Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4875

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
20-000896-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2027
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000896-17

Uitspraak : 16 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-659140-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, hetgeen subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd bewezen zal verklaren en hem daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2015 tot en met 26 maart 2015 te Well (L), gemeente Bergen (L), in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair
[verdachte I] en/of [verdachte II] en/of [verdachte III] en/of [verdachte IV] en/of [verdachte V] en/of een (of meer) onbekend gebleven perso(o)n(en) in/of omstreeks de periode van 23 maart 2015 tot en met 26 maart 2015 te Well, gemeente Bergen, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben vervaardigd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in/of omstreeks die periode opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning gelegen aan [adres 1] aan die [verdachte I] en/of [verdachte II] en/of [verdachte III] en/of [verdachte IV] en/of [verdachte V] en/of die onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd het medeplegen dan wel het zelfstandig plegen van – kort gezegd – de productie dan wel het aanwezig hebben van amfetamine. Op basis van de inhoud van het dossier is niet vast te stellen dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij het produceren van synthetische drugs in de woning waar hij sinds september 2014 de beschikking over had. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte zelf amfetamine heeft geproduceerd.

Voor wat betreft de vraag of de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de productie van amfetamine, stelt het hof voorop dat daarvoor is vereist dat sprake is geweest van een voldoende en nauwe bewuste samenwerking. Uit hetgeen hierboven is overwogen voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de productie van amfetamine, volgt dat evenmin kan worden gezegd dat tussen de verdachte en één of meer anderen sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van die productie.

Indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan toch sprake zijn van de voor medeplegen nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde af dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van het laten uitvoeren van – kort gezegd – verbouwingswerkzaamheden. In deze woning is op 26 maart 2015 een drugslaboratorium aangetroffen. Naar het oordeel van het hof gaat het om gedragingen die veeleer met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht. Het is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het aangetroffen drugslaboratorium een zodanige rol heeft gehad die maakt dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking te spreken. De verdachte zal daarom – overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging – worden vrijgesproken van hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[verdachte I] en [verdachte II] en [verdachte III] en [verdachte IV] en [verdachte V] op 26 maart 2015 te Well, gemeente Bergen, tezamen en in vereniging, opzettelijk hebben vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning gelegen aan [adres 1] aan die [verdachte I] en [verdachte II] en [verdachte III] en [verdachte IV] en [verdachte V] ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs 1

Bewijsmiddelen

Naar aanleiding van een melding door de regionale meldkamer te Limburg omstreeks 16.20 uur ging de politie op 26 maart 2015 naar de woning gelegen aan [adres 2] te Well. Volgens de melding zou er schietpartij hebben plaatsgevonden.2

Naar later bleek was [verdachte V] met verbreking van een raam de woning binnengedrongen, nadat een ander hem de toegang tot de woning had geweigerd. Bij beide woningen meldde [verdachte V] dat hij vreesde dood te gaan, in de woning [adres 2] meldde hij dit aan de politie, die door de bewoonster was gebeld.3 In het bloed van [verdachte V] is later een hoge dosis (0,56 mg/l) amfetamine vastgesteld. Toxische verschijnselen kunnen optreden bij concentraties boven ongeveer 0,2 mg/l.4

In het kader van het onderzoek is [getuige I] als getuige gehoord. [getuige I] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2015 over de [straat 1] reed. Op de kruising van de [straat 2] te Well met de [straat 1] zag [getuige I] dat er vier mannen liepen. Deze mannen liepen vanuit de [straat 2] in de richting van de [straat 1] naar het bos. Deze mannen droegen allemaal minimaal één tas, waaronder een gele Jumbotas.5 Ook getuige [getuige II] – woonachtig aan [adres 3] te Well – zag dat op 26 maart 2015, omstreeks 16.20 uur, vier personen in de richting van het bos liepen.6

Verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] kwamen op 26 maart 2015, omstreeks 16.45 uur, aan bij de kruising van de [straat 2] met de [straat 1] . Deze verbalisanten hoorden dat een collega een getuige had gesproken, die had verklaard dat vier mannen over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] liepen. Deze vier mannen zouden bigshopper tassen bij zich dragen. Naar aanleiding van deze informatie reden [verbalisant I] en [verbalisant II] over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] . Na ongeveer een kilometer te hebben gereden, zagen [verbalisant I] en [verbalisant II] dat een aantal personen in het bosperceel liep en dat die personen tassen bij zich droegen. Omdat de politie nog uitging van een mogelijke schietpartij, werd op versterking gewacht alvorens de in het bosperceel waargenomen personen te benaderen.7

