Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:519

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.226.825_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4234
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is overeenkomst van opdracht tot stand gekomen met betrekking tot uitvoeren werkzaamheden als interim-directeur op school?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.226.825/01

arrest van 12 februari 2019

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. Total Sport Approach B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] en TSA,

advocaat: mr. E.R. Jonker te Amersfoort,

tegen

Interim & Co. NL B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Interim & Co,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 september 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 juli 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] en TSA als eisers en Interim & Co als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/315010 / HA ZA 16-747)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Interim & Co heeft in nr. 6 van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, melding gemaakt van een productie (“productie 1 Interim & Co in hoger beroep”). Het hof heeft bij de betreffende memorie echter geen productie aangetroffen, ook niet in de door partijen overgelegde kopieën van de gedingstukken. Het hof heeft dus geen kennis kunnen nemen van de genoemde productie.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [appellant] en [eigenaar van Interim & Co] (hierna: [eigenaar van Interim & Co] ), eigenaar van Interim & Co, kennen elkaar uit hoofde van hun eerdere activiteiten in het Montessorionderwijs.

  • -

    [appellant] voert een eenmanszaak onder de naam Total Sport Approach. Daarnaast is hij directeur en enig aandeelhouder van eiseres sub 2, de besloten vennootschap Total Sport Approach B.V.

  • -

    De werkzaamheden van Interim & Co richten zich onder meer op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het verrichten van interim-werkzaamheden in de onderwijssector.

  • -

    Interim & Co is door de Stichting Openbaar Basisonderwijs Westelijke Tuinsteden (hierna: de Stichting) benaderd voor het zoeken van een kandidaat voor de vacature van interim-locatieleider bij de [Montessorischool 1] Montessorischool.

  • -

    [eigenaar van Interim & Co] heeft hiervoor [appellant] per e-mail van 16 maart 2016 aangeschreven. In de e-mail staat onder meer het volgende:

“Ik ben op zoek naar een ervaren Montessoriaan die als interimmer in [vestigingsplaats] een team kan helpen om Montessori-onderwijs in de praktijk te brengen. De periode van inzet is tot einde volgend schooljaar en de inzet zal tussen de 3 en 4 dagen per week zijn. Ik stel voor dat we even telefonisch contact hebben om te kijken of dit iets voor jou is en om bij te praten.”

  • -

    Daarop hebben [appellant] en [eigenaar van Interim & Co] per telefoon de inhoud van de potentiële opdracht besproken en heeft [appellant] laten weten dat hij zeer geïnteresseerd is om de opdracht uit te voeren.

  • -

    Bij e-mail van 18 maart 2016 heeft [eigenaar van Interim & Co] het c.v. van [appellant] aan mw. [HR-manager] , HR-manager van de Stichting, doorgestuurd met de mededeling dat er volgens hem een uitstekende match is en dat [appellant] per direct beschikbaar is. Verder staat in de e-mail het volgende:

“Ik heb ook een concept-offerte opgesteld om u een beeld te geven van onze werkwijze e.d. Voor de definitieve offerte heb ik nog wel aanvullende informatie nodig (zoals een meer exacte opdrachtinvulling en doelstellingen), maar dat kan ook in een volgend stadium. Daarvoor maak ik graag een afspraak met u en de directeur om een en ander door te nemen (...)”

  • -

    De Stichting heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd met de vraag of [appellant] kan worden uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek op donderdag 24 maart 2016.

  • -

    Per e-mail van 21 maart 2016 heeft de Stichting aan [eigenaar van Interim & Co] de definitieve uitnodiging voor het kennismakingsgesprek met [appellant] gestuurd. [eigenaar van Interim & Co] heeft deze e-mail doorgestuurd aan [appellant] met de vraag of hij beschikbaar is voor een voorbespreking met [eigenaar van Interim & Co] op woensdagmorgen 23 maart 2016.

  • -

    Op woensdagmorgen 23 maart 2016 hebben [eigenaar van Interim & Co] en [appellant] deze bespreking gevoerd.

