Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:566

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.232.332_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:8684, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opstellen en toezenden factuur is geen prestatie als bedoeld in art. 6:89 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.232.332/01

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. G.E. Tip te Roermond,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J.G.G. Sluijter te Assen,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 november 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 september 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5886691 \ CV EXPL 17-3347)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    het schriftelijke pleidooi, waartoe partijen onderling pleitnotities hebben uitgewisseld en vervolgens in het geding hebben gebracht;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) [appellant] is een ondernemer die onder meer handelt in PVC rioleringsbenodigheden.

b) [geïntimeerde] is leverancier van PVC materialen.

c) [appellant] is omstreeks 2010 haar PVC rioleringsbenodigdheden bij [geïntimeerde] gaan inkopen. [appellant] fungeerde ook als tussenpersoon voor klanten van [geïntimeerde] in die zin dat klanten van [geïntimeerde] die werkzaam waren in de regio [plaats 1] of [plaats 2] en materiaal nodig hadden bij [appellant] materialen konden afhalen, waarvan de kosten inclusief handlingsvergoeding door [geïntimeerde] aan [appellant] werden voldaan.

d) [geïntimeerde] heeft [appellant] facturen gezonden voor geleverde goederen. De betreffende facturen hebben een vervaltermijn van telkens 30 dagen na factuurdatum.

e) [appellant] heeft in 2016 een viertal facturen van [geïntimeerde] onbetaald gelaten en gevraagd om verstrekking van de bijbehorende pakbonnen. Het gaat om de volgende facturen:
- [factuur 1] d.d. 5 april 2016 ten bedrage van € 2.005,20
- [factuur 2] d.d. 9 juni 2016 ten bedrage van € 1.923,10
- [factuur 3] d.d. 29 juli 2016 ten bedrage van € 1.861,31
- [factuur 4] d.d. 22 augustus 2016 ten bedrage van € 1.177,15

f) Omdat betaling uitbleef nadat pakbonnen waren verstrekt, heeft [geïntimeerde] haar vordering ter incasso aan [incasso] Incasso uit handen gegeven. Aan [incasso] heeft [appellant] gevraagd om het verstrekken van leesbare pakbonnen. Ondanks aanmaning heeft [appellant] de facturen onbetaald gelaten.

3.2.

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en gevorderd – samengevat – veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 7.690,10 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

[appellant] heeft verweer gevoerd.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen – kort gezegd - als in strijd met artikel 6:89 BW onvoldoende tijdig en onderbouwd weersproken. [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 7.690,10 vermeerderd met rente, als ook in de proceskosten.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] . Met de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

3.4.

[geïntimeerde] legt aan zijn vorderingen ten grondslag vier, ondanks herhaalde aanmaning, onbetaald gebleven facturen voor geleverde zaken. [appellant] betwist primair gemotiveerd dat hij de zaken waarvoor de facturen aan hem zijn gestuurd heeft besteld en/of geleverd heeft gekregen en beroept zich subsidiair op verrekening met een bedrag van € 1.817,15 voor door klanten van [geïntimeerde] bij [appellant] afgehaalde materialen. Het hof oordeelt als volgt.

3.5.

Het hof deelt niet het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] in strijd met zijn verplichtingen uit artikel 6:89 BW heeft gehandeld.

[appellant] protesteert (uitsluitend) tegen de juistheid van de facturen. Het opstellen en het toezenden van een factuur geldt niet als een prestatie zoals in artikel 6:89 BW wordt bedoeld, zodat dit artikel hier toepassing mist (vgl. HR 11 mei 2001, NJ 2001, 410).

In zoverre slaagt IV.

3.6.

Ten aanzien van de vraag of [geïntimeerde] terecht betaling van haar facturen vordert, geldt als uitgangspunt dat ingevolge het bepaalde in art. 150 Rv op [geïntimeerde] de plicht rust (bij betwisting) voldoende onderbouwd te stellen en indien nodig te bewijzen dat de goederen waarvoor zij betaling verlangd aan [appellant] zijn geleverd. Dienaangaande oordeelt het hof als volgt.

