Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:517

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.198.125_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:4014
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3556
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vernietiging hypotheekakte, vaststellingsovereenkomsten en pandaktes op grond van misbruik van omstandigheden, art. 3:44 lid 4 en 5 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.198.125/01

arrest van 12 februari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.B.Th. van 't Grunewold te Roermond,

tegen

1 [de V.O.F.] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [de V.O.F.] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [geïntimeerde 3]

geïntimeerden 1 t/m 3 hierna samen aan te duiden als [de V.O.F.] ,

advocaat: mr. I. Stolting te Hoogerheide,

4 [geïntimeerde 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [geïntimeerde 4] ,

5. [geïntimeerde 5],
wonende te [woonplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,

geïntimeerden 4 en 5 hierna samen aan te duiden als de maatschap,

advocaat: mr. M.E. Cuppen te Meerssen,

6 Advocatenkantoor [advocatenkantoor] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

niet verschenen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 augustus 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/210070 / HA ZA 15-476 gewezen vonnis van 4 mei 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 8 augustus 2017 waarbij het hof heeft beslist in het incident ex art. 843 Rv;

  • -

    de memorie van antwoord met producties/eiswijziging;

  • -

    het pleidooi, waarbij [appellante] en [geïntimeerde 3] c.s. pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

Bij de boordeling van de hoofdzaak gaat het hof uit van de volgende onbestreden feiten.

  1. [appellante] heeft [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in 2002 leren kennen via persoonlijke consulten bij [geïntimeerde 2] en heeft deelgenomen aan door hen georganiseerde groepsmeditaties en een reis naar Egypte. Op enig moment in 2005 hebben een aantal met elkaar bevriend geraakte groepsleden besloten over te gaan tot het kopen van vakantiebungalows op vakantiepark [vakantiepark] aan [straat] in [vestigingsplaats] om die samen te gaan renoveren onder begeleiding van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] .

  2. [appellante] heeft op 15 december 2006 ook een vakantiebungalow (adres [adres ] ) gekocht en geleverd gekregen voor een koopsom van € 35.250,=. Zij heeft deze bungalow gefinancierd met een door [geïntimeerde 3] voor haar aangevraagde en verkregen hypothecaire geldlening bij de Friesland Bank van € 35.000,= en een bouwdepot van € 20.000,=.

  3. [de V.O.F.] is de onderneming van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , waarin als activiteiten (onder meer) zijn ondergebracht personal coaching en scholing voor de individuele mens en groeperingen en, onder de handelsnaam “Adviesbureau [adviesbureau] ” interim management, advies voor de openbare ruimte en interne ruimte, voor infrastructurele projecten, bouwkundige aspecten en groenbeelden, en in project- en procesmanagement”.

  4. Bij vonnis van de rechtbank Breda van 13 oktober 2010 is (onder meer) [appellante] veroordeeld tot betaling aan de Coöperatie Vakantiecentrum [vestigingsnaam] U.A. (hierna: de Coöperatie), beheerder van het vakantiepark te [vestigingsplaats] , van achterstallige parkbijdrages tot een bedrag van € 12.702,63 te vermeerderen met de wettelijke rente.

  5. Bij notariële hypotheekakte van 25 oktober 2010 zijn [de V.O.F.] en maatschap [de maatschap] Advocaten als schuldeiser en [appellante] als schuldenaar/hypotheekgever een overeenkomst tot vestiging van hypotheek en pand overeengekomen, waarbij ten behoeve van de schuldeisers een recht van hypotheek op de bungalow [adres ] is gevestigd tot een bedrag van € 84.800,=. In de akte erkent [appellante] uit hoofde van “Geldlening (…) hoofdelijk schuldig aan de schuldeiser, die deze schuldbekentenis aanneemt, een bedrag groot (…) €53.000,00” voor een tijdsduur die eindigt op 31 december 2015, tegen een rente van 3,5% per jaar.

  6. Bij vaststellingsovereenkomst gedateerd “december 2010” zijn [de V.O.F.] en [appellante] (onder meer) het volgende overeengekomen:

“(...) in aanmerking nemende:

- dat [de V.O.F.] aangaande het project van de vakantiebungalows te [vestigingsplaats] tussen partijen genoegzaam bekend, tot en met 25 oktober 2010 opeisbaar van [appellante] had te vorderen een bedrag van € 111.924,78;

- dat [appellante] heeft aangegeven de vordering integraal te erkennen, doch financieel niet in staat te zijn tot algehele voldoening over te gaan,

- dat [appellante] inmiddels ter meerdere zekerheid van betaling ten behoeve van [de V.O.F.] een hypotheek- en pandakte bij akte d.d. 25 oktober 2010 heeft laten vestigen,

- dat bij vermelde hypotheek- en pandakte een gedeelte van de vordering van [de V.O.F.] is omgezet in een geldlening,

- dat [appellante] aangaande het restant van de opeisbare vordering ten behoeve van [de V.O.F.] een pandrecht op haar loon wenst te vestigen (...)

Komen overeen als volgt:

1. Middels ondertekening dezes erkent [appellante] tot en met 25 oktober 2010 aan [de V.O.F.] verschuldigd te zijn een bedrag van € 111.924,78 (...).

2. Bij vestiging van het hypotheek- en pandrecht op 25 oktober 2010 (...) is een bedrag groot € 50.000,-- (...) van de vordering omgezet in een geldlening. De geldlening is verstrekt voor de tijdsduur die eindigt op 31 december 2015.

(...)

Het bedrag groot € 50.000,-- is direct opeisbaar bij de in de hypotheekakte genoemde gevallen.

Voor het restant, zijnde de (opeisbare) vordering ter grootte van € 61.924,78 (...), komen partijen overeen dat deze direct opeisbaar is. (...)

(...)

Partijen doen afstand van het recht om deze overeenkomst te (doen) ontbinden en/of te (doen vernietigen en/of de nietigheid ervan in te roepen. (...)”

