Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4932

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
20-001406-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001406-15

Uitspraak : 9 juli 2019

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 april 2015 in de strafzaak met parketnummer
01-845181-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep zijn de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat de vorderingen niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen

Voorts zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van hun vordering, zodat de vorderingen in hoger beroep slechts tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag aan de orde zijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair ten laste gelegde diefstal in vereniging van de delicten 2, 3, 4, 5, 6, 8, 10, 11, 13, 14 en 15 en de onder 1 primair cumulatief/alternatief ten laste gelegde opzetheling van de delicten 1, 9, 12 en 19;

  • -

    bewezen zal verklaren de onder 1 primair ten laste gelegde diefstal in vereniging met betrekking tot de delicten 1, 9, 12 en 19 en de onder 1 primair cumulatief/alternatief ten laste gelegde opzetheling met betrekking tot de delicten 2, 3, 4, 5, 6, 8, 10, 11, 13, 14, 15 en 16 en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van € 67,11, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 1 dag hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zal toewijzen tot een bedrag van € 510,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 10 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] primair zal toewijzen tot een bedrag van € 445,87, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 8 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Subsidiair is gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] zal toewijzen tot een bedrag van € 394,80, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 8 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] in zijn geheel zal toewijzen tot een bedrag van € 10.537,19, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 87 dagen hechtenis;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal toewijzen tot een bedrag van € 11.510,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 92 dagen hechtenis en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;

  • -

    de inbeslaggenomen voorwerpen met goednummer 2, 3, 6, 7, 8, 9 en 10 verbeurd zal verklaren;

  • -

    de teruggave zal gelasten aan aangever [aangever 1] of benadeelde [benadeelde 8] van het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer 4;

  • -

    de teruggave zal gelasten aan aangever [aangever 2] van het inbeslaggenomen voorwerp met goednummer 5.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair - voor het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring komt - is een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    zich op het standpunt gesteld dat vanwege de bepleite vrijspraak alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juni 2013 tot en met 28 januari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer (personen)auto('s), te weten:

- op of omstreeks 17 december 2013 en/of 18 december 2013 te Nijmegen een BMW (met kenteken [kenteken 1] ) (delict 1), en/of

- op of omstreeks 5 juni 2013 en/of 6 juni 2013 te Arnhem een VW Golf (met kenteken [kenteken 2] ) (delict 2), en/of

- op of omstreeks 7 december 2013 en/of 8 december 2013 te Babberich een BMW (met kenteken [kenteken 3] ) (delict 3), en/of

- op of omstreeks 21 december 2013 en/of 22 december 2013 te Arnhem een Fiat (met kenteken [kenteken 4] ) (delict 4), en/of

- op of omstreeks 17 december 2013 en/of 18 december 2013 te Oosterbeek een BMW (met kenteken [kenteken 5] ) (delict 5), en/of

- in of omstreeks de periode van 19 januari 2014 tot en met 23 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 6] ) (delict 6), en/of

- op of omstreeks 4 oktober 2013 te Ravenstein een VW Caddy (met kenteken [kenteken 7] ) (delict 8), en/of

- op of omstreeks 24 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 8] ) (delict 9), en/of

- op of omstreeks 4 december 2013 te Apeldoorn een BMW (met kenteken [kenteken 9] ) (delict 10), en/of

- op of omstreeks 3 oktober 2013 en/of 4 oktober 2013 te Arnhem een VW Golf (met kenteken [kenteken 10] ) (delict 11), en/of

- op of omstreeks 27 januari 2014 en/of 28 januari 2014 te Utrecht een BMW (met kenteken [kenteken 11] ) (delict 12), en/of

- op of omstreeks 10 oktober 2013 en/of 11 oktober 2013 te Arnhem een Volkswagen Golf (met kenteken [kenteken 12] ) (delict 13), en/of

- op of omstreeks 25 september 2013 en/of 26 september 2013 te Oosterbeek een BMW (met kenteken [kenteken 13] ) (delict 14), en/of

- op of omstreeks 19 oktober 2013 en/of 20 oktober 2013 te Nijmegen een VW Transporter (met kenteken [kenteken 14] ) (delict 15), en/of

- op of omstreeks 19 januari 2014 en/of 20 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 15] ) (delict 19), en/of

een of meer goed(eren) aanwezig in voornoemde auto('s), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 5 februari 2014 te Uden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- een chassis van een BMW (delict 1), en/of

- een chassis van een VW Golf (delict 2), en/of

- een houten kist met documenten (delict 3), en/of

- een chassis van een Fiat (delict 4), en/of

- een chassis van een BMW (delict 5), en/of

- een chassis van een BMW (delict 6), en/of

- Nederlandse kentekenplaten ( [kenteken 7] ) (delict 8), en/of

- Poolse kentekenplaten ( [kenteken 8] ) en/of twee achterdelen van een BMW (delict 9), en/of

- Duitse kentekenplaten ( [kenteken 9] ) (delict 10), en/of

- een instructieboek (delict 11), en/of

- een chassis van een BMW (delict 12), en/of

- Duitse kentekenplaten ( [kenteken 16] ) (delict 13), en/of

- een chassis/bodemplaat van een BMW (delict 14), en/of

- een chassis van een VW Transporter (delict 15), en/of

- onderdelen van een Volvo V50 (delict 16), en/of

- een autoradio en/of een middenconsole van een BMW (delict 19),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

1.

subsidiair
een of meer andere (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en), op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juni 2013 tot en met 28 januari 2014 in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een of meer (personen)auto('s), te weten:

