Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4874

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
20-000895-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2026
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000895-17

Uitspraak : 16 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-659115-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en hem te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft voorts een verzoek gedaan tot het horen van vier getuigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2015 tot en met 26 maart 2015 te Well (Limburg), gemeente Bergen (Limburg), in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijk van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat het Nederlandse strafprocesrecht in het geval als het onderhavige, waarbij een verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, de officier van justitie hoger beroep instelt en de verdachte door een gerechtshof wordt veroordeeld, niet voldoet aan internationale eisen, in het bijzonder niet aan artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Dit artikel luidt: ‘een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet’. Indien de verdachte in hoger beroep wordt veroordeeld, kan de verdachte beroep in cassatie instellen. De Nederlandse cassatieprocedure betreft evenwel geen procedure waarbij een verdachte zijn veroordeling en schuldigverklaring opnieuw aan een rechter kan voorleggen. Nu de verdachte een eventuele veroordeling in hoger beroep niet alsnog zal kunnen voorleggen aan een feitelijke rechter, kan een vordering om de verdachte te veroordelen ook niet door het gerechtshof worden beoordeeld zonder artikel 2 en artikel 14 lid 5 van het IVBP te schenden. Het openbaar ministerie kan daarom niet worden ontvangen in het hoger beroep en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 14 IVBPR behoort weliswaar tot de een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van de Grondwet. Echter, de werking van het recht op beroep, zoals gegarandeerd in lid 5 van de betreffende bepaling wordt door de Hoge Raad geacht niet een voor rechtstreekse toepassing vatbaar voorschrift in te houden waarbij aan de rechterlijke macht der onderscheidende verdragsstaten een grotere rechtsmacht wordt verleend dan de nationale wet haar toekent. Dit heeft tot gevolg dat artikel 14 lid 5 IVBPR niet rechtstreeks toepasbaar is voor zover, zoals in casu bepleit, buiten de bestaande competentieregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering rechtsmacht wordt gevestigd. Ten overvloede wijst het hof dienaangaande op de omstandigheid dat het standpunt van toenmalige regering ten tijde van de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet van het IVBPR het beroep in cassatie toereikend achtte in dezen (vgl. Bijl. Handelingen Kamerstukken II 1987/88, 20 329, nr. 3, p. 30-31).

Het verweer wordt derhalve afgewezen.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 23 maart 2015 tot en met 25 maart 2015 (samen met een ander of anderen) opzettelijk amfetamine heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft gehad.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof namelijk niet vaststellen dat de verdachte eerder dan 26 maart 2015 betrokken is geweest bij het productieproces van amfetamine in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well. De verdachte zal daarom van dat gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 maart 2015 te Well (Limburg), gemeente Bergen (Limburg), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs 1

Bewijsmiddelen

Naar aanleiding van een melding door de regionale meldkamer te Limburg omstreeks 16.20 uur ging de politie op 26 maart 2015 naar de woning gelegen aan [adres 2] te Well. Volgens de melding zou er schietpartij hebben plaatsgevonden.2

Naar later bleek was [medeverdachte 1] met verbreking van een raam de woning binnengedrongen, nadat een ander hem de toegang tot de woning had geweigerd. Bij beide woningen meldde [medeverdachte 1] dat hij vreesde dood te gaan, in de woning [adres 2] meldde hij dit aan de politie, die door de bewoonster was gebeld.3 In het bloed van [medeverdachte 1] is later een hoge dosis (0,56 mg/l) amfetamine vastgesteld. Toxische verschijnselen kunnen optreden bij concentraties boven ongeveer 0,2 mg/l.4

In het kader van het onderzoek is [getuige I] als getuige gehoord. [getuige I] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2015 over de [straat 1] reed. Op de kruising van de [straat 2] te Well met de [straat 1] zag [getuige I] dat er vier mannen liepen. Deze mannen liepen vanuit de [straat 2] in de richting van de [straat 1] naar het bos. Deze mannen droegen allemaal minimaal één tas, waaronder een gele Jumbotas.5 Ook getuige [getuige II] – woonachtig aan [adres 3] te Well – zag dat op 26 maart 2015, omstreeks 16.20 uur, vier personen in de richting van het bos liepen.6

Verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] kwamen op 26 maart 2015, omstreeks 16.45 uur, aan bij de kruising van de [straat 2] met de [straat 1] . Deze verbalisanten hoorden dat een collega een getuige had gesproken, die had verklaard dat vier mannen over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] liepen. Deze vier mannen zouden bigshopper tassen bij zich dragen. Naar aanleiding van deze informatie reden [verbalisant I] en [verbalisant II] over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] . Na ongeveer een kilometer te hebben gereden, zagen [verbalisant I] en [verbalisant II] dat een aantal personen in het bosperceel liep en dat die personen tassen bij zich droegen. Omdat de politie nog uitging van een mogelijke schietpartij, werd op versterking gewacht alvorens de in het bosperceel waargenomen personen te benaderen.7

Uiteindelijk zijn in het bosperceel vier mannen in de directe nabijheid van elkaar aangehouden. Het gaat om [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .8 Deze personen zijn op 26 maart 2015 tussen omstreeks 16.50 uur en omstreeks 17.00 uur aangehouden.9 Verbalisanten [verbalisant II] , [verbalisant I] en [verbalisant III ] hebben gerelateerd dat zij hadden gezien dat in het bosperceel bij de drie mannen die zij in het zicht hadden diverse bigshopper tassen c.q. tassen op de grond lagen.10

In het bosperceel alwaar de verdachte en de medeverdachten werden aangehouden, zijn verschillende goederen aangetroffen, waaronder (big shopper) tassen. Het gaat om: Albert Heijn tassen (bigshoppers, twee stuks) met daarin diverse zwarte latex handschoenen, lege blikjes, een halfgelaatsmasker en kleding, een Jumbo tas, een Converse tas en een blauwe reistas met daarin (onder andere) een halfgelaatsmakser, een filter in verpakking, veiligheidsbrillen in verpakking en werkhandschoenen11 Uit het rapport van het NFI d.d. 12 april 2018 volgt dat op een hengsel van één van tassen DNA-materiaal dat matcht met [medeverdachte 3] is aangetroffen. Eveneens is DNA-materiaal dat matcht met [medeverdachte 3] aangetroffen op de binnenrand van een (halfgelaats)masker. In beide gevallen is de matchkans kleiner dan één op één miljard.12

Voorts zijn onder [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] diverse goederen aangetroffen:

- in de linkerbroekzak van [medeverdachte 2] is een paar zwarte latex handschoenen aangetroffen en 99 sigarettenpeuken;13

  • -

    in de broekzak van [medeverdachte 3] zijn twee gele briefjes aangetroffen.

  • -

    op één briefje staan diverse getallen en op het andere briefje staat:

´stomen

80 of 85 liter

140 graden brengen.

stoompin erin

en op 155 houden tot aan einde.

stoomvat op 4 bar laten’.14

- verbalisant [verbalisant IV] heeft daaromtrent gerelateerd dat hij vermoedde dat de op het briefje geschreven tekst aantekeningen betreffen voor het productieproces van synthetische drugs. [verbalisant IV] kreeg dit vermoeden omdat hij – door werkervaring bij het Team Ondermijning – bekend is met het productieproces van synthetische drugs en hem bekend is dat een stoomvat wordt gebruikt voor de productie van synthetische drugs;15

- bij de fouillering van [verdachte] is een paar zwarte Pu-flex rubber handschoenen aangetroffen;16