  • -

    Op donderdag 24 maart 2016 heeft [appellant] een kennismakingsgesprek gevoerd met [directeur van Montessorischool 1] en [directeur van Montessorischool 2] , directeuren van respectievelijk de [Montessorischool 1] Montessorischool en de [Montessorischool 2] , die ook door de Stichting wordt bestuurd. Daarna heeft [appellant] van [adjunct-directeur van Montessorischool] , adjunct-directeur van de [Montessorischool 1] Montessorischool, een rondleiding door de school gehad, en heeft hij kennismakingsgesprekken gevoerd met twee ervaren leerkrachten van de [Montessorischool 1] Montessorischool.

  • -

    Het kennismakingsgesprek is naar volle tevredenheid verlopen. In een WhatsApp-bericht van [directeur van Montessorischool 1] aan [appellant] staat:

“Ja heel geslaagd. Erg laat geworden. Ik wil nog even overleg met [voorzitter van de stichting] (hof: de voorzitter van de Stichting) dinsdag en dan bel ik je direct daarna ok? Fijne paasdagen en hartelijke groet”

  • -

    Maandag 28 maart 2016 was Tweede Paasdag.

  • -

    Op maandag 4 april 2016 heeft mevrouw [voorzitter van de stichting] aan [eigenaar van Interim & Co] telefonisch laten weten niet met Total Sport Approach in zee te willen gaan. De reden daarvan was dat zij van collega’s had vernomen dat deze geen goede ervaringen hebben gehad met [appellant] . [eigenaar van Interim & Co] heeft [appellant] die dag hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. Die middag heeft [eigenaar van Interim & Co] nog een bespreking gehad met de Stichting. De Stichting heeft daarbij nogmaals te kennen gegeven niet met [appellant] in zee te willen gaan

  • -

    Bij e-mail van donderdag 7 april 2016 heeft [appellant] aan [eigenaar van Interim & Co] en mevr. [voorzitter van de stichting] onder meer het volgende meegedeeld:

Op 16 maart j.l werd ik benaderd door dhr [eigenaar van Interim & Co] voor een interim opdracht aan de [Montessorischool 1] in [vestigingsplaats] . Na een gesprek en afstemming van duur en honorarium heb ik medegedeeld per onmiddellijk deze opdracht te willen aanvaarden.

Ik heb op donderdag 24 maart een aangenaam gesprek gehad met mevr [directeur van Montessorischool 1] (directrice [Montessorischool 1] ) en dhr [directeur van Montessorischool 2] (directeur [Montessorischool 2] ).

Ook heb ik een rondleiding en een gesprek gehad met dhr [adjunct-directeur van Montessorischool] , adjunct directeur [Montessorischool 1] .

Eveneens gesprekken gevoerd met twee ervaren leerkrachten van de school.

Aan het einde van de middag werd door mevr [directeur van Montessorischool 1] , dhr [adjunct-directeur van Montessorischool] en ondergetekende aangegeven dat het zeer aangename gesprekken waren en dat er een goed gevoel was ontstaan.

Op dinsdag 29 maart belde mevr [directeur van Montessorischool 1] mij op en vertelde me dat ze overleg had gehad met mevr [voorzitter van de stichting] en ik per direct zou kunnen starten.

Daarom ben ik op donderdag 31 maart begonnen met mijn werkzaamheden.

Op donderdag 31 maart heb ik de schoolzaken met mevr [directeur van Montessorischool 1] besproken (vertrouwelijke informatie leerkrachten, planningen, overleggen etc). Ook kennis gemaakt met de leerkrachten en medewerkers. Daarna heb ik de sleutels van de school ontvangen.

Op vrijdag 1 april heb ik uitgebreid met dhr [adjunct-directeur van Montessorischool] allerlei interne schoolzaken besproken.

Op maandag 4 april heb ik met mevr [waarnemend schoolleider] (waarnemend schoolleider Mont afdeling) alle relevante Montessori-mappen doorgenomen.

