Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4863

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
20-002092-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:740
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing hof met betrekking tot ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Volgens verdediging heeft geen onafhankelijk onderzoek door de politie plaatsgevonden. Voorts overwegingen met betrekking tot de strekking van artikel 249, eerste lid Sr waarin is strafbaar gesteld het ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Bewezen verklaarde feiten betreffen voorts - kort gezegd - kinderporno, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, valse aangifte en lasterlijke aanklacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002092-13

Uitspraak : 10 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-849764-11 en 01-845300-12, tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [woonplaats] , [adres verdachte]

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep

Beschermde vrijspraken

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en aldus mede gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer

01-845300-12 ter zake van feit 1 alsmede ten aanzien van de feiten 3 en 4, telkens de onderdelen b en c, ten laste is gelegd. Voorts is de verdachte vrijgesproken van de onder parketnummer 01-845300-12 onder feit 4 ten laste gelegde lasterlijke aanklacht tegen [slachtoffer 1] . Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vorderingen benadeelde partijen

Gelet op de vrijspraak van feit 4 van parketnummer 01-845300-12, voor zover dit betrekking heeft op de lasterlijke aanklacht tegen [slachtoffer 1] , is de ter zake van dit feit door de benadeelde partij [slachtoffer 1] ingediende vordering d.d. 7 februari 2013 door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Deze vordering is gelet op deze beschermde vrijspraak in hoger beroep niet langer aan de orde.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Hij heeft zijn vordering in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat ook deze niet langer aan de orde is.

Voor het overige zijn de vorderingen van de benadeelde partijen, die zich opnieuw hebben gevoegd, in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

a. verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    dat verdachte zich zal onthouden van het verrichten van beroepsmatige activiteiten of werkzaamheden met minderjarigen;

b. ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 4] en Politie [naam politiekorps] zal beslissen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

c. ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] zal beslissen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met dien verstande dat de benadeelde partij in het niet toegewezen gedeelte van de vordering met betrekking tot de feiten 1 subsidiair en 2 van parketnummer 01-849764-11 niet-ontvankelijk zal worden verklaard;

d. ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] :

  • -

    zal toewijzen een bedrag van € 9.288,52, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige in de (deels in hoger beroep verhoogde) vordering niet-ontvankelijk zal verklaren;

  • -

    ten aanzien van de eerst in hoger beroep gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 1.269,53 de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr aan verdachte zal opleggen;

e. ten aanzien van het beslag zal beslissen overeenkomstig de rechtbank.


De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Voorts heeft de raadsman, indien het voorgaande verweer wordt verworpen, bepleit dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken, met uitzondering van de onder zaaknummer 01-849764-11 feit 4 subsidiair ten laste gelegde poging tot grooming ten aanzien waarvan de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit. De raadsman heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman zich, gelet op de bepleite vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging, primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen althans dat de benadeelde partijen daarin niet moeten worden ontvangen en subsidiair dat de benadeelde partijen in hun vorderingen gelet op de omvang en complexiteit daarvan niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman de vorderingen van de benadeelde partijen, mrt uitzondering van die van [benadeelde partij 3] , inhoudelijk betwist.

Met betrekking tot de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen heeft de raadsman bepleit dat deze, met uitzondering van de harde schijf met de bestanden in de ‘unallocated clusters’, worden teruggegeven aan verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

parketnummer 01-849764-11:
1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 23 februari 2011 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die onder andere bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] en/of uit het (wederzijds) aftrekken en/of het betasten van [slachtoffer 1] en/of het bloot bij elkaar in bed liggen;

subsidiair:


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 23 februari 2011 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (wederzijds) aftrekken en/of het betasten van [slachtoffer 1] en/of het bloot bij elkaar in bed liggen;


2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 22 juni 2011 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of elders in Nederland ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , immers heeft hij [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal afgetrokken en/of betast en/of anaal gepenetreerd en/of zich laten aftrekken en/of betasten door [slachtoffer 1] en/of heeft [slachtoffer 1] hem, verdachte, afgetrokken en/of hebben verdachte en [slachtoffer 1] bloot bij elkaar in bed gelegen;

3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 16 november 2011 te [plaatsnaam 1] , in elk geval in Nederland, één of meermalen (een aantal) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en):

te weten één of meer computer(s) en/of (een) diskette(s) en/of (een) harddisk heeft vervaardigd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die/dat afbeelding(en) en/of filmpje(s) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer)

- het (laten) vasthouden van de (stijve) penis van een volwassen man door een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of

- het aftrekken van een/door een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of

- het (door een volwassen man) masturberen boven/naast een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of

- het houden van een (stijve) penis naast het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of

- het stoppen van een penis van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in een stimulator/kunstvagina en/of (vervolgens) het maken van op en neer gaande bewegingen,

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 16 juni 2011, te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of [plaatsnaam 3] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en/of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon betrokken is te vervaardigen, waarbij hij, verdachte, enige handeling heeft ondernomen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting;


subsidiair:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 16 juni 2011, te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] en/of [plaatsnaam 3] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en/of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon betrokken is te vervaardigen, waarbij hij, verdachte, enige handeling heeft ondernomen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Zaak met parketnummer 01-845300-12:

2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 24 augustus 2011 tot en met 3 oktober 2011 te [plaatsnaam 1] en/of elders in Nederland [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar (telkens) opzettelijk

- voornoemde [slachtoffer 5] een of meerdere sms-berichten gestuurd met (telkens) een bedreigende inhoud waaronder de inhoud:

"Jouw adres heb ik ook, dus kijk maar goed achter je. Want jij komt hier niet mee weg.(..) binnenkort merk je het wel", en/of

"We maken je helemaal gek. Je voelt je nergens meer veilig. Hier ga jij aan kapot geloof me maar. Want je komt aan de beurt. voel onze adem achter je.", en/of

"We maken je af", en/of

"Wij regelen dat wel, onze kinderen zeggen toch niks. Jij heel snel ook niet meer. Daar hebben we onze mensen voor. Let op [slachtoffer 5] jij komt nu...",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en/of

- voornoemde [slachtoffer 5] (telkens) brieven en/of een (zogenaamde) kogelbrief gestuurd met (telkens) (een) bedreigende inhoud, waaronder de inhoud:

"Dit is je laatste waarschuwing. We houden je in de gaten en ineens zijn we er. (...) Onze mensen zijn er klaar voor dus nog een keer naar jeugdzorg en het is klaar voor ons. Knal.", en/of

"We pakken je onderweg wel, we weten dat je die rode auto niet meer hebt maar een witte. [naam verdachte] had geluk van de week hij heeft een paar dagen extra maar die zijn ook zo voorbij. Jij bent ook aan jouw laatste bezig.",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.
hij in of omstreeks de periode van 12 september 2011 tot en met 9 november 2011 te [plaatsnaam 1] en/of [plaatsnaam 2] , althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, (telkens) aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) ten overstaan van een politieagent/opsporingsambtenaar van de politie [naam politiekorps] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een (door een ander gepleegd) strafbaar feit, te weten op:

12 september 2011 te [plaatsnaam 1] , aangifte van bedreiging met de dood (als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht), gepleegd tussen 21 juni 2011 en 9 september 2011 te [plaatsnaam 1] (pagina 89 proces-verbaal) en/of

d. 5 oktober 2011 te [plaatsnaam 2] , aangifte van bedreiging met de dood (als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht), gepleegd op 3 oktober [2011] te [plaatsnaam 1] (pagina 222 van het proces-verbaal);

4.

hij in of omstreeks de periode van 12 september 2011 tot en met 9 november 2011 te [plaatsnaam 1] en/of te [plaatsnaam 2] en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk tegen een bepaald persoon (te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] ) bij de overheid een valse klacht en/of aangifte schriftelijk heeft ingeleverd en/of in schrift heeft doen brengen, waardoor de eer en/of goede naam van die persoon werd aangerand, immers heeft verdachte toen en daar (telkens) (valse) aangifte gedaan en/of ondertekend bij de politie [naam politiekorps] van:

a. 12 september 2011, aangifte van bedreiging met de dood, gepleegd tussen 21 juni 2011 en 9 september 2011 en/of

d. 5 oktober 2011, aangifte van bedreiging,

en/of daarbij (telkens) die (vermeend) gepleegde strafbare feiten in verband heeft gebracht met voornoemd(e) persoon/personen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Het hof zal de inleidende dagvaarding onder parketnummer 01-849764-11, zoals hierna onder het kopje ‘Vrijspraak van het onder zaaknummer 01-849764-11 onder feit 4 primair ten laste gelegde’, sub kopje: Overweging ten aanzien van feit 4 subsidiair’ nader zal worden overwogen, ten aanzien van het onder feit 4 subsidiair ten laste gelegde nietig verklaren.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Standpunt van de verdediging

In de visie van de verdediging is er sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu er geen onafhankelijk onderzoek naar de vermeende strafbare feiten heeft plaatsgevonden. Door de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren is inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte en een inbreuk op de onschuldpresumptie, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Verdachte heeft hierdoor ernstig nadeel ondervonden. Gelet op de ernst en onherstelbaarheid van het voormelde verzuim heeft de verdediging het hof verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging ten aanzien van alle in de onderhavige zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft daartoe (onder meer) aangevoerd dat het onderzoek in de zedenzaak (parketnummer 01-849764-11) geheel door oud-collega’s van de verdachte ( [dienstjaren] ) en van diens [familielid] ( [dienstjaren] ) is verricht en dat er derhalve geen sprake is geweest van objectieve waarheidsvinding. Ter onderbouwing van de stelling dat het onderzoek niet onafhankelijk heeft plaatsgevonden verwijst de verdediging naar een rapport van dr. E. Geraerts (hoogleraar psychologie) d.d. 13 mei 2015 waarin deze constateert dat er in het dossier aanwijzingen zijn dat de politie onzorgvuldig te werk is gegaan tijdens de verhoren van [slachtoffer 1] en diens moeder en stiefvader. Er zou sprake zijn van collaborative storytelling en sociale druk. Dit betekent, aldus de raadsman, dat getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de tijdens deze verhoren afgelegde verklaringen.