- op of omstreeks 17 december 2013 en/of 18 december 2013 te Nijmegen een BMW (met kenteken [kenteken 1] ) (delict 1),

- op of omstreeks 5 juni 2013 en/of 6 juni 2013 te Arnhem een VW Golf (met kenteken [kenteken 2] ) (delict 2),

- op of omstreeks 7 december 2013 en/of 8 december 2013 te Babberich een BMW (met kenteken [kenteken 3] ) (delict 3),

- op of omstreeks 21 december 2013 en/of 22 december 2013 te Arnhem een Fiat (met kenteken [kenteken 4] ) (delict 4),

- op of omstreeks 17 december 2013 en/of 18 december 2013 te Oosterbeek een BMW (met kenteken [kenteken 5] ) (delict 5),

- in of omstreeks de periode van 19 januari 2014 tot en met 23 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 6] ) (delict 6),

- op of omstreeks 4 oktober 2013 te Ravenstein een VW Caddy (met kenteken [kenteken 7] ) (delict 8),

- op of omstreeks 24 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 8] ) (delict 9),

- op of omstreeks 4 december 2013 te Apeldoorn een BMW (met kenteken [kenteken 9] ) (delict 10),

- op of omstreeks 3 oktober 2013 en/of 4 oktober 2013 te Arnhem een VW Golf (met kenteken [kenteken 10] ) (delict 11),

- op of omstreeks 27 januari 2014 en/of 28 januari 2014 te Utrecht een BMW (met kenteken [kenteken 11] ) (delict 12),

- op of omstreeks 10 oktober 2013 en/of 11 oktober 2013 te Arnhem een Volkswagen Golf (met kenteken [kenteken 12] ) (delict 13),

- op of omstreeks 25 september 2013 en/of 26 september 2013 te Oosterbeek een BMW (met kenteken [kenteken 13] ) (delict 14),

- op of omstreeks 19 oktober 2013 en/of 20 oktober 2013 te Nijmegen een VW Transporter (met kenteken [kenteken 14] ) (delict 15), en/of

- op of omstreeks 19 januari 2014 en/of 20 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 15] ) (delict 19), en/of

een of meer goed(eren) aanwezig in voornoemde auto('s), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan voornoemde andere (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of verdachte, en/of waarbij voornoemde andere (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

en/of

een of meer andere (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en), op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 5 februari 2014, te Uden en/of elders in Nederland,

- een chassis van een BMW (delict 1),

- een chassis van een VW Golf (delict 2),

- een houten kist met documenten (delict 3),

- een chassis van een Fiat (delict 4),

- een chassis van een BMW (delict 5),

- een chassis van een BMW (delict 6),

- Nederlandse kentekenplaten ( [kenteken 7] ) (delict 8),

- Poolse kentekenplaten ( [kenteken 8] ) en/of twee achterdelen van een BMW (delict 9),

- Duitse kentekenplaten ( [kenteken 9] ) (delict 10),

- een instructieboek (delict 11),

- een chassis van een BMW (delict 12),

- Duitse kentekenplaten ( [kenteken 16] ) (delict 13),

- een chassis/bodemplaat van een BMW (delict 14),

- een chassis van een VW Transporter (delict 15),

- onderdelen van een Volvo V50 (delict 16), en/of

- een autoradio en/of een middenconsole van een BMW (delict 19),

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl die andere (tot op heden onbekend gebleven) perso(o)n(en) ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte, in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 5 februari 2014 te Uden en/of te Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door een of meer schu(u)r(en)/garagebox(en) te huren en/of beschikbaar te stellen voor de opslag van voornoemde goed(eren);

2.

primair
hij op of omstreeks 8 januari 2014 en/of 9 januari 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto, te weten een BMW (met kenteken [kenteken 17] ) (delict 18), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

subsidiair
hij op of omstreeks 9 januari 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een BMW (delict 18) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van voornoemd goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

primair
hij op tijdstippen in de periode van 5 juni 2013 tot en met 28 januari 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, te weten:

- op of omstreeks 17 december 2013 te Nijmegen een BMW (met kenteken [kenteken 1] ) (delict 1), en

-op of omstreeks 27 januari 2014 te Utrecht een BMW (met kenteken [kenteken 11] ) (delict 12), en

-op of omstreeks 19 januari 2014 en/of 20 januari 2014 te Nieuwegein een BMW (met kenteken [kenteken 15] ) (delict 19),

en goederen aanwezig in voornoemde auto’s, telkens toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader,

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 5 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens

- een chassis van een VW Golf (delict 2), en

- een houten kist met documenten (delict 3), en

- een chassis van een Fiat (delict 4), en

- een chassis van een BMW (delict 5), en

- een chassis van een BMW (delict 6), en

- Nederlandse kentekenplaten [kenteken 7] ) (delict 8), en

- Poolse kentekenplaten ( [kenteken 8] ) en twee achterdelen van een BMW (delict 9), en

- Duitse kentekenplaten [kenteken 9] ) (delict 10), en

- een instructieboek (delict 11), en

- Duitse kentekenplaten ( [kenteken 16] ) (delict 13), en

- een bodemplaat van een BMW (delict 14), en

- een chassis van een VW Transporter (delict 15), en

- onderdelen van een Volvo V50 (delict 16),

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.