Gezien voorgaande is een overeenkomst tot stand gekomen voor de duur van 15 maanden. Deze overeenkomst kan niet eerder door u worden opgezegd. Ik wil deze overeenkomst ook nakomen en mijn werkzaamheden voor u voortzetten. Daarom stel ik mij nog steeds per direct voor vier dagen in de week beschikbaar. De werkzaamheden

die ik al heb verricht zal ik binnenkort aan u factureren.

Ik verneem graag voor vrijdag 8 april a.s. 17.00 uur uw akkoord op voorgaande.”

- Bij e-mail van donderdag 7 april 2016, 18:14 uur, heeft [eigenaar van Interim & Co] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“Het beoogde contract zou aangegaan zijn met Interimenco en niet met de betreffende klantorganisatie. Hiervoor was het uiteraard wel noodzakelijk dat er, in voorwaardelijke sfeer, een contract gesloten zou worden tussen Interimenco en de klantorganisatie. Daarvoor was, zoals jou bekend was, op 4 april een overleg gepland tussen mij en een vertegenwoordiger van de stichting. Voor aanvang van dit overleg is gemeld vanuit de klantorganisatie dat het contract nooit tot stand zou komen. Helaas, maar wel een feit. Hierdoor is het ook nooit tot contractvorming kunnen komen tussen jouw b.v. en Interimenco. Dit is de enige opdrachtstelling die in dit geval overigens van

toepassing zou kunnen zijn geweest.

Aangezien er nooit sprake zou zijn of kunnen zijn van een opdrachtstelling vanuit de klantorganisatie, maar alleen een relatie tussen jouw b.v. en Interimenco, verzoek ik je zeer dringend om geen contact meer op te nemen met onze klantorganisatie of vertegenwoordigers daarvan.”

  • -

    TSA heeft aan Interim & Co een factuur van 8 april 2016 gezonden ter zake door [appellant] op donderdag 31 maart, vrijdag 1 april, en maandag 4 april 2016 op de [Montessorischool 1] verrichte werkzaamheden.

  • -

    Bij brief van 15 april 2016 heeft [eigenaar van Interim & Co] aan [appellant] meegedeeld dat Interim & Co de factuur van 8 april 2016 niet zal voldoen omdat, kort samengevat, geen overeenkomst tot stand gekomen is tussen Interim & Co en [appellant] op grond waarvan [appellant] aanspraak heeft op beloning voor verrichte werkzaamheden.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderen [appellant] en TSA:

  • -

    een verklaring voor recht dat tussen [appellant] en Interim & Co een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, inhoudende dat [appellant] in opdracht en voor rekening van Interim & Co met ingang van 30 maart 2016 en tot het einde van het schooljaar 2016/2017 werkzaamheden als interim-directeur diende te verrichten op de [Montessorischool 1] te [vestigingsplaats] , gedurende vier dagen per week en tegen een tarief van € 600,-- exclusief btw per dag;

  • -

    veroordeling van Interim & Co om aan [appellant] een schadevergoeding te betalen van € 166.800,--, dan wel een door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag;

met veroordeling van Interim & Co in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellant] en TSA, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Tussen [appellant] (althans TSA) enerzijds en Interim & Co anderzijds is op 23 maart 2016 mondeling een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, die inhield dat [appellant] in opdracht en voor rekening van Interim & Co met ingang van 30 maart 2016 tot het einde van het schooljaar 2016/2017 werkzaamheden als interim-directeur zou verrichten op de [Montessorischool 1] Montessorischool te [vestigingsplaats] . De overeenkomst is op 23 maart 2016 tot stand gekomen onder de opschortende voorwaarde van aanvaarding van [appellant] door de [Montessorischool 1] Montessorischool. Die voorwaarde is in vervulling gegaan door de telefonische mededeling van mevrouw [directeur van Montessorischool 1] aan [appellant] op 29 maart 2016 dat mevrouw [voorzitter van de stichting] groen licht had gegeven en dat [appellant] de volgende dag, 30 maart 2016, kon beginnen. [appellant] heeft dit op 29 maart 2016 telefonisch aan [eigenaar van Interim & Co] meegedeeld. [eigenaar van Interim & Co] heeft [appellant] toen gefeliciteerd en geen enkel voorbehoud gemaakt, waarna [appellant] op 30 maart 2016 met de uitvoering van de opdracht is gestart.

