Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:522

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
200.232.833_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7363
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: 200.232.833/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/319493 / FA RK 16-4789

beschikking van de meervoudige kamer van 14 februari 2019

inzake:

[appellante] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep en in het incident,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep en in het incident,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.R. Albicher.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 6 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 6 april 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. Voorts heeft de man daarbij een incidenteel verzoek gedaan tot afgifte van afschrift van bescheiden.

2.3.

De vrouw heeft op 18 juni 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep en op het incidenteel verzoek tot afgifte van afschrift van bescheiden ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- producties 52 tot en met 71 van de man, met begeleidend schrijven, uit de eerste aanleg, ingekomen op 18 februari 2018;

- producties 12 tot en met 16 van de vrouw, met begeleidend schrijven, uit de eerste aanleg, ingekomen op 18 februari 2018;

- de producties 1 tot en met 7 behorend bij het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg, ingekomen op 18 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 6 november 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 9 november 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 9 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 9 november 2018.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 22 november 2018 plaatsgevonden.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

De vrouw is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.6.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de advocaten van partijen pleitnotities overgelegd. Na de mondelinge behandeling zijn voorts ingekomen het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 21 december 2018 en het journaalbericht van de zijde van de man van 24 december 2018, uit welke journaalberichten blijkt dat er geen sprake is geweest van een mediationtraject en waarin het hof is verzocht om uitspraak te doen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.1.1.

Uit het huwelijk van partijen is geboren [minderjarige] ( [de minderjarige] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

[de minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 23 mei 2012 heeft de rechtbank Middelburg tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 1 november 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) moet voldoen een bedrag van € 500,- per maand met ingang van 23 mei 2012.

3.3.

Partijen konden zich destijds met die beslissing niet verenigen en zij zijn daarvan in hoger beroep gekomen. Bij die gelegenheid heeft de vrouw tevens een verzoek ingediend tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie).

Bij beschikking van dit hof van 23 mei 2013 heeft dit hof een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepaald van € 1.254,75 per maand in de periode van 23 mei 2012 tot en met 31 december 2012 en van € 1.276,08 per maand met ingang van 1 januari 2013.

Voorts heeft het hof een partneralimentatie vastgesteld van € 1.668,- per maand in de periode van 1 november tot en met 31 december 2012 en van € 1.696,36 per maand met ingang van 1 januari 2013.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie

met ingang van 1 januari 2016 € 1.314,73 per maand en

met ingang van 1 januari 2019 € 1.389,73 per maand

en de partneralimentatie

met ingang van 1 januari 2016 € 1.784,45 per maand en

met ingang van 1 januari 2019 € 1.847,434 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voormelde beschikking van dit hof van 23 mei 2013 gewijzigd. De rechtbank heeft de partneralimentatie met ingang van 8 augustus 2016 op nihil gesteld en daarbij het (zelfstandig) verzoek van de vrouw om de partneralimentatie nader te bepalen op € 6.150,- per maand afgewezen. Ook heeft de rechtbank het verzoek van de man om de kinderalimentatie met ingang van 8 augustus 2016 te verminderen afgewezen.

4.2.1.

De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep zien op de wijziging van omstandigheden, op de ingangsdatum, op haar aanvullende behoefte en op de draagkracht van de man.

4.2.2.

De vrouw heeft verzocht, verkort weergegeven, het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie alsnog af te wijzen en de man alsnog te veroordelen tot betaling van een partneralimentatie van € 6.150,- per maand, althans een partneralimentatie die het hof juist acht, met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking, althans met ingang van een datum die het hof juist acht.

4.3.1.

De man heeft verzocht de vrouw in haar verzoeken in het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.

4.3.2.

De grieven van de man in het incidenteel hoger beroep zien op zijn draagkracht en op de zorgkorting.

De man heeft verzocht, verkort weergegeven, de kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van 8 augustus 2016, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, op nihil te stellen, althans te verlagen en te stellen op een bedrag dat het hof juist acht.

4.4.

De man heeft tenslotte, bij wijze van incidenteel verzoek, verzocht om de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beslissing van het hof aan de man een afschrift te verstrekken van:

a. de successieaangifte(n) en aanslag(en) recht van successie betreffende de nalatenschap van de overleden vader van de vrouw, de heer [de erflater] ;

b. de aangifte erfbelasting en aanslag(en) erfbelasting betreffende de nalatenschap van de overleden moeder van de vrouw, mevrouw [de erflaatster] ;

c. de boedelbeschrijving betreffende de nalatenschap van de heer [de erflater] zoals genoemd in de akte van verdeling, afgifte legaat en vestiging vruchtgebruik d.d. 28 juli 2010;

d. de boedelbeschrijving betreffende de nalatenschap van mevrouw [de erflaatster] ;

e. de aangifte inkomstenbelasting 2017 van de vrouw;

zulks onder oplegging van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat de vrouw na het

verstrijken van de termijn van twee weken na de in deze te wijzen beschikking in gebreke blijft met het verstrekken van al deze informatie.

