Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:596

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.201.168_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7928
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bestuurdersaansprakelijkheid (6:162 BW); kan aan een bestuurder en een gevolmachtigde als feitelijk bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt voor het tekortschieten van de vennootschap in de uitvoering van een aannemingsovereenkomst, en voor een onrechtmatig gelegd conservatoir beslag op de woning van de opdrachtgever?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0045
JONDR 2019/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.201.168/01

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. W.S. Maas-van Weert te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , en gezamenlijk als [geïntimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 7 september 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerden c.s.] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/212122/HA ZA 15-582)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met productie A;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.5. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Deze feiten luiden als volgt.

a) Op 29 september 2005 heeft [appellante] met [de vennootschap] te [vestigingsplaats] (hierna: de vennootschap), vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2] , een aannemingsovereenkomst gesloten, waarin de vennootschap zich – kort gezegd – heeft verplicht tot het voor [appellante] bouwen van een woning. [geïntimeerde 1] is de enige bestuurder en [geïntimeerde 2] is werknemer van de vennootschap. Vanaf 29 december 2005 is [geïntimeerde 2] tevens de gevolmachtigde van de vennootschap.

b) Op 7 mei 2007 heeft de vennootschap ten laste van [appellante] conservatoir beslag doen leggen op (onder meer) de woning van [appellante] te [plaats] (België). Dit beslag is op of omstreeks 15 oktober 2009 door de vennootschap opgeheven.

c) Op 4 april 2008 heeft [appellante] conservatoir beslag doen leggen op de woning van [geïntimeerden c.s.] aan de [adres] te [woonplaats] .

d) De vennootschap is op 13 januari 2009 failliet verklaard.

e) Tussen [appellante] en de vennootschap (laatstelijk vertegenwoordigd door de curator in het faillissement van de vennootschap) is een civielrechtelijke procedure gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Verviers (België). In die procedure met zaaknummer 07/481/A is op 10 september 2012 vonnis gewezen. In dat vonnis is – met in achtneming van de Nederlandse vertaling ervan – vermeld:

“…

1. De feiten

Gezien dat verweerster aan de vennootschap [de vennootschap] volgens contract van 29 september 2005 heeft opgedragen de bouw van een woning [adres] te [plaats] ;

Gezien dat bij dagvaarding van 3 mei 2007 eiseres de veroordeling van verweerster heeft gezocht om aan haar te betalen een bedrag van € 159.881,13;

Gezien dat partijen aan professor [deskundige] een minnelijke expertiseopdracht hebben gegeven;

Gezien dat verweerster bij haar dossier niet heeft overgelegd de overeenkomst van expertise;

Gezien dat professor [deskundige] zijn rapport op 25 augustus 2008 heeft gedeponeerd.

3 Het geschil

Aangezien verweerster, eiseres in reconventie, de goedkeuring van het deskundigenrapport heeft geëist en de veroordeling van de vennootschap [de vennootschap] tot betaling van een bedrag van € 101.798,79 te vermeerderen met 21% BTW, ofwel € 21.377,75, zijnde in totaal € 123.176,54 alsmede de proceskostenvergoeding ten bedrage van € 5.000,00;

Aangezien op pagina 84 van het rapport van minnelijke expertise professor [deskundige] concludeert dat partij [geïntimeerde 2] aan verweerster moet vergoeden een bedrag van € 101.798,79 exclusief BTW, omvattende de financiële schade, de expertisekosten, de kosten van herstelwerkzaamheden en van conserverende maatregelen;

Aangezien de curator geen enkele opmerking heeft laten gelden;

Aangezien bij gevolg de reconventionele vordering gegrond zal worden verklaard;

Om deze redenen:

De Rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak op de voet van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, met uitsluiting als ongegrond van alle andersluidende conclusies,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar niet gegrond;

Verklaart de reconventionele vordering ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt B.V. [de vennootschap] , vertegenwoordigd door de curator advocaat J.J.M. Goltstein om aan mevrouw [appellante] , eiseres in reconventie, te betalen een bedrag van € 123.176,54, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten naar de verschillende tarieven vanaf 16 april 2008 (datum van neerlegging van de conclusies ter griffie van de Rechtbank) tot aan volledige betaling;

…”.

3.2.1.