Uiteindelijk zijn in het bosperceel vier mannen in de directe nabijheid van elkaar aangehouden. Het gaat om [verdachte II] , [verdachte I] , [verdachte IV] en [verdachte III] .8 Deze personen zijn op 26 maart 2015 tussen omstreeks 16.50 uur en omstreeks 17.00 uur aangehouden.9 Verbalisanten [verbalisant II] , [verbalisant I] en [verbalisant III] hebben gerelateerd dat zij hadden gezien dat in het bosperceel bij de drie mannen die zij in het zicht hadden diverse bigshopper tassen c.q. tassen op de grond lagen.10

In het bosperceel alwaar de mannen werden aangehouden, zijn verschillende goederen aangetroffen, waaronder (big shopper) tassen. Het gaat om: Albert Heijn tassen (bigshoppers, twee stuks) met daarin diverse zwarte latex handschoenen, lege blikjes, een halfgelaatsmasker en kleding, een Jumbo tas, een Converse tas en een blauwe reistas met daarin (onder andere) een halfgelaatsmakser, een filter in verpakking, veiligheidsbrillen in verpakking en werkhandschoenen11 Uit het rapport van het NFI d.d. 12 april 2018 volgt dat op een hengsel van één van tassen DNA-materiaal dat matcht met [verdachte I] is aangetroffen. Eveneens is DNA-materiaal dat matcht met [verdachte I] aangetroffen op de binnenrand van een (halfgelaats)masker. In beide gevallen is de matchkans kleiner dan één op één miljard.12

Voorts zijn onder [verdachte II] , [verdachte I] , [verdachte IV] en [verdachte III] diverse goederen aangetroffen:

- in de linkerbroekzak van [verdachte II] is een paar zwarte latex handschoenen aangetroffen en 99 sigarettenpeuken;13

  • -

    in de broekzak van [verdachte I] zijn twee gele briefjes aangetroffen.

  • -

    op één briefje staan diverse getallen en op het andere briefje staat:

´stomen

80 of 85 liter

140 graden brengen.

stoompin erin

en op 155 houden tot aan einde.

stoomvat op 4 bar laten’.14

- verbalisant [verbalisant IV] heeft daaromtrent gerelateerd dat hij vermoedde dat de op het briefje geschreven tekst aantekeningen betreffen voor het productieproces van synthetische drugs. [verbalisant IV] kreeg dit vermoeden omdat hij – door werkervaring bij het Team Ondermijning – bekend is met het productieproces van synthetische drugs en hem bekend is dat een stoomvat wordt gebruikt voor de productie van synthetische drugs;15

- bij de fouillering van [verdachte IV] is een paar zwarte Pu-flex rubber handschoenen aangetroffen;16

- voorts is bij de insluitingsfouillering van [verdachte IV] een sleutelbos aangetroffen. Deze sleutelbos was voorzien van een klapsleutel, die toebehoort aan een voertuig van het merk Volkswagen. Tevens hingen aan deze sleutelring een tweetal blanke sleutels en een zwart transponderkastje met oranje knoppen. Verbalisanten zagen dat het erf waarop de woning, [adres 1] te Well, stond, was omheind met een hekwerk. Aan de voorzijde van het erf was een poort die toegang gaf tot het erf. Deze poort was voorzien van een op afstand bestuurbare inrichting om de poort te kunnen openen. Verbalisanten constateerden dat met de onder [verdachte IV] aangetroffen transponder de toegangspoort naar de woning gelegen aan de [adres 1] te Well kon worden geopend;17

- onder [verdachte III] is een paar zwarte latex handschoenen aangetroffen.18 Voorts blijk dat – tijdens de aanhouding – onder [verdachte III] een plastic zak werd aangetroffen. In deze plastic zak zat onder een andere blauwe spijkerbroek van het merk Antony Morato, type Don Giovanni. In deze spijkerbroek werd een Nederlands rijbewijs aangetroffen dat was afgegeven aan [verdachte V] , geboren op [geboortedatum verdachte V] te [geboorteplaats verdachte V] . [verdachte III] droeg een vest van hetzelfde merk, Antony Morato, als de spijkerbroek, aangetroffen in deze tas en droeg een onderbroek van het merk ZIKI, hetzelfde merk als de onderbroek, aangetroffen in deze tas.19

Getuige [getuige III] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2015 twee personen zag lopen bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Well. De woning stond volgens [getuige III] al een aantal jaren leeg. [getuige III] zag op een gegeven moment dat één van de twee personen richting de poort liep van de woning gelegen aan de [adres 1] . Vervolgens hoorde hij dat iemand aan de poort zat. Op het moment dat [getuige III] zag dat de politie in Well aanwezig was, heeft hij de meldkamer geïnformeerd over de omstandigheid dat hij twee personen bij voornoemde woning had gezien.20 Naar aanleiding van de door [getuige III] gedane melding gaat de politie naar de woning gelegen aan de [adres 1] te Well.