Ten aanzien van het onderzoek in de onder parketnummer 01-845300-12 ten laste gelegde feiten (bedreiging en valse aangifte) heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een verstrengeling van belangen nu dit onderzoek ook door de oud-collega’s van verdachte en van diens [familielid] is verricht terwijl deze opsporingsambtenaren vervolgens ook aangifte hebben gedaan van de door hen onderzochte feiten en zich in het strafrechtelijk geding als benadeelde partij hebben gesteld. Ook hier ontbreekt de voor een zorgvuldig onderzoek vereiste onafhankelijkheid.

Ter voorkoming van enige vorm van partijdigheid had in beide zaken het onderzoek overgedragen moeten worden aan een ander politiekorps.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer nu er geen objectieve aanwijzingen zijn dat er op enige wijze sprake is geweest van een partijdig opsporingsonderzoek.

Het oordeel van het hof

Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan sprake zijn indien met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

In de onderhavige zaak is het navolgende gebleken.

Een aantal onderzoekshandelingen blijkt te zijn verricht door oud-collega’s van de verdachte en diens [familielid] Hoewel het aanbeveling had verdiend om oud-collega’s niet bij het opsporingsonderzoek te betrekken, heeft het hof uit het onderzoek geen aanwijzingen verkregen dat het ingestelde opsporingsonderzoek in de onder parketnummer 01-849764-11 ten laste gelegde zedenzaken en in de onder parketnummer 01-845300-12 ten laste gelegde bedreigingen, het doen van valse aangifte en lasterlijke aanklacht, niet meer als onafhankelijk kan worden bestempeld. Zo is er geen enkele aanwijzing dat enig (persoonlijk) belang van een of meer opsporingsambtenaren die bij het onderzoek waren betrokken dan wel het belang van het korps om schadevergoeding te verkrijgen aan de objectieve en zorgvuldige waarheidsvinding op enigerlei wijze in de weg heeft gestaan en van invloed is geweest op de inhoud van het onderzoek en de resultaten daarvan.

Dat, zoals de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling aanvoert, bij een aantal verhoren in de zedenzaken te weinig kritisch zou zijn doorgevraagd, zoals deskundige Geraerts stelt, wil nog niet zeggen dat de verhoorders jegens de verdachte vooringenomen waren en dat het onderzoek niet meer als onafhankelijk kan worden bestempeld. Uit die verhoren kan dat ook niet worden afgeleid. Het hof ziet daarin dan ook geen aanwijzing dat de objectiviteit en de onafhankelijkheid van het onderzoek in het geding zijn gekomen.

Het hof onderschrijft evenmin de stelling van de verdediging dat niet voldoende zou zijn doorgerechercheerd op het scenario dat verdachte onschuldig zou zijn. Het hof merkt daarbij het volgende op.

Toen verdachte aan de politie meedeelde dat hij dreigbrieven en dreigsms’jes ontving en suggereerde dat deze afkomstig waren van de stiefvader en de moeder van [slachtoffer 1] (aangever in de zedenzaak), heeft de politie daarnaar een onderzoek gestart waarbij de stiefvader van [slachtoffer 1] als verdachte is aangemerkt en is aangehouden en verhoord. Ook de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] zelf zijn als verdachte aangemerkt en verhoord. Ook is er een onderzoek geweest in hun woning en zijn gsm’s en computers in beslag genomen en onderzocht, doch er werd niets ter zake doende aangetroffen. Gedurende het onderzoek rees vervolgens het vermoeden dat verdachte zelf bij de bedreigingen betrokken was.

Ten aanzien van de ontucht met [slachtoffer 1] heeft de politie onder andere [slachtoffer 1] en verdachte hiervoor bevraagd. Voorts is onderzoek gedaan naar de bestanden op de laptop van verdachte. Daaruit bleek dat opnamen waren gemaakt van de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] . Over de leeftijd van [slachtoffer 1] zijn verdachte, [slachtoffer 1] en de moeder van [slachtoffer 1] bevraagd. Zoals hiervoor is overwogen ziet het hof in de omstandigheid dat niet voldoende kritisch zou zijn doorgevraagd (bijvoorbeeld om na te gaan of sprake is geweest van collaborative storytelling), zo dat al het geval is geweest, geen aanwijzing dat het onderzoek niet meer onafhankelijk is geweest. Ook de omstandigheid dat tijdens het opsporingsonderzoek door de verdediging genoemde personen niet als getuigen zijn gehoord (zoals de buren van verdachte en [kennis van verdachte] ) levert niet een aanwijzing op dat sprake is geweest van vooringenomenheid.

Het hof merkt in dit verband nog op dat de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad om getuigen, onder wie politieambtenaren die bij het onderzoek betrokken waren, te bevragen. Uit die verklaringen blijkt ook niet van enige schijn van vooringenomenheid of van het ontbreken van objectiviteit en onafhankelijkheid. Het hof onderschrijft dan ook niet het standpunt van de verdediging dat onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan en niet voldoende is doorgerechercheerd.

Dat in hoger beroep nog in opdracht van het hof onderzoekshandelingen zijn verricht, betekent niet dat sprake is geweest van een onzorgvuldig opsporingsonderzoek. Het hof merkt daarbij op dat door de verdachte en de verdediging gedurende het geding in hoger beroep standpunten zijn ingenomen en stukken zijn ingebracht die naar het oordeel van het hof maakten dat nader onderzoek geboden was. Dat in hoger beroep oud-collega’s van de verdachte aanvullend hebben geverbaliseerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Ook dit levert geen inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op.

Ook in de omstandigheid dat in hoger beroep de advocaat-generaal niet zelf is overgegaan tot het laten verrichten van nader onderzoek ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat in strijd wordt gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde, meer in het bijzonder de onschuldpresumptie.

Ook de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat namens het politiekorps aangifte is gedaan van het doen van valse aangifte en het korps zich heeft gesteld als benadeelde partij, maakt niet dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig en niet-onafhankelijk onderzoek. De aangifte is gedaan nadat uit het onderzoek sterke vermoedens waren gerezen dat verdachte zelf degene was die de dreigbrieven en dreigsms-jes had opgesteld en valse aangifte had gedaan van bedreiging.

Van enige belangenverstrenging die heeft geleid tot een op basis van vooringenomenheid verricht opsporingsonderzoek is dan ook geen sprake. Ook anderszins ziet het hof geen aanwijzingen dat sprake is geweest van het ontbreken van objectiviteit en onafhankelijkheid bij het opsporingsonderzoek, van een inbreuk op de onschuldpresumptie dan wel van een inbreuk op het recht op een eerlijk proces.

Ook overigens leidt hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet tot de conclusie dat ernstige inbreuk zou zijn gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen.

Vrijspraken

Vrijspraak van het onder zaaknummer 01-849764-11 onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Aangever [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] ) heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen tussen hem en verdachte in het huis van verdachte hebben plaatsgevonden reeds voordat hij de leeftijd van 16 jaar had bereikt. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat na het vertrek van zijn echtgenote uit de woning, aangever vanaf juni 2010 bij hem in bed heeft geslapen, echter dat ontuchtige handelingen pas hebben plaatsgevonden na carnaval 2011 (te weten 6 maart 2011).

Het hof is van oordeel dat aan het dossier onvoldoende aanwijzingen zijn te ontlenen die de verklaring van aangever ondersteunen dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft plaatsgevonden voordat aangever de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder zaaknummer 01-849764-11 onder feit 4 primair ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hoewel verdachte tijdens de chatsessies met [slachtoffer 2] weliswaar heeft voorgesteld elkaar te ontmoeten, heeft verdachte geen handeling(en) ondernomen gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting. Daardoor wordt niet voldaan aan dit bestanddeel van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht.

Overweging ten aanzien van feit 4 subsidiair (nietigheid dagvaarding)

Met betrekking tot het onder feit 4 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

Artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht stelt - kort samengevat - strafbaar het door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst met ontuchtig oogmerk voorstellen van een ontmoeting met een persoon van wie de verdachte weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die persoon de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, waarbij verdachte enige handeling heeft ondernomen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting (grooming).

Van strafbare poging is sprake indien het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. De tenlastelegging van een poging dient voldoende duidelijk aan te geven op welk strafbaar gedrag het voornemen van de dader betrekking had en tevens waaruit het begin van uitvoering heeft bestaan.

