Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:491

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
200.248.496_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser komt in kader van sollicitatieprocedure dag meelopen op bedrijf en loopt dan letsel op als gevolg van ongeval. Eiser stelt dat arbeidsovereenkomst tot stand gekomen is en vordert als onmiddellijke voorziening bij voorraad in kort geding doorbetaling van loon. Vordering wordt afgewezen omdat voorshands niet kan worden geoordeeld dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen is die de periode na de meeloop-dag bestrijkt. Bij de subsidiaire vordering tot betaling van maandelijkse voorschotten op schadevergoeding voor inkomensschade bestaat onvoldoende spoedeisend belang aangezien eiser (op grond van nawerking in verband met eerder uitzendwerk) een Ziektewetuitkering ontvangt en het bedrijf bovendien aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad heeft erkend en de verzekeraar van het bedrijf voorshands voldoende voorschotten heeft uitgekeerd, terwijl uit de stellingen van eiser ook niet af te leiden is dat het herstel nog lange tijd zal vergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0182
PS-Updates.nl 2019-0224
JHSE 2019/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.248.496/01

arrest van 12 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.C.A.M. van der Meer te Tilburg,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M.C. van de Ven te Boxmeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 4 oktober 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, als voorzieningenrechter gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 7157371, rolnummer 18-5236)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld kortgedingvonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een productie (nr. VI);

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij mr. Van der Meer namens [appellant] een pleitnotitie heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [appellant] heeft in de jaren vóór 7 juni 2018 via uitzendbureaus (laatstelijk via [uitzendbureau] Uitzendbureau) werkzaamheden verricht als orderpicker en logistiek medewerker.

  • -

    [geïntimeerde] is een leverancier en producent van exclusieve buitenleven producten, met name aluminium- en houten terrasoverkappingen.

  • -

    Bij e-mail van donderdag 7 juni 2018 heeft [accountmanager] , Accountmanager van Uitzend-, Werving- en Selectiebureau [uitzend-,werving- en selectiebureau] , aan [appellant] het volgende meegedeeld:

Hoi [voornaam appellant] ,

Zoals besproken stuur ik je de bevestiging per mail. Morgen om 11.00 uur wordt jij verwacht op het onderstaande adres voor een kennismakingsgesprek.

Naam bedrijf: [geïntimeerde]

Website: [website]

Adres: [adres] te [vestigingsplaats]

Contactpersoon: [operationeel manager]

Het is in dagdienst, maar zij bieden een hoger salaris waardoor je alsnog hetzelfde uitkomt als bij de andere opdrachtgever in ploegendienst. Salaris is in overleg.

We horen graag hoe het is gegaan, succes!”

  • -

    Op vrijdag 8 juni 2018 heeft [appellant] een kennismakingsgesprek gevoerd met de heer [operationeel manager] , operationeel manager van [geïntimeerde] . Tijdens dat gesprek is afgesproken dat [appellant] op maandagochtend weer bij [geïntimeerde] zou verschijnen.

  • -

    [appellant] heeft zich vervolgens op maandagochtend 11 juni 2018 om 08.00 uur bij [geïntimeerde] gemeld. [appellant] heeft op die ochtend verschillende werkzaamheden bij [geïntimeerde] verricht en heeft vervolgens samen met medewerkers van [geïntimeerde] geluncht.

  • -

    Na de lunch is [appellant] samen met een medewerker van [geïntimeerde] glasplaten, ruiten en/of kozijnen gaan verplaatsen met een heftruck. In de loop van de middag is [appellant] daarbij op de werkvloer bij [geïntimeerde] een ongeval overkomen, waarbij zware materialen (glasplaten/ruiten) van de heftruck zijn gevallen boven op het been van [appellant] . Hierdoor heeft [appellant] een gecompliceerde enkel/beenbreuk opgelopen en heeft hij een operatie moeten ondergaan.

  • -

    Een familielid van [appellant] heeft bij [uitzend-,werving- en selectiebureau] melding gemaakt van het ongeval en het daardoor opgetreden letsel. [uitzend-,werving- en selectiebureau] heeft vervolgens bij e-mail van donderdag 14 juni 2018 onder meer het volgende meegedeeld aan [appellant] :

“Beste [voornaam appellant] ,

Jouw nicht en haar vriend hebben ons gebeld i.v.m. het contract van [geïntimeerde] en het ongeval.