Verbalisanten [verbalisant V] en [verbalisant VI] zagen dat aan de achterzijde van de woning een personenauto stond geparkeerd. Het betrof een personenauto van het merk Toyota, type Yaris, in de kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken] . Uit het onderzoek is gebleken dat voornoemde personenauto op naam stond van verhuurbedrijf [verhuurbedrijf] en dat de auto was gehuurd door een persoon die zich heeft gelegitimeerd met een rijbewijs en een paspoort als [verdachte V] , geboren op [geboortedatum verdachte V] te [geboorteplaats verdachte V] .21 Voorts zagen [verbalisant V] en [verbalisant VI] dat er in de kamer op de begane grond van de woning gelegen aan de [adres 1] Te Well, diverse jerrycans en gasflessen stonden. Tevens roken zij een penetrante chemische geur afkomstig uit de woning. Hierop ontstond bij de verbalisanten het vermoeden dat er in de woning synthetische drugs werd geproduceerd.22 In afwachting van de komst van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (LFO) werd de woning onder bewaking gesteld.23 Na verkenning van de woning door medewerkers van het LFO op (onder andere) 26 maart 2015, van omstreeks 21.35 uur tot 23.35 uur, blijkt dat een aantal ruimten van de woning in gebruik is ten behoeve van de productie van amfetamine middels de Leuckartmethode met behulp van BMK:

  • -

    de woonkamer, ruimte A, was ingericht met productiemiddelen en chemicaliën ten behoeve van de 1e en 2e kookstap van amfetamine en een stoomdestillatieopstelling bestaande uit een rvs kookketel en een gemodificeerde gasfles (stoomgenerator) ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie). Met behulp van een warmtebeeldcamera bleek dat de stoomgenerator een temperatuur had van ongeveer 43 °C (omgevingstemperatuur 19 °C). Kennelijk was deze opstelling vrij recent gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie);

  • -

    een kamer, ruimte B, was ingericht ten behoeve van het afvoeren van vrijgekomen dampen tijdens het vervaardigen van synthetische drugs in ruimte A. In deze ruimte stonden twee 1000 liter containers ingericht en in gebruik als gaswasser;

  • -

    de keuken, ruimte C, was in gebruik voor de opslag van productiemiddelen en verpakkingen met chemicaliën ten behoeve van de vervaardiging van synthetische drugs;

  • -

    een kamer, ruimte D, was ingericht en in gebruik met een groot aantal 120 liter klemdekselvaten ten behoeve van het logen van de ruwe zure amfetamine-base(olie);

  • -

    een ruimte, ruimte E, was in gebruik ten behoeve van de opslag van verpakkingen met chemicaliën;

  • -

    een douche, ruimte F, was in gebruik voor de opslag van een 220 liter dopvat.24

Van de aangetroffen productiemiddelen en chemicaliën werden monsters genomen. Er werden (onder meer) monsters genomen van: een maatbeker gevuld met in totaal ongeveer vijftien liter vloeistof met vlies, een RVS pan gevuld met zure, bruinkleurige vloeistof, een afvalemmer gevuld met circa 40 liter heldere vloeistof, een dopvat gevuld met ongeveer 150 liter bruine zure vloeistof.25 Uit het rapport van het NFI d.d. 11 april 2015 blijkt dat de verschillende monsters amfetamine dan wel BMK bevatten. Amfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet, BMK op bijlage I van de Verordening EG nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren.26

Gelet op hetgeen medewerkers van het LFO hebben aangetroffen, alsmede gelet op de tijdsduur van de verschillende fasen van het productieproces, is het volgens het LFO zeer aannemelijk dat de productieplaats langer dan drie dagen, dus vóór 23 maart 2015 op de locatie ( [adres 1] te Well) aanwezig was.27 In totaal is (in de woonkamer en in ruimte D- logen) 207,6 liter amfetaminebase(olie) aangetroffen. Met deze hoeveelheid aangetroffen amfetaminebase(olie) is het mogelijk tussen de 269,8 (onversneden/zuiver/droog) en 415-622 kilogram natte en mogelijk versneden amfetaminesulfaat/pasta te vervaardigen.28