Bij vaststellingsovereenkomst gedateerd “december 2010” zijn de maatschap en [appellante] (onder meer) het volgende overeengekomen:

“(...) in aanmerking nemende:

- dat [de maatschap] in het kader van procedures aangaande het project van de vakantiebungalows te [vestigingsplaats] tussen partijen genoegzaam bekend, tot en met 25 oktober 2010 opeisbaar van [appellante] had te vorderen een bedrag van € 10.000,--;

- dat [appellante] heeft aangegeven de vordering integraal te erkennen, doch financieel niet in staat te zijn tot algehele voldoening over te gaan,

- dat [appellante] inmiddels ter meerdere zekerheid van betaling ten behoeve van [de maatschap] een hypotheek- en pandakte bij akte d.d. 25 oktober 2010 heeft laten vestigen,

- dat bij vermelde hypotheek- en pandakte een gedeelte van de vordering van [de maatschap] is omgezet in een geldlening,

- dat [appellante] aangaande het restant van de opeisbare vordering ten behoeve van [de maatschap] een pandrecht op haar loon wenst te vestigen (...)”

Bij niet nader gedateerde aktes inhoudende vestiging van een pandrecht op roerende zaken zijn [de V.O.F.] en de maatschap als pandnemers en [appellante] overeengekomen dat:

“de pandgever, tot meerdere zekerheid van betaling van al hetgeen pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden uit welken hoofde ook (...) een recht van pand zal verlenen op alle tot het vermogen van pandgever behorende roerende zaken, zoals blijkend uit de aan deze overeenkomst gehechte lijst, welke door partijen is ondertekend, (...) tot zekerheid van de voldoening van de Verplichtingen verleent pandgever bij deze aan pandnemer een recht van pand op de Bezittingen, welke inpandgeving pandnemer bij deze aanvaardt. (...)”

  1. Op 14 januari 2011 heeft de Coöperatie ter executie van het voornoemde vonnis van de rechtbank Breda van 13 oktober 2010 executoriaal beslag gelegd op de vakantiewoning van [appellante] . De Frieslandbank heeft als eerste hypotheekhouder de executie overgenomen. De marktwaarde van de vakantiewoning is door [makelaars] Makelaars getaxeerd op € 16.000,=, de kosten voor het bewoonbaar maken zijn begroot op € 50.000,=.

  2. [geïntimeerde 3] heeft als tweede hypotheekhouder geweigerd in te stemmen met een ondershands bod op de bungalow van € 24.000,=.

  3. De vakantiewoning is op 13 december 2012 executoriaal geveild voor een bedrag van € 6.000,=. Van de vordering van de Frieslandbank resteerde daarna een bedrag van € 49.046,04.

  4. Met de gerechtsdeurwaarder, die door de Coöperatie belast was met de inning van het bedrag dat zij op grond van het vonnis van de rechtbank Breda aan de Coöperatie moest betalen, heeft [appellante] uiteindelijk een betalingsregeling gesloten.

  5. Bij exploot van 6 februari 2013 heeft gerechtsdeurwaarder Batta c.s. te [kantoorplaats] op verzoek van [de V.O.F.] , onder betekening van een drietal documenten, [appellante] gesommeerd om binnen twee dagen € 119.867,30 te betalen.

  6. Bij exploot van 6 februari 2013 heeft gerechtsdeurwaarder Batta c.s. op verzoek van de maatschap, onder betekening van een drietal documenten, [appellante] gesommeerd om binnen twee dagen € 10.778,84 te betalen.

  7. Bij exploot van 5 juli 2013 heeft gerechtsdeurwaarder Batta c.s. op verzoek van

[de V.O.F.] en de maatschap de grosse van de hypotheekakte van 25 oktober 2010 aan [appellante] betekend en bevel gedaan om binnen twee dagen € 53.000,00 (P.M.) te betalen.

Op 2 augustus 2013 heeft [appellante] een aan haar door gerechtsdeurwaarder Batta c.s. gestuurd formulier op grond van art. 475g Rv ten behoeve van beslag op haar inkomen ondertekend.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft gerechtsdeurwaarder Batta c.s. aan [appellante] (kort gezegd) laten weten dat zij nog geen betaling van € 53.130,59 heeft ontvangen en als zij dat niet uiterlijk 21 augustus 2013 voldoet, de gerechtsdeurwaarder beslag komt leggen op haar roerende zaken en inboedel.

Bij brief van 15 augustus 2013 heeft de maatschap aan [appellante] een declaratie van € 1.499,98 doen toekomen, Blijkens die declaratie heeft de maatschap in totaal van [appellante] ontvangen € 6.307,11 en heeft de maatschap een bedrag van € 4.807,11 aan [de V.O.F.] afgedragen.

Bij beslissing van de Raad van discipline in het ressort s-Hertogenbosch van 10 april 2017 op een door de deken ingediend bezwaar is [geïntimeerde 4] een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van 14 dagen wegens het schenden van gedragsregel 28 lid 1 (aanvaarden van andere zekerheid dan een voorschot in geld van [appellante] ).

6.2.

[appellante] heeft [de V.O.F.] en de maatschap in rechte betrokken en gevorderd (kort samengevat):

(I –V) vernietiging wegens wilsgebreken van (i) de notariële akte van 25 oktober 2010, (ii) de vaststellingsovereenkomst van omstreeks 30 december 2010, (iii) de vaststellingsovereenkomst van omstreeks 31 december 2010, (iv) de akte inhoudende vestiging van pandrecht op roerende zake van omstreeks 30 december 2010, (v) de akte inhoudende vestiging van een pandrecht op loon of uitkering van omstreeks 30 december 2010,

(VI) te verklaren voor recht dat [appellante] aan [de V.O.F.] en de maatschap niets meer verschuldigd is,

(VII) hoofdelijke veroordeling van [de V.O.F.] en haar vennoten om aan [appellante] te betalen € 36.397,11 wegens onverschuldigde betaling,

(VIII) hoofdelijke veroordeling van [de V.O.F.] en haar vennoten tot betaling van schadevergoeding van € 29.250,00 vanwege de waardedaling van de vakantiebungalow [adres ] en

(IX) veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

6.3.

[de V.O.F.] en de maatschap hebben verweer gevoerd en de rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] als onvoldoende onderbouwd afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten.

6.4.

[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis twee grieven aangevoerd, waarmee zij het geschil in volle omvang aan het hof voorlegt. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en gevorderd alsnog haar vorderingen toe te wijzen. [de V.O.F.] en de maatschap hebben verweer gevoerd.
Het hof oordeelt als volgt.

