Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:571

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.245.608_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:5253, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:266 sub a BW; gezagsbeëindiging ouders; aanvaardbare termijn voor terugplaatsing kind bij ouders verstreken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 14 februari 2019

Zaaknummer : 200.245.608/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/247611 / FA RK 18-952

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan door zijn advocaat

mr. R.J. van der Heijden;

- de familie [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 juni 2018, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 11 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 september 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel wordt afgewezen.

2.2.

De vader heeft op 11 oktober 2018 een verweerschrift ter griffie van het hof ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019.
De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.245.628/01 (hoger beroep van de vader tegen de beëindiging van zijn gezag). De beslissing in die zaak is in een afzonderlijke beschikking opgenomen.

Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader, bijgestaan door mr. Van der Heijden;

2.3.1.

De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 27 september 2018;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 14 november 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 10 december 2013 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 10 december 2018.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 1 juli 2015 uit huis geplaatst. Sinds juni 2016 verblijft zij bij de huidige pleegouders.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes over haar benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder toegelicht dat het hoger beroep van de moeder gericht is tegen de beëindiging van het gezag over [minderjarige] van zowel de moeder als de vader.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De aanvaardbare termijn voor terugplaatsing van [minderjarige] is nog niet verstreken. De moeder heeft zich sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] zeer goed ontwikkeld. Zij heeft een stabiele relatie met haar nieuwe partner, met wie zij samenwoont. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] krijgt steeds meer diepgang. Ook de financiële situatie van de moeder is op orde.

De moeder is in staat om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Zij kan [minderjarige] een stabiele basis bieden. De andere twee kinderen van de moeder zijn inmiddels terug bij haar geplaatst. De moeder heeft nog steeds gesprekken met een psycholoog.

De moeder wijst er op dat het gedrag van de vader in het verleden een negatieve weerslag heeft gehad op haar. De ouders zijn inmiddels gescheiden. Volgens de moeder heeft de raad de opvoedmogelijkheden van de ouders niet voldoende afzonderlijk van elkaar bekeken.

Wanneer [minderjarige] bij de moeder wordt geplaatst, staat de moeder open voor contact tussen [minderjarige] en de vader.

De moeder wil gezamenlijk gezag met de vader. Dat is ook het uitgangspunt van de wet. De moeder wil de vader niet buitensluiten.

3.6.

De raad heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De raad handhaaft zijn inleidende verzoek. In deze zaak is de aanvaardbare termijn al geruime tijd verstreken. [minderjarige] is een kwetsbaar kind. Ten tijde van het raadsonderzoek waren er zorgen over haar gehechtheid. Het gaat steeds beter met [minderjarige] in het pleeggezin. Opnieuw een breuk in [minderjarige] ’s relatie met een hechtingsfiguur is schadelijk voor haar ontwikkeling. Terugplaatsing van [minderjarige] bij één van de ouders is niet aan de orde.

[minderjarige] heeft met de moeder geen stabiele hechtingsrelatie opgebouwd. Verder speelt er een taalprobleem. De andere twee kinderen van de moeder zijn weliswaar bij haar teruggeplaatst, maar dat zijn pubers. Die hebben in een andere tijd en gedurende een langere periode bij de moeder gewoond.

De vader heeft onvoldoende pedagogische vaardigheden om [minderjarige] op te voeden.

3.7.

De GI heeft ter zitting - in het kort - het volgende naar voren gebracht.

[minderjarige] heeft duidelijkheid nodig. Zij krijgt momenteel speltherapie. De bezoeken van de moeder aan [minderjarige] verlopen goed.

Vanwege de veiligheid van [minderjarige] vindt de omgang tussen de vader en [minderjarige] niet meer bij de vader thuis plaats en is de omgang in frequentie en duur beperkt. De vader heeft de gezinsvoogd ernstig bedreigd. Op zichzelf verlopen de bezoeken van de vader aan [minderjarige] nu plezierig.

De GI heeft nog steeds geen goed en volledig beeld van de vader. De vader “trekt” aan [minderjarige] . De vader laat zich ook regelmatig in aanwezigheid van [minderjarige] negatief uit over de pleegouders. Uit het raadsrapport blijkt dat het niet verantwoord is om [minderjarige] terug bij de vader te plaatsen.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Volgens de vader is de relatie van de moeder en haar nieuwe partner niet stabiel. Verder toont de moeder onvoldoende aan dat haar financiële situatie op orde is. Ook is onbekend of de moeder haar alcoholverslaving onder controle heeft.

De vader verzet zich niet tegen gezamenlijk gezag met de moeder.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Gesteld noch gebleken is dat de ouders het gezag misbruiken. Dit betekent dat het hof in deze zaak enkel de vraag heeft te beoordelen of is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266 sub a BW.

3.9.3.

Op grond van de stukken en het besprokene ter zitting is het hof van oordeel dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 sub a BW en daarmee aan de eerste beëindigingsgrond. Het hof zal dat hierna uitleggen.

3.9.4.

Het is in het belang van [minderjarige] dat zij kan opgroeien in een opvoedingsomgeving waarin aan haar stabiliteit, veiligheid, continuïteit en een ongestoorde hechting worden geboden. Voor haar verdere ontwikkeling is het voorts van belang dat [minderjarige] opvoeders heeft die haar deze opvoedingsomgeving kunnen bieden en dat voor haar duidelijk is op welke plek zij (verder) mag opgroeien.

