Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4942

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
20-000026-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000026-16

Uitspraak : 29 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 4 januari 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-849752-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1940,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 14 maanden.

De verdediging heeft verweren gevoerd met betrekking tot:

- de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;

- de bewezenverklaring;

- de strafoplegging;

- het beslag.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank en zal alleen al op die grond het vonnis van de rechtbank vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 te 's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan hij, verdachte, althans alleen, van een voorwerp, te weten een (personen)auto (merk Mercedes (met Luxemburgs kenteken [kentekennummer] )), (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die Mercedes was/waren en/of wie het voorwerp voorhanden heeft/hebben/had(den)

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) had verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die Mercedes gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[rechtspersoon 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 te 's-Hertogenbosch en/of Luxemburg en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, van een voorwerp, te weten een (personen)auto (merk Mercedes (met Luxemburgs kenteken [kentekennummer] )), (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die Mercedes was/waren en/of wie het voorwerp voorhanden heeft/had en/of (telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die Mercedes gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl die vennootschap en/of een of meer van haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp (de Mercedes) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 te 's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, van een voorwerp, te weten een (personen)auto (merk Mercedes (met Luxemburgs kenteken [kentekennummer] )), (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of (telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die Mercedes gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door als feitelijk leidinggever en/of opdrachtgever en/of vertegenwoordiger van de onderneming [rechtspersoon 1] voor te wenden dat er een arbeidsovereenkomst bestond tussen voornoemde [medeverdachte 1] en genoemde onderneming [rechtspersoon 1] in de periode

1 oktober 2004 tot en met 1 augustus 2005 (terwijl genoemde onderneming in deze periode niet (meer) economisch actief was en/of het (zogenoemde) B.T.W. nummer van voornoemde onderneming (reeds) per 30 juni 2004 was ingetrokken);

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 7 juni 2012 te 's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg en/of Isle of Man,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) dan hij, verdachte, althans alleen,

(telkens) van een voorwerp, te weten een perceel/pand (gelegen aan de [adres 1] te 's-Hertogenbosch) en/of een of meerdere (contant(e)) geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat perceel/dat pand/die panden en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/die voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben/had

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat perceel/percelen/pand(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 1] op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 7 juni 2012 te

's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg en/of Isle of Man

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) van een voorwerp, te weten een perceel/pand(en) (gelegen aan de [adres 1] te 's-Hertogenbosch) en/of een of meerdere (contant(e)) geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat perceel/dat pand/die panden en/of die/dat geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/de voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben/had/hadden

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft/hebben overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat perceel/percelen/pand(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl die vennootschap(pen) en/of een of meer van haar/hun mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 te 's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg en/of Isle of Man

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) van een voorwerp te weten een perceel/pand(en) (gelegen aan de [adres 1] te 's-Hertogenbosch) en/of een of meerdere (contant(e)) geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den),

en/of

(telkens) bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden had(den) en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat perceel/percelen/pand(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer van zijn/haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door (onder meer) als feitelijk leidinggever en/of opdrachtgever en/of vertegenwoordiger van de onderneming(en) [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of [rechtspersoon 4] en/of [rechtspersoon 1] (op onzakelijke wijze) giraal/girale geld(en) (meermalen) ten behoeve van de aankoop van het pand/de panden [adres 1] te 's-Hertogenbosch over te boeken, welke bedragen daarvoor in kleine afgeronde bedragen contant op de rekeningen van die ondernemingen en/of zijn, verdachtes, eigen rekeningen was/waren gestort en/of voor te wenden, althans te regelen, dat [medeverdachte 2] het pand in (fictieve) eigendom, althans op naam, zou krijgen/nemen;

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 4 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Asperen en/of Roermond, althans (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van een valse of vervalste arbeidsovereenkomst (tussen [rechtspersoon 1] te Luxemburg en [medeverdachte 1] ) - zijnde de arbeidsovereenkomst een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken (telkens) hierin dat die arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) aan/bij de Belastingdienst, Douane Zuid, kantoor Roermond (Kapellerpoort), in een vrijstellingsprocedure is aangeboden/ingediend en/of bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat met voornoemde arbeidsovereenkomst is voorgewend dat er een arbeidsrelatie bestond tussen [medeverdachte 1] en [rechtspersoon 1] , terwijl in werkelijkheid deze arbeidsrelatie (op dat moment) niet bestond,

en/of

voornoemde arbeidsovereenkomst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans moest(en) vermoeden, dat die arbeidsovereenkomst bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Schending recht op een eerlijk proces

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte. Daartoe is in de kern aangevoerd dat door het openbaar ministerie feitelijk een incompleet dossier is aangeleverd waardoor een effectieve verdediging onmogelijk is. In het verband van dit standpunt heeft de verdediging verwezen naar de onderzoekswensen als neergelegd in de appelschriftuur en in de “notities van 1 oktober 2012” en de “notities van 11 februari 2019”, bij welke verzoeken door de verdediging is gepersisteerd.

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat voormeld standpunt van de verdediging verworpen dient te worden. Volgens het openbaar ministerie heeft de verdediging het standpunt dat het dossier incompleet is gebaseerd op de afwijzing van diverse door de verdediging gedane verzoeken. Het is juist het hof dat daaromtrent heeft beslist en niet het openbaar ministerie. Mitsdien is er geen reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdediging heeft bij appelschriftuur verzoeken gedaan waarop het hof ter terechtzitting van 11 juni 2018 heeft beslist. Voorzover deze verzoeken nu worden herhaald, worden zij eveneens door het hof verworpen. Reden voor deze hernieuwde afwijzing is dat door de verdediging bij het hernieuwd verzoeken niet is ingegaan op de door het hof aan diens eerdere beslissing omtrent de verzoeken gegeven motivering. Evenmin zijn door de verdediging aan de betreffende verzoeken nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Gelet hierop ziet het hof geen reden op de verzoeken anders te beslissen dan het heeft gedaan.