6.5.

In eerste aanleg heeft [appellante] aangevoerd onder dwang, dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden de documenten te hebben ondertekend waarvan zij in dit geding vernietiging vraagt. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, omdat [appellante] had nagelaten concrete feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit afgeleid kon worden dat er sprake is geweest van bedreigingen, bedrog, misbruik van omstandigheden en/of dwaling en dat deze wilsgebreken haar hebben bewogen tot het afsluiten van voornoemde documenten. In dit hoger beroep heeft [appellante] aan haar vorderingen tot vernietiging wegens wilsgebreken ten grondslag gelegd misbruik van omstandigheden en haar stellingen in dat licht nader onderbouwd.

6.6.

Terecht is in hoger beroep niet bestreden rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis. Daarin stelde de rechtbank het volgende voorop. Aan de totstandkoming van een rechtshandeling en de daaruit voortvloeiende gebondenheid ligt onder meer een (vrij gevormde) wil ten grondslag. Op grond van art. 3:33 jo. 3:35 BW vergt de totstandkoming van een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard, of een gerechtvaardigd vertrouwen dat de verklaring of gedraging met de wil overeenstemde. Het kan zijn dat er bij het tot stand komen van de wil iets misgaat, er is bijvoorbeeld verkeerde informatie verstrekt of er is oneigenlijke druk uitgeoefend. Er is dan wel een wil tot het aangaan van een rechtshandeling, maar de wil is op een onzuivere manier tot stand gekomen. Een gebrekkige wilsvorming verhindert het tot stand komen van de rechtshandeling niet, maar indien aan alle vereisten van art. 6:228 of 3:44 BW is voldaan, kan de rechtshandeling worden vernietigd.

Daaraan voegt het hof toe dat sprake is van misbruik van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW, als iemand, die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon wat hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Bij de beoordeling komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling.

6.7.

In dit hoger beroep heeft [appellante] ter onderbouwing van haar vorderingen onder verwijzing naar vele producties aangevoerd dat zij sinds 2002 onder de invloedsfeer van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] is gekomen en in de loop der jaren geestelijk volledig afhankelijk van [geïntimeerde 3] is geworden, die haar in zijn macht had, dat wist en misbruikte. In eerste aanleg heeft [appellante] - onderbouwd met een overzicht van betalingen (prod. 1 eerste aanleg) -aangevoerd dat zij in de periode 18 december 2006 tot en met 22 september 2010 uit het bouwdepot en van haar bankrekening (maandelijks en soms wekelijks) betalingen aan voornamelijk [de V.O.F.] heeft verricht tot een bedrag van € 82.204.26 en daardoor nauwelijks meer geld had om nog van te leven. Ze voert aan dat de in (de voor vernietiging voorgedragen) documenten genoemde verschuldigde bedragen niet juist zijn, dat zij in 2010 niets meer aan [de V.O.F.] verschuldigd was en ook aan [geïntimeerde 4] geen schuld had, maar onder invloed van haar afhankelijkheid van [geïntimeerde 3] en de valse mededeling dat de documenten nodig waren om de verhaalsrechten van de Coöperatie te frustreren, toch haar handtekening heeft gezet. [geïntimeerde 3] had haar daarvan moeten weerhouden. [appellante] voert aan dat [geïntimeerde 4] haar bij het aangaan van de genoemde aktes en stukken niet vertegenwoordigde en dat zij ook geen opeisbare schuld aan hem had. Hij streefde slechts zijn eigen belang na en heeft misbruik gemaakt van het misbruik van [de V.O.F.] .

Vordering I-V: Misbruik van omstandigheden

[de V.O.F.]

6.8.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt wat [appellante] (onderbouwd met de veel van de tussen partijen gewisselde correspondentie) in beide instanties heeft aangevoerd en door [de V.O.F.] niet, althans onvoldoende gemotiveerd is bestreden, de conclusie dat [de V.O.F.] door misbruik van omstandigheden [appellante] ertoe heeft bewogen heeft de gewraakte documenten te ondertekenen.

Het hof komt tot dat oordeel op grond het volgende.

6.9.

[appellante] heeft onderbouwd aangevoerd dat zij is geïndoctrineerd door [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] deed zich voor als helderhorend medium en sprak uit naam van ‘koning Achmed’ uit het oude Egypte. [geïntimeerde 2] leidde groepsmeditaties, waaraan [appellante] deelnam en via welke [appellante] kennis maakte met de dames [lid groepsmeditatie 1] (hierna: [lid groepsmeditatie 1] ), [lid groepsmeditatie 2] (hierna: [lid groepsmeditatie 2] ) en [lid groepsmeditatie 3] (hierna: [lid groepsmeditatie 3] ). [geïntimeerde 3] , partner van [geïntimeerde 2] , introduceerde ‘ [schrijvend medium] ’ als zijn schrijvend medium. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hielden maandelijks ‘verdiepingsdagen’ en organiseerden op enig moment reizen naar Egypte, waaraan (onder meer) door [appellante] , haar moeder [moeder van appellante] en genoemde dames werd deelgenomen. De indoctrinatie begon in die periode. [geïntimeerde 3] wist vervolgens een groep van deze mensen te enthousiasmeren om vakantiebungalows in [vestigingsplaats] te kopen om onder leiding van [geïntimeerde 3] te renoveren. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] kochten zelf geen bungalows, maar beschouwden het wel als een project van [de V.O.F.] . De (7) eigenaren van de (14) bungalows zouden in hun vrije tijd de bungalows renoveren en werden geacht naast arbeid en vlijt de benodigde financiële investeringen te doen. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] namen wat zij zelf noemden de ‘bouwbegeleiding’ op zich. De leden van de groep ontvingen van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] op mentale beïnvloeding gerichte ‘ruggesteuntjes’ en andere berichten, die in de loop der tijd dwingender en verwijtender werden en waarmee (bij [appellante] in elk geval) ingespeeld werd op gevoelens van angst en afhankelijkheid.

6.10.

