Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:561

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
200.216.831_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg bepaling over stalhuur bij het einde van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.216.831/01

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. O. Diemel te Rosmalen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 april 2017 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen vonnis van 1 februari 2017 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde en geïntimeerde

- [geïntimeerde] - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5562554 CV EXPL 16-9171)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 19 april 2017;

  • -

    het op 31 juli 2018 tegen geïntimeerde verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven van [appellante] van 15 augustus 2017 met producties en eiswijziging.

[appellante] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Tussen partijen is een schriftelijke overeenkomst gesloten voor het mesten van rozé vleeskalveren van [appellante] op het bedrijf van [geïntimeerde] . Deze overeenkomst is ingegaan per 1 januari 2011 voor de duur van vijf jaar.

In de overeenkomst is opgenomen dat het gaat om 580 standplaatsen tegen een basisvergoeding van € 1,60 per plaats per week. Voorts is opgenomen dat [appellante] van [geïntimeerde] in totaal 6.34 ha gronden huurt tegen € 975,= per ha per jaar, in totaal € 6.180,=. In 2013 is dit teruggebracht naar 3.35 ha. [appellante] betaalde daarna € 4.293,53 per maand.

Op de overeenkomst zijn van toepassing de daarbij gevoegde Contractbepalingen. Hierin is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

Artikel 13

Indien deze overeenkomst, na het verstrijken van de termijn waarvoor deze is aangegaan, niet wordt verlengd, blijven tot het tijdstip dat het laatst opgezette kalf is afgeleverd, alle bepalingen van deze overeenkomst onverminderd van kracht. Bij het in gedeelten afvoeren van de kalveren van de laatste ronde, wordt de overeengekomen vergoeding uitbetaald per bezette plaats.

De overeenkomst is na afloop van de periode van vijf jaar niet verlengd, zodat deze per 1 januari 2017 eindigde. Over de afwikkeling van het contract (oplevering stal en afvoer mest) zijn tussen partijen afspraken gemaakt die zijn opgenomen in brieven van 8 december 2015 en 21 december 2015.

Over de maanden november en december 2015 heeft [appellante] niet het gebruikelijke maandbedrag van € 4.293,53 betaald, maar in totaal een bedrag van € 2.689,11. Tussen partijen is hierover per e-mail gecorrespondeerd. Volgens [appellante] bracht artikel 13 van de Contractbepalingen mee dat zij verder de basisvergoeding per bezette standplaats diende te betalen. [geïntimeerde] was het daar niet mee eens.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft [geïntimeerde] [appellante] gesommeerd over de maanden november en december het volledige bedrag van € 4.293,53 per maand te betalen, verminderd met het betaalde bedrag van € 2.689,11, hetgeen uitkomt op een bedrag van € 5.897,95.

Ook na verdere aanmaning heeft [appellante] geweigerd het bedrag van € 5.897,95 te voldoen.

3.2

Bij dagvaarding van 29 november 2016 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat [appellante] ook over de maanden november en december 2015 het volledige maandbedrag van € 4.293,53 verschuldigd was en dat zij door dit niet te betalen haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt. Op grond daarvan vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg veroordeling van [appellante] tot betaling van het bedrag van € 5.897,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, en van een bedrag van € 447,70 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.

[appellante] is in eerste aanleg verschenen maar heeft niet van antwoord geconcludeerd.

Bij vonnis van 1 februari 2017 heeft de kantonrechter vastgesteld dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet zijn weersproken en deze toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente over de proceskosten ingaat vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.3

In haar memorie van grieven heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 7.465,45 dat [appellante] ingevolge een betalingsbevel op 8 augustus 2017 uit hoofde van het vonnis van 1 februari 2017 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 8 augustus 2017 tot aan de terugbetaling. Deze vordering, door [appellante] aangeduid als vermeerdering van eis, betreft een ongedaanmakingsvordering. De vordering tot ongedaanmaking van wat ter uitvoering van het bestreden vonnis is verricht, is echter geen volgens artikel 353 lid 1 juncto 130 lid 3 uitgesloten eiswijziging en ook geen in hoger beroep volgens artikel 353 lid 1 Rv verboden eis in reconventie.

