Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.249.153_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 14 februari 2019

Zaaknummer : 200.249.153/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/254579 / JE RK 18-2044, C/03/254618 / JE RK 18-2051 en C/03/254568 / JE RK 18-2041

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. S. Mestrini, thans mr. C.B.E. Noijen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 november 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen minderjarigen wordt afgewezen en subsidiair te bepalen dat de duur van de uithuisplaatsing wordt beperkt tot aan de datum van de uitspraak in hoger beroep.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 december 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Noijen;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. [minderjarige 1] heeft hierbij een handgeschreven brief, ondertekend door [minderjarige 2] , voorgelezen en vervolgens ingebracht.

Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van het verhoor en de brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 30 november 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 januari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder met de heer [de relatie van de moeder] zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2006, te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2008, te [geboorteplaats] .

De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder met de heer [de verbroken relatie van de moeder] is geboren:

[minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 3] .

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden hierna tezamen ook wel ‘de kinderen’ genoemd.

3.1.1.

De moeder heeft voorts een dochter uit een eerdere relatie: [dochter uit een eerdere relatie] , geboren op [geboortedatum] 2004. [dochter uit een eerdere relatie] verblijft bij haar vader.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld met ingang van 24 september 2018 tot 24 september 2019 en machtiging verleend aan de GI om de kinderen met ingang van 24 september 2018 tot uiterlijk 24 maart 2019 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven thans in het pleeggezin van familie [pleeggezin 1] .

[minderjarige 3] verblijft thans in het pleeggezin van familie [pleeggezin 2] .

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder kan zich, hoewel zij zich niet verzet tegen de ondertoezichtstelling van de kinderen, niet verenigen met het de feitelijke onderbouwing die de rechtbank heeft gegeven van het oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De moeder heeft een zware periode achter de rug, maar inmiddels gaat het beter met haar. Zij gebruikt in het geheel geen alcohol en drugs meer. De moeder aanvaardt hulp en wil graag samenwerken met de GI. De moeder betwist dat zij de kinderen met volwassenproblematiek belast. [dochter uit een eerdere relatie] en haar vader doen dat wel. Ook nu de kinderen uit huis zijn geplaatst blijft de moeder in het belang van de kinderen handelen en is zij erg betrokken op de kinderen. Gezien de problematiek van de kinderen is het juist van belang dat zij naar huis terugkeren, gezien de stabiliteit die zij hen kan bieden. De kinderen willen dat ook graag. Door de uithuisplaatsing zijn de kinderen van slag geraakt en is hun gedrag veranderd. Ondanks de hechtingsproblematiek van [minderjarige 2] is zij veel overgeplaatst. Bovendien voelt zij zich eenzaam in het pleeggezin, te meer nu [minderjarige 1] aansluiting heeft gevonden bij een ander in het gezin verblijvend meisje. Toen zij bij de moeder woonde kreeg zij veel structuur en ging het in alle opzichten goed met haar. De moeder had aandacht voor het gedrag van [minderjarige 1] . Dat de relatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige 3] niet goed is, is aan hem te wijten. De moeder werkt echter mee aan het raadsonderzoek ten aanzien van de omgang tussen [minderjarige 3] en haar vader en aan de BOR-regeling. Xonar is positief over de samenwerking met de moeder en over haar gezinsleven. De school heeft geen zorgen. De kinderen zijn sociaal en tonen bij hun leeftijd passend gedrag. De moeder kan de kinderen veiligheid en stabiliteit bieden.

De moeder verleent haar medewerking aan de GI in het kader van de ondertoezichtstelling en aan het onderzoek van de raad. De begeleiding van de GI is naar de mening van de moeder echter niet snel genoeg op gang gekomen. Pas eind januari zal de intake bij Plinthos (Mutsaersstichting) ten behoeve van traumaverwerking en systeemtherapie plaatsvinden. De moeder ziet niet in waarom deze therapie niet vanuit de thuissituatie zou kunnen worden ingezet. Momenteel heeft de moeder eenmaal in de drie weken een gesprek met een hulpverlener van PsyQ, zodat van forse persoonlijke problematiek bij de moeder geen sprake kan zijn. De moeder kan haar behandelplan niet aan de GI verstrekken omdat zij daar zelf niet over beschikt. Wel is op uitnodiging van de moeder een van de gezinsvoogden kort geleden bij een gesprek met de behandelaar geweest, ten einde in die zin openheid te verschaffen. Daarnaast volgt de moeder nu eenmaal in de week een emotieregulatie training. De moeder kan de zorg voor de kinderen aan.