[appellante] verwijst daarbij onder meer naar een door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in 2006 geschreven folder waarin is te lezen:

“De balans

U wordt uitgenodigd om eens te verblijven op een andere locatie dan dat u gewend bent. U wordt uitgenodigd daar waar gebouwd wordt. U wordt uitgenodigd om daar eens naar te kijken en u wordt uitgenodigd om daar aan deel te nemen.

(…)

[schrijvend medium] , schrijver van vrouwe [naam 2] .

Voor nadere infomatie en boekingen bel je met:

[geïntimeerde 2] (…)

[geïntimeerde 3] (…)

Of je stuurt een email naar: [de V.O.F.] (…)

(…)

Een jaar geleden zijn we met een paar mensen begonnen met het aankopen en daarna verbouwen van vakantiebungalows (…) Het is een behoorlijk intensief project. [geïntimeerde 3] trekt de kar en zet de lijnen uit en alle enthousiastelingen komen in hun vrije uurtjes klussen. (…)

Misschien wel tot ziens in het Heuvelland.

[geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en het klusteam.”

Een bericht van 29 november 2006 (prod. 38 MvG) luidt onder meer:

“ [schrijvend medium] schrijft

het volgende op 29 november 2006

Vergis u niet

IK, ja IK schrijf tot u. (…)

IK BEN [schrijvend medium] EN IK BEN DE SCHRIJVER VAN VROUWE [naam 2] . Reken erop dat IK BEN DIE IK BEN. U kunt zeggen, dat weten wij wel, IK GEEF AAN, U VERGIST ZICH. (…)

Voor MIJ is het zo dat het bouwproces gaat zoals het gaat. IK zie de bouwer bezig en IK zie dat hij ieder probleem in zich opneemt en daar een oplossing voor bedenkt. (…) Het lijkt allemaal zo simpel maar toch, bouwen, het is een werkelijke kunst, het is werkelijk een weten, zo pak ik dat aan om daar uit te komen. Een gave een talent een weten. U allen en allen die u kent hebben de gelegenheid om daar van te profiteren en IK, zou zeggen, daag uzelf uit om te leren van de bouwkwaliteiten om te weten, ik bouw op in mij zelf en de afbraak laat ik niet meer toe, ik breng zicht aan in mijn leven en het oog van weten zal ik voeden naar de toekomst. (…)”

Een bericht over de “laatste verdiepingsdag van 2007” (prod. 44 bij MvG) luidt:

“(…) Wij gaan zeker verder met het renoveren van de bungalows en zullen ons zeker inzetten voor een optimaal resultaat. Immers er is geen nieuwe pick up gekocht en aanhangwagen en een borstelmachine en een tractor om die niet te gebruiken. Nee, wij gaan daar gewoon mee door, mogelijk in een andere vorm maar wij zullen het project afronden. U allen weet dat Koning Achmed heeft aangegeven dat er na maand vier een andere periode aanbreekt omdat Koning Achmed met de grootst mogelijke waarschijnlijkheid weg gaat. Dan zullen wij het allen zonder Koning Achmed moeten doen, en dan zal het zeker heel erg goed gaan omdat in het 2007 is gebleken dat een ieder niet wilt luisteren en handelen naar de woorden van Koning Achmed. Immers er zijn te veel verdiepende dagen geweest waarin het spreekrecht van Koning Achmed is aangetast en dat zal nimmer worden vergeten. Geen dreigende taal, slechts een feit. (…)
Hoe dan ook is het immer zo dat wij zeer verheugd zijn om tot en met u te spreken en te schrijven. Het verheugd ons immer om u te mogen wijzen op de mogelijkheden. Immer zullen wij daarmee doorgaan, of u daar immer van deel uit maakt dat ligt aan u en aan wat u wilt horen. (…)
[geïntimeerde 3] in samenspraak met: [schrijvend medium] , schrijver van vrouw [naam 2] .
Vergis u niet !

6.11.

[geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ontkennen dat zij vanuit gidsen of sferen spraken en dat zij verdiepingsdagen organiseerden, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan die blote ontkenning niet afdoen aan wat blijkt uit voorgaande en de ook overigens door [appellante] overvloedig overgelegde berichten van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . [de V.O.F.] betwist dat [appellante] en haar moeder Egyptereizen met hen gemaakt zou hebben, maar uit onder meer productie 47 bij memorie van grieven (zie citaat hierna) blijkt dat [geïntimeerde 3] zelf verwijst naar de reizen waar [appellante] aan deelgenomen heeft en de ‘ruggesteunen’ die hij haar daar gegeven heeft.

6.12.

[appellante] heeft verder aangevoerd dat zij ook individueel veel contact met [geïntimeerde 3] had en door hem werd beïnvloed en onder druk gezet. Zij verwijst daarbij onder meer naar een persoonlijke e-mail van 12 juli 2007 van [geïntimeerde 3] aan haar (prod. 42 bij MvG) in de tijd dat zij bij een bouwonderneming werkte, die luidt:

“(…) [appellante] , ik gun je een mooie dag en regel het één en ander daar heb jij ook belang bij. Immers jij hebt er het grooooooooooootste belang bij dat ik gelukkig ben. Als ik dan ook nog door jou gelukkig kan worden dan is dat zeer gunstig voor je eigen ontwikkeling. Als ik gelukkig moet worden door een ander, dan is dat niet gunstig voor jou omdat dan blijkt dat die ander meer waarde aan mij hecht dan jij. En jij hebt aangegeven dat jij het meeste waarde aan mij hecht dus feitelijk heb ik altijd op jou gerekend. Ik heb mij eerlijke is eerlijk wel heel erg vaak in de kou gezet gevoeld door jou (…) toch weet ik ergens, die [appellante] die gaat het voor mij helemaal maken, hoe dat weet ik niet maar op een dag zal het goed komen. Maar ja voor nu moet ik eerlijk zeggen, ik heb materialen nodig en die moet ik gaan kopen een aangezien jij hebt aangegeven dat jij voor de materialen voorraad zal gaan zorgen zal ik die materialen waarvan ik gewoon weet dat die door jou zijn te vergaren moeten kopen en die zet ik op jou rekening. Ik heb namelijk plaatmateriaal nodig, watervast verlijmde multiplex platen. En ik weet zeker dat die door jou zijn te vergaren omdat die op elk werk worden gebruikt en vooral in tijdelijke situaties. Die heb ik nodig en jij hebt aangegeven midden in het centrum te staan waar bouwstromingen zijn dus jij bent daar de aangewezen persoon voor (…).”

