Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:572

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.245.628_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5253, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 14 februari 2019

Zaaknummer : 200.245.628/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/247611 / FA RK 18-952

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.J. van der Heijden,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder), bijgestaan door haar advocaat mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen;

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));

- de familie [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 juni 2018, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 11 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 september 2018, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 6 juni 2018 te vernietigen voor zover daarbij zijn ouderlijk gezag over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] is beëindigd, te bepalen dat de raad in zoverre alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek dan wel dat dit verzoek in zoverre alsnog wordt afgewezen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2.

Er is geen verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019.
De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.245.608/01 (hoger beroep van de moeder tegen de gezagsbeëindiging van beide ouders). De beslissing in die zaak is in een afzonderlijke beschikking opgenomen.

Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van der Heijden;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de moeder, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen.

2.3.1.

De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 11 september 2018;

- de brief van de GI van 6 november 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 10 december 2013 onder toezicht, aanvankelijk van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, thans van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 10 december 2018.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 1 juli 2015 uit huis geplaatst. Sinds juni 2016 verblijft zij bij de huidige pleegouders.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes over haar benoemd.

3.4.

De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover deze betrekking heeft op de beëindiging van zijn gezag over [minderjarige] en hij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Aan de wettelijke vereisten voor een gezagsbeëindiging wordt niet voldaan. De vader is in staat om met hulp zelf voor [minderjarige] te zorgen. De vader accepteert hulp en heeft een sterk sociaal netwerk. Hij is verhuisd naar een kindvriendelijke woning. De vader heeft een vriendin, met wie hij wil gaan samenwonen.

De redenen waarom [minderjarige] destijds onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst bestaan niet meer. De echtscheidingsproblemen tussen de ouders zijn voorbij. De vader heeft nooit de kans gehad om aan te tonen dat hij in staat is de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] te dragen.

Verder heeft de raad onvoldoende onderbouwd dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd wanneer de vader zijn ouderlijk gezag behoudt. Toen de ouders in een echtscheiding verwikkeld waren en de moeder elders woonde, heeft de vader gedurende vier dagen en nachten per week voor [minderjarige] gezorgd. Dit is goed gegaan. Immers, door de instanties is destijds niet ingegrepen.

De vader voelt zich buitenspel gezet. Hij heeft nog maar zeer beperkt onder begeleiding omgang met [minderjarige] .

Wanneer [minderjarige] bij de vader wordt geplaatst, staat hij open voor contact tussen de moeder en [minderjarige] .

3.6.

De raad heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De raad handhaaft zijn inleidende verzoek. In deze zaak is de aanvaardbare termijn al geruime tijd verstreken. [minderjarige] is een kwetsbaar kind. Ten tijde van het raadsonderzoek waren er zorgen over haar gehechtheid. Het gaat steeds beter met [minderjarige] in het pleeggezin. Opnieuw een breuk in [minderjarige] ’s relatie met een hechtingsfiguur is schadelijk voor haar ontwikkeling. Daarnaast heeft de vader onvoldoende pedagogische vaardigheden om [minderjarige] op te voeden. Terugplaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders is niet aan de orde.

3.7.

De GI heeft ter zitting - in het kort - het volgende naar voren gebracht.

Vanwege de veiligheid van [minderjarige] vindt de omgang tussen de vader en [minderjarige] niet meer bij de vader thuis plaats en is de omgang in frequentie en duur beperkt. De vader heeft de gezinsvoogd ernstig bedreigd. Op zichzelf verlopen de bezoeken van de vader aan [minderjarige] nu plezierig.

De GI heeft nog steeds geen goed en volledig beeld van de vader. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig. De vader “trekt” aan haar. De vader laat zich ook regelmatig in aanwezigheid van [minderjarige] negatief uit over de pleegouders. Uit het raadsrapport blijkt dat het niet verantwoord is om [minderjarige] terug bij de vader te plaatsen. [minderjarige] krijgt momenteel speltherapie.

3.8.

De moeder heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende verklaard.

Zij wil dat [minderjarige] bij haar thuis wordt geplaatst. De moeder is als persoon gegroeid en zij heeft nog gesprekken met een psycholoog. Haar relatie is stabiel en haar twee andere kinderen wonen inmiddels bij haar en haar partner.

De moeder heeft nog even begeleide omgang met [minderjarige] . Zij is voldoende in staat om bij [minderjarige] aan te sluiten en kan haar een stabiele basis bieden.

Wanneer [minderjarige] bij de moeder wordt geplaatst, staat zij open voor contact tussen [minderjarige] en de vader.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Gesteld noch gebleken is dat de vader het gezag misbruikt. Dit betekent dat het hof in deze zaak enkel heeft te oordelen over de vraag of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 sub a BW.