3.4

[appellante] heeft tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] één grief aangevoerd, waarmee het gehele geschil aan het hof ter beoordeling is voorgelegd. [geïntimeerde] heeft zich zowel in de correspondentie voorafgaande aan deze procedure als in zijn dagvaarding in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat [appellante] ook over de maanden november en december 2015 het volledige bedrag verschuldigd is. Artikel 13 van de Contractbepalingen houdt dit volgens [geïntimeerde] in. De bepaling dat de overeengekomen vergoeding per bezette plaats wordt betaald geldt volgens [geïntimeerde] voor de periode na het einde van de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Volgens [appellante] geldt die bepaling al eerder, namelijk voor de periode waarin de laatste ronde kalveren wordt afgevoerd. Het afvoeren van de laatste ronde kalveren is volgens de daarvoor gemaakte afspraken uitgevoerd, zodat de stal weer tijdig voor verhuur aan derden beschikbaar kwam. [appellante] stelt dat voor de berekening van de verschuldigde stalhuur op basis van bezette plaatsen uitgegaan kan worden van een gemiddelde levering per 16 november 2015 zodat in haar visie 580 maal 16 dagen van € 0,23 per dag door haar voldaan dient te worden. Dit komt volgens [appellante] uit op een bedrag van € 2.144,71, te vermeerderen met de huur van de gronden over november en december 2015 van € 272,20 per maand, in totaal € 2.689,11 inclusief btw. Het hof merkt hierbij op dat 580 x 16 x € 0,23 een bedrag van € 2.134,40 oplevert; [appellante] heeft het verschil met het door haar berekende bedrag niet toegelicht. Waar partijen het in ieder geval over eens zijn, is de verschuldigde huur voor de gronden. Alleen de stalhuur is in geschil, en wel in verband met de uitleg van artikel 13 van de Contractbepalingen.

3.5

Het hof stelt in dit verband het volgende voorop. De betekenis van een omstreden

beding in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof stelt vast dat in dit geval geen van beide partijen iets heeft aangevoerd over verklaringen of gedragingen bij de totstandkoming van de overeenkomst, zodat daaraan geen argumenten ontleend kunnen voor de uitleg van artikel 13 van de Contractbepalingen.

3.6

Volgens [appellante] is het onvermijdelijk dat wanneer een mestcontract niet wordt voortgezet, bij het afvoeren van het laatste koppel leegstand ontstaat (memorie van grieven punt 13). Het is volgens [appellante] in de kalverbranche gebruikelijk dat die leegstand voor rekening van de mester, in dit geval [geïntimeerde] , komt en niet voor rekening van de opdrachtgever, in dit geval [appellante] . [geïntimeerde] is al lang werkzaam in de kalverbranche en weet ook dat dit gebruikelijk is, aldus [appellante] . [geïntimeerde] heeft een en ander niet betwist zodat het hof van de juistheid hiervan dient uit te gaan. Dit betekent dat de uitleg die [appellante] aan artikel 13 van de Contractbepalingen geeft, gelet op de hiervoor weergegeven maatstaf daarvoor, als de juiste uitleg dient te worden aangemerkt en dat de uitleg die [geïntimeerde] daaraan geeft wordt verworpen.

3.7

Uitgaande van deze uitleg van artikel 13 van de Contractbepalingen heeft [appellante] berekend wat zij aan [geïntimeerde] verschuldigd was en dat ook aan hem voldaan. [appellante] heeft de stal ontruimd voor het einde van het contractperiode. Door [geïntimeerde] is de berekening die [appellante] in hoger beroep heeft overgelegd niet bestreden zodat van de juistheid daarvan uitgegaan wordt. Het verschil tussen de bedragen € 2.134,40 en € 2.144,71 dat hiervoor in 3.4 is opgemerkt is niet ten nadele van [geïntimeerde] zodat dit verder niet van belang is. Het beroep op verrekening van [appellante] (memorie van grieven punt 9-10) behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

3.8

De consequentie van dit alles is dat de grief van [appellante] slaagt en dat de vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen. Het vonnis van 1 februari 2017 wordt vernietigd. De vordering van [appellante] tot ongedaanmaking wordt toegewezen, zij het met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW en niet met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van beide instanties.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 1 februari 2017, waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] terug te betalen het bedrag van € 7.465,45 zijnde dit het bedrag dat [appellante] op 8 augustus 2017 ingevolge een betalingsbevel van [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 8 augustus 2017 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op nihil in eerste aanleg en op € 81,99 aan kosten dagvaarding, op € 716,= aan griffierecht en op € 759,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 157,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 239,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden indien [geïntimeerde] binnen twee weken na daartoe te zijn aangemaand in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 februari 2019.

griffier rolraadsheer