Uit het onderzoek blijkt dat de verdachte met de (voormalige) eigenaar van de woning gelegen aan de [adres 1] te Well – mevrouw [getuige IV] – een voorlopige koopovereenkomst is overeengekomen en dat de verdachte vanaf september 2014 over de woning kon beschikken.29 Hij heeft hier ook zelf gewoond.30

In de keuken van de woning (ruimte C) is een stuk karton met aantekeningen aangetroffen. Deze aantekeningen omschrijven onder andere de verhoudingen van chemicaliën die nodig zijn voor de vervaardiging van amfetamine volgens de Leuckartmethode, alsmede de tijdsduur die nodig is voor dit proces. Voorts is in de keuken een notitieblok met aantekeningen gevonden, die eveneens de vervaardiging van amfetamine (in grotere hoeveelheden) volgens de Leuckartmethode beschrijven.31 Op geschreven bladzijden uit dit, in een la gevonden, notitieblok werden verschillende dactyloscopische sporen aangetroffen.32 Meerdere van deze sporen komen overeen met de geregistreerde vingerafdrukken van [verdachte I] .33

In de woonkamer van de woning (ruimte A) is een fles Ice Tea aangetroffen.34 Er is een bemonstering gemaakt van de op de drinkrand van de fles Ice Tea aangetroffen biologische sporen (speeksel).35 Na onderzoek door het NFI bleek dat sprake was van een match met [verdachte I] .36 De matchkans is kleiner dan één op één miljard.37

In de woonkamer van de woning is eveneens en drinkpakje Wicky gevonden.38 Er is bemonstering gemaakt van de op de drinkrand van het pakje Wicky aangetroffen biologische sporen (speeksel).39 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat sprake was van een match met [verdachte V] .40 De matchkans is kleiner dan één op één miljard.41

In de woonkamer (ruimte A) zijn ook zwarte latex handschoenen gevonden.42 Deze handschoenen zijn bemonsterd.43 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat in deze handschoenen DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met [verdachte III] , de matchkans is kleiner dan één op één miljard. Ook zijn daarin is DNA-nevenmerken matchend met [verdachte V] aangetroffen (matchkans niet berekend).44

In ruimte D – de loogruimte – werden meerdere zwarte latex handschoenen aangetroffen.45 Deze handschoenen zijn bemonsterd.46 Na onderzoek door het NFI is komen vast te staan dat DNA-materiaal matchend met [verdachte III] is aangetroffen in handschoenen, die zijn gevonden in ruimte D, de ruimte die als loogkamer werd gebruikt.47

Algemene overweging

Het hof stelt voorop dat selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Dit betekent dat ingeval het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, het aan het hof is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – het navolgende aangevoerd.

Er zijn geen sporen(drager) aangetroffen op grond waarvan de verdachte in verband kan worden gebracht met het amfetaminelaboratorium. De ruimtes waarin dit laboratorium was aangetroffen, waren afgesloten. Dat er op voorwerpen (niet direct het laboratorium) DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, wekt geen bevreemding omdat de verdachte – zoals hij zelf heeft verklaard – bij tijd en wijle in de woning verbleef. De verklaring van de verdachte over zijn verblijf omstreeks 23 maart 2015 – inhoudende dat hij in Veldhoven is geweest om betalingsverplichtingen betreffende de aankoop van de woning na te komen en dat hij naar de familie [getuige IV] is gegaan, die op geringe afstand van het pand in Well wonen – is weliswaar niet controleerbaar, maar op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat hij als medeplichtige betrokken is geweest bij de productie van amfetamine.

Aan de verdachte kan wellicht een bepaalde mate van naïviteit worden verweten, maar er is geen sprake van opzet. Bovendien is de verdachte niet samen met de andere verdachten aangehouden, rook de verdachte niet naar amfetamine, kunnen geen van de aangetroffen voertuigen aan de verdachte worden gelinkt, bevindt zich in het dossier geen belastende verklaring en vindt de lezing van de verdachte voor wat betreft het opknappen van de woning steun in de verklaring van [getuige V] .

Oordeel van het hof

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de productie van amfetamine in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well.