In de procedure in eerste aanleg heeft [appellante] in conventie, na wijziging van eis, gevorderd, samengevat:

- een verklaring voor recht dat [geïntimeerden c.s.] onrechtmatig jegens haar gehandeld hebben, met name door onvoldoende toezicht te houden op de bouw en onvoldoende instructie te geven met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden die aan de vennootschap waren opgedragen door [appellante] , en door de aan de vennootschap opgedragen werkzaamheden niet te laten voltooien, en dat [geïntimeerden c.s.] aansprakelijk zijn voor de daardoor door [appellante] geleden schade;

- veroordeling van [geïntimeerden c.s.] om de hierdoor geleden schade van € 123.176,54 aan [appellante] te vergoeden, vermeerderd met rente;

- een verklaring voor recht dat [geïntimeerden c.s.] jegens [appellante] onrechtmatig hebben gehandeld door als feitelijk leidinggevenden van de vennootschap te besluiten tot het leggen van beslag door de vennootschap op de woning van [appellante] en dat [geïntimeerden c.s.] aansprakelijk zijn voor de daardoor door [appellante] geleden schade;

- veroordeling van [geïntimeerden c.s.] om de hierdoor geleden schade van € 150.000,- aan [appellante] te vergoeden, vermeerderd met rente;

- veroordeling van [geïntimeerden c.s.] om aan [appellante] te vergoeden de kosten van de in België gevoerde procedure ter hoogte van € 5.000,- en de kosten van vertaling van het rapport van professor [deskundige] ter hoogte van € 5.160,77, vermeerderd met rente;

- veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten en de beslagkosten.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door, kort samengevat, in hun hoedanigheid van bestuurder respectievelijk gevolmachtigde en feitelijk leidinggevende van de vennootschap (i) onvoldoende instructie bij de bouw te geven en/of onvoldoende toezicht op de uitvoering van de aannemingsovereenkomst te houden, (ii) op onjuiste gronden de aannemingsovereenkomst te beëindigen en de bouwplaats te ontruimen zonder adequate beschermingsmaatregelen te nemen, en (iii) te weigeren het op de woning van [appellante] gelegde conservatoir beslag op te heffen.

3.2.3.

[geïntimeerden c.s.] hebben in voorwaardelijke reconventie, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd, samengevat:

een verklaring voor recht dat:

- het namens [appellante] op 4 april 2008 gelegde conservatoire beslag op de woning van [geïntimeerden c.s.] vexatoir is,

- [appellante] gehouden is om alle door [geïntimeerden c.s.] ten gevolge van de beslaglegging geleden en nog te lijden schade te vergoeden,

- de door [geïntimeerden c.s.] geleden en nog te lijden schade ex artikel 612 Rv dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, en

veroordeling van [appellante] :

- om het gelegde conservatoir beslag na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van het verbeuren van een dwangsom,

- ex artikel 612 Rv tot vergoeding van de door [geïntimeerden c.s.] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

- tot vergoeding van de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf 4 april 2008,

- tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten, en

- in de proceskosten.

3.2.4.

Aan deze vorderingen hebben [geïntimeerden c.s.] ten grondslag gelegd dat, kort samengevat, de vorderingen van [appellante] in conventie moeten worden afgewezen en het op hun woning gelegde beslag onrechtmatig is.

3.2.5.

In het bestreden eindvonnis van 7 september 2016 heeft de rechtbank, in conventie, de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerden c.s.] toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep, onder aanvoering van niet genummerde grieven, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden c.s.] , met veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten van beide instanties.

Bestuurdersaansprakelijkheid

3.4.1.

[appellante] richt zich met haar eerste grief tegen de overwegingen van de rechtbank die inhouden dat niet is gebleken

- van bijzondere omstandigheden die zijn vereist volgens de verzwaarde maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor wanprestatie van die vennootschap,

- dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] bewust hebben toegelaten of bewerkstelligd dat de vennootschap de contractuele verplichtingen jegens [appellante] op grond van de aannemingsovereenkomst niet dan wel onvoldoende kon nakomen, en

- van een bewust handelen van [geïntimeerde 1] en [appellante] binnen de vennootschap – van meet af aan dan wel gedurende de uitvoering van de aannemingsovereenkomst – om de door de vennootschap beoogde afwikkeling en uitvoering van de contractuele relatie met [appellante] te verzaken.

3.4.2.