Omdat Interim & Co de overeenkomst niet nakomt, lijdt [appellant] (althans TSA) schade ter zake gederfde inkomsten. Interim & Co moet die schade vergoeden.

3.2.3.

Interim & Co heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 8 februari 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.2.5.

In het eindvonnis van 19 juli 2017 heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld:

  • -

    Omdat [appellant] en TSA zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stelling dat een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen is met Interim & Co, dragen zij de stelplicht en bewijslast van die stelling (rov. 4.3).

  • -

    De door [appellant] en TSA gestelde omstandigheden dat zij van de school het groene licht hebben gekregen, dat [appellant] vanaf 30 maart 2016 werkzaamheden voor de school heeft verricht, dat hij de sleutels van de school heeft gekregen en dat hem vertrouwelijke informatie is gegeven, maken nog niet dat er een overeenkomst van opdracht tussen [appellant] of TSA en Interim & Co tot stand gekomen is. Daarvan is pas sprake als Interim & Co aan [appellant] of TSA een daartoe strekkend aanbod heeft gedaan en [appellant] of TSA dat aanbod heeft aanvaard (of andersom) (rov. 4.4).

  • -

    Interim & Co heeft gemotiveerd betwist dat bij de bespreking van 23 maart 2016 de door [appellant] en TSA gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. [appellant] en TSA moeten dit bewijzen. Tijdens de comparitie van partijen heeft de advocaat van [appellant] en TSA meegedeeld af te zien van een bewijsaanbod op dit punt (rov. 4.5).

  • -

    Omdat [appellant] en TSA verder geen bewijs hebben bijgebracht van de door hen gestelde overeenkomst van opdracht, moet hun vordering worden afgewezen (rov. 4.6).

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] en TSA afgewezen en [appellant] en TSA in de proceskosten veroordeeld.

3.3.1.

[appellant] en TSA hebben in principaal hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] en TSA hebben op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen.

3.3.2.

Interim & Co heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. Interim & Co heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis onder verbetering van gronden.

Met betrekking tot de grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, devolutieve werking van het hoger beroep

3.4.1.

De grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is gericht tegen rov. 2.14 van het bestreden vonnis. Volgens Interim & Co heeft de rechtbank in die rechtsoverweging ten onrechte als feit vastgesteld dat [appellant] op woensdag 30 maart, vrijdag 1 april, en maandag 4 april 2016 werkzaamheden heeft verricht op de [Montessorischool 1] Montessorischool. In de toelichting op de grief heeft Interim & Co onder verwijzing naar de door haar in het geding in eerste aanleg genomen conclusie van antwoord gemotiveerd betwist dat [appellant] op de genoemde dagen werkzaamheden op de school heeft verricht.

3.4.2.

Interim & Co wenst met deze grief geen andere uitkomst van het geding te verkrijgen dan in het dictum van het bestreden vonnis is neergelegd. Zodra een grief in principaal hoger beroep terecht zou zijn voorgedragen en dit tot toewijzing van de vordering van [appellant] dan wel TSA zou kunnen leiden, zou het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de door Interim & Co gevoerde verweren, ook voor zover zijn door de rechtbank zijn verworpen of buiten behandeling zijn gelaten, ambtshalve moeten beoordelen. Het staat het hof ook vrij om die verweren eerst te behandelen, en pas daarna de grieven in principaal hoger beroep te beoordelen. Het hof acht termen aanwezig het in rov. 3.4.1 genoemde verweer nu te behandelen.

3.4.3.