De uithuisplaatsing van de kinderen is niet noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De moeder is subsidiair van mening dat ook in een kortere periode de situatie bij haar in kaart kan worden gebracht, namelijk in de periode tot aan de datum van de uitspraak in hoger beroep.

3.5.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

Het heeft bij de aanvang van de ondertoezichtstelling enige tijd geduurd voor het Ronde Tafel overleg kon plaatsvinden omdat de moeder de betrokken hulpverlening geen toestemming gaf voor het verstrekken van informatie. Uiteindelijk heeft de GI alle hulpverleners uitgenodigd om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen. Samenvattend kan worden gesteld dat sprake is van een getraumatiseerd gezinssysteem. Dit vormt de rode draad in het leven van alle familieleden en vanuit die pijn wordt er gehandeld. Tussen de moeder en de vader van de kinderen zijn veel conflicten en heerst er wantrouwen. Bij de kinderen is sprake van parentificatie en loyaliteitsconflicten.

De kinderen hebben rust nu zij in de pleeggezinnen verblijven. Bij de moeder hebben de kinderen veel ruzies gehoord. [minderjarige 1] is erg stil. [minderjarige 2] is emotioneel en huilt snel. [minderjarige 3] wil graag vertellen, maar is hier met momenten terughoudend in. Gezien wordt dat de moeder de kinderen ook in deze situatie belast met volwassenproblematiek en dat zij onvoldoende rekening houdt met de gevoelens van de kinderen.

De hulp van Plinthos is ingeschakeld voor het verwerken van de (traumatische) gebeurtenissen. Een absoluut vereiste hierbij is dat de kinderen op een rustige en stabiele plek verblijven. De gezinsvoogden hebben voor dit gezin veelvuldig gesprekken gevoerd en intensief onderhandeld om de best passende hulpverlening te organiseren. Dit heeft behoorlijk wat voeten in aarde gehad, zodat de intake pas eind januari 2019 zal plaatsvinden. De therapie zal vervolgens binnen circa drie weken kunnen aanvangen.

Tussen de moeder, Buro One en de gezinsvoogd heeft een gesprek plaatsgevonden waarin de moeder een aanbod is gedaan voor hulpverlening (systeemtherapie in combinatie met individuele gesprekken met als doel om weer in contact te komen met [dochter uit een eerdere relatie] ). De moeder heeft bedenktijd gekregen om te bepalen of zij dit wil.

Het is nog onduidelijk of de moeder de opvoeding van de kinderen weer ter hand kan nemen. Zij vindt het moeilijk om feedback te krijgen en zij en haar partner bagatelliseren zaken. De aanwezigheid van deze partner maakt het systeem complex hetgeen zijn uitwerking heeft op de kinderen. Niemand van het systeem laat het achterste van zijn tong zien. De enige die zich momenteel uit is [dochter uit een eerdere relatie] die erg lijdt onder het verleden en de dingen die zij heeft meegemaakt.

Het uiteindelijke doel van de GI is nog altijd om de situatie bij de moeder zodanig te verbeteren dat de kinderen weer terug naar huis kunnen. Om meer zicht te krijgen op de thuissituatie worden op korte termijn de bezoekmomenten van de kinderen bij de moeder thuis begeleid door Kracht en Zorg. Hoewel verzocht zal worden om de uithuisplaatsing voor de duur van een half jaar te verlengen, zal de GI, zodra duidelijk is dat het gezin de therapie ook vanuit de thuissituatie kan ondergaan, onmiddellijk overgaan tot thuisplaatsing van de kinderen.

3.6.