- voorts is bij de insluitingsfouillering van [verdachte] een sleutelbos aangetroffen. Deze sleutelbos was voorzien van een klapsleutel, die toebehoort aan een voertuig van het merk Volkswagen. Tevens hingen aan deze sleutelring een tweetal blanke sleutels en een zwart transponderkastje met oranje knoppen. Verbalisanten zagen dat het erf waarop de woning, [adres 1] te Well, stond, was omheind met een hekwerk. Aan de voorzijde van het erf was een poort die toegang gaf tot het erf. Deze poort was voorzien van een op afstand bestuurbare inrichting om de poort te kunnen openen. Verbalisanten constateerden dat met de onder [verdachte] aangetroffen transponder de toegangspoort naar de woning gelegen aan de [adres 1] te Well kon worden geopend;17

- onder [medeverdachte 4] is een paar zwarte latex handschoenen aangetroffen.18 Voorts blijk dat – tijdens de aanhouding – onder [medeverdachte 4] een plastic zak werd aangetroffen. In deze plastic zak zat onder een andere blauwe spijkerbroek van het merk Antony Morato, type Don Giovanni. In deze spijkerbroek werd een Nederlands rijbewijs aangetroffen dat was afgegeven aan [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] te [geboorteplaats medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] droeg een vest van hetzelfde merk, Antony Morato, als de spijkerbroek, aangetroffen in deze tas en droeg een onderbroek van het merk ZIKI, hetzelfde merk als de onderbroek, aangetroffen in deze tas.19

Getuige [getuige III] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2015 twee personen zag lopen bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Well. De woning stond volgens [getuige III] al een aantal jaren leeg. [getuige III] zag op een gegeven moment dat één van de twee personen richting de poort liep van de woning gelegen aan de [adres 1] . Vervolgens hoorde hij dat iemand aan de poort zat. Op het moment dat [getuige III] zag dat de politie in Well aanwezig was, heeft hij de meldkamer geïnformeerd over de omstandigheid dat hij twee personen bij voornoemde woning had gezien.20 Naar aanleiding van de door [getuige III] gedane melding gaat de politie naar de woning gelegen aan de [adres 1] te Well.

Verbalisanten [verbalisant V] en [verbalisant VI] zagen dat aan de achterzijde van de woning een personenauto stond geparkeerd. Het betrof een personenauto van het merk Toyota, type Yaris, in de kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken] . Uit het onderzoek is gebleken dat voornoemde personenauto op naam stond van verhuurbedrijf [verhuurbedrijf] en dat de auto was gehuurd door een persoon die zich heeft gelegitimeerd met een rijbewijs en een paspoort als [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] te [geboorteplaats medeverdachte 1] .21 Voorts zagen [verbalisant V] en [verbalisant VI] dat er in de kamer op de begane grond van de woning gelegen aan de [adres 1] Te Well, diverse jerrycans en gasflessen stonden. Tevens roken zij een penetrante chemische geur afkomstig uit de woning. Hierop ontstond bij de verbalisanten het vermoeden dat er in de woning synthetische drugs werd geproduceerd.22 In afwachting van de komst van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling (LFO) werd de woning onder bewaking gesteld.23 Na verkenning van de woning door medewerkers van het LFO op (onder andere) 26 maart 2015, van omstreeks 21.35 uur tot 23.35 uur, blijkt dat een aantal ruimten van de woning in gebruik is ten behoeve van de productie van amfetamine middels de Leuckartmethode met behulp van BMK:

  • -

    de woonkamer, ruimte A, was ingericht met productiemiddelen en chemicaliën ten behoeve van de 1e en 2e kookstap van amfetamine en een stoomdestillatieopstelling bestaande uit een rvs kookketel en een gemodificeerde gasfles (stoomgenerator) ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie). Met behulp van een warmtebeeldcamera bleek dat de stoomgenerator een temperatuur had van ongeveer 43 °C (omgevingstemperatuur 19 °C). Kennelijk was deze opstelling vrij recent gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie);

  • -

    een kamer, ruimte B, was ingericht ten behoeve van het afvoeren van vrijgekomen dampen tijdens het vervaardigen van synthetische drugs in ruimte A. In deze ruimte stonden twee 1000 liter containers ingericht en in gebruik als gaswasser;