Voorzover in de overgelegde “notities van 1 oktober 2012” en de “notities van 11 februari 2019” verzoeken zijn neergelegd worden deze eveneens door het hof verworpen nu deze verzoeken onvoldoende concreet zijn gemaakt en evenmin voldoende zijn onderbouwd.

Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat, voor zover de gestelde incompleetheid van het dossier is gebaseerd op afgewezen verdedigingsverzoeken, dit niet aan het openbaar ministerie is te wijten. Voor zover de verdediging op andere gronden stelt dat het openbaar ministerie verwijtbaar een incompleet dossier heeft aangeleverd, dan zijn deze gronden naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Nu ook het hof voor het overige niet is gebleken dat het openbaar ministerie doelbewust en met veronachtzaming van de belangen van de verdachte een incompleet dossier heeft aangeleverd, wordt het standpunt strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verworpen.

Verjaring

Met de verdediging en het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat, voor zover onder 1 en 2 telkens primair, subsidiair en meer subsidiair het delict “schuldwitwassen” is ten laste gelegd, het openbaar ministerie daarin partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de grond dat het vervolgingsrecht ten aanzien van dat delict, voor zover gelegen in de periode voorafgaande aan 16 mei 2006, is verjaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een personenauto (merk Mercedes (met Luxemburgs kenteken [kentekennummer] )) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die Mercedes was, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;

2.
hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 7 juni 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg en/of Isle of Man van een voorwerp, te weten van een perceel/pand gelegen aan de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch, heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende op dat perceel/pand was en van voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte telkens wist, dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.
hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 4 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst (tussen [rechtspersoon 1] te Luxemburg en [medeverdachte 1] ), - zijnde de arbeidsovereenkomst een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat die arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of zijn mededader aan/bij de Belastingdienst, Douane Zuid, kantoor Roermond (Kapellerpoort) in een vrijstellingsprocedure is aangeboden/ingediend en

bestaande die valsheid hierin dat met voornoemde arbeidsovereenkomst is voorgewend dat er een arbeidsrelatie bestond tussen [medeverdachte 1] en [rechtspersoon 1] , terwijl in werkelijkheid deze arbeidsrelatie op dat moment niet bestond,

en

voornoemde arbeidsovereenkomst voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die arbeidsovereenkomst bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunten verdediging

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 vrijspraakverweren gevoerd. Omdat beide feiten met elkaar samenhangen zal het hof de betreffende verweren hierna gezamenlijk bespreken. Daaraan voorafgaande zal het hof ten aanzien van beide feiten de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden weergeven.

Feiten 1 en 3

Verdachte was ingeschreven en feitelijke bestuurder van de Luxemburgse rechtspersoon [rechtspersoon 1] (hof: verder te noemen [rechtspersoon 1] ).

Op 14 oktober 2004 is een personenauto van het merk Mercedes en met het Luxemburgse kenteken [kentekennummer] (hof: hierna telkens te noemen: de auto) gefactureerd op naam van [rechtspersoon 1] te Luxemburg voor een bedrag van € 45.000,-.

Het kenteken van de auto heeft gedurende de gehele ten laste gelegde periode geregistreerd gestaan op naam van [rechtspersoon 1] .

Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt dat op 30 juni 2004 het BTW-nummer van [rechtspersoon 1] werd ingetrokken omdat deze niet over een geldige zetel en een geldige “Handelgenehmigung” beschikte. Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt verder dat [rechtspersoon 1] sinds de oprichting geen werknemers in dienst heeft gehad.

Bij doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen:

- een Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 1] d.d. 1 oktober 2004; deze arbeidsovereenkomst vermeldt dat [medeverdachte 1] vanaf 26 oktober 2004 in loondienst is bij [rechtspersoon 1] tegen een salaris van € 1.300,- per maand en is door [medeverdachte 1] als werknemer en verdachte als werkgever ondertekend;

- een factuur van [rechtspersoon 1] aan [medeverdachte 1] betrekking hebbende op de auto ten bedrage van € 1.500,- en als omschrijving “An Jahresbeitrag”

- een Engelstalige verklaring van [rechtspersoon 1] d.d. 21 december 2004 dat [medeverdachte 1] met ingang van 26 oktober 2004 werkzaam is voor [rechtspersoon 1] .

De accountant van [rechtspersoon 1] heeft verklaard dat hij in opdracht van verdachte salarisstroken voor [medeverdachte 1] heeft opgemaakt voor salarisbetalingen door [rechtspersoon 1] maar dat er voor deze salarissen nooit bedragen zijn opgenomen in de boekhouding van [rechtspersoon 1] .

In de administratie van [rechtspersoon 1] is geen enkel document aangetroffen dat betrekking heeft op het gebruik van de auto door [medeverdachte 1] : geen huurcontracten, geen leasecontracten en geen facturen voor jaarlijkse vergoeding.

[medeverdachte 1] heeft nooit arbeidsinkomsten van [rechtspersoon 1] aangegeven voor de inkomstenbelasting in Nederland.

Blijkens mededeling van de Luxemburgse autoriteiten is [medeverdachte 1] nooit in dienst geweest bij [rechtspersoon 1] en heeft hij ook geen vergunning/toestemming gehad om te werken voor een Luxemburgs bedrijf. Ook overigens blijkt niet dat [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode voor een Luxemburgs bedrijf heeft gewerkt.

Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] zijn documenten aangetroffen met een verzoek van [medeverdachte 1] om vrijstelling van BPM voor het gebruik van de auto. [medeverdachte 1] verzoekt om vrijstelling omdat hij met ingang van 26 oktober 2004 is gaan werken voor [rechtspersoon 1] .

De belastinginspecteur wijst het verzoek af.