4.5.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek te ontzeggen als ongegrond en onbewezen. Voorts heeft de vrouw verzocht de man het verzoek tot afgifte van stukken te ontzeggen, dan wel dat verzoek af te wijzen.

4.6.

De grieven van partijen worden gezamenlijk besproken.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.1.

De vrouw heeft gesteld dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die herziening van de door het hof bij beschikking van 23 mei 2013 vastgestelde kinder- en partneralimentatie rechtvaardigt. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

5.1.2.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling. De man is directeur-grootaandeelhouder van [de vennootschap] . Die BV is vennoot van de [de V.O.F.] (de V.O.F.). Die vennootschap richt zich op de exploitatie van landbouwgronden, in het bijzonder de aardappelteelt. Onder verwijzing naar de overgelegde jaarstukken beroept de man zich op een substantiële vermindering van het resultaat in de V.O.F. sinds 2013. Verder staat vast dat de moeder van de vrouw is overleden en de vrouw een nalatenschap heeft ontvangen. Een en ander maakt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft om de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie opnieuw te bezien.

Ingangsdatum

5.2.1.

De vrouw heeft gesteld dat zij voor haar levensonderhoud (mede) afhankelijk is van de partneralimentatie die de man ingevolge de beschikking van dit hof van 23 mei 2013 aan haar dient te betalen en dat zij daarmee met haar uitgavenpatroon rekening heeft mogen houden. Eventuele vermindering van de partneralimentatie dient naar de mening van de vrouw pas in te gaan op datum van de door het hof te geven beschikking, dan wel op de datum van de bestreden beschikking. De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd betwist.

5.2.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft op 8 augustus 2016 zijn wijzigingsverzoek bij de rechtbank ingediend, in welk verzoek de man heeft verzocht om de kinder- en de partneralimentatie met ingang van 8 augustus 2016 op nihil te stellen. Gelet op de datum van de indiening van voormelde verzoeken van de man is het hof van oordeel dat de vrouw met een mogelijke nihilstelling van de kinder- en de partneralimentatie per 8 augustus 2016 rekening heeft kunnen houden.

Het hof gaat uit van 8 augustus 2016 als datum waarop, zoals in het navolgende zal blijken, de partneralimentatie gewijzigd dient te worden.

Partneralimentatie

De behoefte van de vrouw

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de totale behoefte van de vrouw € 5.456,17 netto per maand bedraagt (niveau 2016), zodat het hof daarvan uitgaat.

Aanvullende behoefte van de vrouw

5.4.1.

De vrouw heeft gesteld dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij nog immer behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud en dat de rechtbank de partneralimentatie ten onrechte op nihil heeft gesteld. Zij heeft het hof verzocht de partneralimentatie te bepalen van € 6.150,- per maand.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij is van mening dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat de rechtbank de partneralimentatie terecht op nihil heeft gesteld.

5.4.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De vrouw is arbeidsongeschikt, zij heeft een WAZ-uitkering.

Voorts is bij vonnis van 12 september 2007 van de rechtbank Middelburg (zie productie 91 van de man) aan de vrouw in verband met een aan haar in 1994 overkomen verkeersongeval een letselschade uitkering toegekend van ruim € 1.681.000,- .

Het vermogen van de vrouw bestaat onder meer uit onroerende zaken, waaronder een eigen woning en een woning die de vrouw heeft verkregen uit de nalatenschap van haar op 15 oktober 2016 overleden moeder, bank tegoeden, aandelen en obligaties. De vrouw bezit voorts landbouwgronden, in omvang aanvankelijk van omstreeks 27 hectare en na het overlijden van de moeder en veredeling van de nalatenschap in omvang toegenomen naar omstreeks 33 hectare. De vrouw exploiteerde landbouwgronden met haar moeder in een vennootschap onder firma. Die VOF is na het overlijden van de moeder overgegaan in een eenmanszaak van de vrouw.

Voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw gaat het hof uit van een WAZ uitkering van afgerond € 1.170,- bruto per maand. Bij de door de vrouw in hoger beroep overgelegde productie 48 heeft de vrouw de jaarrekening 2017 van de eenmanszaak overgelegd. Die jaarrekening vermeldt een bruto omzet in 2017 van € 57.813,-. Op deze omzet zijn bedrijfslasten van € 63.125,- in mindering gebracht, hetgeen leidt, na bijtelling van de post financiële baten en lasten van € 2.107,-, tot een verlies van € 3.205,-. Het hof overweegt dat in de jaarrekening onder meer accountantskosten van € 5.858,-, advocaatkosten van € 32.790,- en advieskosten van € 8.171,- als bedrijfslasten zijn opgenomen. Het hof beschouwt deze aanzienlijke kosten niet als kosten van een normale bedrijfsuitoefening van een eenmanszaak als die van de vrouw en zal deze kosten integraal corrigeren, zodat een door de vrouw in redelijkheid te realiseren haalbare winst uit onderneming kan worden gesteld op afgrond € 45.000,- per jaar. Daarvan zal voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw worden uitgegaan. De vrouw kan geacht worden een dergelijk resultaat ook te kunnen behalen door bijvoorbeeld de landbouwgronden niet zelf te bebouwen, zoals zij thans doet, maar deze te verpachten, hetgeen aanzienlijk minder kosten meebrengt. De vrouw heeft in haar appelschrift weliswaar gesteld dat zij wordt gekort op haar WAZ uitkering indien de winst uit onderneming boven een bepaald bedrag uitstijgt, doch de vrouw heeft niet aangegeven hoe de uitkering en de winst uit onderneming zich verhouden en op welke wijze de gestelde korting wordt berekend. Nu de vrouw haar stelling in het geheel niet heeft onderbouwd gaat het hof daaraan voorbij.

Gelet op het voorgaande becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw uit haar WAZ uitkering en uit de winst uit onderneming tezamen op € 3.572,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende berekening. De inkomensafhankelijke combinatiekorting is vanaf de in rechtsoverweging 5.2.2. vermelde ingangsdatum slechts gedurende beperkte periode van toepassing, nu deze heffingskorting slechts geldt indien het kind op 1 januari van het belastingjaar jonger is dan twaalf jaar en [de minderjarige] op [geboortedatum] 2016 twaalf jaar is geworden. Nu de aanvullende behoefte van de vrouw met name voor de toekomst wordt berekend, heeft het hof de inkomensafhankelijke combinatiekorting in redelijkheid buiten beschouwing gelaten.

Uitgaande van een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 5.456,17 netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de vrouw uit haar uitkering en winst uit onderneming van totaal € 3.572,- per maand, is er sprake van een tekort van ongeveer

€ 1.884,- netto per maand.

Het hof is van oordeel dat de vrouw geacht kan worden dit tekort met het rendement op haar vermogen te compenseren, en bij gebreke van voldoende rendement, het tekort aan te zuiveren door opnamen uit haar vermogen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw in 2016 nog beschikte over liquide middelen van ongeveer

€ 1.000.000,-, inmiddels te vermeerderen met onder meer het erfdeel van haar moeder van afgerond € 287.000,- (zoals blijkt uit de brief d.d. 31 oktober 2018 van de ing. [adviseur] van WEA Accountants en Adviseurs aan de vrouw, productie 51 van de vrouw). Aan de vrouw is uit de nalatenschap van de moeder, naast de voormelde landbouwgronden, onder meer ook toegekomen de onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Het hof is van oordeel dat de vrouw de mogelijkheid heeft de onroerende zaak aan de [adres] te laten renderen en de woning bijvoorbeeld te verhuren dan wel deze te verkopen. Het hof is in ieder geval met de man van oordeel dat de vrouw geacht moet worden een rendement van tenminste 3% op haar gehele vermogen te kunnen realiseren. Uitgaande van dat rendement, te stellen op omstreeks € 39.000,- per jaar, en voorts de bij het voormelde vermogen behorende belastingdruk van ongeveer € 15.600,- per jaar, resteert een rendement van ongeveer € 23.400,- netto per jaar, dit is € 1.950,- netto per maand.

De vrouw heeft, onder verwijzing naar de brief van dr. [neuroloog] , neuroloog (thans) niet praktiserend, van 14 maart 2018 aan de advocaat van de vrouw en de eerdere rapportage(s) van dr. [neuroloog] (productie 43 van de vrouw) gesteld dat zij, vanwege cognitieve- en medische beperkingen, niet in staat is haar vermogen actief te beheren en dat zij slechts in staat is een rendement uit spaarrente van hooguit 0,5 % op haar vermogen te realiseren. De vrouw heeft die stelling niet, althans niet voldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de vrouw zelfs maar getracht heeft te onderzoeken of er andere manieren zijn om een hoger rendement op haar vermogen te realiseren, eventueel door inschakeling van deskundige derden, hetgeen wel van haar verwacht mocht worden. Het hof is van oordeel dat de vrouw, ook in haar persoonlijke situatie, geacht moet worden het eerder gemelde rendement van 3% te realiseren. Tenslotte, indien dit rendement alsnog niet zou worden behaald, kan van de vrouw worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen. Het hof merkt daarbij op dat is gebleken dat de basis van dit vermogen, de voormelde letselschade uitkering, grotendeels bedoeld was ter compensatie van gederfde inkomsten.