  • -

    de keuken, ruimte C, was in gebruik voor de opslag van productiemiddelen en verpakkingen met chemicaliën ten behoeve van de vervaardiging van synthetische drugs;

  • -

    een kamer, ruimte D, was ingericht en in gebruik met een groot aantal 120 liter klemdekselvaten ten behoeve van het logen van de ruwe zure amfetamine-base(olie);

  • -

    een ruimte, ruimte E, was in gebruik ten behoeve van de opslag van verpakkingen met chemicaliën;

  • -

    een douche, ruimte F, was in gebruik voor de opslag van een 220 liter dopvat.24

Van de aangetroffen productiemiddelen en chemicaliën werden monsters genomen. Er werden (onder meer) monsters genomen van: een maatbeker gevuld met in totaal ongeveer vijftien liter vloeistof met vlies, een RVS pan gevuld met zure, bruinkleurige vloeistof, een afvalemmer gevuld met circa 40 liter heldere vloeistof, een dopvat gevuld met ongeveer 150 liter bruine zure vloeistof.25 Uit het rapport van het NFI d.d. 11 april 2015 blijkt dat de verschillende monsters amfetamine dan wel BMK bevatten. Amfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet, BMK op bijlage I van de Verordening EG nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren.26

Gelet op hetgeen medewerkers van het LFO hebben aangetroffen, alsmede gelet op de tijdsduur van de verschillende fasen van het productieproces, is het volgens het LFO zeer aannemelijk dat de productieplaats langer dan drie dagen, dus vóór 23 maart 2015 op de locatie ( [adres 1] te Well) aanwezig was.27 In totaal is (in de woonkamer en in ruimte D- logen) 207,6 liter amfetaminebase(olie) aangetroffen. Met deze hoeveelheid aangetroffen amfetaminebase(olie) is het mogelijk tussen de 269,8 (onversneden/zuiver/droog) en 415-622 kilogram natte en mogelijk versneden amfetaminesulfaat/pasta te vervaardigen.28

In de keuken van de woning (ruimte C) is een stuk karton met aantekeningen aangetroffen. Deze aantekeningen omschrijven onder andere de verhoudingen van chemicaliën die nodig zijn voor de vervaardiging van amfetamine volgens de Leuckartmethode, alsmede de tijdsduur die nodig is voor dit proces. Voorts is in de keuken een notitieblok met aantekeningen gevonden, die eveneens de vervaardiging van amfetamine (in grotere hoeveelheden) volgens de Leuckartmethode beschrijven.29 Op geschreven bladzijden uit dit, in een la gevonden, notitieblok werden verschillende dactyloscopische sporen aangetroffen.30 Meerdere van deze sporen komen overeen met de geregistreerde vingerafdrukken van [medeverdachte 3] .31

In de woonkamer van de woning (ruimte A) is een fles Ice Tea aangetroffen.32 Er is een bemonstering gemaakt van de op de drinkrand van de fles Ice Tea aangetroffen biologische sporen (speeksel).33 Na onderzoek door het NFI bleek dat sprake was van een match met [medeverdachte 3] .34 De matchkans is kleiner dan één op één miljard.35

In de woonkamer van de woning is eveneens en drinkpakje Wicky gevonden.36 Er is bemonstering gemaakt van de op de drinkrand van het pakje Wicky aangetroffen biologische sporen (speeksel).37 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat sprake was van een match met [medeverdachte 1] .38 De matchkans is kleiner dan één op één miljard.39

In de woonkamer (ruimte A) zijn ook zwarte latex handschoenen gevonden.40 Deze handschoenen zijn bemonsterd.41 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat in deze handschoenen DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met [medeverdachte 4] , de matchkans is kleiner dan één op één miljard. Ook zijn daarin is DNA-nevenmerken matchend met [medeverdachte 1] aangetroffen (matchkans niet berekend).42