Verdachte heeft een brief – met datum 14 maart 2005 – gezonden aan de belastingdienst waarin hij bezwaar maakt tegen de afwijzende beschikking op het verzoek van [medeverdachte 1] .

Uit documenten blijkt dat de verzekeringspremies voor de auto zowel contant zijn betaald als door middel van bankoverboekingen van verdachte in privé en van een aan verdachte gelieerde rechtspersoon [rechtspersoon 5]

Op 30 maart 2011 is de auto onder mevrouw [betrokkene 1] , de ex-partner van [medeverdachte 1] , in beslag genomen. Mevrouw [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij deze auto al zeven jaren gebruikte. Eveneens heeft zij verklaard dat ze een gezin vormde (hof: met [medeverdachte 1] ), dat zij altijd in de Mercedes heeft gereden en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat [medeverdachte 1] deze auto had gekocht, dat die Mercedes via een Luxemburgse maatschappij was verzekerd en dat zij eerst vanaf maart 2012 de verzekeringspremie en de belasting voor de auto is gaan betalen.

Uit inkomensgegevens van [medeverdachte 1] blijkt dat hij over onvoldoende inkomen en/of vermogen heeft beschikt om een dergelijke grote uitgave voor de aanschaf van deze auto te kunnen doen.

Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft leren kennen in het kader van een strafzaak die midden jaren ’90 diende, waarin hij aanvankelijk ook betrokken is geweest en dat hij daarna [medeverdachte 1] is blijven “volgen”.

Uit het strafblad van [medeverdachte 1] volgt dat deze op 6 mei 1997 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot 4 jaren gevangenisstraf voor ‘de deelneming aan een criminele organisatie’. Uit politiegegevens volgt verder dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij diverse Opiumwetdelicten en vermogensdelicten in de periode vanaf 2002 tot en met 2009 en dat hij als veelpleger geregistreerd stond.

Standpunten verdediging ten aanzien van de feiten onder 1 en 3

Het hof zal eerst feit 3 bespreken omdat het oordeel omtrent dit feit tevens van belang is voor de beoordeling van het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1.

Ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Primair is daartoe aangevoerd dat bewijs voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst (en dus ook de valsheid daarvan) ontbreekt. Ter onderbouwing is – kort gezegd - gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet tot bewijs kan worden gebezigd omdat deze in de Franse taal is gesteld en niet in het Nederlands is vertaald en daarmee onbegrijpelijk is.

De rechtbank heeft omtrent dit verweer het navolgende overwogen (blz. 5):

(…).. De in artikel 6 EVRM neergelegde beginselen van een eerlijk proces brengen mee dat in een procedure voor de Nederlandse rechter in principe de Nederlandse taal wordt gebezigd. Dat sluit niet uit dat er in een procedure gebruik wordt gemaakt van stukken die in een andere taal zijn opgesteld indien de inhoud van die stukken ook zonder vertaling door de procesdeelnemers op waarde kan worden geschat en een verdachte door een onvertaald processtuk als bewijsmiddel te bezigen, niet in zijn belangen wordt geschaad.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte (hof: [verdachte] ) als bestuurder van [rechtspersoon 1] betrokken is geweest bij het opstellen van deze Franstalige arbeidsovereenkomst. [rechtspersoon 1] is een in Luxemburg gevestigde onderneming. In dat land is de Franse taal een van de voertalen. Daarnaast is deze onvertaalde arbeidsovereenkomst op de computer van verdachte aangetroffen en is door of namens de verdachte in geen enkele fase van het geding om vertaling van de arbeidsovereenkomst verzocht, terwijl hij hierop wel is verhoord op 14 en 15 mei 2012. Daarom acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte de inhoud van de door hem ondertekende Franstalige arbeidsovereenkomst ook zonder een vertaling daarvan in de Nederlandse taal binnen het kader van het desbetreffende proces-verbaal en deze procedure heeft begrepen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de onvertaalde Franstalige arbeidsovereenkomst aan het bewijs kan bijdragen. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad.”

Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het primaire standpunt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bovendien verklaard dat hij deze ‘arbeidsovereenkomst’ heeft gesloten met [medeverdachte 1] .

Subsidiair en meer subsidiair is in de kern aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat van valsheid van de arbeidsovereenkomst sprake is omdat er daadwerkelijk een arbeidsrelatie tussen [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 1] heeft bestaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt – voor zover voor beoordeling van dit standpunt van belang – van het navolgende:

  • -

    het BTW-nummer van [rechtspersoon 1] is per 30 juni 2004 ingetrokken omdat zij niet over een geldige zetel of geldige “Handelgenehmigung” kon beschikken en niet meer economisch actief was;

  • -

    [rechtspersoon 1] heeft sinds de oprichting geen werknemers in dienst gehad;

  • -

    [medeverdachte 1] heeft bij zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007 niet vermeld inkomsten uit dienstbetrekking bij [rechtspersoon 1] te hebben gehad;

  • -

    van loonbetalingen aan [medeverdachte 1] is niet gebleken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat van het bestaan van een arbeidsrelatie tussen [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 1] niet is gebleken en dat de tussen [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 1] daaromtrent opgemaakte arbeidsovereenkomst vals is. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Voor zover de verdediging nog heeft aangevoerd dat [rechtspersoon 1] ondanks de intrekking van het BTW-nummer economisch actief is geweest en werknemers in dienst heeft gehad, is dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling van de verdediging dat, in weerwil van de verklaring van de accountant van [rechtspersoon 1] , (contante) salarisbetalingen door [rechtspersoon 1] aan [medeverdachte 1] zijn gedaan wordt vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing verworpen.

Gelet op het vorenstaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging ten aanzien van feit 3 in al zijn onderdelen verworpen.