Je bent via ons op gesprek geweest bij [geïntimeerde] . Hierna heb jij met [geïntimeerde] afgesproken om een proefdag te draaien. Wij hebben de afspraak met [geïntimeerde] dat wij enkel de kandidaten aanleveren op basis van werving & selectie, dit houdt in dat jij direct in dienst treedt bij de opdrachtgever en dus niet bij [uitzend-,werving- en selectiebureau] . De proefdag is in overeenstemming met, en valt ook binnen het contract bij, [geïntimeerde] .”

- Bij besluit van 23 juli 2018 heeft het UWV aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“U of uw (ex-)werkgever heeft aan ons doorgegeven, dat u vanaf 11 juni 2018 ziek bent. U kunt geen Ziektewet-uitkering krijgen. (…)

Voor het ontvangen van een Ziektewet-uitkering moet u verzekerd zijn voor de Ziektewet.

U bent niet verzekerd vanuit werkgever [geïntimeerde] omdat u geen loon heeft ontvangen van deze werkgever.

Wij kennen u daarom geen Ziektewet-uitkering toe.”

  • -

    Bij brief van 9 augustus 2018 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van loon voor de op 11 juni 2018 verrichte werkzaamheden en tot doorbetaling van loon tijdens ziekte over de periode vanaf 12 juni 2018. Daarnaast is [geïntimeerde] in de brief op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval van 11 juni 2018.

  • -

    Bij e-mail van 27 augustus 2018 heeft de verzekeraar van [geïntimeerde] , [verzekeraar 1] , onder meer het volgende meegedeeld aan de advocaat van [appellant] :

“(...) Bij [verzekeraar 1] heeft [geïntimeerde] een transportverzekering afgesloten en meldde vlak voor mijn vakantie het ongeval met uw cliënt [appellant] . U zal begrijpen dat ik nadere informatie opvroeg omtrent de toedracht en onlangs uit verkregen informatie kan bevestigen dat [verzekeraar 1] bereid is de aansprakelijkheid te erkennen inzake het ongeval en bereid is de letselschade te regelen. Aangezien er samenloop is met de avb verzekering die loopt bij [verzekeraar 2] heb ik al vanmiddag contact gezocht met [verzekeraar 2] en gevraagd te participeren. Ik wil dan ook graag van u horen hoe het is met uw cliënt, mij een update te sturen alsmede mijn medische dienst medische informatie te sturen. Kunt u mij ook informeren over de arbeidssituatie van uw cliënt?

Ik begrijp dat u mijn verzekerde gedagvaard heeft. Als ik het goed overzie dagvaardt u niet alleen voor het arbeidsgeschil echter ook voor de letselschade. Dat laatste is niet nodig omdat ik deze regel. Ik verzoek u dan dit weg te halen uit de dagvaarding. Wat betreft het arbeidsgeschil is er geen dekking bij [verzekeraar 1] op de polis en zal dat ook niet zijn op de avb bij [verzekeraar 2] . (...)”

  • -

    Bij e-mail van 4 september 2018, enkele dagen nadat [appellant] in de onderhavige zaak de dagvaarding in kort geding had laten uitbrengen, heeft [verzekeraar 1] aan de advocaat van [appellant] meegedeeld bereid te zijn een voorschot te betalen van € 2.500,--, onder voorbehoud van alle rechten en onder de voorwaarde dat aanhouding van het kort geding wordt gevraagd bij de rechtbank. [appellant] heeft geweigerd aanhouding te vragen in de kortgedingprocedure.

  • -

    Op 13 september 2018 heeft [verzekeraar 1] de schriftelijke toezegging gedaan om € 5.000,-- te betalen als voorschot op de door [appellant] geleden schade.

  • -

    Op 9 oktober 2018 heeft [appellant] het voorschot van € 5.000,-- van [verzekeraar 1] ontvangen.

  • -

    Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] desgevraagd meegedeeld dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het hiervoor genoemde besluit van 23 juli 2018 tot weigering van de ziektewetuitkering en dat dit bezwaar gegrond is verklaard. Volgens de mededeling van de advocaat van [appellant] is aan [appellant] op basis van artikel 46 van de Ziektewet alsnog met ingang van het moment van het ongeval een ziektewetuitkering toegekend van omstreeks € 200,-- netto per week, derhalve omstreeks € 800,-- netto per maand, omdat [appellant] in de periode van vier weken voor het ongeval werkzaam is geweest voor [uitzendbureau] Uitzendbureau.