Een tenlastelegging van een poging tot grooming dient aldus minst genomen te vermelden dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voor te stellen met een persoon (van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en/of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen) en ter verwezenlijking van dat voorstel enige handeling te ondernemen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting (terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid).

Het hof stelt vast dat het onder 4 subsidiair ten laste gelegde niet aan deze voorwaarden voldoet. Afgezien van de voorvoeging dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf en aan het slot de vermelding dat het misdrijf niet is voltooid, behelst de tenlastelegging niet meer dan de tenlastelegging van het voltooide delict (zoals ook onder 4 primair ten laste is gelegd). Daarbij komt dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is nu als onderdeel van de poging vermeld is dat verdachte ‘enige handeling heeft ondernomen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting’. Ten gevolge van voormelde gebreken voldoet de tenlastelegging niet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gesteld moeten worden en zal het hof dit onderdeel van de dagvaarding nietig verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder feit 2 en 3 ten laste gelegde alsmede de in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 01-849764-11:
2.
hij op tijdstippen in de periode van 24 februari 2011 tot en met 22 juni 2011 te [plaatsnaam 1] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , immers heeft hij [slachtoffer 1] afgetrokken en betast en zich laten aftrekken en betasten door [slachtoffer 1] en heeft [slachtoffer 1] hem, verdachte, afgetrokken en hebben verdachte en [slachtoffer 1] bloot bij elkaar in bed gelegen;

3.
hij in de periode van 24 februari 2011 tot en met 16 november 2011 te [plaatsnaam 1] films bevattende afbeeldingen heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, terwijl op die filmpjes seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer):

- het (laten) vasthouden van de (stijve) penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het aftrekken van een/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het door een volwassen man masturberen boven/naast een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het houden van een (stijve) penis naast het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en/of

- het stoppen van een penis van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in een stimulator/kunstvagina en (vervolgens) het maken van op en neer gaande bewegingen.

Zaak met parketnummer 01-845300-12:
2.
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 24 augustus 2011 tot en met 3 oktober 2011 te [plaatsnaam 1] of elders in Nederland [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar telkens opzettelijk

- voornoemde [slachtoffer 5] sms-berichten gestuurd met telkens een bedreigende inhoud waaronder de inhoud:

"Jouw adres heb ik ook, dus kijk maar goed achter je. Want jij komt hier niet mee weg.(..) binnenkort merk je het wel" en

"We maken je helemaal gek. Je voelt je nergens meer veilig. Hier ga jij aan kapot geloof me maar. Want je komt aan de beurt. voel onze adem achter je." en

"We maken je af" en

"Wij regelen dat wel, onze kinderen zeggen toch niks. Jij heel snel ook niet meer. Daar hebben we onze mensen voor. Let op [slachtoffer 5] jij komt nu...",

en

- voornoemde [slachtoffer 5] een brief en een (zogenaamde) kogelbrief gestuurd met telkens een bedreigende inhoud, waaronder de inhoud:

"Dit is je laatste waarschuwing. We houden je in de gaten en ineens zijn we er. (...) Onze mensen zijn er klaar voor dus nog een keer naar jeugdzorg en het is klaar voor ons. Knal." en

"We pakken je onderweg wel, we weten dat je die rode auto niet meer hebt maar een witte. [naam verdachte] had geluk van de week hij heeft een paar dagen extra maar die zijn ook zo voorbij. Jij bent ook aan jouw laatste bezig.".

3.
hij op 12 september 2011 te [plaatsnaam 1] en 5 oktober 2011 te [plaatsnaam 2] , telkens aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) ten overstaan van een politieagent/ opsporingsambtenaar van de politie [naam politiekorps] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een (door een ander gepleegd) strafbaar feit, te weten:

a. op 12 september 2011 te [plaatsnaam 1] , aangifte van bedreiging met de dood (als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht), gepleegd tussen 21 juni 2011 en 9 september 2011 te [plaatsnaam 1] en

d. op 5 oktober 2011 te [plaatsnaam 2] , aangifte van bedreiging met de dood (als

bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht), gepleegd op 3 oktober [2011] te [plaatsnaam 1] ;


4.

hij op 12 september 2011 te [plaatsnaam 1] en op 5 oktober 2011 te [plaatsnaam 2] telkens opzettelijk tegen een bepaald persoon (te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] ) bij de overheid een valse aangifte in schrift heeft doen brengen, waardoor de eer en/of goede naam van die persoon werd aangerand, immers heeft verdachte toen en daar telkens valse aangifte gedaan en ondertekend bij de politie [naam politiekorps] :

a. op 12 september 2011, van bedreiging met de dood, gepleegd tussen 21 juni 2011 en 9 september 2011 en

d. op 5 oktober 2011, van bedreiging,

en daarbij telkens die (vermeend) gepleegde strafbare feiten in verband heeft gebracht met voornoemde personen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Parketnummer 01-849764-11 1

Feit 2: het plegen van ontucht met een minderjarige die aan zijn zorg/waakzaamheid is toevertrouwd

Het verweer

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit feit omdat het bewijs ontbreekt dat er ten tijde van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen tussen verdachte en aangever [slachtoffer 1] , nadat deze de leeftijd van zestien jaar had bereikt, een verhouding bestond die voldoet aan het bestanddeel ‘aan zijn zorg/en of waakzaamheid toevertrouwd’, zoals bedoeld in art. 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Hetgeen de rechtbank daartoe op grond van de bewijsmiddelen heeft overwogen, te weten dat de minderjarige [slachtoffer 1] gedurende meer dan een jaar zeer regelmatig in het weekeinde met toestemming van zijn ouders bij verdachte verbleef en dat verdachte [slachtoffer 1] bij zijn ouders ophaalde en naar hen terugbracht, is gelet op de jurisprudentie onvoldoende. De verdediging heeft daarbij nog in het bijzonder gewezen op het feit dat niet kan worden gesteld dat [slachtoffer 1] in grote mate zorgafhankelijk was, dat hij als 16-jarige kon gaan en staan waar hij wilde en dat niet blijkt dat [slachtoffer 1] in grote mate afhankelijk was van verdachte, daar hij ook nog een prima thuiskomen had.

Het oordeel van het hof

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof, overigens evenals de raadsman, het volgende voorop. De in artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht opgenomen opsomming van door hun hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen met wie het plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar is gesteld, wordt hierdoor gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen kan ontlenen. De strekking van de genoemde bepaling is dan ook bescherming te verlenen aan minderjarigen die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen bieden dan anderen.2 Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat van die afhankelijkheid en dat overwicht ook sprake is wanneer een kind met goedvinden van de ouders bij anderen logeert en dat niet alleen juridisch, maar ook feitelijk toevertrouwen daaronder kan vallen, dat ook wanneer de minderjarige uit eigen beweging zich tot de ander wendt, zonder tussenkomst van een ander die de minderjarige onder zijn of haar hoede heeft, er van ‘toevertrouwd zijn’ kan worden gesproken en dat het antwoord op de vraag of die situatie zich voordoet, afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, zoals: het overwicht dat tussen de verdachte en de minderjarige bestaat op grond van de aard en graad van bloedverwantschap, de plaats waar de ten laste gelegde gedragingen plaatsvonden, de leeftijd van de verdachte en van de minderjarige alsmede de duur van de betrekking tussen beiden. De feitelijke situatie is aldus in belangrijke mate bepalend voor het antwoord op de vraag of de minderjarige aan iemands zorg en/of waakzaamheid is toevertrouwd.3

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde de leeftijd van 33 jaar en aangever [slachtoffer 1] de leeftijd van 16 jaar. Derhalve was sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij, nadat hij niet meer als leraar aan de [naam school] verbonden was [periode] ) contacten met onder anderen zijn voormalige leerling, aangever [slachtoffer 1] , met wie hij als leraar/mentor een soort vertrouwensband had opgebouwd, heeft voortgezet (dossierpagina’s 110 en 111). Verdachte heeft daarover expliciet verklaard: ‘ [slachtoffer 1] liep ook met zijn ziel onder zijn arm en hij koos mij uit om met hem te praten’ (dossierpagina 111). Verdachte had afgesproken dat [slachtoffer 1] contact met hem kon opnemen als hij het nodig had (dossierpagina 111). Reeds voor verdachtes scheiding (hof: mei 2010) kwam [slachtoffer 1] bij verdachte thuis. Hieruit volgt dat de verdachte zich voor [slachtoffer 1] opwierp als vertrouwenspersoon.

Over de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] heeft de [moeder van slachtoffer 1] , onder meer het volgende verklaard (dossierpagina’s 394-396):

Toen verdachte van school is gegaan werd het contact tussen hem en [slachtoffer 1] anders. Verdachte heeft met een aantal leerlingen onder wie haar zoon [slachtoffer 1] contact gehouden. [slachtoffer 1] heeft toen gevraagd of hij met enkele andere leerlingen naar hem mocht komen. Zij (de moeder) heeft hem toen gebracht. Verdachte was toen nog getrouwd. Er was veel contact via msn. Het is heel geleidelijk gegaan.