Een andere e-mail van [geïntimeerde 3] aan [appellante] van 27 juli 2008 (prod. 47 MvG) luidt onder meer:

“(…) Dus ik heb daar eens over nagedacht en ik denk, die zaken moeten we kunnen combineren. Vooral omdat ik zeker weet dat jij niet wilt dat ik er financieel bij inschiet. Ik kan mij dat namelijk niet voorstellen. Immers op alle reizen die we hebben gehad heb ik ruggensteunen gegeven en ook daarvoor en daarna en bij het aanbieden van die ruggesteunen heb ik nimmer gemerkt dat jij niet onwelwillend tegenover mij stond. Sterker ik heb gezien dat jij het bijzonder prettig hebt gevonden om jezelf te laten zien aan mij. (…)

Ik stel voor dat je dat voor mij gaat doen. En dat gaan we doen in de vorm van een format. Het kan zijn dat er in de loop van de tijd vragen in de dagen komen maar dat zien we wel. Dus mijn voorstel is dat je alle dagen opschrijft wat de zon jou vertelt over hoe jou en over mij en over mijn werkzaamheden. Het maakt mij niet uit hoe raar dat is. Dus als daar uitkomt dat ik moet schilderen dan wel hout halen dan wel wat dan ook dan schrijf je dat ook op. Dus als daar uit komt dat ik jou lichaam moet bekijken dan schrijf je dat op.”

6.13.

[de V.O.F.] bestrijdt dat [geïntimeerde 3] [appellante] heeft beïnvloed, maar verklaart niet wat hij anders bedoelde te bewerkstelligen met onder meer de hiervoor geciteerde berichten. Naar het oordeel van het hof kan daarnaast het feit dat [appellante] in toenemende mate in een geestestoestand raakte waarin zij niet goed meer in staat was haar eigen wil te bepalen en afhankelijk van de goedkeuring van [de V.O.F.] werd, [de V.O.F.] niet zijn ontgaan.

Zo blijkt uit een brief van 3 maart 2009, waarin [de V.O.F.] aan [appellante] het einde van de werkzaamheden aan haar bungalow aankondigde, dat [appellante] hen reeds meermaals huilend te woord had gestaan, dat haar inzet ‘te wensen over liet’ en dat ook de financiële afwikkeling ‘te wensen over liet’ omdat [appellante] had aangegeven de rekeningen niet meer te kunnen voldoen.

Ook uit het verslag van de bouwvergadering van 28 juni 2009 blijkt dat [appellante] geen vraag meer kon beantwoorden, dat ‘ze het niet meer wist’, dat ze huilde en de vergadering plotseling verliet zonder enige verklaring voor haar vertrek te geven.

Uit diverse e-mails blijkt hoe afhankelijk [appellante] van de goedkeuring van [de V.O.F.] c.q. [geïntimeerde 3] was. Een e-mail van 5 september 2009 (prod. 63 MvG) aan [geïntimeerde 3] luidt onder meer:

“(…) Voor mijn gevoel komt er geen eind aan de ellende. Alles wat er over mijn moeder en mij gezegd wordt, wat niet waar is, dat is het allerergste. en ik wil toch verder met [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . En dat vind ik moeilijk, hoe daar mee om te gaan.

Ik meen door kwaad te spreken over anderen, dat ik dan ook mezelf kwaad berokken. (…) Maar zij hebben constant kritiek (zachtjes uitgedrukt) op mij. En ook over de volmacht, ik heb daar dan mijn twijfels over en heb gevraagd, wat houdt het in die volmacht. Ze zijn dan heel, heel erg boos op mij en zeggen dat ik niet moet zeuren en gewoon moet ondertekenen en dat ik onbeschoft en brutaal ben. (…)”

Een e-mail van 12 december 2009 (middernacht) (prod. 66 MvG) van [appellante] aan [geïntimeerde 3] houdt onder meer in:

“(…) Want jij zet de toon en wanner ik ‘zwart’ gemaakt wordt, vinden anderen dat allang goed. Want het haalt de aandacht bij hen vandaan om mij om laag te halen kunnen zij groeien. Niet dat jij mij ‘zwart’ maakt. Dat is jouw intentie helemaal niet. En daar ben jij helemaal niet mee bezig. Ik ben ervan overtuigd dat jij het heel goed meent. Maar mij doet het geen goed.

Ik ben er van overtuigd dat ik op één lijn zit met jou. Maar dat krijg ik niet duidelijk gemaakt. [geïntimeerde 2] zegt jou alleen maar na. Dat bedoeld ik niet verkeerd. Ik mag [geïntimeerde 2] heel graag (…) [geïntimeerde 2] mag mij niet meer zo. Dat heb ik vanavond ook weer gemerkt. Ik vind het wel erg als [geïntimeerde 2] zegt dat ik volgens haar geen 1000 euro per maand betaal. Elke week betaal ik 200 euro en dan nog een keer 200 in de maand extra om aan die 1000 euro te komen. (…) Ik heb al jaren, echt al jaren, niets meer voor mezelf kunnen kopen. (…) en dan wordt er ook nog keihard gezegd dat mijn moeder en ik geld achter houden. Was het maar waar, dan had ik allang nieuwe brillenglazen gekocht. Zelfs als ik tussen de middag, heel af ten toe, eens iets lekkers koop voor me zelf, voel ik me nog schuldig, dat het niet naar jou toe gaat. (…)

Ik heb altijd elke maand aan jullie betaald wat ik kon. (…) dan denk ik echt, waar ben ik toch mee bezig. Omdat wat ik ook doe, nooit krijg ik waar ik naar verlang. Jouw goedkeuring en die van [geïntimeerde 2] . (…)

Ik leer in het nu te zijn. En blij te blijven, wat er ook gebeurt. Allemaal scholing van jullie. En die scholing gebruik ik elke dag. En jullie hebben het niet in de gaten. (…)”

Dat [geïntimeerde 3] wist dat [appellante] (in elk geval bij het aangaan van de hypotheek akte) niet meer in staat was haar wil te bepalen blijkt onder meer uit een e-mail van 19 oktober 2010 van [geïntimeerde 3] aan [appellante] (prod. 111 bij MvG) waarin te lezen is:

“Voor mij staat vast dat als je te maken hebt met iemand die eerst zegt, ja daar sta ik achter, daarna zegt, nee dat gaat mij te ver, daarna middels sms aangeeft, ja ik wil en nu middels de e mail, nee ik wil niet, ik wil graag aan het park betalen omdat dat de concequentie is van je handelen, dan heb je te maken met een variabele persoon en dan is dat wat lastig om daar afspraken mee te maken.