Het verweer treft in zoverre doel dat Interim & Co gemotiveerd heeft betwist dat [appellant] op de gestelde data werkzaamheden heeft verricht op de school. Gelet op die betwisting heeft de rechtbank in onderdeel 2.14 van de feitenvaststelling ten onrechte als vaststaand aangenomen dat [appellant] op die dagen werkzaamheden voor de school heeft verricht. Het hof zal hierna bij de behandeling van de grieven in principaal hoger beroep bezien of op dit punt nog bewijslevering moet plaatsvinden.

3.4.4.

Omdat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betrekking heeft op een kwestie die ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep hoe dan ook aan de orde diende te komen zodra een grief in principaal hoger beroep terecht zou zijn voorgedragen en dit tot toewijzing van de vordering van [appellant] dan wel TSA zou kunnen leiden, zal het hof een proceskostenveroordeling in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep achterwege laten.

Met betrekking tot de grieven 1, 2 en 3 in principaal hoger beroep: is tussen [appellant] dan wel TSA en Interim & Co een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen?

3.5.1.

Het hof zal de grieven 1, 2 en 3 in principaal hoger beroep gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betogen [appellant] en TSA naar de kern genomen dat tussen [appellant] dan wel TSA en Interim & Co wel degelijk de gestelde overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Volgens [appellant] en TSA is de overeenkomst mondeling tot stand gekomen tijdens de bespreking die [appellant] en [eigenaar van Interim & Co] op woensdag 23 maart 2016 hebben gevoerd. In de bespreking is volgens [appellant] en TSA overeenstemming bereikt over de omvang van de opdracht (naar het hof begrijpt: over het aantal uren per week), over de duur van de opdracht en over het te hanteren tarief. Aan de volgens hen op 23 maart 2016 gesloten overeenkomst was volgens [appellant] en TSA de opschortende voorwaarde verbonden dat de opdrachtgever van Interim & Co [appellant] als uitvoerder van de opdracht zou accepteren. Volgens [appellant] en TSA is deze opschortende voorwaarde definitief in vervulling gegaan door de door hen gestelde telefonische mededeling van mevrouw [directeur van Montessorischool 1] van dinsdag 29 maart 2016 dat mevrouw [voorzitter van de stichting] groen licht had gegeven en dat [appellant] de volgende dag, 30 maart 2016, kon beginnen met de uitvoering van de werkzaamheden.

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (art. 6:217 lid 1 BW). Voor de totstandkoming van een overeenkomst van opdracht geldt geen vormvoorschrift. Van een overeenkomst van opdracht kan ook sprake zijn indien de overeenkomst niet in een schriftelijk contract is vastgelegd. Ingevolge artikel 3:37 lid 1 BW kunnen verklaringen, zoals het doen van een aanbod en de aanvaarding van een aanbod, in iedere vorm geschieden en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen in een geval als het onderhavige door de rechter worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.5.3.

Interim & Co heeft in het geding in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat zij overeenkomsten van opdracht zoals de nu door [appellant] en TSA gestelde overeenkomst alleen schriftelijk aangaat en dat zij dus tijdens voorbesprekingen zoals die van 23 maart 2016 geen mondelinge overeenkomsten van opdracht wil sluiten. Interim & Co heeft voorts in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat het in de branche gebruikelijk is om bij overeenkomsten van opdracht zoals nu in geschil, overeen te komen dat:

  • -

    indien de overeenkomst tussen de school en het interim-bureau tot een einde komt, de overeenkomst met de opdrachtnemer ook per direct tot een einde komt;

  • -

    dat alleen daadwerkelijk gewerkte uren gefactureerd kunnen worden.

Volgens Interim & Co pleegt zij deze bepalingen ook op te nemen in de schriftelijke overeenkomsten die zij pleegt te sluiten met haar opdrachtnemers. Ter onderbouwing van die stelling heeft Interim & Co twee voorbeelden van overeenkomsten met toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd. Het hof stelt vast dat [appellant] en TSA deze stellingen van Interim & Co over de gebruiken in de branche en over de wijze waarop Interim & Co haar overeenkomsten pleegt te sluiten niet hebben betwist. Voor het hof strekken die stellingen dus tot uitgangspunt.