Toen verdachtes vrouw was vertrokken (hof: omstreeks mei 2010) kwam [slachtoffer 1] vaker bij verdachte. Verdachte heeft wel eens met de moeder en de stiefvader besproken dat hij zich zorgen maakte over [slachtoffer 1] met betrekking tot zijn biologische vader, omdat [slachtoffer 1] daar ontzettend veel problemen mee had. Het laatste half jaar is verdachte wel zeker een à twee keer in de week bij hen thuis geweest. Op dinsdag ging hij hardlopen met [slachtoffer 1] . Op vrijdag kwam hij [slachtoffer 1] wel eens ophalen en dan bracht hij hem op zondag weer terug. De laatste paar maanden is [slachtoffer 1] vrijwel ieder weekeinde bij verdachte geweest. Verdachte was een soort huisvriend geworden. [moeder van slachtoffer 1] heeft voorts verklaard: ‘Ik heb ook wel eens een soort woordenwisseling gehad met [verdachte] dat ik mijn eigen kind ook wel wilde zien’ (dossierpagina 395). Volgens [moeder van slachtoffer 1] is [slachtoffer 1] in de zomer van 2010 besneden en heeft verdachte volgens [slachtoffer 1] aan zijn hechtingen gezeten. Verdachte is daarop aangesproken. Verdachte had volgens zijn zeggen een EHBO-diploma en kon dat wel (dossierpagina 396). Op dinsdag 22 juni 2011 is het geëscaleerd. [moeder van slachtoffer 1] heeft toen [slachtoffer 1] gebeld dat hij naar huis moest komen. Hij wilde alleen samen met verdachte komen om te komen praten. Ze heeft hem gezegd dat hij moest komen, omdat zij hem anders zou komen halen. Zij is toen bij verdachte naar binnen gegaan en heeft een gesprek gehad dat het geen gezonde situatie was en heeft hem op zijn verantwoordelijkheid gewezen. Zeker met zijn verleden als ex-politieman en docent (dossierpagina 393).

Uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt onder meer dat er sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil en verschil in levenservaring tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Voorts wierp verdachte, voormalig docent/mentor van [slachtoffer 1] , zich op als diens vertrouwenspersoon terwijl [slachtoffer 1] zich op dat moment bevond in een kwetsbare fase van zijn persoonlijke ontwikkeling. Ook is gebleken dat de ontucht plaats vond in de woning van de verdachte, zonder medeweten en buiten toezicht van de ouders.

Anders dan de verdediging en met de rechtbank is het hof met in achtneming van de jurisprudentie en op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat er sprake is geweest van een hoedanigheid van de verdachte ten opzichte van [slachtoffer 1] die telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van [slachtoffer 1] ten opzichte van de verdachte met zich bracht, en dat de verdachte daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarige [slachtoffer 1] kon ontlenen. Wat de verdediging verder ter onderbouwing van het verweer heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd.

Feit 3 Bezit en vervaardigen van kinderporno

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet bewust beelden heeft opgenomen van de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij op zijn slaapkamer een beveiligingscamera had geïnstalleerd die opnamen maakte bij beweging en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat de camera ook opnamen maakte toen hij met [slachtoffer 1] ontuchtige handelingen pleegde.

Bij het onderzoek zijn de beelden aangetroffen in de ‘unallocated clusters’ en derhalve niet toegankelijk. De beelden gingen direct naar een desktop op de zolder van de woning van de verdachte waar de beelden automatisch in de ‘unallocated clusters’ terecht kwamen. Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen voor een actieve en bewuste handeling van de zijde van de verdachte. Er kan derhalve niet worden bewezen dat de verdachte kinderporno heeft vervaardigd dan wel in bezit heeft gehad. De verdediging heeft in dit verband verwezen naar het briefrapport van deskundige Van der Schee d.d. 8 mei 2015.

Het oordeel van het hof

Bij verdachte is beeldmateriaal aangetroffen, bevattende filmpjes van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] Uit de beschrijving van de beelden blijkt onder meer het navolgende .

De camera waarmee de opnamen zijn gemaakt blijkt met name te zijn gericht op het bed in de slaapkamer van verdachte waar de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.

Bij een van de filmpjes valt waar te nemen dat verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] stil legt in een greep waardoor het geslachtsdeel van [slachtoffer 1] als middelpunt in de camera komt te liggen. Hierbij kijkt verdachte in de camera. Enige tijd later omarmt verdachte [slachtoffer 1] en kijkt achterom naar de camera. Vervolgens legt verdachte [slachtoffer 1] weer in een greep waarbij het geslachtsdeel van [slachtoffer 1] het middelpunt van het beeld is.

Aan het eind van de opnamen zegt verdachte dat hij even ergens naar moet kijken op de laptop en dat [slachtoffer 1] even een andere kant op moet kijken. Verdachte toetst op de laptop. Korte tijd later stoppen de opnamen (dossierpagina’s 807-809).

Ook bij andere opnamen toetst verdachte iets op de laptop waarna korte tijd later de opnamen stoppen (dossierpagina’s 814, 817, 838).

Op een van de opnamen valt waar te nemen dat verdachte, als [slachtoffer 1] de kamer heeft verlaten, handelingen verricht in een hoek van de slaapkamer waarna het beeld van de camera verschillende keren draait. Op het beeldscherm van de laptop valt waar te nemen dat het beeld mee beweegt. De verbalisant relateert dat hij de indruk krijgt dat het beeld dat hij op het beeldscherm van de laptop ziet, het beeld is dat door de camera wordt gefilmd, doch enigszins vertraagd. De beeldjes worden langzaam opgebouwd in het beeldscherm van de laptop bij de bewegingen van de camera. Als verdachte beweegt ziet de verbalisant de schaduw van verdachte vertraagd in het beeld van de laptop verschijnen. Vervolgens gaat verdachte op het bed liggen. Verdachte draait zijn hoofd naar de camera en kijkt in beeld. Hij strekt zijn arm in de richting van de camera en draait met zijn hoofd naar de laptop en kijkt op het beeldscherm. Vervolgens beweegt het beeld/de camera. De verbalisant relateert dat de verdachte de camera verder naar rechts richt waarbij vervolgens het gehele lichaam van verdachte op de beelden te zien is. Als verdachte zijn arm terug haalt staat het beeld stil en het beeld op de laptop volgt vertraagd. Verdachte tikt op het toetsenbord van de laptop waarna hetzelfde beeld verschijnt als voordat het beeld werd gewijzigd (dossierpagina 833). Na enige tijd vinden op het bed seksuele handelingen plaats met [slachtoffer 1] (dossierpagina 834 e.v.).

Het hof heeft ter terechtzitting van 27 mei 2015 de op dossierpagina 833 beschreven beelden bekeken. De waarnemingen van het hof bevestigen de indruk van de verbalisant dat het beeld dat op de laptop te zien is hetzelfde beeld is als het beeld dat de camera weergeeft. De camera is gericht op het bed.

Met name uit de omstandigheid dat de camera gericht is op het bed van verdachte waar de ontuchtige handelingen plaatsvonden, dat verdachte handelingen verricht waarna de camera beweegt en wel zodanig dat uiteindelijk het gehele lichaam van verdachte op het bed is te zien, dat verdachte bij het verrichten van die handelingen naar het beeldscherm van de laptop kijkt waarop de opnamen te zien zijn en dat ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] op het bed van de verdachte prominent in beeld komen, leidt het hof af dat verdachte welbewust de camera op het bed heeft gericht en vervolgens eveneens welbewust opnamen heeft gemaakt van de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] . Verdachte heeft daarmee kinderporno vervaardigd.

Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat de opnamen niet opzettelijk zijn gemaakt. De omstandigheid dat de opnamen bij het onderzoek zijn aangetroffen op de ‘unallocated clusters’ staat aan een bewezenverklaring niet in de weg en leidt niet tot een ander oordeel. Het hof merkt in dit verband nog op dat de stelling van de verdediging dat de bestanden automatisch in de ‘unallocated clusters’ terecht kwamen niet overeenkomt met de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij, verdachte, de bestanden zelf heeft verwijderd (proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 232).

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht bewezen het vervaardigen en bezit van kinderporno. Het hof acht niet bewezen dat verdachte van het maken van de opnamen een gewoonte heeft gemaakt en spreekt verdachte van dit onderdeel vrij.

Parketnummer 01-845300-12 4

Feit 2 Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Het verweer

Door en namens verdachte is aangevoerd dat hij niet degene is geweest die de dreigbrieven en bedreigende sms-berichten heeft verstuurd. Het DNA-materiaal en de vingerafdrukken van verdachte zijn op de postzegel op de enveloppe respectievelijk op de dreigbrief, gericht aan [slachtoffer 5] , terecht gekomen omdat verdachte de betreffende enveloppe en brief in zijn handen heeft gehad. Bovendien is gebleken dat de onder de postzegel van de dreigbrief aan de verdachte van 3 oktober 2011 aangetroffen haarsporen niet van de verdachte afkomstig zijn en dat het DNA-onderzoek aan de kogelbrief aan [slachtoffer 5] heeft uitgewezen dat het gaat om een mengprofiel waarbij ook DNA-materiaal van minimaal één andere persoon is aangetroffen. Dit zijn duidelijke aanwijzingen dat verdachte niet degene is geweest die de dreigbrieven heeft verstuurd.