(…)

Nu heb je een keuze gemaakt voor betalen aan het park, ik had dat liever eerder geweten dan had ik je ook zondag niet bezocht (…)”.

6.14.

Ter onderbouwing van de stelling dat zij in 2010 niets meer aan [de V.O.F.] verschuldigd was heeft [appellante] verwezen naar het als productie 18 in eerste aanleg overgelegde overzicht van door haar tot en met 22 september 2010 verrichte betalingen tot een bedrag van € 82.204.26 en productie 17, waaruit blijkt dat haar moeder in het totaal € 800,= aan [de V.O.F.] heeft voldaan.

Ook heeft zij gewezen op een brief van 21 april 2010 van [geïntimeerde 2] (op briefpapier van adviesbureau [adviesbureau] ) aan haar (prod. 73 MvG), waarin [geïntimeerde 2] constateert dat [appellante] ‘aardig inloopt’ op een betalingsachterstand en dat er in het totaal nog een bedrag van € 2.341,11 aan facturen open staat. De brief luidt verder onder meer:

“Dit is dus het overzicht van facturen tot eind 2009.

Het zal je zijn opgevallen dat we vanaf dit jaar, 2010, geen facturen hebben ingediend bij je. dat hebben we bewust niet gedaan omdat wij zoiets hadden van, laat [appellante] eerst maar even wat inlopen, dat zal haar goed doen. (…) Ik neem aan dat je hetzelfde betalingsritme laat zien als in de achterliggende periode en dan stel ik dat je zo in juni bovenstaande bedragen heb ingelost. Voor die tijd heb ik wel een overzicht gemaakt van de opstaande bedragen van dit jaar en zal die dan presenteren om daarna verder te gaan met maandelijkse voorschotnota’s op de gemaakte kosten in de afgelopen jaren. (…)”

6.15.

Op voornoemd overzicht van betalingen door [appellante] heeft [de V.O.F.] gereageerd met verwijzing naar productie 9 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg. Die productie bevat een overzicht van ‘facturen [appellante] rondom renovatie vakantiebungalow 13’ van 18 december 2006 tot en met 11 november 2011. Het overzicht sluit op € 70.035,56 en totaal openstaand € 1.382,99. Bij het overzicht bevindt zich een toelichting, waaruit niet blijkt dat er op 11 november 2011 nog enige andere factuur onbetaald zou zijn gebleven of nog enige schuld aan [de V.O.F.] (anders dan de genoemde openstaande factuur) open zou staan.

Zonder nadere toelichting die ontbreekt, kan hieruit geen andere conclusie worden getrokken dan dat [appellante] op 22 september 2010 (de einddatum van haar betalingsoverzicht) alles en zelfs meer betaald had dan zij aan [de V.O.F.] verschuldigd was.

6.16.

De stelling dat de in de gewraakte documenten schuldig erkende bedragen niet juist zijn omdat [appellante] in oktober 2010 niets meer aan [de V.O.F.] verschuldigd was, is door [de V.O.F.] bovendien feitelijk niet anders betwist dan door te verwijzen naar de handtekening van [appellante] onder de betreffende documenten en de stelling dat [appellante] bij het voorleggen van de voorovereenkomst een map met berekeningen is getoond, zodat zij wist waarvoor zij tekende.

[appellante] betwist niet dat haar een map is getoond, maar voert (onweersproken) aan dat zij die niet heeft kunnen bestuderen, daar ook geen afschriften van heeft gehad en dat zij ook aan [de V.O.F.] te kennen heeft gegeven niet te voelen voor het verstrekken van de door [de V.O.F.] bij voorovereenkomst gevraagde zekerheid. Als bewijs daarvan verwijst zij naar het door [geïntimeerde 3] (erkende) verscheuren van de door haar in eerste instantie wel ondertekende voorovereenkomst en voornoemde e-mail van 19 oktober 2010 van [geïntimeerde 3] aan haar.

[appellante] voert verder aan dat [de V.O.F.] haar voorhield dat het ondertekenen van de stukken nodig was om verhaal door het park op haar onmogelijk te maken. [de V.O.F.] ontkent dat bloot maar uit de hiervoor geciteerde e-mail van 19 oktober 2010 is naar het oordeel van het hof moeilijk anders te begrijpen dan dat [geïntimeerde 3] haar niet met de voorovereenkomst zou hebben bezocht indien hij had geweten dat zij bereid was aan het park te betalen.

6.17.

Het hof constateert dat [de V.O.F.] heeft nagelaten de naar haar zeggen getoonde map met berekeningen in het geding te brengen, terwijl dat op zijn minst op haar weg had gelegen. [de V.O.F.] heeft niets in het geding gebracht, noch enig feit gesteld waaruit (indien bewezen) blijkt dat [appellante] op het moment dat zij de hypotheekakte ondertekende een schuld van € 50.000,= aan [de V.O.F.] had en dat zij bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst zelfs een schuld van € 111.924,78 had. Integendeel, zo blijkt uit wat het hof onder 6.15 hiervoor heeft geconstateerd.

Desgevraagd ter gelegenheid van het pleidooi heeft [de V.O.F.] erkend dat er geen er geen schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen partijen is opgemaakt omdat er werd gewerkt op basis van vriendschap. Stilzwijgend echter (zo begrijpt het hof) zou zijn afgesproken dat [de V.O.F.] voor haar inzet op uurbasis betaald zou krijgen, naast vergoeding van gemaakte kosten. Desgevraagd heeft [de V.O.F.] erkend dat zij nooit anders dan voorschotfacturen heeft verstuurd. Die voorschotfacturen heeft [appellante] betaald zoals blijkt uit de hiervoor genoemde overzichten. Dat zij verder (ten tijde van het ondertekenen van de documenten) nog iets verschuldigd was aan [de V.O.F.] , is het hof niet gebleken.