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de behulpzaamheid als zodanig – in het onderhavige geval het beschikbaar stellen van de woning – maar ook dat het opzet van de verdachte – al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet – was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict), in deze zaak de productie van amfetamine. Daarbij geldt dat het opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met de eigenaar van de woning gelegen aan de [adres 1] te Well een voorlopig koopcontract is overeengekomen. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte vanaf september 2014 de beschikking had over deze woning.

Het standpunt van de verdediging is, dat de verdachte géén weet had van wat zich in de woning bevond, omdat iemand anders, buiten zijn medeweten, het aangetroffen drugslaboratorium had opgebouwd.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij – teneinde de taxatiewaarde van de woning te verhogen – de muren in de woning wilde laten stukadoren. De verdachte was destijds eigenaar van een kartbaan en de verdachte raakte aldaar met ene [getuige VI] in gesprek over het opknappen van de woning te Well. [getuige VI] is vervolgens een aantal keer in Well geweest om de woning te bekijken. [getuige VI] zou op 23 maart 2015 beginnen en had drie weken de tijd om de woning op te knappen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zelf op 17 maart 2015 voor de laatste keer bij de woning aan de [adres 1] te Well is geweest.· De verdachte weet niet wat de achternaam van [getuige VI] is. Het telefoonnummer van [getuige VI] stond, aldus verdachte, in de telefoon van de verdachte onder de naam ‘Wolla’.48

De verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij nog geen geld aan [getuige VI] had betaald voor het opknappen van de woning. De verdachte zou achteraf – contant – betalen.49

Voorts heeft de verdachte – in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring – verklaard dat [getuige VI] niet alleen de muren zou stukadoren, maar ook dat hij de kozijnen van de buitendeur zou vervangen, de keuken opgehangen moest worden en een poort rechtgezet diende te worden.50

De telefoon van de verdachte is in beslag genomen.51 Naar aanleiding van de door de verdachte gegeven verklaring betreffende het contact ‘Wolla’ heeft de politie in de telefoon van de verdachte naar deze naam gezocht, waarbij rekening is gehouden met verschillende schrijfwijze van deze naam. Er is evenwel geen contact met de naam ‘Wolla’ aangetroffen. Evenmin werd een contact aangetroffen dat was opgeslagen onder de naam ‘ [getuige VI] ’.52

De verdachte heeft later bij de rechter-commissaris hieromtrent verklaard dat hij via de telefoon contact had met [getuige VI] en dat hij het nummer van [getuige VI] niet meer heeft. De verdachte heeft het nummer van [getuige VI] gewist, omdat hij – op het moment dat hij hoorde van het aangetroffen amfetaminelaboratorium – alles uit paniek heeft gewist. De verdachte wil geen antwoord geven op de vraag over welke naam hij het telefoonnummer van [getuige VI] in zijn mobiele telefoon had opgeslagen.53

Het hof acht de door de verdachte afgelegde verklaring niet aannemelijk geworden en schuift die terzijde. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat de verdachte geen nadere gegevens van [getuige VI] bekend zijn, dit terwijl de verdachte – volgens zijn eigen verklaring – [getuige VI] al langer kent.54 De verdachte heeft bovendien – naar hij zegt – het telefoonnummer dat van [getuige VI] zou zijn uit zijn telefoon verwijderd.

De door de verdachte afgelegde verklaring kan dus op geen enkele wijze worden geverifieerd. Bovendien heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd betreffende de werkzaamheden die [getuige VI] aan de woning gelegen aan de [adres 1] te Well zou gaan verrichten. Zo heeft de verdachte eerst verklaard dat (alleen) stucwerkzaamheden zouden plaatsvinden. Later heeft de verdachte verklaard dat – naast het laten uitvoeren van stucwerkzaamheden – ook werkzaamheden aan kozijnen, de keuken en een poort moesten worden verricht.

Het hof is van oordeel dat in het algemeen degene die beschikt over een woning en de toegang tot die woning, weet heeft van wat er zich in die woning bevindt. De verdachte had een (voorlopig) koopcontract gesloten betreffende de woning gelegen aan de [adres 1] te Well. De verdachte kwam ook in de woning. Hij had beschikkingsmacht over die woning. Daarnaast had de verdachte – als toekomstig eigenaar van de betreffende woning – zeggenschap over hetgeen in en rondom woning zou plaatsvinden.