Voorts zijn uit het onderzoek onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte degene is geweest die de sms-berichten heeft verstuurd. De zeer korte tijdspanne tussen het bezoeken van de internetsite en de verzending van de dreig-sms van 8 september 2011 wijst er zelfs op dat verdachte niet degene geweest kan zijn die de berichten heeft verzonden.

Het oordeel van het hof

Dreigbrieven

Uit het onderzoek is het volgende gebleken.

Op 9 september 2011 omstreeks 13.00 uur ontving [slachtoffer 5] bij zijn bedrijf op de [straatnaam] te [plaatsnaam 1] een dreigbrief met een kogel. Hij heeft verklaard dat hij de brief direct heeft teruggedaan in de enveloppe en er onmiddellijk mee naar de politie in [plaatsnaam 1] is gegaan. Omdat daar kennelijk tegen hem werd gezegd dat de politie er weinig aan kon doen is hij met de brief naar het politiebureau te [plaatsnaam 2] gegaan. Daar heeft hij om 15.46 uur aangifte gedaan van bedreiging en de brief met enveloppe en de kogel overhandigd voor verder onderzoek (proces-verbaal van aangifte, dossierpagina’s 106-107). Achter de aangifte bevinden zich afdrukken van beeldopnamen van de kogelbrief en van de enveloppe. Op de afbeelding van de enveloppe is te zien dat deze zich in een plastic hoes bevindt (dossierpagina’s 109-110). [slachtoffer 5] heeft desgevraagd verklaard dat hij de enige is die de kogelbrief heeft aangeraakt (proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina’s 243-244).

Verdachte heeft verklaard dat ook hij op 9 september 2011 een kogelbrief heeft ontvangen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag om 13.21 uur werd gebeld door [slachtoffer 5] die hem meedeelde dat hij, [slachtoffer 5] , een kogelbrief had ontvangen en dat verdachte die waarschijnlijk ook wel zou hebben gehad. Verdachte is toen naar huis gegaan (verdachte heeft overigens in hoger beroep verklaard dat hij eerst naar [slachtoffer 5] is gegaan) en heeft in zijn brievenbus een soortgelijke enveloppe aangetroffen. Hij heeft toen de politie gebeld (proces-verbaal aangifte, dossierpagina 94).

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ontvingen de melding dat er een kogelbrief was ontvangen op het adres van verdachte, [adres verdachte] . Om 14.15 uur waren zij ter plaatse en hebben met de verdachte gesproken en de kogelbrief, gericht aan verdachte, veiliggesteld (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 88).

Op 12 september 2011 heeft [slachtoffer 5] een bericht naar de gsm van verdachte gestuurd met de vraag wat verdachte moet hebben. Verdachte antwoordde: ‘Alles foto brief en sms’jes met nummers en tijdstippen’. Korte tijd later stuurde [slachtoffer 5] het volgende bericht naar verdachte: ‘Foto’s zijn gemaild de sms’jes lukt ff niet’ (Device report, pg. 36, gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2011).

Op 3 oktober 2011 ontving [slachtoffer 5] een tweede dreigbrief. Door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] wordt gerelateerd dat zij die dag omstreeks 16.30 uur langs het bedrijfspand van [slachtoffer 5] reden en dat deze hen vertelde dat hij zojuist weer een dreigbrief had ontvangen. Zij zagen dat [slachtoffer 5] de brievenbus openmaakte, de enveloppe er uit pakte en de enveloppe openmaakte en vervolgens met zijn gsm een foto maakte van de brief. [slachtoffer 5] weigerde echter de brief af te geven aan de verbalisanten (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 230-231). Later die dag, omstreeks 21.00 uur, heeft [slachtoffer 5] alsnog de brief aan het politiebureau te [plaatsnaam 2] afgegeven. In zijn bijzijn is de brief in plastic verpakt. Hij heeft verklaard dat alleen hijzelf de brief in handen heeft gehad (proces-verbaal verhoor aangever, dossierpagina’s 243-244).

Op dezelfde dag omstreeks 17.15 uur komt bij verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] de melding binnen dat verdachte een dreigbrief had ontvangen. Zij zijn naar het woonadres van verdachte gereden en hebben daar met verdachte gesproken. Hij wees de verbalisanten op een enveloppe die in de woning naast de voordeur lag. Verdachte verklaarde dat hij de enveloppe deels heeft vastgepakt met de andere post maar vervolgens heeft laten liggen. De enveloppe met daarin de dreigbrief werd vervolgens inbeslaggenomen (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 221).

De dreigbrieven verwijzen naar de melding bij het AMK die door verdachte en [slachtoffer 5] is gedaan inzake vermeende mishandeling van [slachtoffer 1] door zijn stiefvader.

De brieven en enveloppen zijn onderzocht op DNA en dactyloscopische sporen. Daaruit is gebleken dat zowel op de kogelbrief van 9 september 2011 die gericht was aan [slachtoffer 5] als op de dreigbrief van 3 oktober 2011 die gericht was aan de verdachte, DNA van de verdachte is aangetroffen op de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier van de enveloppe (rapporten NFI, opgenomen in het dossier forensisch onderzoek5, pagina 124, 127, 131, 133, 136 en het rapport van het NFI van 9 juli 2018). Op de achterzijde van de dreigbrief van 3 oktober 2011, gericht aan [slachtoffer 5] , zijn dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen (dossierpagina 227 e.v. van Einddossier II).

Op 16 november 2011 is verdachte aangehouden en is een onderzoek in zijn woning ingesteld. Bij onderzoek van de onder verdachte in beslaggenomen notebook (Dell) werden (in onderzoeksmap genummerd 11-0165-2) foto’s aangetroffen van (onder meer) de kogelbrief met enveloppe, gericht aan [slachtoffer 5] . Volgens de ‘exif’ zouden de afbeeldingen zijn gemaakt op 9 september 2011 (proces-verbaal van bevindingen aangetroffen foto en videobestanden, Bijlage III, dossierpagina’s 851-852 van Einddossier I; aanvullend proces-verbaal nr. 11-0165-pv-03, ongedateerd).

Verdachte stelt dat hij de dreigbrieven gericht aan [slachtoffer 5] in handen heeft gehad. Volgens de verdachte kan dit verklaren dat zijn DNA op de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier en zijn vingerafdrukken op de achterzijde van de brief zijn aangetroffen. Het bewijs dat de verdachte de enveloppe van de kogelbrief van 9 september 2011 in handen heeft gehad valt volgens hem af te leiden uit de foto’s die zich in het dossier bevinden. Volgens de verdachte is hij namelijk op de bewuste dag naar [slachtoffer 5] gegaan en heeft daar toen de kogelbrief in handen gehad en gefotografeerd met zijn BlackBerry Torch. Deze foto’s van de kogelbrief met enveloppe bevinden zich in het dossier.

In hoger beroep heeft verdachte aangevoerd dat hij kan aantonen dat de foto’s op 9 september 2011 zijn gemaakt met zijn BlackBerry. Hij heeft de betreffende foto’s vanaf zijn laptop op een usb-stick gezet en heeft deze nog tot zijn beschikking. Verdachte heeft vervolgens de metadata van de foto’s verstrekt. Daaruit zou voortvloeien dat de foto’s zijn gemaakt met de BlackBerry Torch op 9 september 2011 (e-mailbericht van de raadsman van verdachte aan de strafgriffie van het hof d.d. 26 januari 2018, met bijlagen). De in de bijlagen opgenomen afdrukken van de kogelbrief en enveloppe aan [slachtoffer 5] zijn dezelfde foto’s als opgenomen bij de aangifte van [slachtoffer 5] . Voorts heeft verdachte door forensisch deskundige Ten Hove van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) een onderzoek laten uitvoeren op de door de verdachte aan de deskundige ter beschikking gestelde foto’s. Uit de door Ten Hove uit de foto’s geëxtraheerde Exif-data volgt dat de foto’s zouden zijn gemaakt met een BlackBerry Torch op 9 september 2011

(e-mail bericht van J.R. ten Hove aan verdachte d.d. 3 april 2018, met bijlagen).

Vervolgens heeft het hof aan de advocaat-generaal opdracht gegeven de metadata van de fotobestanden uit onderzoeksmap genummerd 11-0165-2 te vergelijken met de door de verdachte ingestuurde metadata. Uit dit onderzoek is gebleken dat de foto’s van de kogelbrief en enveloppe van 9 september 2011, gericht aan [slachtoffer 5] , zijn gemaakt met

een Apple IPhone 4. De GPS-coördinaten wijzen uit dat de foto’s zijn gemaakt in

[plaatsnaam 2] , volgens het bijbehorend kaartje bij/in de nabijheid van het politiebureau. Het hof merkt in dit verband op dat [slachtoffer 5] met de brief naar het politiebureau in

[plaatsnaam 2] is gegaan. Gebleken is voorts dat [slachtoffer 5] beschikte over een Apple IPhone 4 (dossierpagina’s 236-237).