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte van – kort gezegd – het witwassen van de auto moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat:

  • -

    verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij de verwerving van de auto, in welk verband door de verdediging tevens een voorwaardelijk getuigenverzoek is gedaan;

  • -

    er geen sprake is geweest van medeplegen;

  • -

    het aankoopbedrag van de auto niet van misdrijf afkomstig was en voor het geval dat anders zou zijn verdachte daarvan geen wetenschap heeft gehad;

  • -

    er geen sprake is geweest van verbergen of verhullen van de betreffende auto.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Toetsingskader witwassen

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (hof: witwassen) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat [het niet anders kan zijn dan dat] het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Het hof stelt in het licht van deze vooropstelling – puntsgewijs – op basis van de hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 3 weergegeven feiten en omstandigheden het navolgende vast:

  • -

    de auto is gefactureerd en te naam gesteld van een aan verdachte gelieerd Luxemburgs bedrijf [rechtspersoon 1] dat op dat moment niet meer economisch actief was;

  • -

    de vrouw van [medeverdachte 1] heeft gebruik gemaakt van deze auto;

voor het gebruik van die auto door de vrouw van [medeverdachte 1] is geen economische grondslag gevonden;

  • -

    de verzekeringspremies en andere vaste lasten van de auto zijn door verdachte in privé dan wel door een aan verdachte gelieerd bedrijf ( [rechtspersoon 5] ) betaald;

  • -

    [medeverdachte 1] beschikte niet over het (legale) inkomen en (legale) vermogen om een dergelijke auto te kunnen kopen;

  • -

    [medeverdachte 1] werd in 1997 veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie tot een langdurige gevangenisstraf.

Ten aanzien van het voorlaatste gedachtebolletje overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat de ten laste gelegde Mercedes behoort tot het luxere segment.

Aanvullend overweegt het hof dat hiervoor ten aanzien van feit 3 is vastgesteld dat door verdachte, namens [rechtspersoon 1] , en [medeverdachte 1] valselijk een arbeidsovereenkomst is opgemaakt waarbij in strijd met de werkelijkheid is voorgewend dat [medeverdachte 1] in loondienst bij [rechtspersoon 1] was.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Gelet daarop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waarom vorenstaande constructie via een Luxemburgs bedrijf is opgezet.

Verdachte heeft verklaard om fiscale redenen samen met [medeverdachte 1] de hiervoor weergegeven constructie met het Luxemburgse bedrijf [rechtspersoon 1] te hebben opgezet. Volgens verdachte was het de bedoeling om daarmee voor elkaar te krijgen dat kopers over de aanschaf van nieuwe auto’s geen BPM meer hoefden te betalen dan wel het bedrag aan BPM van de Nederlandse overheid zouden terugontvangen. De taak van [medeverdachte 1] was het in dit verband om kopers van nieuwe auto met dat doel te werven, aldus verdachte.

Het hof acht voormelde verklaring van verdachte op voorhand onwaarschijnlijk omdat daarmee nog geen antwoord is gegeven op de vraag waarom de ten laste gelegde auto “om niet” door [medeverdachte 1] kon worden gebruikt en verdachte, [rechtspersoon 1] en andere aan hem gelieerde rechtspersonen zonder economische grondslag de verzekeringspremies en andere vaste lasten met betrekking tot die auto betaalden. Evenmin geeft de verklaring van verdachte antwoord op de vraag waarom bij deze constructie gebruik is gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties van een Luxemburgs bedrijf dat niet meer economisch actief was. Ook blijkt in het geheel niet van de “wervingsactiviteiten” door [medeverdachte 1] zoals door de verdediging is gesteld.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [rechtspersoon 1] nog wel degelijk economisch actief was, verwijst het hof naar zijn oordeel omtrent dat verweer ten aanzien van feit 3, te weten dat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd.

Het vorenstaande impliceert dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte en [medeverdachte 1] dat wisten.

Door de aankoop van de auto te laten registreren op naam van [rechtspersoon 1] , een valse arbeidsovereenkomst op te laten maken tussen [rechtspersoon 1] en [medeverdachte 1] en de verzekeringspremie alsook andere vaste lasten voor die auto onder meer in privé dan wel via een andere aan verdachte gelieerde rechtspersoon te laten betalen, heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander verborgen en verhuld wie de rechthebbende op deze auto was.

Gelet hierop verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Ten aanzien van het voorwaardelijk getuigenverzoek.

Voor het geval het hof ten aanzien van feit 1 voor het bewijs gebruik zou maken van informatie uit het dossier waaruit zou blijken van de betrokkenheid van een zekere “ [betrokkene 2] ” bij de aanschaf van de auto, heeft de verdediging verzocht getuige [getuige 1] te horen. Nu het hof van deze informatie geen gebruik zal maken, gaat het hof aan dit verzoek voorbij.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde - kort gezegd: het witwassen van contante geldbedragen en van een pand/perceel gelegen aan de [adres 1] te Den Bosch (hof: het pand) – dient te worden vrijgesproken. In de kern heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de gelden waarmee het pand is aangekocht een legale oorsprong hebben en dat het pand op naam is gesteld van de dochter van verdachte [medeverdachte 2] teneinde enerzijds voor haar een aanvulling op haar inkomsten te genereren middels huurinkomsten, anderzijds om de winst bij verkoop van het pand aan haar ten goede te laten komen (beleggingsdoel).

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In het licht van het hiervoor bij de bespreking van feit 1 weergegeven “toetsingskader witwassen” stelt het hof ten aanzien van feit 2 de navolgende feiten vast.

Verdachte is op het pand gewezen door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] wilde daarin een groothandel in diervoederproducten beginnen maar kon dat niet realiseren.

Het pand is op 1 december 2004 gekocht door verdachte.

Tijdens het tekenen van het koopcontract door verdachte was [medeverdachte 1] aanwezig.