2.

primair
hij op of omstreeks 8 januari 2014 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, te weten een BMW (met kenteken [kenteken 17] ) (delict 18), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft op gronden zoals in de pleitnota vervat bepleit dat de verdachte van het geheel aan gedragingen zoals ten laste gelegd onder 1 primair eerste alternatief, te weten de diefstallen van de (personen)auto’s, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat het bewijs tekortschiet dat verdachte bij de diefstallen van de auto’s zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair eerste alternatief betrokken is geweest. Het aantreffen van onderdelen van de auto’s, dan wel goederen uit deze auto’s in de garageboxen aan de [adres 2] in combinatie met de al dan niet voorhanden zijnde zendmastgegevens zijn daartoe onvoldoende. Immers kan op grond van deze bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachte aanwezig is geweest op de plaats delict, dan wel dat hij enige wegnemingshandeling heeft verricht.

Ten aanzien van de opzetheling heeft de verdediging bepleit dat op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tweede alternatief ten laste gelegde opzetheling van de goederen aldaar genoemd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte in de garageboxen gelegen aan de [adres 2] aanwezig is geweest op het moment dat de van diefstal afkomstige goederen zich in de loodsen bevonden, dan wel dat hij al dan niet in vereniging met een ander de aldaar aangetroffen motorvoertuigen heeft gestript. Immers straalt het telefoonnummer dat bij verdachte in gebruik is een zendmast aan die op 1 kilometer afstand van de garageboxen is geplaatst, zijn de technische sporen aangetroffen op verplaatsbare objecten en heeft verdachte ten aanzien van de tas met spullen die aan hem gelinkt kunnen worden verklaard dat hij deze in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] heeft laten liggen. Nu op grond hiervan niet kan worden vastgesteld dat verdachte frequent in de garageboxen kwam en er geen link valt te leggen tussen de aangetroffen van diefstal afkomstige goederen en verdachte, kan niet worden bewezen dat verdachte als heer en meester over de ten laste gelegde goederen heeft kunnen beschikken, zodat het verwerven en/of het voorhanden hebben niet kan worden bewezen. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van het feit dat de in de loods aangetroffen goederen van diefstal afkomstig waren, zodat het opzet op de ten laste gelegde gedraging evenmin bewezen kan worden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier komt naar voren dat de politie in februari 2014 informatie ontving dat er in de schuren achter de woning gelegen aan de [adres 2] gestolen auto’s zouden staan. Op 6 februari 2014 vond aldaar een doorzoeking plaats en werden in vier garageboxen, waarvan het huurcontract op naam van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] stond, onder meer volledige of stuk gezaagde chassis van motorvoertuigen, auto-onderdelen en andere voorwerpen aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit onderzoek is gebleken dat de in de tenlastelegging onder 1 primair tweede alternatief genoemde auto-onderdelen en voorwerpen, die zijn aangetroffen in de garageboxen, afkomstig zijn van of komen uit de gestolen auto’s als bedoeld in de bijbehorende in de tenlastelegging genoemde delictnummers.

Op enkele van de aangetroffen voertuigonderdelen waren labels bevestigd. In een van de garageboxen werd op een voertuigonderdeel een label met als opschrift BMW 330 diesel 2008 aangetroffen waarop dactyloscopische sporen werden gevonden. Deze sporen werden veiliggesteld door FTO onder het nummer AAGR7751NL. De betreffende sporen zijn vervolgens geïdentificeerd op de rechterduim en rechterwijsvinger van verdachte.

In de kast van een garagebox werd voorts een set goederen aangetroffen, bestaande uit een zelfgemaakte sleutel met transponder, een motormanagementsysteem en een klokkenwinkel. Deze combinatie van goederen wordt veelal gebruikt voor het stelen van een bepaald model auto van het merk Volkswagen. Op de sleutel met transponder werd een biologisch spoor, zijnde huidepitheel, aangetroffen. Dit spoor werd veiliggesteld onder SIN AAHA6841NL. Bij onderzoek door het NFI blijkt dit spoor te matchen met het DNA-profiel van verdachte, in die zin dat de kans dat een willekeurig gekozen ander persoon hetzelfde DNA-profiel heeft als het DNA-profiel verkregen van het celmateriaal in de bemonstering van het diefstalsetje kleiner is dan één op een miljard.

In een andere garagebox is bij de doorzoeking tevens een Gall en Gall tas aangetroffen met daarin een overeenkomst werkstraf ten name van verdachte en een afschrift van de gerechtsdeurwaarder ter attentie van [vriendin verdachte] , de vriendin van verdachte, geadresseerd aan het adres [adres 3] , alwaar verdachte ook verbleef ten tijde van zijn aanhouding, alsmede een GSM van het merk Samsung.

Uit onderzoek aan deze GSM telefoon is gebleken dat het nummer dat gekoppeld was aan de simkaart die in de telefoon zat [telefoonnummer 2] betrof. In de contactenlijst van de betreffende GSM werden onder andere de volgende contacten aangetroffen:

  • -

    [medeverdachte 1/getuige] – [telefoonnummer 3] : de telefoon met dit telefoonnummer werd op 4 maart 2014 onder medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] in beslag genomen. Medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] heeft ook verklaard dat dit nummer een van zijn oude telefoonnummers betreft.

  • -

    [vader verdachte] – [telefoonnummer 1] : blijkens Blue View bleek het telefoonnummer gekoppeld te staan aan [vader verdachte] , de vader van verdachte.

  • -

    [vriendin verdachte] – [telefoonnummer 4] : blijkens Blue View was het telefoonnummer gekoppeld aan verdachte, die een relatie heeft met [vriendin verdachte] .