De conclusie is dat [de V.O.F.] onvoldoende (onderbouwd) heeft weersproken dat zij eind 2010 nog iets van [appellante] te vorderen had, laat staan een opeisbare vordering zoals opgenomen in de betreffende documenten, waarvoor zekerheid kon worden verlangd.

Wat [de V.O.F.] voor het overige aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden. Aan bewijslevering als door [de V.O.F.] aangeboden komt het hof dan niet toe.

De maatschap

6.18.

Ook voor de maatschap geldt dat zij de stelling van [appellante] dat zij ( [appellante] ) eind 2010 niets aan de maatschap verschuldigd was, onvoldoende onderbouwd heeft weersproken. In eerste aanleg heeft de maatschap verwezen naar punt 20 van de dagvaarding, waarin [appellante] zelf zou hebben erkend iets aan de maatschap verschuldigd te zijn. [appellante] overlegt daar echter een factuur van [de V.O.F.] , die daarmee aan de eigenaren kosten voor het opstellen van de hypotheekakte doorberekent, die zouden zijn gemaakt door (mr. [naam 1] en) mr. [geïntimeerde 4] . Daargelaten de vraag of [geïntimeerde 4] [appellante] bij het opstellen van de hypotheekakte bijstond (wat [appellante] betwist) en of die kosten terecht bij [appellante] in rekening werden gebracht ( [geïntimeerde 4] is tuchtrechtelijk veroordeeld voor zijn optreden in deze) en afgezien van het feit dat [appellante] haar aandeel in die factuur heeft voldaan, uit punt 20 van de dagvaarding blijkt in het geheel niet van enige erkenning van [appellante] iets aan de maatschap verschuldigd te zijn.

Ook uit de door de maatschap in eerste aanleg als productie 6 overgelegde urenlijst blijkt dat niet. Uit die lijst blijkt slechts dat door de maatschap in het dossier ‘ [dossier] ’ in de periode 23 augustus 2007 tot 19 oktober 2010 een totaal van 91,7 uren is besteed aan studie, (telefoon)gesprekken met (voornamelijk) [geïntimeerde 3] en correspondentie, naar het hof uit de stellingen van de maatschap begrijpt vooral aan de procedure in eerste aanleg tegen de parkbeheerder inzake de parkbijdrage. Enige factuur terzake is door de maatschap niet overgelegd, noch enige stuk waaruit blijkt van wie [geïntimeerde 4] opdracht had om de betreffende uren te besteden, laat staan dat [appellante] als (deel)opdrachtgeefster had te gelden.

[appellante] heeft (onweersproken) betwist dat [geïntimeerde 4] in genoemde procedure in eerste aanleg voor haar is opgetreden. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de maatschap aangevoerd en is door [appellante] niet bestreden dat zij (naar haar zeggen op instructie van [geïntimeerde 3] ) [geïntimeerde 4] gevraagd heeft wel voor haar in het hoger beroep van die procedure te willen optreden. Die vraag en bereidheid zou in 2010 wellicht een voorschotnota voor de nog te voeren procedure gerechtvaardigd hebben, maar gesteld noch gebleken is dat die (of enig andere factuur) op enig moment vóór het ondertekenen van de gewraakte stukken aan [appellante] is verstrekt. Bovendien heeft [appellante] kort nadien een regeling met het park getroffen en zich uit het hoger beroep terug getrokken.

De conclusie is dat ook de maatschap onvoldoende (onderbouwd) heeft weersproken dat zij eind 2010 niets van [appellante] te vorderen had uit hoofde van een bestaande advocaat-cliënt relatie, laat staan dat zij een opeisbare vordering had als in de gewraakte documenten genoemd, waarvoor zekerheid kon worden verlangd. Desondanks heeft de maatschap [appellante] de gewraakte stukken laten ondertekenen en haar daarin, in strijd met de werkelijke situatie, laten verklaren dat zij erkende een schuld te hebben aan de maatschap.

6.19.

Verder heeft de maatschap bestreden iets te hebben geweten van de in dit hoger beroep door [appellante] in het geding gebrachte stukken en haar wijze van omgang met en afhankelijkheid van [de V.O.F.] of haar wankele geestelijke gesteldheid. Uit het enkele contact dat [geïntimeerde 4] heeft gehad met [appellante] heeft hij dat niet op kunnen maken. Met een beroep op het bepaalde in artikel 44 lid 5 BW heeft de maatschap aangevoerd dat [geïntimeerde 4] ook geen reden heeft gehad om het bestaan van misbruik van omstandigheden in de relatie van [appellante] met [de V.O.F.] te veronderstellen.

6.20.

Wat er ook zij van deze verweren van de maatschap, zij laten onverlet dat de hypotheekverlening en de (inhoud van de) vaststellingsovereenkomst en de pandaktes moeten worden aangemerkt als vormen van zekerheid anders dan in geld en dat vast staat dat met het bedingen daarvan gedragsregel 28 lid 1 is overtreden. Mede gelet op de feiten en omstandigheden als beschreven onder 6.18 hiervoor is het hof van oordeel dat door [geïntimeerde 4] misbruik is gemaakt van de omstandigheden waarin [appellante] zich bevond. [geïntimeerde 4] was immers op de hoogte (zo blijkt uit zijn eigen verklaringen in de stukken en ter gelegenheid van het pleidooi) van de financiële problemen bij de eigenaren, van de vorderingen van de parkbeheerder op de eigenaren en van de vorderingen die [de V.O.F.] pretendeerde te hebben op [appellante] . Daarbij weegt het hof mee dat de relatie tussen advocaat en cliënt naar haar aard veelal een afhankelijke relatie betreft gelet op het belang van de cliënt bij juridische bijstand en dat uit niets is gebleken dat de maatschap bij zijn optreden bij het (opstellen en) ondertekenen van de verschillende stukken belangen van [appellante] heeft gediend. Wat de maatschap wist of moest begrijpen over de situatie waarin [appellante] zich bevond en over het de facto niet bestaan van enige schuld van [appellante] aan de maatschap, had haar behoren te weerhouden van het laten tekenen van de gewraakte stukken.