In de woning van de verdachte is op 26 maart 2015 een drugslaboratorium aangetroffen, ter zake waarvan is gerelateerd dat het zeer aannemelijk is dat de betreffende productieplaats meerdere dagen in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well aanwezig is geweest.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geweest, althans een zekere mate van wetenschap had, van hetgeen in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well heeft plaatsgehad en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning aan [verdachte I] , [verdachte II] , [verdachte III] , [verdachte IV] en [verdachte V] ter beschikking te stellen voor de productie van synthetische drugs. Hetgeen subsidiair ten laste is gelegd, is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte geen noemenswaardige problemen kent op de te onderscheiden leefgebieden. De verdachte is ook niet eerder veroordeeld.

Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:

- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan;

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum (bij medeplichtigheid) en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft door zijn woning ter beschikking te stellen zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de productie van synthetische drugs. De verdachte vormt door zijn handelen een onmisbare schakel in de productie van verdovende middelen. Naar het oordeel van het hof betreft het bewezen verklaarde feit een zeer ernstig feit. De verdachte heeft zich ingelaten met de productie van synthetische drugs, kennelijk om extra inkomsten te genereren. Hij heeft daarmee geen rekening gehouden met de negatieve gevolgen van de productie van synthetische drugs voor anderen. De opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs brengen immers risico’s met zich, zoals gevaar voor brand, ontploffing of het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast levert het gebruik van harddrugs gezondheidsrisico’s op voor de gebruikers daarvan. Bovendien levert het productieproces van synthetische drugs schade op aan het milieu, omdat de afvalstoffen die bij het productieproces vrijkomen veelal op illegale wijze in de natuur worden gedumpt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 juni 2019.

Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Gelet op de vorenomschreven aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbenemening met zich brengt.

Redelijke termijn

Met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Op 16 maart 2017 is immers door de officier van justitie hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld, terwijl het hof op 16 september 2019 arrest wijst. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer zes maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.

Zonder deze schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijk termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Deze straf is hoger dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof legt aan de verdachte een hogere straf op, omdat het hof van oordeel is dat de aard en ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt bij een straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. M.J. Grapperhaus en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 16 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Nederlof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, Regionale Recherche, Afdeling Generiek, Team Ondermijning, proces-verbaalnummer 2015 056730 en 2015 56738, sluitingsdatum 12 september 2015, pagina 1 tot en met pagina 1123. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisant(en) en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Dossierpagina 115.

3 Dossierpagina 116, 289 en 290.

4 Dossierpagina 826 en 827.

5 Dossierpagina 143.

6 Dossierpagina 148.

7 Dossierpagina 124.

8 Dossierpagina 125-126.

9 Dossierpagina 483, 505, 523 en 547.

10 Dossierpagina 125.

11 Dossierpagina 658-659.

12 Rapport NFI d.d. 12 april 2018, los opgenomen.

13 Dossierpagina 357, 360 en 362.

14 Dossierpagina 151, 152, 348 en 354.

15 Dossierpagina 153.

16 Dossierpagina 333 en 337.

17 Dossierpagina 218 en 235.

18 Dossierpagina 366 en 370.

19 Dossierpagina 119, 365 en 366.

20 Dossierpagina 452 en 453.

21 Dossierpagina 234, 273-276.

22 Dossierpagina 157 en 158.

23 Dossierpagina 21.

24 Dossierpagina 291, 292 en 298 (het hof begrijpt, gelet op de beschrijving op p. 294, dat de bovenste met C aangeduide ruimte op de plattegrond ruimte D is, waar 17 klemdekselvaten staan).

25 Dossierpagina 318-319.

26 Dossierpagina 325-326.

27 Dossierpagina 476-478.

28 Dossierpagina 1094.

29 Dossierpagina 135 en 610.

30 Dossierpagina 140.

31 Dossierpagina 294.

32 Dossierpagina 763-766, 767 en 768.

33 Dossierpagina 847-860.

34 Dossierpagina 764.

35 Dossierpagina 1027 en 1029.

36 Dossierpagina 1025.

37 Dossierpagina 1067.

38 Dossierpagina 763.

39 Dossierpagina 1027 en 1029

40 Dossierpagina 1024.

41 Dossierpagina 1065-1066.

42 Dossierpagina 799.

43 Dossierpagina 1027.

44 Dossierpagina 1056-1059.

45 Dossierpagina 799.

46 Dossierpagina 1028.

47 Dossierpagina 1056-1059.

48 Dossierpagina 611.

49 Dossierpagina 615.

50 Dossierpagina 615.

51 Dossierpagina 434.

52 Dossierpagina 472.

53 PV verhoor [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 6 juni 2016, los opgenomen.

54 Dossierpagina 615.