De raad voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

Het is jammer dat de periode sinds de uithuisplaatsing niet is gebruikt voor het starten van de benodigde therapie. De grond van de ondertoezichtstelling was heel nadrukkelijk dat de moeder de kinderen niet kon bieden wat zij nodig hebben, namelijk dat zij veilig en stabiel opgroeien. Hierin is volgens de moeder wel het een en ander gebeurd, maar daarvan is niets ter onderbouwing hiervan overgelegd. De raad had graag gezien dat het behandelplan van PsyQ was overgelegd. Nu is onduidelijk wat de doelen zijn, of er evaluatiemomenten zijn gepland en zo ja, of die evaluatiemomenten al hebben plaatsgevonden en wat een en ander betekent voor de uithuisplaatsing van de kinderen. De raad concludeert dat aan de zorgen die ten grondslag liggen aan de uithuisplaatsing van de kinderen nog niet veel is gedaan. Dit neemt echter niet weg dat de situatie bij de moeder niet aantoonbaar dusdanig is veranderd dat een terugplaatsing van de kinderen kan plaatsvinden. De moeder dient middels hulpverlening (systeemtherapie en persoonlijke therapie) een stabiele en betrouwbare opvoeder te worden. De GI dient volgens de raad wel duidelijk te maken waar de moeder aan dient te voldoen. Nu de gronden voor de uithuisplaatsing er nog zijn, zou de bestreden beschikking in de visie van de raad moeten worden bekrachtigd.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Het hoger beroep van de moeder is (alleen) gericht tegen de uithuisplaatsing van de kinderen.

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op de juiste gronden, die het hof na een eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, aan de GI een machtiging heeft verleend om de kinderen uit huis te plaatsen. Uit de stukken is gebleken dat de zorgen over het gezinssysteem, de problematiek van de moeder en de eigen problematiek van de kinderen ten tijde van de uithuisplaatsing fors waren. De kinderen werden in de thuissituatie belast met volwassenproblematiek en de moeder was door haar eigen problematiek niet in staat hen een stabiele en veilige opvoedingsomgeving te bieden. Er was sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Voor het (andersluidende) standpunt van de moeder dat de kinderen zich in de thuissituatie op een goede manier ontwikkelden en dat bij haarzelf geen sprake was van (forse) problematiek, althans dat zij voldoende hulp had bij het werken aan deze problematiek, ziet het hof geen althans onvoldoende onderbouwing in de stukken.

3.7.4.

Dit laatste geldt ook voor de periode sinds de uithuisplaatsing van de kinderen: zo blijkt uit de stukken niet wat de doelen zijn van de hulpverlening voor de moeder bij PsyQ en welke resultaten er in dat kader tot heden zijn behaald. Er is dus (nog) geen zicht gekomen of en in welke mate de moeder haar leven en problematiek op orde heeft gekregen.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat in hoger beroep niet is gebleken dat de moeder de kinderen op dit moment wel een stabiele en veilige opvoedingsomgeving kan bieden. Het hof acht de gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen, zoals uiteengezet door de rechtbank in de bestreden beschikking, derhalve nog immer aanwezig. Gezien het voorgaande en de thans nog resterende duur van de machtiging uithuisplaatsing ziet het hof geen aanleiding om de machtiging in duur te verkorten.

3.7.5.

Alle betrokkenen zijn het eens dat de kinderen in de pleeggezinnen tot rust zijn gekomen, al heeft [minderjarige 2] het zwaar in het pleeggezin. Voor het overige kan het hof zich geen goed beeld vormen van het hoe het nu met de kinderen gaat, aangezien stukken waaruit dit zou kunnen blijken, zoals een Plan van Aanpak en evaluatie van de ondertoezichtstelling, ontbreken. Wel staat vast dat de eigen problematiek van de kinderen tot op heden onbehandeld is gebleven en dat deze problematiek in de ogen van de GI nog onverminderd aanwezig is.

Ter zitting is gebleken dat de hulpverlening van Plinthos voor de kinderen en het systeem als geheel op korte termijn zal starten en dat begeleiding bij de bezoeken zal worden ingezet om meer zicht te krijgen op, zo begrijpt het hof, het opvoedingsklimaat bij de moeder en de interactie tussen de moeder en de kinderen, met het oog op een mogelijke terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. In dat verband is het hof met de raad van oordeel dat de GI de moeder duidelijkheid moet c.q. blijft verschaffen over de voorwaarden/eisen waaraan zij moet voldoen en op welk moment zij daaraan moet voldoen om de kinderen in de toekomst weer thuis te kunnen hebben.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, L.Th.L.G. Pellis en E.L. Schaafsma-Beversluis en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.