6.21.

Gezien al het voorgaande passeert het hof het verweer dat het beroep op vernietiging moet falen omdat in de vaststellingsovereenkomsten het beroep op vernietiging wegens wilsgebreken is uitgesloten.

6.22.

De slotsom is dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden zowel door [de V.O.F.] als door de maatschap. De vorderingen tot vernietiging van (i) de notariële akte van 25 oktober 2010, (ii) de vaststellingsovereenkomst van omstreeks 30 december 2010, (iii) de vaststellingsovereenkomst van omstreeks 31 december 2010, (iv) de akte inhoudende vestiging van pandrecht op roerende zake van omstreeks 30 december 2010, (v) de akte inhoudende vestiging van een pandrecht op loon of uitkering van omstreeks 30 december 2010, zullen worden toegewezen. Ook de gevorderde verklaring voor recht (vordering VI) zal op grond van het voorgaande en nu die (verder) niet is weersproken worden toegewezen.

6.23.

Het gevolg van voornoemde vernietiging is dat alles wat op basis van de vernietigde aktes door [appellante] aan [de V.O.F.] en de maatschap is betaald, als onverschuldigd betaald door haar van [de V.O.F.] en de maatschap kan worden terug gevorderd. Uit het gestelde onder punt 45 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg begrijpt het hof dat [appellante] van [de V.O.F.] de terugbetaling van een bedrag van € 4.807,11 vordert als onverschuldigd betaald op grond van de vaststellingsovereenkomst en de verpanding van haar loon. Dat deel van de vordering van [appellante] uit onverschuldigde betaling zal worden toegewezen.

Vordering VII: Onverschuldigde betaling

6.24.

[appellante] vordert verder als onverschuldigd betaald van [de V.O.F.] een bedrag van € 31.509,=. [appellante] voert onder verwijzing naar het door haar overgelegde overzicht van betalingen (prod. 18 eerste aanleg) aan dat zij dat voor dat bedrag weliswaar voorschotnota’s heeft ontvangen, maar het onverschuldigd heeft betaald omdat daarvoor door [de V.O.F.] niets is geleverd. In hoger beroep heeft [appellante] daaraan toegevoegd dat er moet worden terugbetaald omdat [de V.O.F.] niet heeft gepresteerd, de woning daardoor alleen maar slechter is geworden en uiteindelijk voor € 6.000,= executoriaal is verkocht.

[de V.O.F.] heeft daar tegen aangevoerd dat zij geen aannemer was met een resultaatsverbintenis, maar bouwbegeleider en dat zij voor alle eigenaren werk heeft verricht waarvoor door alle eigenaren gezamenlijk, ieder voor een gelijk deel, betaald moest worden, als ook dat alle eigenaren wisten waarvoor zij betaalden omdat maandelijks met hen werd doorgenomen wat er door [de V.O.F.] gedaan was en wat er aan hen doorbelast zou worden. [appellante] heeft niet betwist dat [de V.O.F.] slechts bouwbegeleider was en recht had op enige betaling van door haar verrichte werkzaamheden. Wel heeft [appellante] betwist dat zij maandelijks op de hoogte werd gehouden van wat zij aan [de V.O.F.] verschuldigd zou zijn, maar wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet dit deel van de vordering uit onverschuldigde betaling worden afgewezen. Van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) kan slechts sprake zijn als er zonder rechtsgrond is betaald. Van als onverschuldigd betaald terugvorderen van bedragen wegens niet presteren kan slechts sprake zijn als de overeenkomst op basis waarvan gepresteerd had moeten worden, is ontbonden. Dat daarvan sprake is, is door [appellante] niet gesteld en het hof niet gebleken.

Vordering VIII: schadevergoeding

6.25.

De vordering tot vergoeding van schade aan [appellante] , zal het hof afwijzen. Die vordering heeft [appellante] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep slechts onderbouwd met de enkele stelling dat ‘haar vakantiebungalow voor € 6.000,= openbaar verkocht is in een gestripte staat, omdat [de V.O.F.] de verbouwing niet voltooid heeft’. Die onderbouwing is volstrekt onvoldoende tegenover het (niet weersproken) verweer van [de V.O.F.] dat zij met [appellante] geen aanneming is overeen gekomen, doch slechts de bouwbegeleiding zou doen van een door de eigenaren zelf te verrichten verbouwing.

Conclusie

6.26.

De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven deels slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het hof de vorderingen I-VI en VII deels alsnog toewijzen. [de V.O.F.] en de maatschap zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van de beide instanties worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten. Op verzoek van [appellante] zal het arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Al het overigens gevorderde zal worden afgewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

vernietigt

  • -

    i) de notariële akte van 25 oktober 2010,

  • -

    ii) de vaststellingsovereenkomst die op of omstreeks 30 december 2010 door [appellante] is gesloten met [de V.O.F.] ,

  • -

    iii) de vaststellingsovereenkomst die op of omstreeks 31 december 2010 door [appellante] is gesloten met de maatschap,

  • -

    iv) de akte inhoudende pandrecht op roerende zaken, waarmee [appellante] op grond van voornoemde vaststellingsovereenkomsten op of omstreeks 30 december 2010 roerende zaken aan [de V.O.F.] en de maatschap heeft verpand,

en

( v) de akte inhoudende pandrecht op loon of uitkering, waarmee [appellante] op grond van voornoemde vaststellingsovereenkomsten op of omstreeks 30 december 2010 haar loon of uitkering aan [de V.O.F.] en de maatschap heeft verpand;

verklaart voor recht dat [appellante] niets meer verschuldigd is aan [de V.O.F.] en/of de maatschap;

veroordeelt [de V.O.F.] tot (terug)betaling aan [appellante] van € 4.807,11;

veroordeelt [de V.O.F.] en de maatschap hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante]

op € 103,91 aan dagvaardingskosten, op € 79,= aan griffierecht en op € 1.788,= aan salaris advocaat in eerste aanleg, en op € 103,76 aan dagvaardingskosten, op € 314 aan griffierecht en op € 3.222,= aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 157,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, J.I.M.W. Bartelds en J. Hallebeek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 februari 2019.

griffier rolraadsheer