Samenvattend is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Kinderalimentatie

Behoefte van [de minderjarige]

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] met ingang van 1 januari 2016 € 1.314,73 per maand bedraagt.

Draagkracht van de vrouw

5.6.

Het hof constateert de dat de man geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij bijdraagt in (een deel van) de kosten van [de minderjarige] , zodat het hof daarvan uitgaat.

Draagkracht van de man

5.7.1.

De man heeft gesteld dat hij onvoldoende inkomsten en derhalve onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

5.7.2.

Het hof is van oordeel dat de door de man gegeven onderbouwing voor zijn stelling dat hij onvoldoende inkomsten heeft om de door dit hof vastgestelde -thans geïndexeerde- kinderalimentatie te kunnen voldoen, als onvoldoende overtuigend dient te worden gepasseerd. Van de man kan bovendien worden gevergd dat hij zijn financiën desnoods zodanig anders inricht, dat hij wel voldoende draagkracht heeft om de geldende bijdrage voor [de minderjarige] te blijven voldoen, bijvoorbeeld door het liquide maken van een onderdeel van zijn vermogen, dat, zo is door de vrouw onbestreden gesteld, in elk geval bestaat uit ongeveer 53 hectaren landbouwgrond ter waarde van omstreeks 3,5 miljoen euro.

Zorgkorting

5.8.

De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat er sprake is van een omgangsregeling met [de minderjarige] van gemiddeld een dag per veertien dagen. De man gaat dan een dagje in het weekend weg met [de minderjarige] . De advocaat van de vrouw heeft bevestigd dat een dergelijke omgangsregeling door de rechtbank bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-|Brabant van 19 november 2014 nader is vastgesteld en hij heeft verwezen naar productie 46 waarin de vrouw een overzicht van de omgang heeft gegeven.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2012 blijkt dat aanvankelijk een omgang tussen de man en [de minderjarige] was bepaald van een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties. De man heeft ter zitting gesteld dat hij er immer voor heeft gevochten dat deze omgangsregeling werd uitgevoerd. Hij heeft ter zitting onweersproken verklaard dat de vrouw die regeling heeft verhinderd en dat de omgang uiteindelijk door de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2014 nader is bepaald op een dag per veertien dagen tot 17.00 uur, zonder overnachting. Uit de stukken en mede gelet op het verhandelde ter zitting is gebleken dat ieder der partijen een eigen uitleg heeft over de omgang en de frequentie daarvan, doch gelet op de bij beschikking van 19 november 2014 nader bepaalde omgangsregeling van een dag per veertien dagen, houdt het hof rekening met een zorgkorting van 15%, zoals door de man is verzocht. Nu de behoefte van [de minderjarige] € 1.314,73 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 197,21 per maand. Rekening houdend met deze zorgkorting dient de man met ingang van 8 augustus 2016 een kinderalimentatie aan de vrouw te betalen van € 1.314,73 minus € 197,21 =

€ 1.117,52 per maand. Naar analogie van de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage

met ingang van 1 januari 2017 € 1.140,99 per maand,

met ingang van 1 januari 2018 € 1.158,10 per maand en

met ingang van 1 januari 2019 € 1.181,26 per maand.

Terugbetaling

5.9.

Het hof is van oordeel dat van de vrouw, gelet op haar financiële positie, kan worden gevergd dat zij vanaf 8 augustus 2016 eventueel door de man te veel betaalde kinder- dan wel partneralimentatie aan de man terugbetaalt.

Het incidenteel verzoek van de man

5.10.

Het hof zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beslissing van het hof aan de man een afschrift te verstrekken van de stukken zoals hierboven in rechtsoverweging 4.4. is weergegeven, afwijzen nu de man in het kader van deze procedure geen belang meer heeft bij de door hem verzochte veroordeling.

6 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2017 uitsluitend voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 8 augustus 2016 te bepalen op nihil,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 23 mei 2013 tussen partijen gewezen voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ,

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen:

- van 8 augustus 2016 tot en met 31 december 2016 een bedrag van € 1.117,52 per maand,

- van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een bedrag van € 1.140,99 per maand,

- van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een bedrag van € 1.158,10 per maand en

- met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 1.181,26 per maand,

wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en bijgestaan de griffier en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.