Gelet op voornoemde contacten in de telefoon in combinatie met de geschriften die in dezelfde tas werden aangetroffen, stelt het hof dat met enige zekerheid kan worden vastgesteld dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik is geweest bij verdachte.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2014 (pag. 356-357) volgt dat dit telefoonnummer in gebruik is geweest vanaf 24 januari 2014 tot en met 6 maart 2014.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat het telefoonnummer ( [telefoonnummer 2] ) dat gekoppeld is aan de simkaart van de Samsung telefoon op 25 februari 2014 in totaal 13 keer de zendmast op de Bitswijk in Uden heeft aangestraald, welke hemelsbreed op een afstand van 1 kilometer van de loodsen aan de [adres 2] is gelegen.

In de periode van 26 november 2013 tot en met 27 januari 2014 is veelvuldig gebeld tussen het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] , te weten [telefoonnummer 3] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Met laatstgenoemde telefoonnummer heeft verdachte op 2 december 2013 de politiemeldkamer gebeld. In de periode van 22 november 2013 tot en met 8 maart 2014 wordt door voornoemd telefoonnummer op 34 verschillende data in totaal 151 keer de zendmast op de Bitswijk te Uden aangestraald.

In de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] wordt onder vermelding van ’S en S’ het nummer [telefoonnummer 6] aangetroffen, dat blijkens Blue View gekoppeld is aan verdachte. Gelet op de inhoud van een sms-bericht op de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , welke in gebruik is bij verdachte, het gegeven dat in laatstgenoemde telefoon onder de naam [medeverdachte 2/getuige] een nummer is opgeslagen dat toebehoort aan [medeverdachte 2/getuige] en gelet op de contactenlijst van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] , kan worden vastgesteld dat de afkorting S en S waarschijnlijk staat voor [verdachte] en [medeverdachte 2/getuige] . Gelet op voorgaande zou [medeverdachte 2/getuige] worden aangeduid als ‘ [medeverdachte 2/getuige] ’ en zou verdachte de bijnaam ‘ [verdachte] ’ hebben. Deze aanname vindt nog eens bevestiging in het SMS-bericht van 30 januari 2014 van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] aan verdachte met de inhoud ‘he [verdachte] en [medeverdachte 2/getuige] , komen jullie vandaag ff langs? Want ik verveel me gewoon. Mis me werk.’

Het voorgaande ondersteunt de conclusie dat het nummer [telefoonnummer 6] bij verdachte in gebruik is. Dit nummer heeft op 11 verschillende data 87 keer de zendmast gelegen aan de Bitswijk te Uden aangestraald.

Het hof is van oordeel dat op grond van voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode de gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer 7] , [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6] . Deze conclusie vindt naast het hierboven vermelde nog bevestiging in de zendmasten die door deze telefoonnummers gedurende de nachtelijke uren worden aangestraald, zijnde zendmasten in de omgeving van verdachtes verblijfadres.

Gelet op de frequentie en de hoeveelheid van verscheidene data waarop deze drie nummers de zendmast gelegen aan de Bitswijk te Uden hebben aangestraald en het feit dat in de loods documenten op naam van verdachte en zijn vriendin zijn aangetroffen, alsmede dactyloscopische sporen afkomstig van de rechterduim en rechterwijsvinger van verdachte op een label dat bevestigd was op een in de loods aangetroffen motorblok en zijn DNA op een zogeheten diefstalsetje, beide voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met de ten laste gelegde handelingen, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig in de loods aan de [adres 2] aanwezig is geweest terwijl de van diefstal afkomstige auto-onderdelen en goederen zich in de loods bevonden. Het hof schuift aldus de verklaring van verdachte dat hij de Gall en Gall tas, met daarin documenten op zijn naam en de naam van zijn vriendin en de GSM, in de auto van [medeverdachte 1/getuige] had laten liggen en de tas op die wijze in de garageboxen terecht is gekomen, als ongeloofwaardig terzijde.

Nu op grond van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig in de garageboxen aanwezig is geweest, is het hof van oordeel dat verdachte de in de garageboxen aangetroffen voorwerpen, die afkomstig zijn van of komen uit de als gestolen gesignaleerde (personen)auto’s samen met een of meer anderen voorhanden heeft gehad.

Diefstal

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de betreffende (personen)auto’s ook heeft gestolen, zoals onder 1 primair eerste alternatief is ten laste gelegd

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Delict 1

[benadeelde 3] heeft op 19 december 2013 aangifte gedaan van diefstal van zijn personenauto van het merk BMW, met kenteken [kenteken 1] en met chassisnummer [chassisnummer 1] . Op 17 december 2013 omstreeks 23.00 uur had hij zijn BMW geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan de [adres 4] en op 18 december 2013 omstreeks 07.00 uur constateerde hij dat zijn BMW niet meer op de parkeerplaats stond waar hij zijn auto de dag ervoor had neergezet. De buurvrouw van verdachte zou op 18 december 2013 omstreeks 00.30 uur een autoalarm hebben horen afgaan.

Op 6 februari 2014 werd in garagebox 1 het karkas van een BMW motorvoertuig zonder motor aangetroffen, waarvan het chassisnummer correspondeerde met het chassisnummer van de auto van [benadeelde 3] .

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] , dat in gebruik is bij verdachte, op 18 december 2013 om 02.25 uur een zendmast gelegen aan de Meijhorst 11 te Nijmegen aanstraalt. Gebleken is dat op genoemd tijdstip dit telefoonnummer gebeld wordt door het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , dat in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] . Voornoemde mastlocatie is ongeveer op een afstand van 6 kilometer gelegen vanaf [adres 4] .

Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , dat in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] , straalt op 18 december 2013 om 02.25 uur een zendmast aan gelegen aan de Transistorweg 5 te Nijmegen , welke mast op ongeveer 1 kilometer afstand is gelegen vanaf [adres 4] .

Delict 12

Blijkens de aangifte van [benadeelde 6] is de aan hem toebehorende personenauto van het merk BMW, voorzien van kenteken [kenteken 11] en chassisnummer [chassisnummer 2] , in de periode van 27 januari 2014 omstreeks 15.00 uur tot 28 januari 2014 omstreeks 01.30 uur weggenomen vanaf de [adres 5] .

In garagebox 5 in de loods gelegen aan de [adres 2] wordt op 6 februari 2014 het karkas van een BMW zonder motor aangetroffen, welke was voorzien van het chassisnummer [chassisnummer 2] .

Uit de verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] , in gebruik zijnde bij verdachte, is gebleken dat voornoemd telefoonnummer op 27 januari 2014 om 23.25 uur een mast aanstraalt op de Weverstede 31 te Nieuwegein .

Het telefoonnummer dat in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] straalt op 28 januari 2014 om 00.28 uur een mast aan op Knooppunt Laagraven op de A12 te Nieuwegein , zijnde 3 kilometer vanaf de [adres 5] .

Delict 19

Uit de aangifte van [benadeelde 4] volgt dat hij zijn personenauto, van het merk BMW met kenteken [kenteken 15] en met chassisnummer [chassisnummer 3] , op 19 januari 2014 omstreeks 16.00 uur heeft achtergelaten op de parkeerplaats voor de flatingang van het [adres 6] . Op 20 januari 2014 omstreeks 06.10 uur zag voornoemde aangever dat zijn personenauto was weggenomen.

In garagebox 5 in de loods gelegen aan de [adres 2] wordt op 6 februari 2014 een tas van Ikea met daarin een entertainmentsysteem en een middenconsole aangetroffen, welke goederen blijkens het onderzoek van de afdeling VOA van de Eenheid Oost-Brabant toebehoorden aan een BMW 3er Reihe, voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken 15] en het chassisnummer [chassisnummer 3] .

Uit de historische telefoongegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] , in gebruik zijnde bij verdachte, is gebleken dat voornoemd telefoonnummer op 20 januari 2014 om 00.43 uur een zendmast op de Brugwal 5 te Nieuwegein aanstraalt. Deze mast is op een afstand van ongeveer 900 meter gelegen van de plaats waar de BMW met kenteken [kenteken 15] werd gestolen.

Op 20 januari 2014 om 00.51 uur straalde het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] , eveneens de zendmast op de Brugwal 5 te Nieuwegein aan.

Verdachte heeft voor de hierboven weergegeven omstandigheden, die redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het hem onder 1 primair eerste alternatief ten laste gelegde, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, ontleend aan wettige bewijsmiddelen, alsmede bovenstaande overwegingen in onderling verband en samenhang bezien, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de onder delict 1, 12 en 19 weergegeven personenauto’s, zoals bewezen is verklaard.

Met de advocaat-generaal en de raadsman, is het hof voorts van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstallen van de auto’s ten laste gelegd onder de delicten 2, 3, 4, 5, 6, 8, 10, 11, 13, 14 en 15, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Anders dan de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof van oordeel dat hetzelfde geldt voor de auto ten laste gelegd onder delict 9. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de tijdstippen zoals in de aangiftes van diefstal van de onder voornoemde delicten genoemde (personen)auto’s in de buurt is geweest van de plaatsen waar de desbetreffende auto’s zijn weggenomen, noch dat hij op enig andere wijze betrokken is geweest bij het wegnemen hiervan.

Opzetheling

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte de in de garageboxen aangetroffen auto-onderdelen en voorwerpen, afkomstig van/uit die gestolen auto’s opzettelijk heeft geheeld (feit 1 primair, tweede alternatief).

Het hof stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van opzetheling bepalend is of de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het desbetreffende goed wist dat dit goed door misdrijf verkregen was.

Aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen goed kan immers niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte bij het verwerven of voorhanden krijgen van dit goed op de hoogte was van de criminele herkomst ervan. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn immers de feiten en omstandigheden van het concrete geval van belang. Daarbij kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke, de redengevendheid van de inhoud van de overige bewijsmiddelen ontzenuwende, verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben.

Een dergelijke verklaring mag in het bijzonder van de verdachte worden verlangd wanneer de verdachte wordt aangetroffen onder zodanige verdachte omstandigheden, dat deze duiden op wetenschap van de criminele herkomst van het desbetreffende goed op het moment van het verkrijgen of voorhanden krijgen daarvan.