In ruimte D – de loogruimte – werden meerdere zwarte latex handschoenen aangetroffen.43 Deze handschoenen zijn bemonsterd.44 Na onderzoek door het NFI is komen vast te staan dat DNA-materiaal matchend met [medeverdachte 4] is aangetroffen in handschoenen, die zijn gevonden in ruimte D, de ruimte die als loogkamer werd gebruikt.45

Algemene overweging

Het hof stelt voorop dat selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Dit betekent dat ingeval het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, het aan het hof is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Oordeel van het hof

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 26 maart 2015 samen met anderen betrokken is geweest bij het opzettelijk vervaardigen van amfetamine in de woning, gelegen aan de [adres 1] te Well. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

In de woning [adres 1] te Well werd amfetamine geproduceerd; er is immers een geheel van voorwerpen, grondstoffen en instructies aangetroffen die wijzen op de productie van amfetamine én er is amfetaminebase aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat ook op 26 maart 2015 amfetamine werd geproduceerd. Ter zake van de in de woonkamer (ruimte A) aangetroffen stoomgenerator blijkt namelijk dat middels een warmtebeeldcamera is vastgesteld dat deze een temperatuur had van ongeveer 43 °C. Dit duidt er op dat de aangetroffen productieopstelling recent is gebruikt ten behoeve van het zuiveren van de ruwe amfetamine-base(olie).

Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de locaties waar DNA- en dactyloscopische sporen zijn aangetroffen – direct gerelateerd aan het productieproces van amfetamine en op voorwerpen die daarmee verband houden – leidt het hof af dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] directe werkzaamheden hebben verricht voor de productie van amfetamine in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well.
Het hof leidt uit de omvang van het laboratorium en de aard van de sporen af dat sprake was van productie die overleg en op elkaar afgestemd handelen vergde. Dat merkt het hof aan als medeplegen. In dit verband overweegt het hof nog dat het weliswaar sporen betreft die zich bevinden op voorwerpen die in beginsel verplaatsbaar zijn, maar dat aan de locatie waar die sporen zijn aangetroffen, zeker gelet op de hoeveelheid, de verscheidenheid en de samenhang, wel degelijk betekenis toekomt, zolang er geen concrete en toetsbare verklaring voor de aanwezigheid op die plaats wordt gegeven.

Uit het feit dat [verdachte] met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werd aangetroffen in het bos, in de nabijheid van tassen met materiaal dat ook aan het laboratorium gerelateerd kan worden (halfgelaatsmasker, handschoenen) terwijl hij ook in het bezit van zwarte latex handschoenen was acht het hof een aanwijzing dat hij een soortgelijke rol had. Bewezen oordeelt het hof die rol op grond van de transponder die [verdachte] in zijn zak had. Deze “elektrische sleutel” van de poort veronderstelt immers een zekere zeggenschap over de toegang tot het erf en de woning.

[medeverdachte 2] is op 26 maart 2015 in de nabijheid van voornoemde personen en in de directe omgeving van de betreffende woning samen met de medeverdachten aangehouden.

Van [medeverdachte 2] zijn weliswaar geen DNA- of dactyloscopische sporen in de woning gelegen aan de [adres 1] te Well aangetroffen, maar in de linkerbroekzak van de verdachte zijn wel zwarte latex handschoenen aangetroffen. In de woning gelegen aan de [adres 1] te Well zijn eveneens dergelijke handschoenen gevonden. Ook bij de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn zwarte latex/rubber handschoenen aangetroffen. Blijkens het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant II] , [verbalisant I] en [verbalisant III ] lagen in het bosperceel waar [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn aangehouden meerdere (bigshopper) tassen. Ook in deze tassen zijn (diverse) zwarte latex handschoenen aangetroffen. Voorts zijn daarin aangetroffen: halfgelaatsmaskers, een filter en veiligheidsbrillen. Het gaat om voorwerpen die gebruikt kunnen worden in het kader van de productie van synthetische drugs.

Uit het feit dat [medeverdachte 2] met handschoenen en nabij deze attributen en personen is aangetroffen leidt het hof af dat hij een soortgelijke rol vervulde als de anderen.