  • -

    Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van [appellant] voorts desgevraagd meegedeeld dat [verzekeraar 1] eind 2018 nog een aanvullend voorschot van € 7.500,-- aan [appellant] heeft betaald.

3.2.1.

[appellant] heeft de onderhavige kortgedingprocedure bij dagvaarding van 30 augustus 2018 aanhangig gemaakt. [appellant] vordert in deze procedure, na zijn eis bij akte van 18 september 2018 te hebben gewijzigd, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 lid 1 Rv, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] :

  • -

    om aan [appellant] het achterstallige loon voor de door [appellant] op maandag 11 juni 2018 gewerkte uren te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de laatste dag van juni 2018, en te vermeerderen met wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 50% netto over dit loon;

  • -

    om aan [appellant] over de periode vanaf 12 juni 2018 een bedrag van € 1.500,-- netto per maand te betalen uit hoofde van loon tijdens ziekte, dan wel als vergoeding voor gederfde inkomsten/verloren arbeidsvermogen, althans enig in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de laatste dag van elke kalendermaand, en voor zover het loon betreft te vermeerderen met wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 50% netto over dit loon;

  • -

    om aan [appellant] gelijktijdig met de voormelde betalingen een bruto-/netto specificatie te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente daarover.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] is bij [geïntimeerde] in dienst getreden op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen het loon dat bij [geïntimeerde] geldt voor iemand in zijn functie. De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd. [geïntimeerde] moet aan [appellant] dus loon betalen voor de door hem op de eerste werkdag gewerkte uren en [geïntimeerde] moet aan [appellant] loon doorbetalen tijdens zijn ziekte. Als geen sprake is van een loondoorbetalingsplicht dan moet [geïntimeerde] aan [appellant] € 1.500,-- per maand betalen wegens door het ongeval ontstane inkomensderving / verlies aan verdiencapaciteit, aangezien [appellant] sinds het ongeval geen inkomsten heeft en niet in staat is om te werken.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het bestreden vonnis in kort geding van 4 oktober 2018 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    [appellant] heeft een spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering in kort geding (rov. 4.1).

  • -

    De vordering is in kort geding alleen toewijsbaar als in hoge mate waarschijnlijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen (rov. 4.2).

  • -

    Het is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [appellant] vanaf 11 juni 2018 recht heeft op (door)betaling van loon door [geïntimeerde] . Er kan namelijk niet worden aangenomen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen is. De vordering tot betaling van achterstallig loon kan daarom niet worden toegewezen (rov. 4.3 tot en met 4.6, eerste deel).

  • -

    Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7:658 BW is niet voldaan. Voor zover [appellant] op basis van onrechtmatige daad vergoeding vordert van gederfde inkomsten / verloren arbeidsvermogen, is de aansprakelijkheid daarvoor door de verzekeraar van [geïntimeerde] al erkend, zodat [appellant] geen belang meer heeft bij veroordeling van [geïntimeerde] op deze grond (rov. 4.6, tweede deel).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

Met betrekking tot grief 2: de gevorderde voorziening tot doorbetaling van loon tijdens ziekte

3.4.1.

Het hof zal eerst grief 2 behandelen. Deze grief is gericht tegen de afwijzing van de door [appellant] gevorderde voorziening tot doorbetaling van loon tijdens ziekte over de periode vanaf 12 juni 2018. Het hof zal uitgaan van de veronderstelling dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij deze vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte, hoewel hetgeen hierna in rov. 3.6.3 wordt overwogen afbreuk doet aan de door [appellant] ten aanzien van deze vordering gestelde spoedeisendheid.

3.4.2.

[appellant] heeft aan de vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte het standpunt ten grondslag gelegd dat tussen [geïntimeerde] en hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen is en dat hij vanaf het moment van het arbeidsongeval van maandagmiddag 11 juni 2018 de bedongen arbeid niet heeft kunnen verrichten omdat hij daartoe vanwege het door het ongeval ontstane letsel niet in staat was. Volgens [appellant] volgt bij deze stand van zaken uit artikel 7:629 BW dat [geïntimeerde] aan hem het loon moet doorbetalen.

