Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:558

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
20-002784-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Klachtdelict.

Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens ontbreken klacht.

De enkele aangifte van het misdrijf door aangeefster houdt hier niet in een klacht tegen de verdachte. Uit dit stuk kan niet worden afgeleid dat zij ook de uitdrukkelijke bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld tegen de verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 316
Wetboek van Strafrecht 324
Wetboek van Strafvordering 164
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002784-18

Uitspraak : 15 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 13 augustus 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-199971-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

laatst bekende adres: [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verduistering veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen ten laste is gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Subsidiair is vrijspraak bepleit. Indien het hof tot een bewezenverklaring mocht of zou komen heeft de raadsman voorwaardelijk het verzoek gedaan om de aangeefster als getuige te horen, alsmede -zo begrijpt het hof- de opsteller van de handgeschreven aantekening op de aangifte en [naam] waarvan gewag wordt gemaakt in genoemde aantekening.

Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal reeds worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2017 tot 10 oktober 2017 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in bruikleen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Blijkens artikel 324 van het Wetboek van Strafrecht (verder Sr) is het bepaalde van 316 Sr van overeenkomstige toepassing op het ten laste gelegde delict, te weten verduistering, strafbaar gesteld in artikel 321 Sr. Het tweede lid van artikel 316 Sr houdt in dat indien het feit wordt gepleegd tegen een van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot of bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, de vervolging van de verdachte alleen plaats heeft op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd.

Verdachte is een aanverwant van de aangeefster door het huwelijk van aangeefster met de vader van de verdachte. Daarmee is het ten laste gelegde een klachtdelict.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag bij klachtdelicten, moet worden nagegaan of er sprake is van een op de voorgeschreven wijze ingediende klacht. Eén van de voorschriften is, dat de klacht wordt gedaan ten overstaan van een (hulp)officier van justitie.

De vorm waarin de klacht wordt ingediend is voorgeschreven bij art. 164 Sv. Dit beschrijft de klacht als een aangifte van een strafbaar feit met verzoek tot vervolging. Omtrent de precieze inhoud zwijgt de wet.

In de onderhavige zaak blijkt niet dat door aangeefster een formele klacht ten overstaan van een (hulp)officier van justitie tegen haar stiefzoon, verdachte, is gedaan. Een en ander behoeft echter niet altijd tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden.

Op grond van vaste rechtspraak kan, indien een klacht ontbreekt, een aangifte toch als mede inhoudende een klacht worden aangemerkt als de bedoeling van de aangever dat een vervolging wordt ingesteld duidelijk uit de aangifte blijkt. Ook kan een klacht worden aangenomen, indien een aangifte geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, als op grond van het onderzoek ter terechtzitting is vastgesteld dat de aangever ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een strafvervolging zou worden ingesteld.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval daar geen sprake van is. De enkele aangifte van het misdrijf door [aangeefster] houdt hier niet in een klacht tegen de verdachte. Uit dit stuk kan niet worden afgeleid dat zij ook de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld tegen de verdachte.

Naar het oordeel van het hof heeft aangeefster in haar aangifte d.d. 7 oktober 2017 er blijk van gegeven dat zij aangifte heeft willen doen omdat zij zich geconfronteerd zag met diverse boetes die zij ontving, omdat de personenauto, een Volkswagen Polo, met het kenteken [kenteken] op haar naam stond, maar de boetes feitelijk door de verdachte waren veroorzaakt. Verdachte was echter moeilijk te bereiken. Voorts heeft zij verklaard dat in een telefoongesprek dat haar man (hof: de vader van de verdachte) op 4 oktober 2017 voerde met de verdachte door de verdachte is gezegd dat hij de auto op zijn naam zou zetten. Dat lukte echter niet, omdat de papieren van de auto in bezit waren van de aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij niet meer wist wat ze moest doen.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door aangeefster een uitdrukkelijk verzoek is gedaan tot vervolging van haar stiefzoon.

De stelling van de advocaat-generaal dat de wens tot vervolging zou volgen uit hetgeen onder het kopje Slachtofferzorg staat vermeld, te weten “U wilt de schade verhalen op de verdachte”, kan niet als zodanig worden opgevat, omdat het verhalen van schade via meerdere wegen mogelijk is en niet alleen via een strafrechtelijke vervolging. Bovendien acht het hof het aannemelijk dat de aangeefster hiermee heeft gedoeld op de boetes die zij had ontvangen, omdat de auto op haar naam stond, terwijl de auto feitelijk in gebruik was bij de verdachte. In de eveneens onder het kopje Slachtofferzorg vermelde zin: “U wilt op de hoogte gehouden worden van de voortgang van het onderzoek” kan evenmin een wens tot vervolging worden gelezen.

Nu aan het klachtvereiste niet is voldaan zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande behoeft het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een drietal getuigen te horen, geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 10 oktober 2017 onder CJIB-nummer 3132 5420 0307 8942 (parketnummer: 01-199971-17).

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 15 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.