stichting. Het betrof een schenking van zijn lijfrente van € 34.069,-- waar de man gedurende vijf achtereenvolgende jaren recht op had. In totaal ging het om een bedrag van € 170.345,--. Het geld dat door de Stichting op deze manier van de man is ontvangen gedurende vijf opeenvolgende jaren, is vervolgens deels gebruikt om de kunstwerken die gemaakt zijn door de moeder en oom van de man aan te kopen van de man.

De vrouw heeft tot en met circa eind 2014 de financiële administratieve afwikkeling van de verkoop van de kunstwerken verzorgd. Daarnaast heeft zij, terwijl partijen al niet meer samen woonachtig waren in de voormalige echtelijke woning, nog geholpen met het inpakken en transport van de bewuste kunstwerken. Kortom, de vrouw wist “van de hoed en de rand.” Het bevreemdt de man dan ook dat de vrouw zo halsstarrig naar stukken betreffende de verkoop van de kunstwerken blijft vragen.

3.7.4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat zij recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van de door de man aan de Stichting verkochte kunstwerken, nu deze kunstwerken aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehoorden.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw ook in hoger beroep haar stelling dat de door de man aan de Stichting verkochte kunstwerken aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehoorden niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De enkele in eerste aanleg naar voren gebrachte stelling van de vrouw dat partijen de door de man verkochte kunstwerken gezamenlijk geschonken hebben gekregen van de moeder van de man en van de oom van de man is daartoe - mede in het licht van artikel 1 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden waarin voorwerpen van kunst “bijzonder tot de familie van een van de echtgenoten betrekkelijk” uitdrukkelijk van de gemeenschap van inboedel zijn uitgesloten - onvoldoende. Het had op de weg van de vrouw gelegen verificatoire bescheiden in het geding te brengen die haar stelling in dezen staven (bijvoorbeeld een schenkingsakte). Het concept van de “overeenkomst inzake overdracht kunstwerken” waar naar de vrouw verwijst, toont niet aan dat de door de man - voor het bedrag van € 170.345,- verkochte kunstwerken aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehoorden. Weliswaar staat daarin vermeld dat “partij A” (zijnde de man en de vrouw) “volledig eigenaar” is en bevoegd is “tot overdracht van de betreffende collectie kunstwerken”. Niet kan worden vastgesteld om welke kunstwerken het precies gaat en ook niet of het de door de man verkochte kunstwerken betreft. Bovendien komt de in de conceptovereenkomst vermelde koopsom van € 33.800,-- niet overeen met de door de vrouw gestelde koopsom van € 170.372,-- waarvoor de man kunstwerken aan de Stichting zou hebben verkocht.

Het voorgaande brengt met zich dat de grief van de vrouw faalt. Nu ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat de door de man aan de Stichting verkochte kunstwerken aan partijen gezamenlijk in eigendom hebben toebehoord, ziet het hof, evenals de rechtbank, geen grondslag om de man te verplichten inzage te geven in de overeenkomst die ziet op de verkoop van hem in privé toebehorende kunstwerken. De daartoe strekkende verzoeken van de vrouw zullen daarom worden afgewezen.

Schenkingen (grief 2)

3.8.1.

Grief 2 richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 207.490,59 dient te vergoeden ter zake van aan de vrouw toekomende schenkingen van haar ouders die in het privévermogen van de man zijn gevloeid.

De rechtbank overwoog in de beschikking van 31 maart 2017:

“3.3. Dat de vrouw schenkingen van haar ouders heeft ontvangen is vast komen te staan. Partijen zijn het er echter niet over eens of deze privégelden van de vrouw vervolgens in het vermogen van de man zijn gevloeid. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd concludeert de rechtbank dat door beide partijen over en weer transacties op de bankrekeningen hebben plaatsgevonden en dat de door partijen gestorte-/overgemaakte-/afgehaalde gelden, waaronder ook de schenkingen door de ouders van de vrouw, door partijen gezamenlijk zijn aangewend ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Dat dit anders zou zijn geweest, is door de vrouw niet, althans onvoldoende, aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt in dit verband dat zij in de beschikking van 22 augustus 2016 onder rechtsoverweging 2.4.12. op grond van de eigen stellingen van de vrouw de schenkingen (deels) heeft meegenomen als inkomen bij de vaststelling van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen. De man stelt dat de vrouw middels stortingen heeft bijgedragen in de kosten de van de huishouding, en de vrouw heeft gesteld dat zij naast deze schenkingen geen inkomsten had. Hoe de overboekingen over en weer exact hebben plaatsgevonden is thans niet meer inzichtelijk te krijgen. Op grond van hetgeen partijen te dier zake naar voren hebben gebracht is voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen niet meer beschikken over alle bankafschriften over de periode 1989 / 2009 en komt het de rechtbank aannemelijk voor dat, nu banken slechts gedurende een beperkt aantal jaren afschriften van bankrekeningen bewaren dan wel verstrekken, het thans nog opvragen van (kopieën van) afschriften van de betreffende bankrekeningen over voormelde periode thans ook geen optie meer is. De rechtbank zal de man alleen al om die reden niet veroordelen dergelijke afschriften in het geding te brengen. Wel acht de rechtbank, gelet op de stellingen van partijen, voldoende aannemelijk dat de gelden uit de schenkingen door de vrouw zijn aangewend voor de kosten van de gezamenlijke huishouding. Dat (een deel van) de schenkingen, en zo ja, in welke omvang, daarnaast in het vermogen van de man zijn gevloeid, is door de vrouw niet inzichtelijk gemaakt.”

3.8.2.

Ter onderbouwing van haar grief heeft de vrouw het volgende aangevoerd.

Zij heeft wel degelijk onderbouwd dat zij een vergoedingsrecht jegens de man heeft voor een bedrag van € 207.490,57. Gedurende het huwelijk van partijen ontving de vrouw meerdere schenkingen van haar ouders. In totaal ging het daarbij om een bedrag van € 207.490,57. Partijen hadden met elkaar afgesproken dat de man het vermogen van de vrouw zou beheren, aangezien de man verstand van zaken had en met hun beider vermogen een hoger rendement kon worden behaald. Elke schenking die de vrouw van haar ouders ontving, stortte zij door naar de betaalrekening van de man, waarna de man het geschonken bedrag overboekte naar zijn privé-spaarrekening om rendement te behalen. De vrouw wijst in dit verband naar de door haar in eerste aanleg als producties 24a en 55 overgelegde transacties. Anders dan de man in eerste aanleg heeft betoogd, zijn de schenkingen nimmer aangewend ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Daarvoor was geen noodzaak nu de man gedurende het huwelijk van partijen altijd hoge inkomsten genoot waarvan partijen goed konden leven.

De man dient ex art. 3:173 BW rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van het privévermogen van de vrouw. Dat wil zeggen dat hij inzicht dient te verschaffen in de ter zake dienende ontvangsten en uitgaven op de rekening(en) die hij heeft aangewend ten behoeve van het beheer, met een behoorlijke verantwoording. Zo de man dit ook in onderhavige procedure blijft weigeren, dient hieraan het gevolg te worden verbonden dat er van uit moet worden gegaan dat de man alle door de vrouw uit schenking van haar ouders ontvangen bedragen één op één aan de man heeft overgemaakt en dat de man deze bedragen vervolgens één op één naar zijn spaarrekening heeft overgeboekt.

3.8.3.

De man heeft de grief weersproken. Hij voert hiertoe het volgende aan.

De man betwist niet dat door de ouders van de vrouw aan hun dochter schenkingen zijn gedaan, maar betwist wel bij gebrek aan wetenschap de totale hoogte van deze schenkingen. Het is aan de vrouw om dit aan te tonen, evenals haar stelling dat het geld steeds naar de man is gevloeid en zij om die reden op de man een zeer aanzienlijke vordering heeft.