3.4.3.

[geïntimeerde] heeft betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen is. Volgens [geïntimeerde] heeft [operationeel manager] op vrijdag 8 juni 2018 met [appellant] afgesproken dat op maandag 11 juni 2018 in het magazijn aan [appellant] zou worden gedemonstreerd wat de concrete werkzaamheden en de werkomstandigheden zouden zijn en dat dan nader kennis zou worden gemaakt om te bezien of partijen iets voor elkaar zouden kunnen betekenen. Volgens [geïntimeerde] zou pas na deze “meeloopdag” worden bezien of aan [appellant] een concreet aanbod zou worden gedaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst, en is het zover niet gekomen doordat het ongeval zich op maandagmiddag 11 juni 2018 voordeed.

3.4.4.

Het hof stelt voorop dat de door [appellant] gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

3.4.5.

Tussen partijen is in geschil of tussen hen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens artikel 7:610 BW is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er kan dus van een arbeidsovereenkomst worden gesproken indien de werknemer zich heeft verbonden om (persoonlijk) arbeid te verrichten in dienst van de werkgever (gezagsverhouding) tegen betaling van loon, en de werknemer er in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen dat de werkgever zich aan een arbeidsovereenkomst heeft willen binden.

3.4.6.

Een arbeidsovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW). Aanbod en aanvaarding kunnen mondeling plaatsvinden. Voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst is niet noodzakelijk dat de overeenkomst schriftelijk is vastgelegd, zij het dat bepaalde bedingen zoals een proeftijdbeding (artikel 7:652 BW) alleen geldig zijn als zij schriftelijk zijn overeengekomen.

3.4.7.

Of tussen partijen mondeling een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Omdat [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, draagt hij de bewijslast van feiten en omstandigheden die die conclusie rechtvaardigen.

3.4.8.

Naar het oordeel van het hof zijn er binnen het bestek van dit kort geding onvoldoende omstandigheden komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] (ook) voor de periode met ingang van dinsdag 12 juni 2018 een arbeidsovereenkomst is aangegaan. Er is wel sprake van enkele omstandigheden die er in enige mate op lijken te wijzen dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] enige arbeidsovereenkomst tot stand gekomen is. Dat betreft met name de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    Tijdens het gesprek tussen [appellant] en [operationeel manager] van vrijdag 8 juni 2018 is met [appellant] afgesproken dat hij op maandag 8 juni 2018 om 08.00 uur ’s morgens op het bedrijf van [geïntimeerde] zou verschijnen.

  • -

    [geïntimeerde] heeft onvoldoende betwist dat [appellant] op maandagochtend – na een kort gesprekje met [operationeel manager] – met een medewerker van [appellant] is gaan “meelopen” en dat [appellant] in dat kader in elk geval in enige mate aan het arbeidsproces heeft deelgenomen.

  • -

    [appellant] heeft samen met de medewerkers van [geïntimeerde] geluncht en is ook daarna weer gaan “meelopen” en/of meehelpen met de werkzaamheden.

  • -

    Het ligt niet voor de hand dat [appellant] er zomaar mee in zou stemmen om als vrijwilliger een hele dag mee te werken, zonder daarvoor loon te ontvangen.

  • -

    Het is niet uitgesloten dat een arbeidsovereenkomst tot stand komt zonder dat expliciet een gedetailleerde afspraak over de arbeidsvoorwaarden is gemaakt; die arbeidsvoorwaarden kunnen onder omstandigheden zo nodig in een later stadium door de rechter worden vastgesteld.

3.4.9.

Tegen het voorshands aannemen dat (ook) voor de periode met ingang van dinsdag 12 juni 2018 een arbeidsovereenkomst is ontstaan, pleiten echter de volgende omstandigheden:

  • -

    [geïntimeerde] heeft in deze procedure consequent gesteld dat zij kandidaten voor een arbeidsplaats in haar bedrijf – mede omdat de werkwijze in haar bedrijf anders is dan gebruikelijk – altijd eerst een dag laat meelopen, waarna zowel [geïntimeerde] als de betreffende kandidaat kunnen bezien of zij iets voor elkaar kunnen betekenen. [operationeel manager] en [directeur] , directeur van [geïntimeerde] , hebben deze gang van zaken ter zitting bij de kantonrechter en tijdens het pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk bevestigd. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] deze praktijk hanteert.