De betreffende foto’s zijn derhalve, anders dan de verdachte stelt, niet door de verdachte in [plaatsnaam 1] gemaakt maar mogelijk door [slachtoffer 5] bij de politie in [plaatsnaam 2] . Dit kan ook verklaren dat verdachte nadien aan [slachtoffer 5] heeft verzocht om toezending van ‘alles foto brief’ (enz) en dat verdachte via [slachtoffer 5] in het bezit is gekomen van de foto’s van de kogelbrief met enveloppe.

Het hof gaat er dan ook van uit dat verdachte, anders dan hij stelt, niet de betreffende foto’s heeft gemaakt en dat hij kennelijk met onjuist gebleken gegevens heeft getracht het hof te overtuigen van zijn verklaring hoe zijn DNA aan de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier op de dreigbrief aan [slachtoffer 5] terecht is gekomen.

Uit het onderzoek is gebleken dat DNA van verdachte is aangetroffen aan de kleefzijde van de postzegels en/of het onderliggende papier van twee dreigbrieven: de kogelbrief van 9 september 2011 gericht aan [slachtoffer 5] en de dreigbrief van 3 oktober 2011 gericht aan verdachte zelf. Voorts zijn dactyloscopische sporen van de verdachte aangetroffen op de dreigbrief van 3 oktober 2011 gericht aan [slachtoffer 5] . Daar komt bij dat [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij de enige is geweest die de aan hem gerichte dreigbrieven van 9 september en 3 oktober 2011 in handen heeft gehad. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring van [slachtoffer 5] te twijfelen. [slachtoffer 5] heeft zijn verklaring bij de politie afgelegd kort nadat hij de betreffende brieven had ontvangen. Er is hem toen uitdrukkelijk gevraagd wie de brieven nog meer in handen heeft gehad of heeft aangeraakt en hem duidelijk uitgelegd dat het in het kader van het onderzoek belangrijk is te weten wie de brieven mogelijk vast heeft gehad, Hij heeft zonder voorbehoud geantwoord dat niemand anders dan hijzelf de brieven in handen heeft gehad.

Bij de rechter-commissaris is [slachtoffer 5] , nadat daarop werd doorgevraagd, bij zijn verklaring gebleven dat verdachte de kogelbrief niet heeft aangeraakt, noch de enveloppe.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof bewezen dat verdachte degene is geweest die de dreigbrieven heeft verstuurd. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] kan het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte aan de kleefzijde van de postzegel en/of het onderliggende papier van de kogelbrief aan [slachtoffer 5] en de dactyloscopische sporen van verdachte op de tweede dreigbrief aan [slachtoffer 5] immers slechts worden verklaard doordat verdachte de betreffende dreigbrieven eerder in handen heeft gehad. Dat haardelen van een ander dan de verdachte onder de postzegel van de aan de verdachte gerichte dreigbrief van 3 oktober 2011 zijn aangetroffen, maakt het oordeel van het hof niet anders. Ook de omstandigheid dat het bij de kogelbrief van 9 september 2011 gericht aan [slachtoffer 5] ging om een DNA-mengprofiel leidt niet tot een ander oordeel.

Ook het briefrapport van deskundige Ten Hove brengt het hof niet tot een ander oordeel. De deskundige rapporteert met betrekking tot de dreigbrief aan verdachte en het onder de postzegel aangetroffen DNA van verdachte onder meer dat verdachte hem als contextinformatie heeft meegedeeld dat hij, verdachte, de enveloppe heeft vastgepakt en de buitenkant zorgvuldig heeft afgetast. Deze informatie acht de deskundige zwaarwegend voor zijn conclusie dat voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van de DNA-match. De door verdachte verstrekte contextinformatie komt echter niet overeen met de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring dat hij de enveloppe deels heeft vastgepakt met de andere post maar vervolgens heeft laten liggen.

Sms-berichten

Gebleken is dat naar [slachtoffer 5] ook sms-berichten met een bedreigende inhoud zijn verzonden. Ook in deze berichten werd verwezen naar de door [slachtoffer 5] en [verdachte] gedane melding van mishandeling van [slachtoffer 1] .

Mede gelet op de gelijkluidende tekst en strekking van de sms-berichten en de dreigbrieven acht het hof, met de rechtbank, bewezen dat ook de sms-berichten zijn verzonden door verdachte.

Dit vindt steun in de resultaten van het onderzoek naar de afzender van de sms-berichten. Hieruit blijkt namelijk het volgende.

De betreffende sms-berichten zijn telkens verstuurd vanaf een ander gsm-nummer, in het onderzoek de ‘dreiggsm’ genoemd.

Op 24 augustus 2011 werden vanaf [gsm-nummer 1] korte tijd na elkaar aan [slachtoffer 5] en aan verdachte dreigberichten verstuurd. De mastlocaties van de dreiggsm en van de gsm van verdachte bevonden zich toen dicht bij elkaar (pv bevindingen m.b.t historische printgegevens, dossierpagina’s 136-137). Verdachte was op dat moment in een auto onderweg.

Op 26 augustus 2011 werden vanaf [gsm-nummer 2] wederom dreigberichten verstuurd naar [slachtoffer 5] en naar verdachte. Uit onderzoek naar het nummer van de dreiggsm blijkt niet van een verzending van het sms-bericht naar de gsm van verdachte. Uit het proces-verbaal van politie blijkt dat ook via internet sms-berichten kunnen worden verzonden waarbij men zelf een gsm-nummer kan invoeren (pv bevindingen m.b.t historische printgegevens, dossierpagina 138). Uit onderzoek naar de gsm van verdachte blijkt dat enkele minuten voor de ontvangst van de dreig-sms door de gsm van verdachte contact is gemaakt met het internet (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 150). Ook bij het dreigsms-bericht dat op 31 augustus 2011 naar verdachte is verzonden blijkt dat kort voor de ontvangst van het bericht op de gsm van verdachte, door die gsm contact is gemaakt met het internet (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 140-141, 150). Gebleken is voorts dat de tijd tussen het contact met het internet en de ontvangst van de sms-berichten voldoende is om het contact te maken, de tekst te schrijven en - eventueel - de sms af te rekenen (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 151) waarbij het hof opmerkt dat de berichten ook gratis kunnen worden verzonden en het ontbreken van betaalgegevens derhalve niet betekent dat verdachte de sms-berichten niet kan hebben verstuurd.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hecht het hof dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij niet degene is geweest die de dreigbrieven en dreigsms’jes heeft verstuurd.

Nu het hof bewezen acht dat de bedreigingen afkomstig waren van verdachte zelf, acht het hof eveneens bewezen dat door verdachte een valse aangifte is gedaan tegen de stiefvader en de moeder van [slachtoffer 1] en dat hij daarmee de eer en/of goede naam van die personen heeft aangerand.

Verzoeken van de verdediging tot nader onderzoek

Het hof heeft het verzoek tot een nader onderzoek naar de overige dactyloscopische sporen op de brief aan [slachtoffer 5] eerder afgewezen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en is van oordeel dat ook nu een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk is. Op diezelfde grond acht het hof ook een nader onderzoek naar de haardelen niet noodzakelijk. Dat haardelen van een ander dan de verdachte onder de postzegel van de aan de verdachte gerichte dreigbrief van 3 oktober 2011 zijn aangetroffen, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Het hof acht evenmin een nader onderzoek op activiteitenniveau aan de hand van de verschillende scenario’s met betrekking tot de aangetroffen DNA-match op de kleefzijde van de postzegels en/of het onderliggend papier noodzakelijk. Zoals hiervoor is overwogen heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 5] , inhoudende dat hij de enige is geweest die de aan hem gerichte dreigbrieven van 9 september en 3 oktober 2011 in handen heeft gehad. Daaruit en uit hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt volgt dat verdachte de betreffende brieven heeft verzonden. Op diezelfde gronden acht het hof ook het horen van [kennis van verdachte] niet noodzakelijk. Zelfs al zou de verdachte al op 9 september 2011 aan haar foto’s van de kogelbrief hebben laten zien, brengt dat, gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] , niet mee dat verdachte die foto’s zou hebben gemaakt en derhalve de enveloppe in handen zou hebben gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd,

in eendaadse samenloop begaan met

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

lasterlijke aanklacht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het verrichten van beroepsmatige activiteiten of werkzaamheden met minderjarigen.

De verdediging heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde wordt volstaan met een vrijheidsstraf zoals door de rechtbank opgelegd en dat indien het hof komt tot bewezen verklaring van minder feiten dan de rechtbank dit in de op te leggen straf wordt verdisconteerd. Voorts heeft de verdediging bepleit dat aan een eventuele voorwaardelijke straf slechts een proeftijd van twee jaren en geen bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontucht met een minderjarige, die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd, het meermalen vervaardigen en het bezit van kinderporno, het meermalen plegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het meermalen doen van valse aangifte alsmede van lasterlijke aanklacht. Het betreft hier een groot aantal, ernstige strafbare feiten.

Het behoeft geen betoog dat seksueel misbruik van een minderjarige zeer nadelige gevolgen kan hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) bij het slachtoffer en deze hierdoor ernstig kan worden geschaad in de verdere ontwikkeling. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat deze strafbare feiten tot op heden een grote impact hebben op het leven van [slachtoffer 1] en zijn ouders [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van ruim vier maanden meermalen schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met de destijds minderjarige [slachtoffer 1] . Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van deze aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Verdachte heeft de als volwassene in acht te nemen grenzen jegens een minderjarige overschreden waarbij hij zich enkel door zijn eigen (lust)gevoelens lijkt te hebben laten leiden.