Het pand is op 15 maart 2005 notarieel overgedragen aan de dochter van verdachte [medeverdachte 2] .

Uit onderzoek is gebleken dat de totale aankoopkosten van het pand € 441.579,- bedroegen.

Deze aankoopkosten zijn voor een gedeelte van € 210.000 gefinancierd bij de Deutsche Bank via een hypothecaire geldlening.

Het resterende gedeelte ad € 231.579,- zou gefinancierd zijn met eigen middelen. Bij de aanvraag van de hypotheek van de Deutsche Bank is door [medeverdachte 2] verklaard dat zij zou beschikken over een bedrag van € 224.000,- aan eigen middelen, bestaande uit “Barmittel und Kontoguthaben” (vertaling: contanten en banktegoeden).

Uit het geldstromenonderzoek is echter gebleken dat dit geen eigen financiële middelen van [medeverdachte 2] waren.

Volgens de belastinggegevens van 2004/2005 van [medeverdachte 2] had zij op het moment van de aankoop geen eigen middelen van een dergelijke omvang tot haar beschikking.

Uit het geldstromenonderzoek is naar voren gekomen dat er voor een bedrag van € 222.500,- aan gelden van derden, niet zijnde de hypotheekhouder Deutsche Bank, zijn ingebracht om de aankoop van dit pand te financieren. Dit bedrag is uiteindelijk op de derdenrekening van de notaris gestort.

Het bedrag van € 222.500,- bestaat uit een drietal betalingen van respectievelijk

€ 10.000,- d.d. 07-12-2004 plus € 40.000,- d.d. 08-12-2004 plus een bedrag van € 172.500,- dat het totaal is van de bedragen die door diverse partijen overgeboekt c.q. gestort zijn op de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] .

Deze diverse partijen bestonden uit een viertal rechtspersonen die gelieerd zijn aan verdachte, verdachte zelf en zijn partner [betrokkene 3] .

De vier aan de verdachte gelieerde rechtspersonen waren [rechtspersoon 2] (Duitsland), [rechtspersoon 3] (Amsterdam) B.V. (Nederland, hierna: [rechtspersoon 3] ), [rechtspersoon 4] (Isle of Man) en [rechtspersoon 1] (Luxemburg).

Volgens het handelsregister blijkt [rechtspersoon 3] al vanaf januari 2003 ontbonden te zijn en volgens in beslag genomen bescheiden verklaren de Luxemburgse autoriteiten dat [rechtspersoon 1] al vanaf 30 juni 2004 geen economische activiteiten meer mocht verrichten.

Behoudens een contante storting groot € 10.000,- op de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] op 21-02-2005, bestaat het bedrag van € 222.500,- uit girale overboekingen van genoemde partijen.

Uit het geldstromenonderzoek is gebleken dat de oorsprong van deze girale gelden wordt gevormd door contante gelden die in een (zeer) korte periode daarvóór op de diverse bankrekeningen van genoemde (rechts)personen werden gestort en daarna, al dan niet via (een) andere bankrekening(en), uiteindelijk op de Duitse bankrekening van de dochter van verdachte [medeverdachte 2] werden gestort, waarna het volledige geldbedrag van € 222.500,- (de som van de giraal en contant op haar Duitse rekening gestorte bedragen) vanaf haar Duitse rekening op de bankrekening van de verkopende partij of de derdenrekening van de notaris terecht kwam.

In de periode van 01-11-2004 tot 09-03-2005 is er voor een totaal bedrag van € 222.100,- contant op deze rekeningen gestort.

De contante stortingen varieerden van € 5.000,- tot € 20.000,- per storting en werden dikwijls binnen een periode van enkele dagen achter elkaar gestort.

Er zijn geen contracten, (leen)overeenkomsten, schuldbekentenissen, kwitanties en/of andere bescheiden in het strafdossier aangetroffen waaruit de gedane overboekingen verklaard kunnen worden.

Ten aanzien van de financiering van deze in totaal € 232.500,- is uit onderzoek niet gebleken van rentevergoedingen, zijn geen afspraken omtrent terugbetaling/aflossing gemaakt en bestond geen zekerheidstelling voor de geleende bedragen.

Uit navraag bij het Kadaster naar het adres [adres 1] te

’s-Hertogenbosch is gebleken dat een tweetal hypotheken is afgesloten. Op 15 maart 2005 werd door [medeverdachte 2] een recht van hypotheek verleend aan de Deutsche Bank te Essen (D) met een hoofdsom van € 210.000,-. Op 26 juni 2008 werd door [medeverdachte 2] een recht van hypotheek aan [rechtspersoon 2] te Kleve (D) (hierna: [rechtspersoon 2] ) met een hoofdsom van € 222.000,- gegeven.

In de jaarrekeningen van de rechtspersoon [rechtspersoon 2] komt echter geen vordering voor van € 222.000.- op [medeverdachte 2] .

Uit het geldstromenonderzoek is verder naar voren gekomen dat de rechtspersoon [rechtspersoon 2] slechts bij een zestal transacties naar voren komt als betrokken partij bij de financiering van het pand met een totale omvang van € 38.000,-. Hiervan is slechts € 10.000 direct in relatie te brengen met een betaling voor de aankoop van dit pand namelijk de aanbetaling van

€ 10.000 op 7 december 2004.

Volgens correspondentie met de belastingdienst over de aangifte inkomstenbelasting 2005 van [medeverdachte 2] wordt hierin door verdachte namnes zijn dochter [medeverdachte 2] aangegeven dat er een bedrag geleend is van een Duitse GmbH.

Verdachte heeft in zijn verhoor verklaard dat hij wist dat de totale stichtingskosten

€ 440.000,- waren. Aan de notaris is slechts een bedrag van ruim € 431.000,- betaald. Door een derde zou dus nog een bedrag van ongeveer € 9.000 betaald moeten zijn voor de bemiddeling in verband met de financiering.