[appellante] voert hiertoe aan dat:

i) uitsluitend [geïntimeerden c.s.] konden beslissen over de wijze van uitvoering door de vennootschap van de aannemingsovereenkomst,

ii) sprake is van zeer ernstige en structurele tekortkomingen in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Het feit dat deze tekortkomingen niet door de vennootschap zijn voorkomen en niet tijdens de bouw zijn geconstateerd, duidt op ernstig tekortschieten van de leiding. Van het ontbreken of falen van de leiding op de bouwplaats kan aan de bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt, en zulks kan alleen een gevolg zijn geweest van een bewust (niet) handelen van [geïntimeerden c.s.] ,

iii) de vennootschap ten onrechte een factuur van € 159.891,13 aan [appellante] heeft gezonden, en vervolgens wegens niet-betaling van deze factuur zonder geldige reden de werkzaamheden heeft beëindigd en de bouwplaats heeft ontruimd. Het besluit tot beëindiging van de bouwwerkzaamheden en ontruiming van de bouwplaats, dat is genomen door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , moet bewust en opzettelijk zijn genomen. Op dit punt is sprake van bewust handelen om de afwikkeling en uitvoering van de contractuele relatie met [appellante] door de vennootschap te doen verzaken, en

iv) bij het beëindigen van de werkzaamheden en ontruimen van de bouwplaats, waarbij de bouwplaats door de vennootschap onbeschermd en onbeveiligd is achtergelaten waardoor [appellante] schade heeft geleden, sprake is geweest van bewust handelen van de bestuurders van de vennootschap en van een bewust besluit om de aannemingsovereenkomst met [appellante] niet (meer) na te komen.

3.4.3.

[geïntimeerden c.s.] betwisten dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het gestelde (en door [geïntimeerden c.s.] betwiste) tekortschieten door de vennootschap in haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst met [appellante] . Volgens [geïntimeerden c.s.] betekent het feit dat de vennootschap via hen als natuurlijke personen heeft gehandeld niet dat als de vennootschap tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, dit een bewuste keuze van hen is geweest die was gericht op dit tekortschieten. Er is geen sprake geweest van het bewust toelaten of bewerkstelligen door hen van een wanprestatie van de vennootschap. Bovendien is [geïntimeerde 2] geen bestuurder van de vennootschap geweest. [geïntimeerde 1] heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden, het geven van instructies en het houden van toezicht gekwalificeerde personen ingeschakeld. Ook het besluit om de werkzaamheden op te schorten heeft niet tot doel gehad bewust toe te laten of te bewerkstelligen dat de vennootschap zou wanpresteren, maar om [appellante] tot betaling te bewegen, aldus [geïntimeerden c.s.]

3.4.4.

Het hof stelt voorop dat indien een bestuurder van een vennootschap wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

3.4.5.

Het hof stelt voorts voorop dat het hier gaat om de eventuele – externe – aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap jegens een derde. Anders dan artikel 2:248 BW bepaalt ten aanzien van kennelijk onbehoorlijk bestuur, voorziet artikel 6:162 BW voor haar toepassing niet in gelijkstelling van een feitelijk bestuurder met een formele bestuurder. Niettemin kan ook een feitelijk bestuurder aansprakelijk worden gehouden op grond van art. 6:162 BW, maar dat is dan op grond van alle concrete omstandigheden van het geval ten aanzien van zijn handelen of nalaten, en niet louter op grond van een gesteld feitelijk bestuurderschap. Ten aanzien van de toerekening van onrechtmatig handelen of nalaten aan een feitelijk bestuurder hanteert het hof evenwel dezelfde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel als ware hij formeel bestuurder geweest, namelijk dat hem van dat handelen of nalaten persoonlijk een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De omstandigheid dat een feitelijk bestuurder niet als bestuurder is benoemd, rechtvaardigt immers niet dat hij wat betreft de aansprakelijkheidsdrempel in een nadeliger positie zou verkeren dan wanneer hij wél als zodanig zou zijn benoemd.

3.4.6.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [geïntimeerde 2] geen formele bestuurder is geweest van de vennootschap. [appellante] heeft niet gesteld althans onvoldoende onderbouwd dat en waarom [geïntimeerde 2] als feitelijk bestuurder het beleid van de vennootschap (mede) heeft bepaald of dat hij binnen de vennootschap een positie heeft bekleed waarin hij in feite een beslissingsmacht heeft uitgeoefend die gelijk is aan die van een formele bestuurder. [appellante] heeft evenmin iets gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 2] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de vorderingen jegens [geïntimeerde 2] reeds op die grond moeten worden afgewezen. Niettemin zal het hof hierna veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat [geïntimeerde 2] als feitelijk bestuurder van de vennootschap heeft te gelden.