Ook heeft verdachte met een webcamera beelden van de seksuele gedragingen van en met [slachtoffer 1] vastgelegd en daarmee kinderporno vervaardigd en de harddisk met dit materiaal in zijn bezit gehad in de bewezen verklaarde periode. Het vastleggen en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen kan zeer nadelige gevolgen hebben voor degenen die op de afbeeldingen voorkomen. Uit het dossier blijkt ook dat [slachtoffer 1] zich erg schaamt dat opnamen bestaan van de bedoelde seksuele handelingen.

Verdachte heeft niet alleen ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in hem stelde, maar ook het vertrouwen dat diens ouders in hem (als voormalig leraar van hun zoon en als huisvriend) stelden als zij hun zoon onder zijn hoede lieten.

Nadat [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik door verdachte, heeft verdachte door het doen van valse aangifte voorgewend dat de ouders van [slachtoffer 1] hem door middel van sms'jes en brieven zouden bedreigen met de dood. Om zijn zaak kracht bij te zetten, heeft hij ook zeer bedreigende sms'jes en brieven naar zijn vriend [slachtoffer 5] gestuurd. Met het doen van de lasterlijke aangifte jegens de ouders van [slachtoffer 1] , hetgeen zelfs tot aanhouding van [stiefvader van slachtoffer 1] leidde en tot een doorzoeking van hun woning, heeft hij hen in een kwaad daglicht gesteld en heeft hij hun goede naam geschaad. Dat dit ernstig laakbare gedrag, nadat verdachte ook reeds ernstig hun vertrouwen had beschaamd door zijn misbruik van [slachtoffer 1] , een grote negatieve impact heeft gehad en nog steeds heeft op de ouders van [slachtoffer 1] , staat buiten kijf. Daarnaast heeft verdachte zich er blijkbaar ook niet om bekommerd dat door zijn toedoen [slachtoffer 5] zich zeer bedreigd heeft gevoeld. Ten slotte heeft verdachte door het doen van valse aangifte onnodige politiecapaciteit in beslag genomen. Het hof rekent verdachte deze strafbare feiten zwaar aan.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 maart 2019 blijkt dat verdachte, met uitzondering van de onderhavige zaak, een blanco strafblad heeft. Hieruit volgt dat verdachte na de bewezen verklaarde feiten, die inmiddels ongeveer 8 jaar geleden hebben plaatsgevonden, niet meer voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf voorts in aanmerking dat het hof tot een bewezenverklaring van minder feiten komt dan de rechtbank.

Gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voor het bepalen van de duur daarvan en de daaraan te verbinden proeftijd en bijzondere voorwaarden houdt het hof rekening met de volgende feiten en omstandigheden.

Het hof heeft ter beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op:

  • -

    de inhoud van het rapport van de deskundige A.G.M. Weenink, GZ-psycholoog, d.d. 24 april 2012, onder meer inhoudende als conclusie - kort gezegd - dat er bij verdachte (ten tijde van de rapportage) sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis en een omvangrijke psychoseksuele problematiek. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was voorts sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die te kwalificeren valt als een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische en theatrale trekken. De deskundige adviseerde destijds oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden. Zij achtte het wenselijk dat de verdachte een behandeling zou ondergaan binnen een setting die bekend is met zedendaders en dat daarnaast behandeling plaatsvindt van zijn trauma’s en psychoseksuele problematiek. In haar aanvullend rapport d.d. 31 januari 2013, concludeert de deskundige dat de behandeling niet noodzakelijkerwijs klinisch hoeft plaats te vinden, maar ook in de vorm van een dagbehandeling kan worden gestart;

  • -

    de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 7 mei 2012, waarin het recidiverisico laag gemiddeld wordt ingeschat en wordt gesteld dat dit risico bij een gerichte behandeling lager kan worden. Geadviseerd wordt verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een behandelverplichting, met een proeftijd van 3 jaren. Tevens wordt geadviseerd om verdachte gedurende de proeftijd te ontzetten uit zijn recht om als leraar in het voortgezet onderwijs werkzaam te zijn;

- de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 4 maart 2014, waarin wordt gesteld dat de verdachte geen goed inzicht heeft in zijn gevoelens en omgang betreffende jongeren en dat de reclassering zich kan vinden in de conclusie van het NIFP.

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis, rekening houdend met de voormelde rapporten en adviezen, aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf, een proeftijd van 5 jaren met daaraan een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, zoals reclasseringstoezicht en de verplichting om gedurende de proeftijd een behandeling te ondergaan gericht op zedendaders, traumaverwerking en behandeling van de psychoseksuele problematiek van verdachte bij polikliniek de Omslag te Eindhoven of een soortgelijke instelling. Naast voormelde bijzondere voorwaarden is een contactverbod met [slachtoffer 1] en zijn ouders voor de eerste 2 jaren van de proeftijd opgelegd en bepaald dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te onthouden van (beroeps)activiteiten/werkzaamheden met minderjarigen.

Het reclasseringstoezicht zou zich, in overleg met de wijkagent, ook moeten richten op pc/gegevensdragercontrole bij verdachte.

De rechtbank heeft deze op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht bepaalde reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Op verzoek van de verdediging heeft J.M. Oudejans, psycholoog, in opdracht van de raadsheer-commissaris in dit hof, psychologisch onderzoek verricht naar verdachte en daarover op 21 augustus 2014 gerapporteerd. Het rapport houdt kort gezegd in dat verdachte niet, ook niet ten tijde van de ten laste gelegde feiten, lijdende is aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige stoornis van zijn geestvermogens zodat de hem verweten gedragingen - indien bewezen verklaard - hem volledig kunnen worden toegerekend.

De deskundige acht het recidive-risico klein tot zeer klein, gelet op het afschrikwekkende effect van de strafzaak nu deze een enorme impact op het leven van de verdachte heeft gehad. Voorts zijn er voldoende aanwijzingen dat verdachte met behulp van psychotherapie voldoende zicht heeft gekregen op zijn valkuil in de vorm van het risico dat hij vanuit een emotionele betrokkenheid zijn grenzen onvoldoende markeert en (professionele) grenzen overschrijdt. Deskundige Oudejans ziet gelet op het voorgaande geen gronden om in het kader van recidive-preventie een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Het hof neemt de conclusie van J.M. Oudejans dat verdachte niet, ook niet ten tijde van de ten laste gelegde feiten, lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige stoornis van zijn geestvermogens en dat de bewezen verklaarde gedragingen geheel aan de verdachte kunnen worden toegerekend, over.

Hoewel door J.M. Oudejans het recidive-risico klein tot zeer klein wordt ingeschat, ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met, naast de algemene voorwaarden, de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden en met de hierna te vermelden proeftijd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat door de deskundige wordt gerapporteerd dat bij afwezigheid van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vanuit gedragskundig oogpunt geen gefundeerde uitspraak kan worden gedaan over de kans op herhaling van vergelijkbare strafbare feiten. Het vermogen van de verdachte om ten tijde van het ten laste gelegde keuzes en (morele en rationele) afwegingen te maken, impulsen, behoeftes en verlangens te reguleren en te controleren, innerlijk overleg te plegen, de consequenties van zijn handelen te overzien en te kiezen voor maatschappelijk acceptabele gedragsalternatieven, werd immers niet op basis van een psychische stoornis aangetast. Dit betekent dat verdachte ook in de toekomst volledig vrij is om in vergelijkbare situaties een keuze te maken, en dus ook vrij is om andere keuzes te maken, aldus de deskundige (pg. 42 van het rapport).

Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank komt het hof tot vaststelling van een proeftijd van twee jaren, zijnde de maximumduur van de proeftijd, zoals bepaald in artikel 14b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Oplegging van een proeftijd van meer dan twee jaren is immers op grond van het bepaalde in artikel 14b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde, enkel toegestaan indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Hoewel er wel sprake is van enig recidive-risico zijn er onvoldoende concrete aanwijzingen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook na de bewezen verklaarde feiten niet is veroordeeld. Derhalve zal het hof de proeftijd bepalen op twee jaren.

Gelet op al het voorgaande acht het hof het geïndiceerd om bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de straf te verbinden, te weten:

  • -

    een verbod om direct of indirect contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer 1] gedurende de proeftijd;

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het verrichten van beroepsmatige activiteiten en beroepsmatige werkzaamheden met minderjarigen.

Redelijke termijn

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn voor berechting. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 16 november 2011, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 13 juni 2013 vonnis gewezen. De verdachte bevond zich toen nog in voorlopige hechtenis.

Verdachte heeft op 25 juni 2013 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 10 mei 2019

Hoewel in de onderhavige zaak door de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen zijn ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop verklaren.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting,

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf van 34 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.