De vrouw deed de dagelijkse financiële administratie. Het enige waarin de man actief was, waren de beleggingen, die hij deed in overleg met de vrouw en met beider gelden, vanaf een gemeenschappelijke beleggingsrekening. Van overheveling van het vermogen van de vrouw naar de man is in casu geen sprake. Daar waar de vrouw stelt dat de man het vermogen van de vrouw altijd beheerde, wijst de man erop dat dit steeds op afspraak en in overleg met de vrouw is gedaan. De vrouw heeft daar, voordat het tot een echtscheidingsprocedure tussen partijen kwam, nooit over geklaagd en altijd alles (de hele gang van zaken) jarenlang geaccepteerd. Er vond steeds overleg plaats, alvorens (gezamenlijk) te handelen. Dat de man het vervolgens was die een en ander technisch afhandelde doet daar niet aan af. De vrouw wist ervan, ging er mee akkoord en heeft dat ook jarenlang zo goed gevonden. Rond 2008/2009 zijn de gezamenlijke beleggingen en beleggingsrekeningen geheel geliquideerd en opgezegd. Het daardoor vrijgekomen resterende geld is vervolgens in de daarop volgende tijd in het huishouden gevloeid en gebruikt voor de aanschaf van een nieuwe keuken, bed, aanleg en onderhoud van de tuin, uitgave kleding, schoenen, vakanties, uitjes etc. Een deel daarvan is ook aan de kinderen gegeven. De man heeft van zijn deel ook leningen aan het bedrijf van partijen verstrekt.

3.8.4.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof komt de vordering van de vrouw, gebaseerd op een vergoedingsrecht van haar jegens de man, niet voor toewijzing in aanmerking. Desgevraagd ter zitting in hoger beroep hebben beide partijen bevestigd dat er tussen hen sprake was van een afspraak, inhoudende dat de vrouw gelden uit haar privévermogen overmaakte naar de privérekening van de man, teneinde die gelden door de man te laten beleggen en beheren. Van een vermogensverschuiving, in die zin dat privé-vermogen van de vrouw in het privé vermogen van de man is gevloeid is daarmee geen sprake geweest. De vrouw heeft immers, zo blijkt uit de hiervóór weergegeven afspraak, alleen haar privégelden aan de man ter beschikking gesteld om deze door de man te laten beheren en beleggen met als doel het behalen van een hoger rendement.

De vrouw heeft verzocht de man, op grond van art. 3:173 BW te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording over het beheer van haar privévermogen. Het hof wijst dit verzoek af. Zoals hiervoor in rov. 3.8.4 is overwogen was sprake van privévermogen van de vrouw. Aan art. 3:173 BW wordt dan niet toegekomen, nu dit artikel uitsluitend ziet op het doen van rekening en verantwoording ten aanzien van gemeenschappelijk vermogen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat de vrouw gedurende een lange periode (van ca. 1999 tot en met 2009) keer op keer gelden uit haar privévermogen heeft overgemaakt aan de man met het doel die gelden voor haar te beheren en te beleggen. Als niet weersproken staat vast dat de vrouw gedurende die jaren nimmer aan de man rekening en verantwoording heeft gevraagd over het door hem gevoerde beheer met betrekking tot die gelden. Aan het beheer is in 2009 een eind gekomen. Ook toen heeft zij geen (eind)rekening en verantwoording gevraagd. De beleggingen (of resultaten) daarvan zijn toen gevloeid in de huishouding. Daartegen heeft de vrouw toen geen bezwaar gemaakt. Uit deze gang van zaken mag worden afgeleid dat de vrouw heeft ingestemd met het door de man gevoerde beleid. Aanwijzingen dat dit niet zo zou zijn, zijn er niet. De grief faalt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de vrouw faalt.

[het bedrijf] aandelen (grief 3)

3.9.1.

Grief 3 richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat aan de man worden toegedeeld de [het bedrijf] aandelen, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan, zijnde een bedrag van € 4.241,--, aan de vrouw te voldoen.

De rechtbank overwoog in de beschikking van 31 maart 2017:

“3.7. De rechtbank is, mede in aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting door de man, van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat de zogenaamde [het bedrijf] aandelen (waarvan de factuur op naam van de besloten vennootschap [de vennootschap] is gesteld) partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehoren. Zo is niet gebleken uit welk vermogen de aanschafprijs is voldaan, als dit niet uit het vermogen van deze BV is voldaan. Dit brengt met zich dat de rechtbank het betreffende verzoek van de vrouw zal afwijzen, waarbij de rechtbank er overigens van uitgaat dat de (waarde van de) betreffende aandelen (zal) zullen worden betrokken bij de afwikkeling van de besloten vennootschappen waarbij partijen betrokken zijn.”

3.9.2.

Ter onderbouwing van haar grief heeft de vrouw het volgende aangevoerd.