  • -

    Bij gelegenheid van de zitting bij de kantonrechter heeft [operationeel manager] (volgens rov. 4.5 van het bestreden vonnis) verklaard dat hij op 8 juni 2018 met [appellant] heeft besproken dat [appellant] eerst een dag zou meelopen en dat pas daarna zou worden besproken of een arbeidsovereenkomst zou worden aangegaan. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [operationeel manager] in dezelfde zin verklaard. [appellant] heeft dit tijdens de zitting bij de kantonrechter niet weersproken. Hij heeft toen (volgens rov. 4.5 van het bestreden vonnis) verklaard zich niet meer te herinneren wat op vrijdag 8 juni 2018 precies met hem besproken is. Bij het pleidooi in hoger beroep is [appellant] niet in persoon verschenen.

  • -

    [geïntimeerde] en [appellant] hebben niet met elkaar gesproken over kwesties als het aantal uren per week waarvoor de arbeidsovereenkomst zou worden aangegaan, de hoogte van het loon, de vraag of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd zou gelden en de vraag of een proeftijdbeding of enig ander bijzonder beding in de overeenkomst zou moeten worden opgenomen.

  • -

    Namens [appellant] is tijdens het pleidooi verklaard dat [appellant] tot op het moment van ontvangst van de hiervoor in rov. 3.1 genoemde e-mail van 14 juni 2018 in de veronderstelling verkeerde dat hij als uitzendkracht in diens van [uitzend-,werving- en selectiebureau] , door [uitzend-,werving- en selectiebureau] aan [geïntimeerde] zou worden uitgeleend. [appellant] zag [geïntimeerde] op de dag van het ongeval dus nog in het geheel niet als zijn werkgever.

  • -

    Vast staat dat aan [appellant] nog geen schriftelijk arbeidscontract is aangeboden. Daardoor heeft [geïntimeerde] ook nog niet de gelegenheid gehad om bijvoorbeeld een rechtsgeldig (schriftelijk) proeftijdbeding overeen te komen. Voor [appellant] moet redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat dit voor [geïntimeerde] een relevante voorwaarde zou kunnen zijn voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

3.4.10.

Bij deze stand van zaken zijn er naar het oordeel van het hof nog onvoldoende duidelijke aanknopingspunten aanwezig om voorshands te kunnen oordelen dat tussen partijen – zoals [appellant] heeft gesteld – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. [appellant] heeft nog wel in algemene bewoordingen bewijs van zijn stellingen aangeboden. Een procedure in kort geding leent zich echter in beginsel niet voor bewijslevering door getuigenverhoren en het hof ziet geen aanleiding om daar in dit geval anders over te oordelen. Het hof concludeert dat voorshands niet kan worden aangenomen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst gold voor de in het kader van grief 2 relevante periode (dat wil zeggen: voor de periode met ingang van 12 juni 2018). Het hof verwerpt daarom grief 2.

Met betrekking tot grief 1: de vordering tot betaling van loon voor de op maandag 11 juni 2018 gewerkte uren

3.5.1.

Grief 1 is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van loon voor de door [appellant] op maandag 11 juni 2018 gewerkte uren.

3.5.2.

Op grond van de stellingen van partijen staat vast dat [appellant] op 11 juni omstreeks zes uren heeft (“meegelopen” of) gewerkt. Als het hof zou uitgaan van de veronderstelling dat hieraan een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een dag aan ten grondslag heeft gelegen, hetgeen tussen partijen in geschil is, dan gaat het om loon over 6 tot 8 uren, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Naar het oordeel van het hof betreft deze vordering een zodanig gering bedrag, dat niet geoordeeld kan worden dat [appellant] daarbij een spoedeisend belang heeft dat beoordeling van deze vordering in kort geding rechtvaardigt. Grief 1 kan reeds om deze reden geen doel treffen.

Met betrekking tot de grieven 3 en 4: de vordering tot betaling van een maandelijkse vergoeding voor gederfde inkomsten/verloren arbeidsvermogen

3.6.1.