Uit de hoeveelheid peuken in de zak van [medeverdachte 2] kan worden afgeleid dat hij heeft geprobeerd voorwerpen die in het algemeen DNA materiaal bevatten te verwijderen van een plaats waar hij zich eerder bevond.

[medeverdachte 1] is weliswaar op een andere plaats aangehouden dan [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , maar de gehuurde auto en de uitslagen van het DNA-onderzoek bewijzen zijn betrokkenheid bij het laboratorium en zijn paspoort (in de spijkerbroek) in de tas die onder [medeverdachte 4] werd aangetroffen bewijst zijn nauwe relatie tot de andere medeplegers, zodat het hof daaruit een soortgelijke rol afleidt.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de pleitnota – het navolgende aangevoerd.

Het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de productie van amfetamine of het voorhanden hebben hiervan is niet geleverd. De bewijsmiddelen zijn namelijk niet exclusief voor het ten laste gelegde en op basis van de bewijsmiddelen kan geen rolverdeling of een concrete bijdrage van de verdachte worden vastgesteld. Om die reden kan het ten laste gelegde (medeplegen) niet worden bewezen.

Bovendien is onbekend gebleven wat de verdachte in de nabijheid van het pand aan de [adres 1] te Well deed. Gelet op de omstandigheid dat van de verdachte geen dactyloscopische sporen of DNA-materiaal in de betreffende woning is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in het betreffende pand is geweest. Evenmin kan de verdachte in verband worden gebracht met de in het bosperceel aangetroffen tassen. Uit het DNA-onderzoek dat na het vonnis van de rechtbank heeft plaatsgevonden, blijkt dat op de onderzochte voorwerpen geen DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen. Er zijn aldus verschillende scenario’s mogelijk; was de verdachte op 26 maart 2016 nabij de [adres 1] te Well aanwezig als medepleger van het ten laste gelegde, als medeplichtige aan het ten laste gelegde, als afnemer van hetgeen werd geproduceerd of was hij in de buurt zonder enige strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid?

Met betrekking tot de aangetroffen sleutelbos met daaraan een transponderkastje is onbekend gebleven waarom de verdachte die sleutelbos in zijn bezit had en hoe lang hij deze sleutelbos voorhanden had. Bovendien zijn onder de verdachte twee sleutelbossen in beslag genomen. Gelet hierop kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat de sleutelbos met het transponderkastje aan de verdachte toebehoorde. Onder de verdachte zouden eveneens zwarte handschoenen zijn aangetroffen. Onder de verdachte is echter ook een blauwe trui aangetroffen met het opschrift ‘Dakaccent’. Dit betreft een dakdekkersbedrijf. Volgens het internet betreffen de onder de verdachte aangetroffen handschoenen gewone werkhandschoenen en dat is – gelet op de trui die de verdachte droeg – niet opmerkelijk.

Voorts kan de omstandigheid dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd niet aan hem worden tegengeworpen. Er is immers geen sprake van dusdanig bewijs – ruim voldoende bewijs voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde – dat schreeuwt om een verklaring van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat diverse scenario’s zich kunnen hebben voorgedaan; van een situatie waarbij de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de productie van amfetamine tot een omstandigheid dat de verdachte slechts in de buurt was van het betreffende pand en dat geen sprake is geweest van enige strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid bij het aangetroffen drugslaboratorium. Het hof stelt vast dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven over hetgeen aan hem ten laste is gelegd. De diverse scenario’s die van de zijde van de verdediging naar voren zijn gebracht, zijn niet met nadere feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Het hof acht de door de verdediging naar voren gebrachte lezingen van hetgeen zou hebben kunnen plaatsgevonden – en de rol die de verdachte daarbij zou kunnen hebben gespeeld – dan ook niet aannemelijk geworden.