3.5.4.

Tegen deze achtergrond hebben [appellant] en TSA naar het oordeel van het hof in dit geval onvoldoende onderbouwd dat op 23 maart 2016 daadwerkelijk reeds een overeenkomst onder opschortende voorwaarde tussen enerzijds [appellant] dan wel TSA en anderzijds Interim & Co tot stand gekomen is. Het hof acht daarbij onder meer het volgende van belang.

  • -

    [appellant] heeft tijdens de bij de kantonrechter gehouden comparitie van partijen verklaard dat hij tijdens de bespreking van 23 maart 2016 zijn “oude uurtarief” heeft genoemd en dat hij toen met [eigenaar van Interim & Co] heeft afgesproken dat het loon ongeveer conform dat tarief zou worden. In deze eigen verklaring van [appellant] ligt besloten dat op 23 maart 2016 nog geen definitieve overeenstemming over een uurtarief is bereikt. De door [appellant] gestelde inhoud van het besprokene wijst hooguit op een door partijen uitgesproken intentie om een overeenkomst aan te gaan maar niet op een reeds (onder enige opschortende voorwaarde) tot stand gekomen overeenkomst.

  • -

    [appellant] heeft zich in de onderhavige procedure op het standpunt gesteld dat hij in persoon opdrachtnemer was bij de gestelde overeenkomst van opdracht. Dat hierover gesproken is op 23 maart 2016 heeft [appellant] echter niet gesteld. Interim & Co heeft bovendien in het geding in eerste aanleg gemotiveerd gesteld dat indien de gestelde overeenkomst van opdracht al tot stand gekomen zou zijn, niet [appellant] maar TSA als opdrachtgever heeft te gelden. In de in dit kader door Interim & Co genoemde brief van haar advocaat van 18 oktober 2016 is uiteengezet dat de contacten formeel liepen tussen Interim & Co en TSA. Opvallend is in dit verband dat de factuur van 8 april 2016, waarbij werkzaamheden van donderdag 31 maart, vrijdag 1 april, en maandag 4 april 2016 bij Interim & Co in rekening zijn gebracht, verzonden is op naam van TSA en niet op naam van [appellant] of diens eenmanszaak. Het hof concludeert dat onduidelijkheid bestaat over de vraag wie bij de overeenkomst als opdrachtnemer van Interim & Co zou optreden. [appellant] heeft niet gesteld dat hierover gesproken is op 23 maart 2016. Ook dat wijst erop dat op 23 maart 2016 slechts intenties en voornemens zijn uitgesproken en bevestigd, maar dat daarbij nog geen bindende overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand gekomen is.

  • -

    Uit hetgeen het hof hiervoor in rov. 3.5.3 heeft overwogen, volgt dat de daar genoemde voorwaarden (alleen factureren van gewerkte uren en de overeenkomst eindigt als de overeenkomst tussen Interim & Co en de school eindigt) in de branche gebruikelijk zijn. [appellant] heeft niet gesteld dat die voorwaarden, die voor de opdracht belangrijke onderwerpen betreffen, op 23 maart 2016 besproken zijn en hij heeft ook niet gesteld of die voorwaarden voor hem acceptabel waren.

Dit brengt het hof tot het oordeel dat [appellant] en TSA tegenover het door Interim & Co gevoerde verweer onvoldoende hebben onderbouwd dat op 23 maart 2016 reeds een overeenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand gekomen is tussen een van hen en Interim & Co. Dat op 23 maart 2016 is gesproken over het aantal dagen per week waarop de werkzaamheden zouden worden verricht, over de periode dat de opdracht zou voortduren en dat daarbij het door [appellant] gewenste uurtarief is genoemd en bespreekbaar is geacht, is daarvoor niet voldoende. Omdat de stellingen van [appellant] over het op 23 maart 2016 besprokene niet de conclusie kunnen dragen dat op die dag een overeenkomst tot stand gekomen is, is geen aanleiding aanwezig om daarover bewijslevering te laten plaatsvinden.