Partijen zijn bezig met de liquidatie van de vennootschappen. Daarbij zijn de [het bedrijf] aandelen niet betrokken. Dit omdat de [het bedrijf] aandelen nimmer in de vennootschap(pen) van partijen zijn ingebracht, hetgeen blijkt uit het feit dat deze niet voorkomen op de balansen van beide vennootschappen. Dat zou wel het geval zijn geweest als de [het bedrijf] aandelen door een van de vennootschappen zouden zijn aangekocht en betaald. De man deed regelmatig privéaankopen op naam van een van de vennootschappen. De [het bedrijf] aandelen zijn door partijen ook steeds voor privévakanties aangewend. Mitsdien moeten de [het bedrijf] aandelen in de verdeling tussen partijen worden betrokken.

3.9.3.

De man heeft de grief weersproken. Hij voert hiertoe het volgende aan.

Het oordeel van de rechtbank is juist. De [het bedrijf] aandelen zijn aangekocht door en geleverd aan de besloten vennootschap [de vennootschap] .

De stelling van de vrouw dat die aandelen nimmer in de rechtspersoon zijn ingebracht, is onjuist. Uit de stukken die reeds in eerste aanleg zijn overgelegd blijkt dat de rekening voor die aandelen op naam van de besloten vennootschap staat. Het feit dat partijen van die aandelen gebruik maakten voor privévakanties doet daar niet aan af. Immers, men kan in privé gebruik maken van goederen/zaken die aan de rechtspersoon toebehoren. Dit maakt dan nog niet dat daardoor het eigendom wisselt en dergelijke aandelen ineens privébezit zouden zijn geworden.

3.9.4.

Het hof overweegt als volgt.

De grief van de vrouw slaagt. Tegenover de gemotiveerde stellingname van de vrouw dat de [het bedrijf] aandelen aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehoren, heeft de man onvoldoende aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. Het enkele feit dat de rekening voor de aankoop van de [het bedrijf] aandelen is gericht aan de vennootschap van partijen, [de vennootschap] , betekent nog niet dat deze vennootschap ook gerechtigd is tot de [het bedrijf] aandelen. Dit klemt te meer nu uit door de vrouw als productie 5 bij haar brief van 8 juni 2018 overgelegde e-mailcorrespondentie tussen het accountantskantoor van de vennootschap van partijen en de advocaat van de vrouw, blijkt dat de [het bedrijf] aandelen bij geen van de twee vennootschappen van partijen behoren tot de activa of het vermogen van die vennootschappen. Bovendien geven [het bedrijf] aandelen aanspraak op vakantiewoonrechten, hetgeen veeleer er voor pleit dat de [het bedrijf] aandelen aan partijen (en niet aan de vennootschap) toebehoren. Gelet op dit alles houdt het hof het er dan ook voor dat de [het bedrijf] aandelen aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehoren, zodat sprake is van een zogenoemde eenvoudige gemeenschap (zoals bedoeld in art. 3:166 BW en verder). Hierin zijn de aandelen van de deelgenoten (in dit geval de man en de vrouw) gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Dat sprake is van een ongelijk aandeel in deze eenvoudige gemeenschap is gesteld noch gebleken. Het hof gaat daarom uit van gelijke aandelen. Conform het verzoek van de vrouw zal het hof de [het bedrijf] aandelen toedelen aan de man onder de verplichting de helft van de waarde van de [het bedrijf] aandelen ad € 4.241,- te voldoen aan de vrouw. Voor zover de man ter zitting in hoger beroep nog heeft verzocht om verrekening van de aan de [het bedrijf] aandelen verbonden kosten die door hem in privé zouden zijn voldaan, is dat in strijd met de twee conclusie-regel (van uitzonderingen daarop is niet gebleken). Derhalve gaat het hof aan dat verzoek voorbij.

Pensioenrechten (grief 4)

3.10.1.

Grief 4 richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw te bepalen dat de pensioenrechten verevend dienen te worden.

De rechtbank overwoog in de beschikking van 31 maart 2017:

“3.11. (…)

Voor zover thans van belang houden de huwelijkse voorwaarden in:

‘Artikel 10.

Na echtscheiding zal tussen partijen in geen geval in verrekening worden gebracht de waarde van de vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken’.