Ter zake van de onder de verdachte aangetroffen transponder waarmee de toegangspoort naar de woning gelegen aan de [adres 1] te Well kon worden geopend, stelt het hof vast dat deze transponder bij de insluitingsfouillering van de verdachte is aangetroffen. Nu deze transponder onder de verdachte is aangetroffen, is het hof van oordeel dat de verdachte daarover de beschikking had en dat veronderstelt – zoals hiervoor overwogen – een zekere zeggenschap over de toegang tot het erf en de woning. De omstandigheid dat onder de verdachte ook een andere sleutelbos is aangetroffen, maakt dit niet anders. Dat onbekend is gebleven hoe lang en om welke reden de verdachte de transponder onder zich had doet aan het voorgaande evenmin af.

Bij de fouillering van de verdachte is een paar zwarte PU-flex rubber handschoenen aangetroffen. Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat ook bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zwarte latex/rubber handschoenen zijn aangetroffen. In de woning alwaar het drugslaboratorium was aangetroffen, zijn ook dergelijke handschoenen aangetroffen. Het gaat om handschoenen die gebruikt kunnen worden in het kader van de productie van synthetische drugs. Ook wanneer de onder de verdachte aangetroffen handschoenen werkhandschoenen betreffen (die ook wel worden gedragen door medewerkers van een dakdekkersbedrijf), doet dit niet af aan de betekenis van het aantreffen van die handschoenen bij de verdachte in de directe omgeving van medeverdachten, die ook zwarte rubber/latex handschoenen bij zich droegen die ook in andere omstandigheden gedragen kunnen worden.

Op 26 maart 2015 en op 28 maart 2015 is de verdachte door de politie gehoord. De verdachte heeft de aan hem gestelde vragen ter zake van hetgeen aan hem ten laste is gelegd niet beantwoord. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte geen verklaring afgelegd.

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf – mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn

overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

De verdachte heeft zich bij ieder verhoor ter zake het feit waarvan hij en zijn medeverdachten werden verdacht, beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl het bewijs en de omstandigheden waarin hij en de medeverdachten werden aangetroffen naar het oordeel van het hof op zichzelf de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake was van de tenlastegelegde betrokkenheid bij het amfetaminelaboratorium en dat het geheel van feiten en omstandigheden om uitleg schreeuwt. In het onderhavige geval kan ten aanzien van de verdachte worden vastgesteld dat deze geconfronteerd met feiten en omstandigheden waaruit zijn mogelijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten zou kunnen blijken, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Het hof neemt deze houding van verdachte gezien het bovenstaande dan ook in aanmerking bij zijn bewijsoordeel.

Gelet op het bovenstaande en het niet geven van een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring – waar dat naar het oordeel van het hof wel van hem mocht worden verwacht – kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich op 26 maart 2015 te Well samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van amfetamine.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat op het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie weliswaar meerdere feiten ten aanzien van de Opiumwet staan, doch dat het – gelet op de omschrijving en strafoplegging – gaat om van feiten van een andere orde dan het thans aan de verdachte ten laste gelegde feit. Bovendien dient de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te worden gebracht op een eventueel op te leggen straf.

Bij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:

- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan;

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 26 maart 2015 in een woning te Well samen met anderen schuldig gemaakt aan het produceren van amfetamine. Het vervaardigen van harddrugs – zoals amfetamine – betreft naar het oordeel van het hof een ernstig feit. De opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs brengen immers forse gevaren met zich mee, zoals brand, ontploffing of het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast dragen dergelijke feiten bij aan allerlei andere vormen van criminaliteit en veroorzaken hierdoor veel maatschappelijke onrust. Bovendien levert het productieproces van synthetische drugs schade op aan het milieu, omdat de afvalstoffen die bij het productieproces vrijkomen veelal op illegale wijze in de natuur worden gedumpt. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de hiervoor genoemde belangen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 juni 2019. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2013 is de verdachte namelijk (onder meer) te zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op de vorenomschreven aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbenemening met zich brengt.

Redelijke termijn

Met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Op 16 maart 2017 is immers door de officier van justitie hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld, terwijl het hof op 16 september 2019 arrest wijst. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer zes maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.