[medeverdachte 2] verklaarde dat zij voor de aankoop van het pand een bedrag van € 210.000,- bij de Deutsche Bank en een bedrag van € 192.000,- bij haar vader heeft geleend. Van deze lening van haar vader zou een notariële akte zijn opgemaakt bij notaris [naam notaris] . Zij verklaarde verder dat zij een nettosalaris ten tijde van deze lening had van

€ 1.300,- per maand (incl. reisgeld € 1.500,- per maand). Zij weet niets van een 2e hypotheek van [rechtspersoon 2] en ook niet van een lening van € 222.000,- van deze rechtspersoon aan haar. De reden dat zij deze niet opgenomen heeft in haar belastingaangifte is dat deze lening er volgens haar helemaal niet is. Zij heeft ook geen betalingen ontvangen van de andere rechtspersonen. Zij weet zeker dat zij van haar moeder [betrokkene 3] geen geldbedragen ontvangen heeft in verband met deze aankoop.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie – in de kern - verklaard dat zij geen wetenschap heeft van de wijze van financiering van het pand, van het onderhoud ervan, van de huurinkomsten en overige overeenkomsten met betrekking tot de woning. [medeverdachte 2] heeft daarbij telkens verwezen naar haar vader, verdachte, die dit allemaal zou regelen.

Vermoeden van witwassen

Het hof is van oordeel dat vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

De wijze van verkrijging en financiering van het pand aan de [adres 1] te

‘s-Hertogenbosch is afwijkend van hetgeen in het normale economische verkeer gebruikelijk is.

Het ongebruikelijke zit onder meer in de omstandigheid dat overboekingen van geldbedragen plaatsvinden zonder dat daaraan zakelijke bedingen ten aanzien van rentevergoedingen, aflossingsplan en/of terugbetaling en zekerheidstelling voor de geleende bedragen zijn gekoppeld. Daarnaast ontbreken schriftelijke overeenkomsten (ten tijde van de aankoop van het pand en de gestelde financieringen ervan).

Ook het handelen met het contante geld dat telkens in een korte periode in kleine bedragen op diverse (buitenlandse) bankrekeningen wordt gestort, lijkt sterk op het zogenaamde “smurfen”. Dat is een van de typologieën die genoemd worden als veel gebruikte methoden om geld wit te wassen waarbij een grote som geld van criminele oorsprong in kleine delen wordt verdeeld die vervolgens afzonderlijk worden gestort op een bankrekening met als doel te ontsnappen aan de wettelijke aangifteplicht van contant geld.

Ook de omstandigheid dat het geld voor een groot deel afkomstig is van een tweetal rechtspersonen waarvan de een al ontbonden was ( [rechtspersoon 3] ) vóór het aangaan van de geldtransacties en de andere ( [rechtspersoon 1] ) op dat moment al geen economische activiteit meer vertoonde, duidt erop dat de gelden in werkelijkheid niet van deze rechtspersonen afkomstig zijn. Ook de omstandigheid dat het geld van een zogenaamde Limited van het Isle of Man

( [rechtspersoon 4] ) zonder dat sprake is van enige vorm van tegenprestatie of leenovereenkomst afkomstig is, wijst hierop.

Verder is de gehele gang van zaken ten aanzien van het bijeenbrengen van de “eigen middelen” op de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] zeer ongebruikelijk te noemen en past deze eveneens in de gebruikelijke fasen die bij witwassen worden gehanteerd, waarbij in eerste instantie op diverse bankrekeningen contante gelden gestort worden (plaatsingsfase). Daarna worden de gelden, direct of indirect, giraal overgeboekt naar de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] waarbij bedragen ook worden opgesplitst. Deze handelingen hebben duidelijk kenmerken van “verhulling” of “layering”. Zo zijn er contante gelden gestort op een Nederlands bankrekening van [rechtspersoon 5] , daarna giraal overgeboekt naar een Luxemburgse bankrekening van verdachte en vervolgens weer giraal doorgeboekt naar de Duitse bankrekening van [medeverdachte 2] . Zoals eerder aangegeven blijkt niet van een economische reden waarom de gelden op deze manier bijeen werden gebracht.

Op de vraag aan verdachte waarom hij niet de contante stortingen direct vanaf een eigen rekening overboekte naar de notaris, heeft hij geen onderbouwde redenen gegeven.

Tenslotte staan de gedane leningen niet in verhouding tot de legale inkomsten van [medeverdachte 2] , die slechts beschikte over een netto-maandsalaris van ongeveer

€ 1.300,-.

Het hof is van oordeel dat in het licht van de vorenstaande feiten en omstandigheden van verdachte dient te worden verwacht dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft omtrent de wijze waarop het pand is verworven en de herkomst van de contante gelden en de levering van het pand op naam van zijn dochter [medeverdachte 2] .

Verklaring verdachte omtrent de herkomst van de gelden

Verdachte heeft omtrent de herkomst van de gelden wisselende verklaringen afgelegd.

Aanvankelijk heeft verdachte verklaard het pand voor zijn dochter, [medeverdachte 2] , als beleggingsobject te hebben gekocht. Hij zou, omdat zijn dochter het geld daartoe niet had, een bedrag van € 224.000,- in privé aan haar hebben geleend. Later zou hiervoor zekerheid zijn gesteld en zou hij de zekerheidstelling via [rechtspersoon 2] hebben laten lopen. Verdachte zou het geld aan deze [rechtspersoon 2] hebben geleend en deze zou het aan [medeverdachte 2] hebben doorgeleend. Later heeft verdachte verklaard dat het toch niet via [rechtspersoon 2] is gelopen maar dat het geld uit Luxemburg was gekomen van zijn eigen Luxemburgse rekeningen en die van zijn Luxemburgse bedrijven. Volgens hem is dit allemaal giraal geld geweest en beschikte hij begin jaren negentig al daarover. Verdachte heeft verklaard in de jaren 2004 en 2005 over grote hoeveelheden contante gelden te hebben beschikt maar dat deze gelden niet zijn aangewend voor de aankoop van het pand aan de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch. De koopsom van dit pand is enkel met giraal geld betaald, aldus verdachte.