De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen met het hiervoor weergegeven artikel 10 van hun huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de ‘verrekening’ van de pensioenrechten uitdrukkelijk afspraken hebben gemaakt. Voor zover de vrouw stelt dat zij hierover onvoldoende zou zijn voorgelicht, zodat dit artikel haar niet kan worden tegengeworpen, gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer. De vrouw heeft immers zelf gesteld dat zij rond het aangaan van de huwelijkse voorwaarden van juridisch advies werd voorzien door haar vader, die notaris was, en dat hij de akte vooraf in concept heeft gezien.

Het bepaalde in artikel 10 geeft daarmee voldoende grond voor de stelling van de man dat ‘pensioenverrekening’ tussen partijen is uitgesloten en wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de bewoordingen van dit artikel.”

3.10.2.

Ter onderbouwing van haar grief heeft de vrouw het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een ‘standaardclausule’ in de huwelijkse voorwaarden. Deze is niet aan partijen voorgelezen. De vrouw heeft dan ook nimmer begrepen dat er geen verevening van pensioenrechten zou plaatsvinden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de vrouw indertijd niet door haar vader (die destijds notaris was) geadviseerd over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. De vader van de vrouw heeft partijen enkel geadviseerd huwelijkse voorwaarden op te stellen, aangezien partijen voornemens waren een onderneming te starten en hun privévermogen daarmee kon worden afgeschermd voor zakelijke schuldeisers.

3.10.3.

De man heeft de grief weersproken. Hij voert hiertoe het volgende aan.

De man is het eens met het oordeel van de rechtbank. Partijen wisten wel degelijk wat de inhoud en de strekking was van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden. De vrouw wist dan ook zeer wel wat zij deed en wat zij mocht verwachten. Bovendien werd zij in deze geadviseerd en bijgestaan door haar eigen vader, die nota bene zelf notaris was.

3.10.4.

Het hof overweegt als volgt.

Art. 11 van de WVPS luidt als volgt:

“Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.”

Over art. 11 van de WVPS heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:

“[3.4.2] (…) met de bepaling van art. 11 WVP dat slechts dan geen pensioenverevening overeenkomstig die wet plaatsvindt indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding "uitdrukkelijk" anders hebben bepaald, [wordt] gedoeld (…) op een bepaling die expliciet op het verevenen van pensioenrechten betrekking heeft (vgl. HR 24 oktober 1997, nr. 8959, LJN ZC2473, NJ 1999/ 395), met dien verstande dat niet is vereist dat partijen in een zodanige bepaling met zoveel woorden de pensioenverevening als voorzien in de WVP hebben uitgesloten. Van een "uitdrukkelijk" uitsluiten in de zin van art. 11 WVP kan daarom eveneens sprake zijn ingeval partijen in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat (bepaalde) pensioenrechten niet worden verrekend. (…).” (zie HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7893).

Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden in art. 10 bepaald als volgt:

“Na echtscheiding zal tussen partijen in geen geval in verrekening worden gebracht de waarde van vóór en tijdens het huwelijk door een van hen of beiden opgebouwde pensioenaanspraken.”

Hieruit blijkt dat partijen zijn overeengekomen om de vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken niet bij echtscheiding te verrekenen.

Partijen verschillen echter van mening over de uitleg van dit artikel. De uitleg van de overeenkomst die partijen hebben gesloten, dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303). Deze maatstaf brengt mee dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:2013:BY801).

Uit de tekst van art. 10 van de huwelijkse voorwaarden kan het hof niet iets anders opmaken dan dat partijen met het oog op een eventuele echtscheiding de bedoeling hebben gehad dat de waarde van de vóór en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken niet wordt verrekend. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat partijen iets anders hebben bedoeld, heeft de vrouw niet aangevoerd. Gelet op de betwisting van haar stellingen door de man, had het op de weg van de vrouw gelegen haar standpunt nader te onderbouwen.

Derhalve faalt grief 4 van de vrouw.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 maart 2017, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw met betrekking tot de [het bedrijf] aandelen is afgewezen,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

deelt toe aan de man de [het bedrijf] aandelen;

bepaalt dat de man uit hoofde van overbedeling aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 4.241,- zijnde de helft van de waarde van de [het bedrijf] aandelen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 21 februari 2019 uitgesproken in het openbaar.