Het hof stelt vast dat het op grond van de concrete omstandigheden van het geval, zoals blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto-onderdelen en voorwerpen, afkomstig van/uit de als gestolen opgegeven auto’s, wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Immers leidt het hof, in aanvulling op de hierboven reeds vastgestelde feiten en omstandigheden, uit het dossier af dat:

  • -

    De karkassen van en auto-onderdelen/voorwerpen afkomstig uit/van de door verdachte en zijn medeverdachte gestolen personenauto’s, te weten delict 1, 12 en 19, staan gestald in de loods gelegen aan de [adres 2] alwaar nog meerdere karkassen en auto-onderdelen/voorwerpen afkomstig van/uit gestolen gesignaleerd staande (personen)auto’s worden aangetroffen;

  • -

    in de garageboxen volledige of stuk gezaagde chassis van motorvoertuigen en volledig of kapot gezaagde auto-onderdelen zijn aangetroffen, alsmede kisten met gereedschappen;

  • -

    op enkele van de aangetroffen voertuigonderdelen labels zijn bevestigd. Op een van deze labels zijn dactyloscopische sporen van de rechterduim en rechterwijsvinger van verdachte aangetroffen;

  • -

    in de loods gelegen aan de [adres 2] een ‘jammer’ werd aangetroffen, waarvan algemeen bekend is dat dergelijke stoorzenders veelal gebruikt worden om het track-and-trace systeem van auto’s te ontregelen;

  • -

    de Volvo V50 (delict 16) op 12 januari 2014 omstreeks 14.05 uur door een persoon die zich [medeverdachte 3] noemt en gebruikmaakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] te Apeldoorn is weggenomen. Uit de historische verkeersgegevens is gebleken dat dit nummer op 12 januari 2014 in totaal zes keer contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] dat in gebruik is bij verdachte. Om 14.24.38 uur, 14.24.57 uur en 14.44.43 uur, en aldus reeds binnen 20 minuten na het wegnemen van de Volvo V50, is met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] getracht contact te maken met het telefoonnummer van verdachte. Om 15.06.20 uur vond er een gesprek plaats tussen voornoemde telefoonnummers. De telefoon van verdachte straalde op dat moment een zendmast op de Bitswijk te Uden , op 1 kilometer afstand gelegen van de loods aan de [adres 2] , aan.

Deze omstandigheden, die op zich redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het ten laste gelegde, vragen naar het oordeel van het hof om een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring van de verdachte. Zo een verklaring van de verdachte is evenwel uitgebleven. Gelet daarop houdt het hof het ervoor dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de loods aan de [adres 2] aangetroffen auto-onderdelen en voorwerpen, zoals opgenomen onder feit 1 primair, tweede alternatief en voor zover niet betrekking hebbende op de delicten 1, 12 en 19 betreffende (personen)auto’s, wist dat het van misdrijf afkomstige goederen betroffen.

Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte zich ten aanzien van de delicten 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15 en 16 schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

De verweren van de raadsman worden mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van de auto.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de aangifte van [aangever 3] d.d. 9 januari 2014 volgt dat zij de aan haar toebehorende personenauto van het merk BMW, met kenteken [kenteken 17] , op 8 januari 2014, omstreeks 22.15 uur had geparkeerd op de [adres 7] . In de ochtend van 9 januari 2014 ontdekte zij dat de auto weg was.

Van de politie Noord- en Oost Gelderland werd vervolgens de informatie ontvangen dat het betreffende voertuig op 9 januari 2014 te 00.57.16 uur was geflitst door een snelheidscamera op de Jachtlaan te Apeldoorn. Ongeveer 3 seconden voor deze BMW werd door dezelfde snelheidscamera een ander voertuig met nagenoeg dezelfde snelheid geflitst, te weten een Fiat Scudo met het kenteken [kenteken 18] . Dit voertuig staat op naam van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] .

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 5] , in gebruik zijnde bij verdachte zoals hierboven is overwogen, is gebleken dat dit nummer op 8 januari 2014 te 23.41 uur aanstraalde op de mast gelegen aan de Gemzenstraat 9 te Apeldoorn . Deze mast is op ongeveer 500 meter afstand gelegen van de locatie van de diefstal van voornoemde BMW, zijnde de [adres 7] . Daarnaast volgt uit deze gegevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] op 9 januari 2014 te 01.14 uur contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , in gebruik zijnde bij medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] .

Daar komt bij dat blijkens de historische verkeersgegeven voornoemd telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] op 9 januari 2014 te 00.46 uur eveneens aanstraalde op de mast gelegen aan de Gemzenstraat 9 te Apeldoorn en het telefoonnummer vervolgens op 9 januari 2014 om 00.58 uur aanstraalde op de mast aan de Laan van Spitsbergen te Apeldoorn . Uit het proces-verbaal van bevindingen pag. 547 van het procesdossier volgt dat de Laan van Spitsbergen te Apeldoorn het verlengde is van de Jachtlaan te Apeldoorn . Opvallend is volgens de verbalisanten dat de bestuurder van de geflitste BMW met kenteken [kenteken 17] sterke gelijkenissen vertoont met medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] , wiens telefoon omstreeks het flitsmoment aanstraalt op de mast aan de Laan van Spitsbergen te Apeldoorn .

Verdachte heeft nagelaten ten aanzien van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden een aannemelijke en redengevende verklaring af te leggen. Gelet daarop en gelet op de feiten en omstandigheden, zoals het hof die heeft vastgesteld op grond van de wettige bewijsmiddelen in het dossier, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dat verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de BMW met kenteken [kenteken 17] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft verzocht te volstaan met oplegging van een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat de redelijke termijn in hoger beroep dusdanig fors is geschonden dat strafvermindering op zijn plaats is.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bij de strafbepaling heeft het hof voorts in het bijzonder acht geslagen op het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen in vereniging van vier waardevolle auto’s en de opzetheling van auto-onderdelen en voorwerpen afkomstig van/uit 13 verschillende (personen)auto’s die als gestolen stonden gesignaleerd. In het algemeen geldt dat heling van gestolen goederen ertoe leidt dat de plegers van diefstal geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde diefstallen, terwijl deze diefstallen leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen.