Weer later heeft verdachte verklaard dat de bewuste geldbedragen door hem contant zijn opgenomen van de bankrekeningen van [rechtspersoon 3] en [rechtspersoon 4] . Dit contante geld zou zijn bijeengebracht door(dat):

- verdachte als “twintiger” kapitaal in Spanje had vergaard;

- onroerend goedtransacties en een “aviationproject” in Engeland, waarvan vanwege het tijdsverloop geen bescheiden meer kunnen worden overgelegd;

- andere “rendabele zaken” in de jaren ’90;

- autohandel in de jaren ’90;

- zijn werkzaamheden als business coach.

Ook zou verdachte nog een bedrag van € 600.000,- in de jaren 1999 en 2000 contant voorhanden hebben gehad in verband met een andere strafzaak “ [naam strafzaak] ”.

Over de contante stortingen in kleine bedragen heeft verdachte verklaard dat deze enkel dienden ter besparing van bankkosten en met ontduiking van de meldingsgrens voor het storten van chartaal geld niets van doen had.

Over het ontbreken van leenovereenkomsten, zekerheidsstellingen en economische grondslagen voor de diverse overboekingen aan [medeverdachte 2] heeft verdachte verklaard dat, nu het ging om een lening aan zijn dochter, daarvan geen sprake kon zijn.

Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij contante gelden in bezit had om deze af te schermen voor de fiscus en justitie.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat verdachte op grond van vorenstaande er niet in is geslaagd een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven omtrent de chartale stortingen van gelden op de diverse (buitenlandse) bankrekeningen. Het hof is derhalve van oordeel dat justitie omtrent die verklaringen, al dan niet ondersteund met door verdachte overgelegde documenten, geen nader onderzoek behoeft te doen.

Het hof is van oordeel dat voormelde verklaringen van verdachte omtrent de herkomst van de chartale gelden niet aannemelijk zijn en overweegt hiertoe het volgende.

In de eerste plaats zijn die verklaringen niet aannemelijk omdat verdachte aanvankelijk stellig heeft ontkend dat met contant (chartaal) geld het pand aan de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch is gefinancierd.

In de tweede plaats gaat het hof aan die verklaringen als niet-aannemelijk voorbij omdat, voor zover uit de door verdachte overgelegde bankbescheiden blijkt van contante opnamen van bankrekeningen (aantekening 9 uit de notities 2012), deze grotendeels hebben plaatsgevonden in de jaren 1999 t/m 2003 en deze in een te ver verwijderd (tijds)verband staan met de contante stortingen zoals deze eind 2004/begin 2005 op de diverse rekeningen zijn gedaan ten behoeve van de aankoop van het pand.

Datzelfde heeft te gelden voor een bedrag van € 600.000,- dat verdachte nog uit de strafzaak “ [naam strafzaak] ” voorhanden zou hebben gehad.

Voor zover uit de door de verdediging overgelegde stukken van kasopnamen blijkt in 2004, is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat deze in directe relatie staan met de daaropvolgende contante stortingen ten behoeve van de aankoop van het pand. Evenmin blijkt dat de rekeningen waarvan de contante opnamen zijn gedaan gevoed zijn door opbrengsten van legale activiteiten van verdachte. Het hof acht het niet aannemelijk dat die rekeningen zijn gevoed door de door de verdediging genoemde zakelijke activiteiten, nu deze in een te ver tijdsverband liggen en grotendeels werkzaamheden in branches betreffen waarin doorgaans niet in contanten wordt afgerekend.

Bovendien is het voor het hof onaannemelijk dat de gelden ten behoeve van de aankoop van een pand eerst contant worden opgenomen en vervolgens weer op bankrekeningen worden gestort. Veel meer voor de hand zou het hebben gelegen wanneer de betreffende gelden rechtstreeks – giraal – naar de juiste rekeningen zouden zijn overgemaakt. Dit klemt te meer omdat het om een grote hoeveelheid contant geld (ruim € 200.000,-) ging.

In de derde plaats is de verklaring afgelegd door verdachte omtrent de besparing van bankkosten indien slechts telkens kleine bedragen worden overgemaakt naar (buitenlandse) bankrekeningen niet aannemelijk omdat juist van een besparing pas sprake zou zijn geweest wanneer verdachte de onderhavige grote sommen geld direct zou hebben overgemaakt op de derdengeldrekening op naam van de notaris. Hij was zelf immers de formele koper van het pand.

In de vierde plaats is de verklaring van verdachte niet aannemelijk omdat hij nog steeds geen verklaring geeft voor het overboeken van de diverse bedragen van bankrekeningen van verschillende bedrijven naar de Duitse rekening van [medeverdachte 2] zonder een daaraan ten grondslag liggend economisch motief.

Gelet op het vorenstaande, ook in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van de gelden niet aannemelijk is, dat het derhalve niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit misdrijf afkomstig zijn geweest, dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad en dat hij de werkelijke aard en herkomst van die gelden heeft verborgen/verhuld.

Ten aanzien van de tenaamstelling van het pand op [medeverdachte 2]

Verdachte heeft omtrent de tenaamstelling van het pand op naam van zijn dochter [medeverdachte 2] verklaard dat dit een soort belegging voor haar was. Bij verkoop zou de opbrengst aan [medeverdachte 2] toekomen. Verder zou [medeverdachte 2] middels verhuur van het pand haar maandelijkse looninkomsten kunnen aanvullen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte daaraan nog toegevoegd het pand op naam van zijn dochter te hebben gezet omdat hij voortdurend “op de vlucht” is voor de belastingen en justitie en dat hij daarom regelmatig moest schuiven met zijn vermogensbestanddelen en dat mede ook daarom het pand op naam van zijn dochter is gezet.