3.5.5.

Het voorgaande voert tot de conclusie dat de grieven I, II en III geen doel treffen. Dat [appellant] op 29 maart 2016 en in de eerste dagen na 29 maart 2016 wellicht in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij door de school geaccepteerd was, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het hof neemt daar bij in aanmerking dat die veronderstelling, indien die aanwezig is geweest, slechts enkele dagen heeft geduurd. Interim & Co heeft immers reeds in de loop van maandag 4 april 2016 telefonisch aan [appellant] bevestigd dat de Stichting niet met [appellant] of TSA in zee wilde gaan. Op dat moment was nog geen sprake van een situatie waarin [appellant] en TSA mochten aannemen dat een bindende overeenkomst tussen hen en Interim & Co tot stand gekomen was.

Met betrekking tot grief 4 in principaal hoger beroep: vergoeding voor gewerkte dagen

3.6.1.

Door middel van grief 4 betogen [appellant] en TSA dat [appellant] (althans TSA) in elk geval recht heeft op betaling van loon voor de drie dagen die [appellant] heeft gewerkt (naar het hof begrijpt: de bij de factuur van 8 april 2016 in rekening gebrachte dagen 31 maart, 1 april, en 4 april 2016).

3.6.2.

Deze grief stuit af op het feit dat tussen [appellant] dan wel TSA en Interim & Co geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen is.

Met betrekking tot grief 5 in principaal hoger beroep: ongerechtvaardigde verrijking

3.7.1.

Door middel van grief 5 betogen [appellant] en TSA, aansluitend bij grief 4, subsidiair dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Naar het hof begrijpt, bedoelen [appellant] en TSA te stellen dat Interim & Co ongerechtvaardigd is verrijkt omdat [appellant] werkzaamheden heeft verricht zonder dat [appellant] of TSA daar loon voor hebben ontvangen.

3.7.2.

Deze grief stuit af op het feit dat niet gesteld of gebleken is dat Interim & Co door de gestelde werkzaamheden is verrijkt. Er is niet komen vast te staan dat een overeenkomst tot stand gekomen is tussen Interim & Co en de school. In het verlengde daarvan is evenmin gesteld of gebleken dat de school enige vergoeding aan Interim & Co heeft betaald ter zake de door [appellant] en TSA gestelde werkzaamheden op de drie genoemde data.

Met betrekking tot grief 6 in principaal hoger beroep: proceskostenveroordeling

3.8.1.

In de toelichting op grief 6 betogen [appellant] en TSA dat de kantonrechter de vordering van [appellant] dan wel TSA direct had moeten toewijzen en Interim & Co had moeten veroordelen in de proceskosten. Volgens de grief heeft de kantonrechter [appellant] en TSA dus ten onrechte in de proceskosten veroordeeld.

3.8.2.

Het hof verwerpt ook deze grief. Omdat de grieven 1 tot en met 5 geen doel hebben getroffen, komt het hof evenals de kantonrechter tot de conclusie dat de vordering van [appellant] en TSA niet toewijsbaar is. Dat brengt mee dat de veroordeling van [appellant] en TSA in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter in stand moet blijven.

Conclusie en afwikkeling in principaal hoger beroep

3.9.1.

Omdat geen van de grieven in principaal hoger beroep doel treft, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

3.9.2.

Het hof zal [appellant] en TSA als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep, waaronder begrepen de gevorderde nakosten. Voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten is geen grondslag gesteld, zodat het hof zal volstaan met een gewone veroordeling (op de voet van artikel 6:6 lid 1, eerste volzin, BW).

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis van 19 juli 2017;

veroordeelt [appellant] en TSA in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Interim & Co op € 5.200,-- aan griffierecht en op € 3.161,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en S.C.H. Molin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 februari 2019.

griffier rolraadsheer