Het hof heeft bij de strafoplegging ten nadele van verdachte meegewogen dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 maart 2019, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten als thans bewezen verklaard, doch dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend is.

Na onderzoek van de zaak is het hof met betrekking tot de afdoening van de strafzaak binnen een redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM gebleken dat:

  • -

    Op 24 april 2015 door de rechtbank vonnis is gewezen.

  • -

    Namens de verdachte vervolgens op 30 april 2015 hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis.

  • -

    Op 24 maart 2017 [getuige 1] en [getuige 2] door de raadsheer-commissaris van dit hof als getuigen zijn gehoord.

  • -

    Op 26 september 2017 de eerste behandeling van de zaak plaatsvond bij dit hof; dat de zaak toen voor onbepaalde tijd is aangehouden, omdat de verdachte last had van migraine en gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

  • -

    Op 12 juni 2018 de tweede behandeling van de zaak plaatsvond bij dit hof; dat de zitting toen het karakter van een regiezitting had en dat de zaak vervolgens voor onbepaalde tijd is aangehouden en verwezen is naar de raadsheer-commissaris teneinde de getuigen [medeverdachte 1/getuige] , [medeverdachte 2/getuige] , [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen te horen.

  • -

    Voornoemde getuigen allen op 8 januari 2019 door de raadsheer-commissaris als getuige zijn gehoord.

  • -

    Op 25 juni 2019 de derde behandeling van de zaak bij dit hof plaatsvond; dat de zaak op deze laatste zitting inhoudelijk is behandeld en het onderzoek ter terechtzitting vervolgens is gesloten.

  • -

    Het arrest wordt gewezen op 9 juli 2019.

Het hof stelt vast dat tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest van het gerechtshof een periode van 4 jaar, 2 maanden en ongeveer 2 weken is gelegen. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is naar het oordeel van het hof dan ook overschreden.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden.

Beslag

Het hof constateert dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen op de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven jammer (goednummer 616030, nummer 1 op de beslaglijst).

Naar het oordeel van het hof is dit voorwerp, evenals de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven motormanagement-cockpit-transponder (goednummer 622819, nummer 2 op de beslaglijst) vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Voorts zal het hof de teruggave aan [aangever 1] of de benadeelde [benadeelde 8] gelasten van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven op de beslaglijst onder 4 aangeduide voorwerp, alsmede zal het hof de teruggave gelasten aan [aangever 2] van de rekening ten laste van [kenteken 7] , weergegeven als nummer 5 op de beslaglijst.

Ten aanzien van de goederen die op de beslaglijst onder nummers 3, 6, 7, 8, 9 en 10 zijn vermeld zal het hof gelasten dat deze zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden.

Niet is aangetoond dat deze goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet meer tegen de teruggave/bewaring daarvan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (delict 1)

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.591,65. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 67,10 (post paspoort), vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zal de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduren voor zover de vordering is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes onder 1 primair eerste alternatief (delict 1) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 67,10, bestaande uit de post paspoort. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met een beslissing omtrent de kosten als hierna te melden.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 67,10. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer hoofdelijk naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] (delict 19)

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.510,00.

Deze vordering bestaat uit de volgende materiële posten:

  1. Factuur Nieuwpoort € 11.510,00

  2. Teruggekochte Toyota € 2.000,00

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.510,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen.

Het hof is gebleken dat de benadeelde partij na het wijzen van het beroepen vonnis en voor de aanvang van de zitting in hoger beroep is overleden. De vordering van de benadeelde partij is daarom onder algemene titel overgegaan op de rechtsopvolgers/erfgenamen, hierna te noemen de erven, zijnde de ouders van de benadeelde partij.

Nu de benadeelde partij of zijn erven zich in hoger beroep niet opnieuw heeft/hebben gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zal de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduren voor zover de vordering is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van verdachtes onder 1 primair eerste alternatief (delict 19) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van
€ 11.510,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met een beslissing omtrent de kosten als na te melden.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 4] is toegebracht tot een bedrag van € 11.510,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer hoofdelijk naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] (delict 12)

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.015,68, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

Materieel

  1. 2 kinderstoelen € 110,40

  2. Sleuteldoppenset € 209,00

  3. Extra navigatie € 234,40

  4. Boodschappen € 200,00

  5. Startkabel € 18,36

  6. Trekkabel € 33,11

  7. 20 CD’s € 200,00

  8. Sportschoenen € 69,95

  9. Kleine compressor € 24,05

  10. Paraplu € 16,41

Totaal € 1.015,68

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 394,80.

Het hof heeft geconstateerd dat de benadeelde partij slechts in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1/getuige] een wensenformulier heeft ingestuurd, waarop hij heeft aangegeven zijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding te handhaven. Nu de benadeelde partij op het oorspronkelijke voegingsformulier tevens het parketnummer van de zaak tegen verdachte heeft ingevuld en hij blijkens voornoemd wensenformulier te kennen heeft gegeven zijn vordering in hoger beroep te willen handhaven, zal het hof voorgaande aldus interpreteren dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 6] als gevolg van verdachtes onder 1 primair, eerste alternatief (delict 12) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof stelt vast dat uit de aangifte en de daarbij gevoegde bijlage goederen van [benadeelde 6] volgt dat met de diefstal van zijn BMW met kenteken [kenteken 11] eveneens 2 kinderstoelen, een extra navigatie en 20 CD’s zijn ontvreemd, omdat deze goederen zich in de desbetreffende auto bevonden. Het hof zal de schade voor deze posten, evenals de rechtbank, begroten op een bedrag van € 394,80. Dit bedrag bestaat uit de volgende toewijsbare posten: 2 kinderstoelen ad € 110,40, extra navigatie ad € 234,40 en 20 CD’s ad € 50,00.
Daarnaast acht het hof tevens de post ‘startkabel’ ad € 18,36 en de post ‘trekkabel’ ad
€ 33,11 voor toewijzing vatbaar. Nu voornoemde goederen behoren tot de standaarduitrusting van een auto en doorgaans aldaar bewaard worden, acht het hof aannemelijk geworden dat ook deze twee goederen zijn weggenomen.

