Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:559

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.243.251_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening:

Verzoek wijziging voorlopige voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 14 februari 2019

Zaaknummer: 200.243.251/02 (voorlopige voorziening)

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/317086/FA RK 17-424

inzake:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , Indonesië,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.B. Sluijs,

tegen

[verweerder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Koppelmans-de Goeij.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 mei 2018, gewezen onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, onder meer en voor zover hier van belang, ten aanzien van de beslissing over de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. De man heeft tegen voormelde beschikking incidenteel hoger beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geadministreerd onder zaaknummer 200.243.251/01 en 200.243.254/01.

2.2.

De vrouw heeft hangende voormeld hoger beroep op 14 november 2018 een verzoekschrift voor het vaststellen van een voorlopige voorziening ingediend. De man heeft op 11 december 2018 een verweerschrift tegen de verzochte voorlopige voorziening ingediend, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening van 21 september 2017. Ter zitting van het hof heeft de vrouw een verweerschrift tegen dit verzoek ingediend. Deze voorlopige voorzieningenprocedure is geadministreerd onder nummer 200.243.251/02. De onderhavige beschikking ziet uitsluitend op deze kwestie.

2.3.

De mondelinge behandeling in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de advocaat van de vrouw, mr. Sluijs;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Koppelmans-De Goeij.

De vrouw is niet ter zitting verschenen, maar zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 21 september 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant het bedrag dat de man met ingang van (naar het hof begrijpt) 21 september 2017 (voorlopig) moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw, bepaald op

€ 740,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.2.

Bij beschikking betreffende de echtscheiding van 4 mei 2018 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover hier van belang, het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen van € 2.000,- per maand, afgewezen.

3.3.

Namens de vrouw is ter zitting in hoger beroep haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. De vrouw zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.

3.4.

Voor ligt nog het verzoek van de man tot wijziging van de onder 3.1. genoemde voorlopige voorziening in die zin dat de door de man te betalen voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vanaf 25 oktober 2018 op nihil wordt gesteld.

De man heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De vrouw heeft, ook gelet op haar verblijf op [woonplaats] waar de kosten van levensonderhoud beduidend lager liggen, geen behoefte aan een aanvullende bijdrage. De rechtbank heeft voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw ten onrechte de hofnorm toegepast en een onjuist peiljaar tot uitgangspunt genomen. Bovendien is het inkomen van de vrouw iets hoger dan het inkomen waar de rechtbank vanuit is gegaan.

Daarnaast is de man gelet op zijn inkomen en lasten niet langer in staat om een bijdrage aan de vrouw te voldoen. Het inkomen van de man uit PGB is weggevallen en de man kan alleen niet hetzelfde inkomen uit de onderneming generen als partijen voorheen samen deden. Ook is de hypothecaire lening, verbonden aan de echtelijke woning, inmiddels niet meer aftrekbaar en betaalt de man een lening aan zijn vader terug.

3.5.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.6.

Het hof constateert allereerst dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek. Er kan bij dit hof wijziging worden verzocht van de door de rechtbank getroffen beschikking voorlopige voorzieningen van 21 september 2017, aangezien er voldoende samenhang bestaat tussen de te wijzigen voorziening en het bij dit hof aanhangige hoger beroep (zaaknummer 200.243.251/01 en 200.243.254/01).

3.7.

Het hof stelt voorop dat voorlopige voorzieningen op grond van artikel 824 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen worden gewijzigd indien de omstandigheden na die beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Niet iedere wijziging van omstandigheden zal dus tot wijziging van de beschikking kunnen leiden. Alleen in evidente, zeer sprekende gevallen, is een wijziging gerechtvaardigd. Met inachtneming van het voorgaande zal het hof de stellingen van partijen beoordelen.

3.8.

Het hof zal de stellingen over de (aanvullende) behoefte van de vrouw passeren. Niet is gebleken van (een zodanige mate van) onjuiste of onvolledige gegevens dat de voorziening niet in stand kan blijven. Het doel van de onderhavige procedure: het treffen van een ordemaatregel, brengt met zich dat geen plaats is voor een volledige herbeoordeling van de door de rechtbank genomen beslissingen. De discussie over de (aanvullende) behoefte van de vrouw dient te worden gevoerd in de hoofdzaak.

Ook de door de man gestelde wijzigingen in zijn draagkracht acht het hof, in onderlinge samenhang bezien, niet zodanig dat de voorziening niet in stand kan blijven.

De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat de winst uit onderneming door het vertrek van de vrouw naar [woonplaats] en het derhalve staken van haar werkzaamheden in de onderneming is gedaald. De rechtbank is uitgegaan van de door de man gestelde voorlopige cijfers en een winst uit onderneming van € 21.618,- per jaar. De man stelt thans in zijn verzoekschrift dat uit dient te worden gegaan van een gemiddeld resultaat (van de jaren 2017 en 2018) van

€ 30.549,- per jaar. Dit is een hoger resultaat dan waar de rechtbank van is uitgegaan. Het wegvallen van het PGB van € 1.240,- bruto per maand, kan zo deels worden gecompenseerd. Bovendien is, gelet op de betwisting van de vrouw, niet vast komen te staan dat de man een lening bij zijn vader heeft moeten aangaan.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige voorziening afwijzen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening;

wijst het verzoek van de man tot het wijzigen van de voorlopige voorziening af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.