Het hof acht voormelde verklaring van verdachte niet aannemelijk omdat het niet strookt met het beeld dat uit het dossier en de bewijsmiddelen naar voren komt, nog daargelaten dat het niet opgeven van vermogen aan de fiscus uiteindelijk ook zou kunnen leiden tot het delict “witwassen”.

Weliswaar blijkt uit het onderzoek ter zitting en uit het strafdossier dat het eigendom van het pand juridisch aan [medeverdachte 2] is geleverd, maar verder blijkt niet van betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de verwerving van het pand dan wel bij de wijze van financiering ervan. [medeverdachte 2] is verbintenisrechtelijk niet de koper van de woning en ook de financiering is buiten haar om – geheel door verdachte – opgezet. Veelzeggend acht het hof in dit verband de opmerking van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat de overgebleven schuld die uiteindelijk resteerde na verkoop van het pand geheel te zijnen laste en niet ten laste van zijn dochter [medeverdachte 2] is gekomen.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat verdachte heeft verborgen en verhuld wie de rechthebbende was op het pand aan de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch en wordt het andersluidende standpunt van de verdediging verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

en

Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de leeftijd van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en in het algemeen het tijdsverloop sinds de periode waarin de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het herhaaldelijk witwassen van contante geldbedragen, een pand en een auto en heeft gebruik gemaakt van een vals geschrift en dit voorhanden gehad. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. Het hof acht het tevens een ernstig feit dat verdachte bij het witwassen van de gelden en het pand zijn dochter [medeverdachte 2] heeft “misbruikt”.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 11 maart 2019, reeds eerder ter zake vermogensdelicten veroordeeld. Kennelijk hebben deze veroordelingen verdachte er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke misdrijven te plegen.

Alles overziende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van negentien maanden in beginsel gerechtvaardigd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden doordat in januari 2016 hoger beroep is ingesteld en het hof eerst op 29 mei 2019 arrest zal wijzen. De redelijke termijn is daarmee in hoger beroep met meer dan een jaar overschreden.

Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep zal het hof met de enkele constatering ervan volstaan nu deze vertraging geheel door de verdediging is veroorzaakt door op een zeer laat moment in de strafprocedure inbrengen van een groot aantal stukken zonder nadere toelichting en het doen van verzoeken.

In de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg ziet het hof aanleiding om in plaats van de genoemde gevangenisstraf van 19 maanden een gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen.

Beslag

De rechtbank heeft geoordeeld dat verbeurdverklaring van de panden gelegen aan de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch niet mogelijk was omdat – kort gezegd – niet werd voldaan aan de vereisten neergelegd in artikel 33a, tweede lid, sub a, van het Wetboek van Strafrecht, nu het pand niet aan verdachte toebehoort en zijn dochter [medeverdachte 2] was vrijgesproken ter zake witwassen van de gelden waarmee de panden waren gefinancierd.

De advocaat-generaal heeft zich in het hoger beroep op het standpunt gesteld geen grond meer te zien voor verbeurdverklaring van de panden nu deze inmiddels waren verkocht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 33a, eerste lid, sub b, van het Wetboek van Strafrecht zijn voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring met betrekking tot welke het feit is begaan indien zij aan de veroordeelde toebehoren.

Naar het oordeel van het hof is – anders dan de rechtbank oordeelde – sprake van toebehoren van genoemd pand aan verdachte in de zin van voormeld wetsartikel. Het hof baseert zich daarbij op het feit dat, ondanks het feit dat het pand juridisch aan zijn dochter [medeverdachte 2] was geleverd, verdachte:

  • -

    het koopcontract met betrekking tot dat pand heeft getekend;

  • -

    de eerste aanbetalingen voor dat pand heeft gedaan;

  • -

    de verdere financiering van dat pand buiten [medeverdachte 2] om heeft geregeld en dat [medeverdachte 2] daaromtrent ook geen wetenschap had;

  • -

    de waardevermindering/schuld ten gevolge van de verkoop van het inbeslaggenomen pand voor zijn rekening heeft genomen;

  • -

    voortdurend – naar eigen zeggen – op de vlucht is voor de belastingdienst en justitie en daartoe moet “schipperen” met zijn eigendommen door deze ook ten name van anderen te stellen.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte als economisch eigenaar van het pand is opgetreden. Het pand kwam voor zijn rekening en risico en behoorde hem in feite toe. Op grond van deze omstandigheid is het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel dat het pand op grond van voormeld wetsartikel kan worden verbeurdverklaard. Met betrekking tot dit pand is feit 2 gepleegd.

Het hof heeft bij de beslissingen tot verbeurdverklaring rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Aan het vorenstaande doet de opmerking van de advocaat-generaal dat het pand inmiddels verkocht zou zijn, niet af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging met betrekking tot feit 1 en 2 telkens primair, subsidiair en meer subsidiair in zoverre daarin is ten laste gelegd het delict schuldwitwassen gelegen in de periode voorafgaande aan 16 mei 2006.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

-de onroerende zaak met kadastrale omschrijving wonen met bedrijvigheid, staande en gelegen te ( [postcode] ) 's-Hertogenbosch aan adres [adres 1] , kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, [kadastrale aanduiding] ;

-de onroerende zaak met kadastrale omschrijving wonen met bedrijvigheid, staande en gelegen te ( [postcode] ) 's-Hertogenbosch aan adres [adres 1] , kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, [kadastrale aanduiding] .

Aldus gewezen door:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. P.T. Gründemann en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 29 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.