Verdachte is tot vergoeding van de schade van in totaal een bedrag van € 446,27 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2014, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien deze kostenposten onvoldoende met stukken zijn onderbouwd en de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen om een nadere toelichting te geven. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[benadeelde 6] is toegebracht tot een bedrag van € 446,27. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] (delict 3)

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.621,00.

Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

Materieel

  1. Kleding € 750,00

  2. Heggenschaar Makita (2012) € 261,00

  3. Philips Senseo (2013) € 90,00

  4. Leesbril (2011) € 270,00

  5. Zonnebril RayBan (2013) € 250,00

  6. Laptop Lenovo (2013) € 1.000,00

Totaal € 2.621,00

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 510,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het door de rechtbank toegewezen bedrag bestaat uit de navolgende posten:

  • -

    Heggenschaar € 100,00

  • -

    Senseo € 60,00

  • -

    Zonnebril RayBan € 100,00

  • -

    Laptop € 250,00

De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van verdachtes onder 1 primair tweede alternatief (delict 3) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Naar het oordeel van het hof staan de bewezen verklaarde opzetheling en de bij de benadeelde partij gepleegde diefstal van de (personen)auto in zodanig nauw verband met elkaar dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat van de zijde van de verdediging geen verweer is gevoerd tegen de betreffende vordering tot schadevergoeding.

Het hof stelt vast dat uit de aangifte van [benadeelde 5] blijkt dat hij veel goederen in zijn auto had liggen, omdat hij vrachtwagenchauffeur is en normaal gesproken de hele week van huis is. Nu de door de rechtbank toegewezen goederen in de aangifte als gestolen zijn opgegeven en de verdediging niet heeft betwist dat deze goederen zich ook daadwerkelijk in de weggenomen auto bevonden, begroot het hof evenals de rechtbank de materiële schade op een bedrag van € 510,00, bestaande uit dezelfde posten als hierboven genoemd, en acht deze in zoverre voor hoofdelijke toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met een beslissing omtrent de kosten als hierna te melden.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien deze kostenposten onvoldoende middels stukken zijn onderbouwd en de benadeelde partij niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen om een nadere toelichting te geven. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 5] is toegebracht tot een bedrag van € 510,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer hoofdelijk naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] (delict 15)

De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.537,19, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij
[benadeelde 7] als gevolg van verdachtes onder 1 primair, tweede alternatief (delict 15) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.537,19. Naar het oordeel van het hof staan de bewezen verklaarde opzetheling en de bij de benadeelde partij gepleegde diefstal van de (personen)auto in zodanig nauw verband met elkaar dat de door de verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat van de zijde van de verdediging geen verweer is gevoerd tegen de betreffende vordering tot schadevergoeding.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met een beslissing omtrent de kosten als na te melden.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 7] is toegebracht tot een bedrag van € 10.537,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer hoofdelijk naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding hoofdelijk op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 47, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een stoorzender-jammer (goednummer 616030; nr. 1 op de beslaglijst)

- motormanagement-cockpit-transponder (goednummer 622819; nr. 2 op de beslaglijst).

Gelast de teruggave aan aangever [aangever 1] of benadeelde [benadeelde 8] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- goednummer 616755: een kaartje met opschrift ' [kenteken 5] ' (nr. 4 op de beslaglijst).

Gelast de teruggave aan [aangever 2] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- goednummer 616763: een rekening tlv [kenteken 7] (nr. 5 op de beslaglijst).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 kentekenplaten (goednummer 615579; nr. 3 op de beslaglijst)

- een vooras BMW 320 diesel 2010 (goednummer 616768; nr. 6 op de beslaglijst)

- een achteras BMW 320 diesel 2010 (goednummer 616771; nr. 7 op de beslaglijst1)

- een aandrijfas BMW 320 bj 2010 (goednummer 616773; nr. 8 op de beslaglijst)

- een achteras VW Golf 1.6 tdi bj 2011 (goednummer 616739; nr. 9 op de beslaglijst)

- een vooras BMW 330 diesel bj 2008 (goednummer 616743; nr. 10 op de beslaglijst).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 67,10 (zevenenzestig euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 67,10 (zevenenzestig euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 december 2013.

Vordering van de erven van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de erven van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.510,00 (elfduizend vijfhonderdtien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de erven van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.510,00 (elfduizend vijfhonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 (tweeënnegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 januari 2014.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 510,00 (vijfhonderdtien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 510,00 (vijfhonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 december 2013.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 446,27 (vierhonderdzesenveertig euro en zevenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 446,27 (vierhonderdzesenveertig euro en zevenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 januari 2014.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.537,19 (tienduizend vijfhonderdzevenendertig euro en negentien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.537,19 (tienduizend vijfhonderdzevenendertig euro en negentien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 87 (zevenentachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 oktober 2013.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Stralen, griffier,

en op 9 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.