3.4.7.

Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt terzake van de gestelde wanprestatie van de vennootschap onvoldoende heeft onderbouwd. De stelling dat sprake is geweest van bewust (niet) handelen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , in de zin dat dit (niet) handelen erop gericht was om de vennootschap te laten tekortschieten in haar verplichtingen, is onvoldoende feitelijk onderbouwd. Uit het feit dat sprake zou zijn geweest van structurele en ernstige tekortkomingen in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst, of dat leiding op de bouwplaats zou hebben gefaald of ontbroken, kan een dergelijk bewust handelen niet worden afgeleid. De stellingen van [appellante] zijn op dit punt ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Ook de stelling dat het besluit tot beëindiging van de bouwwerkzaamheden en ontruiming van de bouwplaats, door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bewust en opzettelijk is genomen om de contractuele verplichting van de overeenkomst met [appellante] door de vennootschap te doen verzaken, heeft [appellante] niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden waaruit deze bewuste en opzettelijke handelwijze zou moeten blijken. Hetzelfde geldt voor het gestelde bewust onbeschermd en onbeveiligd achterlaten van de bouwplaats. Het besluit om op te schorten en de werkzaamheden stil te leggen moge bewust zijn genomen, in de zin dat [geïntimeerden c.s.] zich realiseerden dat daarmee de werkzaamheden niet meer werden uitgevoerd, maar dat brengt nog niet met zich dat [geïntimeerden c.s.] wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat daarmee de vennootschap haar verplichtingen uit de overeenkomst met [appellante] niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Ten slotte heeft [appellante] niets aangevoerd waarom [geïntimeerden c.s.] anderszins persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gestelde wanprestatie van de vennootschap. Het hof is daarom van oordeel dat [appellante] wat betreft de persoonlijke ernstige verwijtbaarheid van [geïntimeerden c.s.] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat de voorgedragen grief faalt.

Conservatoir beslag op woning [appellante]

3.5.1.

[appellante] grieft voorts tegen de overwegingen van de rechtbank dat ten aanzien van het door de vennootschap op de (voormalige) woning van [appellante] gelegde conservatoire beslag niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan de verzwaarde maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van de vennootschap is voldaan.

3.5.2.

[appellante] voert hiertoe aan dat de vennootschap geen vordering had ten tijde van de beslaglegging en dat dit in elk geval duidelijk was toen het concept-rapport van professor [deskundige] op 20 maart 2008 verscheen. Op dat moment had de vennootschap het beslag moeten opheffen maar zij heeft dit nagelaten. Het besluit (om het beslag niet op te heffen) kan alleen door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn genomen en daarmee lieten zij de vennootschap opzettelijk onrechtmatig handelen, terwijl toen al duidelijk moet zijn geweest dat de vennootschap de door het onrechtmatig beslag veroorzaakte schade niet zou kunnen dragen, aldus [appellante] .

3.5.3.

[geïntimeerden c.s.] betwisten dat hen van het gestelde onrechtmatig handelen van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Volgens [geïntimeerden c.s.] is het beslag gelegd met toestemming van de rechtbank met als doel het verhaal van de vordering van de vennootschap veilig te stellen. Als achteraf blijkt dat deze vordering niet bestaat, is daarmee niet automatisch naast de vennootschap ook de bestuurder aansprakelijk voor geleden schade. [geïntimeerde 2] is, als gevolmachtigde niet zijnde bestuurder van de vennootschap, in elk geval niet aansprakelijk voor eventueel onrechtmatig handelen van de vennootschap, aldus [geïntimeerden c.s.]

3.5.4.

Het hof stelt voorop dat indien een vennootschap een onrechtmatige daad pleegt het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade en dat slechts onder bijzondere omstandigheden daarnaast ruimte is voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.5.5.

Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd dat (wederom veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [geïntimeerde 2] als feitelijk bestuurder van de vennootschap heeft te gelden) voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] duidelijk was dat de vennootschap geen vordering had op [appellante] en het conservatoir beslag desondanks (namens de vennootschap) hebben gelegd en/of gehandhaafd. Daartoe heeft [appellante] concreet slechts aangevoerd dat hen dit uit het rapport van de in de Belgische procedure aangestelde deskundige duidelijk had moeten zijn. Het hof volgt [appellante] hierin niet. Het feit dat het oordeel van de deskundige – ook al trad hij op basis van een minnelijke expertiseopdracht van beide partijen op – erop neer kwam dat [appellante] een vordering had op [geïntimeerden c.s.] en niet andersom, brengt nog niet met zich dat [geïntimeerden c.s.] dit op dat moment als vaststaand hadden moeten aannemen. Pas op 10 september 2012 heeft de rechtbank in Verviers, na onder meer geconstateerd te hebben dat de curator in het faillissement van de vennootschap naar aanleiding van het rapport van de deskundige geen opmerkingen had gemaakt, de vordering van de vennootschap afgewezen. Het beslag was op dat moment al (sinds 15 oktober 2009) opgeheven. [appellante] heeft verder niets aangevoerd waarom [geïntimeerden c.s.] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het leggen en/of handhaven van het beslag. Ook indien met [appellante] wordt aangenomen dat het gelegde beslag, volgens het daarop toepasselijke recht, onrechtmatig is van de vennootschap jegens [appellante] , is daarmee nog geen aansprakelijkheid van de bestuurders gegeven. Ten aanzien van het daarvoor vereiste persoonlijk ernstige verwijt, heeft [appellante] niet aan haar stelplicht voldaan, zodat de voorgedragen grief faalt.

Reconventionele vordering [geïntimeerden c.s.]

3.6.

[appellante] voert in hoger beroep voorts aan dat als wordt vastgesteld dat [geïntimeerden c.s.] persoonlijk aansprakelijk zijn, de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden c.s.] alsnog moeten worden afgewezen. Nu ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat [geïntimeerden c.s.] persoonlijk aansprakelijk zijn, faalt reeds daarom ook deze grief.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.7.1.

[appellante] richt voorts een grief tegen de toewijzing door de rechtbank van buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [appellante] hebben [geïntimeerden c.s.] nooit incassokosten geclaimd, danwel is deze claim niet gemotiveerd of onderbouwd. [appellante] betwist dat [geïntimeerden c.s.] incassokosten hebben gemaakt.

3.7.2.

[geïntimeerden c.s.] stellen dat zij wel vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten hebben gevorderd en dat [appellante] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Volgens [geïntimeerden c.s.] hebben zij redelijke kosten gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Daarbij verwijzen [geïntimeerden c.s.] naar hun stellingen over geleden vermogensschade als gevolg van het door [appellante] gelegde conservatoir beslag op hun woning. Volgens [geïntimeerden c.s.] is het niet meer dan billijk dat als onderdeel van die vermogensschade ook incassokosten worden toegewezen.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden c.s.] hun stelling dat zij kosten hebben gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid niet (voldoende) hebben onderbouwd. Zo hebben [geïntimeerden c.s.] niet gesteld dat enige activiteiten op dat vlak zijn ontplooid en waaruit die activiteiten hebben bestaan. Verder hebben [geïntimeerden c.s.] niet gesteld althans onvoldoende onderbouwd dat kosten zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het enkele vorderen van dergelijke kosten is daartoe niet voldoende. Hieruit volgt dat de voorgedragen grief slaagt.

Conclusie en proceskosten

3.8.1

Partijen hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die tot andere oordelen zouden moeten leiden. Om die reden gaat het hof aan de bewijsaanbiedingen van partijen voorbij.

3.8.2

Gelet op het slagen van de grief tegen de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten zal het hof het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en deze vordering van [geïntimeerden c.s.] alsnog afwijzen. De overige grieven falen, zodat het hof het bestreden vonnis voor het overige zal bekrachtigen.

3.8.3.

[appellante] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep die aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] worden begroot op:

– griffierecht € 1.631,-

– salaris advocaat (1 punt x € 3.919,-) € 3.919,-

totaal € 5.550,-.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

7 september 2016, voor zover [appellante] daarbij, in reconventie (punt 5.10 van het vonnis), is veroordeeld om aan [geïntimeerden c.s.] te betalen € 904,- aan buitengerechtelijke incassokosten;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerden c.s.] om [appellante] te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af;

bekrachtigt het bestreden vonnis (in conventie en reconventie) voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] begroot op € 5.550,-;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.W.T. Vriezen, D.A.E.M. Hulskes en S.C.H. Molin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 februari 2019.

griffier rolraadsheer