3.7.

Uit het debat tussen partijen maakt het hof op dat partijen werkten met pakbonnen die ook golden als afleverbonnen en die voor ontvangst moesten worden getekend als bewijs dat er was afgeleverd. De door [appellant] met verklaringen van betreffende werknemers (prod. 1 en 2 MvG) en hun handtekeningen (prod. 5 CvA) onderbouwde stelling dat alle afleveringen bij hem alleen door hemzelf of [werknemer 1] of [werknemer 2] in ontvangst werden genomen en afgetekend, is door [geïntimeerde] niet weersproken.

Bij de beoordeling van de vorderingen gaat het hof uit van deze hierbij vastgestelde feiten.

Factuur met nummer [factuur 2]

3.8.

Deze factuur onderbouwt [geïntimeerde] met een pakbon (prod. 1 bij inl. dagv.) en een aftekenlijst van een transport van 8 juni 2016 (prod. 5 bij CvR). De pakbon is niet ondertekend. Dat de daarop vermelde goederen zijn afgeleverd aan [appellant] volgt dan ook niet uit de pakbon. Wel staat op de pakbon als referentie “ [naam 1] [plaats 3] ”.

Uit de overgelegde aftekenlijst is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet op te maken wat er op genoemde datum is afgeleverd, noch dat er is afgeleverd aan [appellant] . De lijst vermeldt weliswaar als naam geadresseerde “ [geïntimeerde] - [handelsnaam] ”. Het bij de afnemer opgenomen afleveradres echter luidt [adres] te [plaats 3] . Er is afgetekend door “ [voornaam] …” (achternaam onleesbaar) en met de hand is bijgeschreven “ [naam 2] ”. [appellant] voert aan dat geen van zijn werknemers heeft afgetekend en wijst erop dat zijn bedrijf niet op genoemd adres is gevestigd. Ook wijst hij erop dat in die periode door [naam 2] voor [naam 1] op genoemd adres het pompstation c.q. de drinkwaterinstallatie [pompstation c.q. drinkwaterinstallatie] gebouwd is, wat de referentie op de pakbon en het afleveradres kan verklaren. Daaruit blijkt dan ook dat de administratie van [geïntimeerde] niet altijd klopte, aldus [appellant] . Dit verweer is door [geïntimeerde] niet meer weersproken anders dan met de stelling dat aflevering aan [naam 2] niets afdoet aan een door [appellant] niet betwiste bestelling. Dat het een bestelling van [appellant] is geweest met het verzoek de goederen bij [naam 2] af te leveren, is echter door [geïntimeerde] niet, althans in het licht van het verweer van [appellant] onvoldoende onderbouwd, gesteld Naar het oordeel het hof heeft [geïntimeerde] daarmee, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [appellant] , onvoldoende onderbouwd dat de met deze factuur in rekening gebrachte goederen door [appellant] zijn besteld en aan hem zijn geleverd.

Factuur met nummer [factuur 3]

3.9.

[geïntimeerde] onderbouwt deze factuur met de stelling dat het goederen betreft die door [appellant] zelf bij [naam 3] zijn afgehaald en een inkooporder (prod. 7 bij CvR). Uit de inkooporder blijkt dat [geïntimeerde] de goederen bij [naam 3] heeft besteld. Verder staat daarop vermeld – voor zover relevant - “wordt afgehaald 29-7-2016” en een handgeschreven [letter] in een cirkel. De naam van [appellant] of een van de handtekeningen van de medewerkers van [appellant] komt op de bon niet voor. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet hoe de door [geïntimeerde] overgelegde inkooporder kan dienen als onderbouwing van de stelling dat [appellant] de betreffende goederen bij [naam 3] heeft afgehaald. [appellant] betwist dat ook gemotiveerd onder andere onder verwijzing naar eerdergenoemde verklaringen van zijn medewerkers, waarin opgenomen dat zij de “afhaalbon” [naam 3] niet voor ontvangst hebben getekend. De inhoud van die verklaringen is door [geïntimeerde] (op dit punt) niet weersproken.