Aan de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 1.500,-- heeft [appellant] in haar akte wijziging van eis van 18 september 2018 subsidiair ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] dat bedrag als schadevergoeding voor inkomensderving / verlies aan verdiencapaciteit aan [appellant] verschuldigd is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW dan wel artikel 6:162 BW. De kantonrechter heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW niet voldaan is en dat de verzekeraar van [geïntimeerde] aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad al heeft erkend, zodat [appellant] geen belang meer heeft bij veroordeling van [geïntimeerde] op deze grond.

3.6.2.

[appellant] is met de grieven 3 en 4 tegen die oordelen opgekomen. Die grieven zijn in zoverre gegrond dat:

  • -

    artikel 7:658 lid 4 BW een ruimer toepassingsgebied kent dan door de kantonrechter is aangenomen (zie onder meer HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3142);

  • -

    de enkele omstandigheid dat [verzekeraar 1] aansprakelijkheid op grond van een voor rekening van [geïntimeerde] komende onrechtmatige daad heeft erkend, niet meebrengt dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van maandelijkse (voorschotten op) schadevergoeding.

Of [appellant] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot betaling van € 1.500,-- per maand als schadevergoeding voor inkomensderving / verlies aan verdiencapaciteit hangt mede af van de vraag in hoeverre hij nu uitkeringen ontvangt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Aan het enkele feit dat [verzekeraar 1] aansprakelijkheid heeft erkend, kan dus niet de gevolgtrekking worden verbonden dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

3.6.3.

Hoewel de grieven in zoverre terecht zijn voorgedragen, kunnen zij niet tot toewijzing van de vordering van [appellant] leiden. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is namelijk komen vast te staan:

  • -

    dat het bezwaar van [appellant] tegen de weigering van een uitkering ingevolge de Ziektewet gegrond is verklaard en dat aan [appellant] inmiddels een uitkering op grond van de Ziektewet is toegekend van omstreeks € 800,-- netto per maand met ingang van het moment van het ongeval;

  • -

    dat [verzekeraar 1] aan [appellant] niet alleen op 9 oktober 2018 een voorschot van € 5.000,-- maar ook eind 2018 een aanvullend voorschot van € 7.500,-- heeft betaald.

[appellant] heeft in het geding in eerste aanleg en in de memorie van grieven gesteld dat hij vanaf het moment van het ongeval geen inkomsten had en dat hij dus een inkomensschade had van € 1.500,-- per maand. Nu moet echter worden vastgesteld dat [appellant] vanaf de datum van het ongeval een Ziektewetuitkering van omstreeks € 800,-- netto per maand ontvangt, zodat na verrekening daarvan nog slechts een inkomensschade resteert van € 700,-- per maand. Het ongeval heeft ten tijde van het wijzen van dit arrest ongeveer acht maanden geleden plaatsgevonden, zodat de schade van € 700,-- per maand inmiddels is opgelopen tot een totaalbedrag van € 5.600,--. Tegenover die geleden inkomensschade staat echter dat [appellant] inmiddels € 12.500,-- aan voorschotten van [verzekeraar 1] heeft ontvangen. Voorshands moet worden aangenomen dat uit die voorschotten de geleden inkomensschade van € 5.600,-- en ook de inkomensderving voor een aantal toekomstige maanden voldaan kan worden. Iets anders is door [appellant] in elk geval niet gesteld. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerde] in dit kort geding te veroordelen om aan [appellant] maandelijkse betalingen te gaan doen. Het hof neemt daar ook bij in aanmerking dat [appellant] niet heeft gesteld dat sprake is van blijvende medische beperkingen. [appellant] heeft alleen gesteld dat nog geen eindtoestand is bereikt, en dat laat de mogelijkheid open dat [appellant] op enig moment weer in staat zal zijn inkomen uit arbeid te verdienen. Bovendien is niet gesteld dat [verzekeraar 1] niet bereid zal zijn om, indien daar goede redenen voor rijzen, aanvullende voorschotten aan [appellant] te voldoen.

Conclusie en afwikkeling

3.7.1.

Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

3.7.2.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep en deze proceskostenveroordeling, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis in kort geding van 4 oktober 2018;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 726,-- aan griffierecht en op € 3.222,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.E. Smorenburg en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 februari 2019.

griffier rolraadsheer