Zonder deze schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijk termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Verzoek tot het horen van getuigen

De verdediging heeft verzocht om de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] als getuigen te horen. Daarbij heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat – nu de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken en van de zijde van de verdediging aldus geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank – de verzoeken getoetst dienen te worden aan het criterium van het verdedigingsbelang. Ter onderbouwing van voornoemde verzoeken heeft de verdediging naar voren gebracht dat de beantwoording van vragen door de getuige erop is gericht of de verdachte wel of niet betrokken was bij het viertal dat op straat liep en/of deel uitmaakten van de groepen personen die zich bezig hielden met het verweten strafbare feit.

Het hof beoordeelt de verzoeken van de verdediging aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang.

De verdediging heeft als onderbouwing van voornoemde verzoeken naar voren gebracht dat de getuigen kunnen verklaren over de (mate van) betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde. Gelet op hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld – in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte op 26 maart 2015 in de directe nabijheid van de woning samen met de medeverdachten, met spullen die gebruikt kunnen worden voor de productie van synthetische drugs, is aangehouden – is naar het oordeel van het hof sprake van betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde.

De door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde mogelijke andere scenario’s (omtrent de rol van de verdachte) maken dit naar het oordeel van het hof niet anders. Een stellig standpunt van de verdediging omtrent een alternatief scenario ontbreekt.

Gelet hierop en op hetgeen de verdediging overigens aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag heeft gelegd, is het hof van oordeel dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.

Het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van de getuigen wordt daarom afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. M.J. Grapperhaus en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 16 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Nederlof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, Regionale Recherche, Afdeling Generiek, Team Ondermijning, proces-verbaalnummer 2015 056730 en 2015 56738, sluitingsdatum 12 september 2015, pagina 1 tot en met pagina 1123. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisant(en) en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. De verdachte en zijn medeverdachten worden hierbij aangeduid met de eigen namen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .

2 Dossierpagina 115.

3 Dossierpagina 116, 289 en 290.

4 Dossierpagina 826 en 827.

5 Dossierpagina 143.

6 Dossierpagina 148.

7 Dossierpagina 124.

8 Dossierpagina 125-126.

9 Dossierpagina 483, 505, 523 en 547.

10 Dossierpagina 125.

11 Dossierpagina 658-659.

12 Rapport NFI d.d. 12 april 2018, los opgenomen.

13 Dossierpagina 357, 360 en 362.

14 Dossierpagina 151, 152, 348 en 354.

15 Dossierpagina 153.

16 Dossierpagina 333 en 337.

17 Dossierpagina 218 en 235.

18 Dossierpagina 366 en 370.

19 Dossierpagina 119, 365 en 366.

20 Dossierpagina 452 en 453.

21 Dossierpagina 234, 273-276.

22 Dossierpagina 157 en 158.

23 Dossierpagina 21.

24 Dossierpagina 291, 292 en 298 (het hof begrijpt, gelet op de beschrijving op p. 294, dat de bovenste met C aangeduide ruimte op de plattegrond ruimte D is, waar 17 klemdekselvaten staan).

25 Dossierpagina 318-319.

26 Dossierpagina 325-326.

27 Dossierpagina 476-478.

28 Dossierpagina 1094.

29 Dossierpagina 294.

30 Dossierpagina 763-766, 767 en 768.

31 Dossierpagina 847-860.

32 Dossierpagina 764.

33 Dossierpagina 1027 en 1029.

34 Dossierpagina 1025.

35 Dossierpagina 1067.

36 Dossierpagina 763.

37 Dossierpagina 1027 en 1029.

38 Dossierpagina 1024.

39 Dossierpagina 1065-1066.

40 Dossierpagina 799.

41 Dossierpagina 1027.

42 Dossierpagina 1056-1059.

43 Dossierpagina 799.

44 Dossierpagina 1028.

45 Dossierpagina 1056-1059.