Aldus heeft [geïntimeerde] , gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] , onvoldoende onderbouwde feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat de in rekening gebrachte goederen door [appellant] bij [geïntimeerde] zijn besteld en door [appellant] bij [naam 3] zijn afgehaald of anderszins aan [appellant] zijn geleverd.

Factuur met nummer [factuur 1]

3.10.

[appellant] betwist, onder verwijzing naar de door hem overgelegde handtekeningen (prod. 5 CvA), dat de handtekening die op de pakbon behorend bij deze factuur voorkomt, van een van zijn medewerkers is en verwijst naar de verklaringen van zijn medewerkers, waarin zij verklaren deze pakbon niet voor ontvangst getekend te hebben. [geïntimeerde] overlegt ter verificatie van de handtekening een pakbon met nummer [nummer] bij een factuur die wel door [appellant] is betaald (productie 6 CvR). [geïntimeerde] stelt dat de handtekening op die pakbon dezelfde is.

Het hof is het eens met [appellant] dat de twee handtekeningen (van onderhavige pakbon en de pakbon behorend bij de wel betaalde factuur) niet gelijk zijn, noch op elkaar lijken. Dat de op de pakbon vermelde goederen zijn afgeleverd aan [appellant] volgt daar dan ook niet (zonder meer) uit. Gelet op dit gemotiveerde verweer van [appellant] , had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om zijn stelling dat het hier een door haar aan [appellant] afgeleverde bestelling van [geïntimeerde] betreft, nader te onderbouwen met stukken of feiten en omstandigheden. Nu zij dat heeft nagelaten, zal (ook) dit deel van de vordering van [geïntimeerde] als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Factuur met nummer [factuur 4]

3.11.

De handtekening op de door [geïntimeerde] overgelegde pakbon bij deze factuur komt volgens [geïntimeerde] overeen met de handtekening op de (op een andere bestelling en factuur betrekking hebbende) pakbon met nummer [nummer] (productie 6 CVR). [appellant] ontkent echter dat hij de goederen die met deze factuur in rekening worden gebracht heeft ontvangen. Hij voert aan dat uit het wel betaald hebben van de andere factuur (waarop productie 6 CVR betrekking heeft) niet kan worden afgeleid dat de in het geding zijnde factuur [factuur 4] juist was, omdat hij zich op enig moment onder dreiging van een leveringstop genoodzaakt heeft gezien een aantal facturen zonder voorafgaande controle te betalen. Dit verweer is door [geïntimeerde] niet weersproken en evenmin heeft [geïntimeerde] verklaard hoe het mogelijk kan zijn dat een pakbon van een levering die - naar zijn zeggen - is afgeleverd bij [appellant] , is afgetekend door iemand anders dan de onder 3.7 hiervoor genoemde drie personen.

3.12.

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat er goederen aan [appellant] zijn geleverd, die de vier facturen rechtvaardigen. Nu [geïntimeerde] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden, wordt haar (overigens slechts algemeen geformuleerde) bewijsaanbod gepasseerd.

3.13.

De grieven I tot en met IV en de veeggrief VI slagen. Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd. Opnieuw rechtdoende worden de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Bij behandeling van grief V, waarmee [appellant] klaagt dat zijn beroep op verrekening is verworpen, heeft [appellant] dan geen belang meer. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep veroordeeld. Op verzoek van [appellant] zal dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende,

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 223,= aan griffierecht en op € 500,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 91,57 aan dagvaardingskosten, op € 318,= aan griffierecht en op € (2pt x tarief I:759,=) 1.518,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, J.I.M.W. Bartelds en T.H.M. van Wechem en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 februari 2019.

griffier rolraadsheer