3.9.3.

Op grond van de stukken en het besprokene ter zitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 sub a BW en daarmee aan de eerste beëindigingsgrond. Het hof zal dat hieronder uitleggen.

3.9.4.

Het is in het belang van [minderjarige] dat zij kan opgroeien in een opvoedingsomgeving waarin aan haar stabiliteit, veiligheid, continuïteit en een ongestoorde hechting worden geboden. Voor haar verdere ontwikkeling is het voorts van belang dat [minderjarige] opvoeders heeft die haar deze opvoedingsomgeving kunnen bieden en dat voor haar duidelijk is op welke plek zij (verder) mag opgroeien.

[minderjarige] is een kwetsbaar kind met een belast verleden doordat zij in haar eerste levensfase is opgegroeid in een onrustige, onveilige en spanningsvolle situatie bij de ouders thuis.

De vader heeft een verstandelijke beperking. De moeder had een alcoholprobleem en was overbelast. De ouders maakten vaak ruzie, waarbij er sprake was van verbaal en lichamelijk geweld. Door persoonlijke problemen waren de ouders emotioneel en fysiek onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] , die zich (ook toen al) in een kwetsbare leeftijdsfase bevond. Uit het raadsrapport blijkt van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] ’s gehechtheid. Sinds kort krijgt [minderjarige] speltherapie om de gebeurtenissen uit het verleden een plek te geven. [minderjarige] ’s belaste voorgeschiedenis maakt dat zij meer dan gemiddeld behoefte heeft aan continuïteit en stabiliteit in de opvoeding en aan opvoeders die haar op een sensitieve manier begrenzen, zodat zij emotionele veiligheid en voorspelbaarheid ervaart. Het hof is van oordeel dat de ouders deze opvoedingsomgeving ook nu niet aan [minderjarige] kunnen bieden. Voor zover het de vader betreft overweegt het hof hierover nog als volgt.

3.9.5.

Blijkens het raadsrapport is de vader een liefhebbende en betrokken vader, maar als gevolg van zijn verstandelijke beperking is hij zeer kwetsbaar. De vader beschikt over onvoldoende intellectuele en pedagogische vermogens om af te stemmen op de complexe emotionele behoeftes van [minderjarige] . Dit komt naar voren uit een adviesverslag van het pleegzorgteam van de GI. De vader is in staat om met hulp op praktisch gebied voor [minderjarige] te zorgen, maar hij heeft onvoldoende in huis om zowel aan te sluiten bij het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van [minderjarige] als om haar veiligheid blijvend te garanderen. Hetgeen de vader in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn (gewijzigde) omstandigheden, maakt dit niet anders.

3.9.6.

Daarbij overweegt het hof dat [minderjarige] al op jonge leeftijd (in juli 2015) uit huis is geplaatst. Zij heeft kort in een netwerkpleeggezin verbleven en is daarna in een regulier pleeggezin gaan wonen. Daar kon zij vanwege de leeftijd van de pleegouders maar een jaar blijven. Sinds juni 2016 woont [minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Toen [minderjarige] bij de huidige pleegouders kwam wonen, was zij onzeker en schrikachtig. Inmiddels is zij zich aan hen aan het hechten en gaat het steeds beter met haar. Uit het rapport van de raad blijkt dat de pleegouders in ruim voldoende mate tegemoet komen aan de complexe opvoedvraag van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat de positieve ontwikkeling die zij thans doormaakt, wordt voortgezet en dat er duidelijkheid komt over haar opvoedingsperspectief. Het hof acht het, gelet op [minderjarige] ’s belaste verleden en haar kwetsbaarheid, schadelijk voor haar ontwikkeling en niet verantwoord om het hechtingsproces met haar pleegouders thans te doorbreken.

3.9.7.

Gelet op het voorgaande deelt het hof het standpunt van de raad dat de aanvaardbare termijn genoemd in artikel 1:266 BW is overschreden en dat het opvoedingsperspectief van [minderjarige] niet meer bij de vader ligt. Het is voor een goede verdere ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat de huidige opvoedingssituatie bij de pleegouders wordt bestendigd. Een ondertoezichtstelling is dan ook niet langer de geëigende maatregel. Dit geldt temeer nu de vader zich bij herhaling negatief uitlaat over de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin en over de pleegouders, waardoor [minderjarige] belast wordt met loyaliteitsproblemen, hetgeen schadelijk is voor haar ontwikkeling.

In het licht van alle omstandigheden van het geval acht het hof beëindiging van het gezag van de vader noodzakelijk.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 juni 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 11 juli 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.A.M. Scheij en L.Th.L.G. Pellis en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.