[minderjarige] is een kwetsbaar kind met een belast verleden doordat zij in haar eerste levensfase is opgegroeid in een onrustige, onveilige en spanningsvolle situatie bij de ouders thuis.

De vader heeft een verstandelijke beperking. De moeder had een alcoholprobleem en was overbelast. De ouders maakten vaak ruzie, waarbij er sprake was van verbaal en lichamelijk geweld. Door persoonlijke problemen waren de ouders emotioneel en fysiek onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige] , die zich (ook toen al) in een kwetsbare leeftijdsfase bevond. Uit het raadsrapport blijkt van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] ’s gehechtheid. Sinds kort krijgt [minderjarige] speltherapie om de gebeurtenissen uit het verleden een plek te geven. [minderjarige] ’s belaste voorgeschiedenis maakt dat zij meer dan gemiddeld behoefte heeft aan continuïteit en stabiliteit in de opvoeding en aan opvoeders die haar op een sensitieve manier begrenzen, zodat zij emotionele veiligheid en voorspelbaarheid ervaart. Het hof is van oordeel dat de ouders deze opvoedingsomgeving ook nu niet aan [minderjarige] kunnen bieden. Het hof overweegt hierover nog als volgt.

3.9.5.

Blijkens het raadsrapport is de moeder een liefhebbende en betrokken moeder, maar kent zij een belaste voorgeschiedenis. De moeder heeft te kampen gehad met een alcoholverslaving. Tot medio 2017 had zij geen enkele vorm van stabiliteit in haar leven op het gebied van wonen, inkomsten, werk/opleiding en relaties. In de eerste levensjaren van [minderjarige] is de moeder door haar eigen problemen onvoldoende beschikbaar geweest voor [minderjarige] , die daardoor geen stabiele hechtingsrelatie met de moeder heeft kunnen opbouwen. Sinds ruim anderhalf jaar maakt de moeder een positieve ontwikkeling door. De moeder komt haar bezoekafspraken met [minderjarige] na en hun onderlinge contact is beter geworden. Daarnaast volgt de moeder een taalcursus, heeft ze inkomsten en een woonplek. Ook haar alcoholproblemen lijkt zij onder controle te hebben. Dat de moeder als persoon is gegroeid laat naar het oordeel van het hof evenwel onverlet dat niet binnen een redelijke, overzienbare termijn tot terugplaatsing van [minderjarige] bij haar kan worden besloten. [minderjarige] is niet veilig gehecht aan de moeder en op dit moment is er nog steeds enkel sprake van een beperkte en begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Dat de twee andere kinderen van de moeder inmiddels bij haar zijn teruggeplaatst, maakt dit niet anders. Deze kinderen zijn ouder, hebben langer dan [minderjarige] en in een andere tijd bij de moeder gewoond en hebben - anders dan [minderjarige] - met de moeder wel een hechtingsrelatie kunnen opbouwen.

Blijkens het raadsrapport is ook de vader een liefhebbende en betrokken ouder, maar als gevolg van zijn verstandelijke beperking is hij zeer kwetsbaar. De vader beschikt over onvoldoende intellectuele en pedagogische vermogens om af te stemmen op de complexe emotionele behoeftes van [minderjarige] . Dit komt naar voren uit een adviesverslag van het pleegzorgteam van de GI. De vader is in staat om met hulp op praktisch gebied voor [minderjarige] te zorgen, maar hij heeft onvoldoende in huis om aan te sluiten bij het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van [minderjarige] en om haar veiligheid blijvend te garanderen.

3.9.6.

Daarbij overweegt het hof dat [minderjarige] al op jonge leeftijd (in juli 2015) uit huis is geplaatst. Zij heeft kort in een netwerkpleeggezin verbleven en is daarna in een regulier pleeggezin gaan wonen. Daar kon zij vanwege de leeftijd van de pleegouders maar een jaar kon blijven. Sinds juni 2016 woont [minderjarige] in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

Toen [minderjarige] bij de huidige pleegouders kwam wonen, was zij onzeker en schrikachtig. Inmiddels is zij zich aan hen aan het hechten en gaat het steeds beter met haar. Uit het rapport van de raad blijkt dat de pleegouders in ruim voldoende mate tegemoet komen aan de complexe opvoedvraag van [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat de positieve ontwikkeling die zij thans doormaakt, wordt voortgezet en dat er duidelijkheid komt over haar opvoedingsperspectief. Het hof acht het, gelet op [minderjarige] ’s belaste verleden en haar kwetsbaarheid, schadelijk voor haar ontwikkeling en niet verantwoord om het hechtingsproces met haar pleegouders thans te doorbreken.

3.9.7.

Gelet op het voorgaande deelt het hof het standpunt van de raad dat de aanvaardbare termijn genoemd in artikel 1:266 BW is overschreden en dat het opvoedingsperpectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders ligt. Het is voor een goede verdere ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat de huidige opvoedingssituatie bij de pleegouders wordt bestendigd.

Een ondertoezichtstelling is dan ook niet langer de geëigende maatregel. In het licht van alle omstandigheden van dit geval acht het hof beëindiging van het gezag van de ouders dan ook noodzakelijk.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 juni 2018, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 11 juli 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.A.M. Scheij en L.Th.L.G. Pellis en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.