Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:573

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.248.485_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 14 februari 2019

Zaaknummer : 200.248.485/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/334723/ JE RK 18-804

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

en

[appellant] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de moeder, respectievelijk de vader, tezamen ook de ouders,

advocaat: mr. M.A. van de Weerd,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2018, hebben -zo begrijpt het hof- beide ouders verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en een onafhankelijk onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van thuisplaatsing (hof: van [minderjarige] ) en naar de opvoedcapaciteiten van de ouders door een nader aan te wijzen instantie zoals het NIFP.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 december 2018, heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Van de Weerd;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De raad is, met berichtgeving vooraf, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 juli 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De ouders oefenen (naar het hof ambtshalve in het gezagsregister heeft nagezien: sinds 14 november 2018) gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 17 juli 2017 onder toezicht van de GI.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 18 juli 2017 uit huis geplaatst. Hij heeft aanvankelijk in pleeggezinnen verbleven, maar woont sinds 30 maart 2018 in het huidige gezinshuis op een voor de ouders geheim adres. Blijkens mededeling van de GI ter mondelinge behandeling is dit gezinshuis inmiddels perspectief biedend.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 juli 2019 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om [minderjarige] met ingang van 28 juli 2018 tot uiterlijk 28 juli 2019 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een voorziening voor pleegzorg.

De rechtbank heeft ten aanzien van de verlenging van de uithuisplaatsing - kort en zakelijk weergegeven - het volgende overwogen. Deze verlenging is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Mede op basis van de bevindingen uit het O&O traject van de Stichting [stichting] is duidelijk geworden dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders ligt. De rechtbank ziet geen reden aan die bevindingen te twijfelen. De ouders bezitten onvoldoende opvoedvaardigheden - en zijn op dat vlak ook niet leerbaar gebleken - om [minderjarige] zelf te verzorgen en op te voeden.

Het verzoek van de ouders om een second opinion is afgewezen, omdat de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] onwenselijk achtte. [minderjarige] zou dan nog langer in onzekerheid over zijn toekomstperspectief moeten verkeren.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beschikking gedeeltelijk niet verenigen en zij zijn hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

De advocaat van de ouders heeft desgevraagd ter zitting toegelicht hoe het door de ouders in hoger beroep verzochte moet worden opgevat. Uit die toelichting volgt dat de ouders in hoger beroep niet opkomen tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de gehele duur van de ondertoezichtstelling. De ouders verzoeken in hoger beroep de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen totdat een door het hof te gelasten onderzoek naar de mogelijkheden van thuisplaatsing van [minderjarige] en de opvoedcapaciteiten van de ouders gereed zal zijn.

3.6.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De ouders hebben geen eerlijke kans gekregen om te laten zien dat zij met hulp voor [minderjarige] kunnen zorgen. Zij betwisten de uitkomsten en de zorgvuldigheid van het O & O traject. In dit traject vonden de contacten tussen de ouders en [minderjarige] plaats in een onnatuurlijke setting. Daarnaast waren er spanningen tussen de ouders en de gezinsvoogd, die hen heeft tegengewerkt. De juiste hulpverlening is daardoor niet van de grond gekomen.

De ouders menen dat zij de door de GI gestelde doelen grotendeels hebben behaald. De moeder heeft zich laten begeleiden en zij wordt nog steeds behandeld binnen de GGZ. De ouders hebben een goed netwerk en hun onderlinge relatie is verbeterd. De bezoeken van [minderjarige] aan de ouders verlopen inmiddels positief en ontspannen.

De ouders verzoeken om een nieuw onderzoek naar hun opvoedvaardigheden. De situatie is thans een geheel andere dan ten tijde van het O & O traject.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Ten tijde van de uithuisplaatsing van [minderjarige] was er sprake van forse problematiek. Er waren veel ruzies tussen de ouders en [minderjarige] werd geslagen en gekleineerd door de moeder. Er is al veel hulp ingezet.

Tijdens de ondertoezichtstelling wilden de ouders geen ambulante begeleiding in de thuissituatie. Het O & O traject is een erkend traject. De observaties vonden eerst plaats bij de ouders thuis, maar door de intimiderende houding van de ouders jegens de begeleidster was dit niet langer verantwoord. De samenwerking tussen de gezinsvoogd en de ouders is door de houding van de ouders moeizaam verlopen. Bemiddelingsgespreken hebben niets opgelost.

Tijdens het O & O traject zijn de ouders zich steeds negatiever gaan opstellen. Van enige behandeling door de moeder binnen de GGZ is geen bewijs.

De ouders hebben onvoldoende verbeteringen laten zien om [minderjarige] terug thuis te plaatsen. Hun opvoedvaardigheden zijn zeer beperkt en zij staan te weinig open voor adviezen.

Nader onderzoek via het NIFP en daarmee gepaard gaande onduidelijkheid voor [minderjarige] zijn niet in zijn belang. Een nieuw onderzoek heeft tevens geen toegevoegde waarde, nu de ouders onvoldoende in huis hebben om [minderjarige] zelf te verzorgen en op te voeden.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. Naar het oordeel van het hof zijn in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen.

Onderzoek NIFP

3.8.4.

Op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) benoemt de rechter in zaken betreffende een ondertoezichtstelling op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot een beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

3.8.5.

Gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 810a Rv, dient een hernieuwd onderzoek in het geval dat een minderjarige al eerder één of meerdere onderzoekingen heeft ondergaan – mede gelet op de belasting voor de minderjarige – alleen dan plaats te vinden indien het belang daarvan voor de minderjarige opweegt tegen de bezwaren. Onbestreden is gebleven dat [minderjarige] sinds de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het hof acht het gelet op het onderbouwde advies vanuit het O & O traject niet in het belang van [minderjarige] om thans een nieuw onderzoek te verrichten naar een mogelijke thuisplaatsing van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de ouders. Immers, een deskundigenonderzoek via het NIFP is zeer intensief en zal inbreuk maken op de rust en de stabiliteit die [minderjarige] in het gezinshuis ervaart, hetgeen te belastend is voor hem en de vooruitgang die hij laat zien, in gevaar zal brengen. Het hof is van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich onder de gegeven omstandigheden tegen een contra expertise verzet. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de ouders om een nader onderzoek te gelasten door een instantie zoals het NIFP, afwijzen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juli 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en M.I. Peereboom - van Drunick en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.