Vorderingen benadeelde partijen met betrekking tot zaaknummer 01-849764-11

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1/benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.138,69, te weten

€ 1.152,69 ter zake van materiële schade en € 4.986,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ter zake van de materiële schade valt uiteen in de volgende posten:

a. kleding en schoeisel: € 201,70

b. eigen bijdrage advocaat: € 76,00

c. gsm (Blackberry Bold): € 599,99

d. reiskosten: € 275,00.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.086,80, te weten € 100,80 ter zake van materiële schade (post d: reiskosten) en € 4.986,00 ter zake van immateriële schade, en voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 592a Sv en deze tot het moment van de beslissing begroot op € 76,00 (post b: kosten rechtsbijstand).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De verdediging heeft het hof verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering van immateriële schade of althans de vordering af te wijzen dan wel substantieel te matigen. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en de vergoeding van de kosten rechtsbijstand (post b), door de rechtbank toegewezen als proceskosten, af te wijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder feit 2 en 3 van zaaknummer 01-849764-11 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag.

Gelet op het handelen van verdachte en de gevolgen daarvan die [benadeelde partij 1] , tot op heden ondervindt, acht het hof toewijzing van een smartengeldvergoeding tot een bedrag van € 3.000,00, redelijk en billijk. Dit bedrag is, gelet op het feit dat het hof verdachte vrijspreekt van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegde feit, lager dan het door de rechtbank toegewezen bedrag. Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde immateriële vergoeding niet-ontvankelijk verklaren.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2011 (de einddatum van de pleegperiode) toewijsbaar is.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het hier geen rechtstreekse schade betreft als gevolg van het door verdachte bewezen verklaarde handelen (post a: kleding/schoeisel en post c: gsm) dan wel dat de schade geen kosten betreft van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , maar van zijn ouders (post d: reiskosten)

Het hof acht de vordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand (post b) voldoende onderbouwd en zal deze evenals de rechtbank aanmerken als proceskosten in de zin van artikel 592a Wetboek van Strafvordering. Het hof zal verdachte derhalve veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 76,00 ter zake van kosten rechtsbijstand. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2/benadeelde partij 2] (parketnummer 01-849764-11)

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 738,69, te weten € 238,69 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en duurt derhalve in hoger beroep van rechtswege voort.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 4 van parketnummer 01-849764-11 primair ten laste gelegde feit en de dagvaarding nietig wordt verklaard met betrekking tot het onder feit 4 van parketnummer 01-849764-11 subsidiair ten laste gelegde, het feit waarop de vordering betrekking heeft.

Het hof ziet termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vorderingen benadeelde partijen met betrekking tot parketnummer 01-845300-12

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3/benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.145,11, waarvan € 7.645,11 ter zake van materiële schade, en € 500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij haar vordering ten aanzien van immateriële schadevergoeding verhoogd naar € 2.000,00. Aldus bedroeg de in eerste aanleg voorliggende vordering € 9.645,11.

De vordering ter zake van de materiële schade valt uiteen in de posten reiskosten (€ 295,12) en verlies arbeidsvermogen (€ 7.349,99).

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.275,00, te weten € 2.000,00 ter zake van immateriële schade en € 275,00 ter zake van materiële schade (reiskosten). De rechtbank heeft de benadeelde partij in haar vordering voor zover het betreft de post verlies arbeidsvermogen niet-ontvankelijk verklaard en de vordering voor wat betreft de overige reiskosten (€ 20,12) afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Tijdens de procedure in hoger beroep is op 6 mei 2015 een brief van ARAG ( [naam medewerker] )

binnengekomen waarin de volgende schadeposten worden geclaimd;

a. smartengeld: € 1.099,- (verlaging t.o.v. EA)

b. verlies arbeidsvermogen: € 7.013,52 (verlaging t.o.v. EA)

c. medische kosten: € 360,- en € 509,08 (nieuw)

d. reiskosten 2011/2012 € 295,12 (reeds in EA gevorderd)

e. reiskosten 2013/2014 € 350,45 (nieuw)

f. porto en telefoonkosten: € 50,- (nieuw)

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 januari 2018 heeft de benadeelde partij medegedeeld het gevorderde bedrag aan immateriële schade te handhaven op het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 2.000,- en dat verder uitgegaan moet worden van de in de brief van 6 mei 2015 genoemde bedragen.

Het voorgaande betekent dat de benadeelde partij haar in eerste aanleg ingediende vordering ten aanzien van de post reiskosten, niet zijnde proceskosten, heeft verhoogd (post e) en tevens een tweetal posten heeft toegevoegd, te weten post c: medische kosten en post f: porto en telefoonkosten.

Ingevolge art. 421, derde lid, Sv kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet aldus worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wél opgevoerde schadeposten mag verhogen. De benadeelde partij dient in haar vordering ten aanzien van de verhoogde en toegevoegde schadeposten dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard

De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] als gevolg van verdachtes onder feit 4 van parketnummer 01-845300-12 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof stelt op grond van het schadeonderbouwingsformulier vast dat de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding enerzijds verband houdt met het feit dat verdachte haar zoon [slachtoffer 1] heeft misbruikt en anderzijds met het feit dat door verdachte lasterlijke aanklacht jegens haar is gedaan, waardoor zij in haar eer en goede naam is aangetast (feit 4, parketnummer 01-845300-12). Gelet op artikel 6:106, onderdeel b van het Burgerlijk Wetboek, komt de benadeelde vanwege het laatste feit voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking. Echter, het bewezen verklaarde ten aanzien van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] , hoe ingrijpend dit ook is voor de moeder van het slachtoffer, staat niet in rechtstreeks verband met de door de benadeelde partij gevorderde schade.

Gelet hierop zal het hof de vordering ter zake van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.000,00. De gevorderde reiskosten hebben naar het zich laat aanzien slechts gedeeltelijk betrekking op het bewezen verklaarde. Het hof acht een vergoeding van reiskosten tot een bedrag van € 100,00 als rechtstreeks door het bewezen verklaarde handelen ontstaan, redelijk en zal dit bedrag toewijzen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering (het verlies van arbeidsvermogen en de overige reiskosten) een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in dat gedeelte van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 1.100,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd zal het hof, gelet op het hiervoor overwogene, de schadevergoedingsmaatregel niet toepassen ten aanzien van het deel van de vordering waarin de benadeelde niet-ontvankelijk is verklaard.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4/benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.479,60,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft deze vordering ter terechtzitting in eerste aanleg verhoogd naar € 2.000,-.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en duurt derhalve van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] als gevolg van verdachtes onder feit 4 van parketnummer 01-845300-12 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 2.000,-. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat gelet op het feit dat de benadeelde partij naar aanleiding van de valse aanklacht enige tijd heeft vastgezeten op het politiebureau en voorts door het bewezen verklaarde handelen in zijn eer en goede naam is aangetast, toekenning van deze vergoeding alleszins redelijk is.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 4] is toegebracht tot een bedrag van € 2.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij Politie [naam politiekorps]

De benadeelde partij Politie [naam politiekorps] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 58.500,- ter zake van materiële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 50.000,-, en voor het overige afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De verdediging heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

Het hof acht bewezen verklaard dat verdachte meermalen valselijk aangifte heeft gedaan bij de Politie [naam politiekorps] (feit 3 van parketnummer 01-845300-12). De politie heeft als gevolg van deze valselijke aangiftes nodeloos opsporingscapaciteit ingezet en vordert thans daarvoor de kosten in verband met de ingezette mensuren.

Het gaat in dit geval om de kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 februari 20176 overwogen dat de onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht - welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten - zich niet zonder meer verdraagt met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving. Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising in voornoemde zin.

Voorts overweegt de Hoge Raad dat indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, op haar de plicht rust om feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van bewezen verklaarde is vast komen te staan dat verdachte wist dat de feiten waarvan hij aangifte deed niet gepleegd waren en dat hij wist (zeker als voormalig politieambtenaar) dat deze aangiftes de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Echter op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden geconcludeerd dat verdachte de valse aangiftes deed met geen ander doel dan de politie daarmee te schaden, nu deze, gelet onder de omstandigheden waarin deze gedaan, vooral gericht zullen zijn geweest om de aandacht van de politie op een ander dan verdachte te vestigen.

De benadeelde partij heeft voorts, gelet op de betwisting door de verdediging, ook geen bewijs van de feiten of omstandigheden bijgebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor door de Hoge Raad geformuleerde vereisten is voldaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering van de Politie [naam politiekorps] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.

Het hof zal de benadeelde partij verwijzen in de kosten die door de verdachte zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen zaken vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit zaken zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden, dan wel met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Het hof is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen zaken vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit zaken zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan dan wel met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid, nu zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het hof zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen zaken nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 55, 57, 188, 240b, 249, 268 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder feit 1 ten laste gelegde, ter zake van het onder de feiten 3 en 4, telkens onderdelen b en c, ten laste gelegde en ter zake van het onder feit 4 ten laste gelegde voor zover dit feit betrekking heeft op [slachtoffer 1]

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, en doet opnieuw recht:

verklaart de inleidende dagvaarding partieel nietig, namelijk voor wat betreft het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 4 subsidiair ten laste gelegde.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 1 primair en subsidiair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is direct dan wel indirect contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] .

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd zal onthouden van het verrichten van beroepsmatige activiteiten en beroepsmatige werkzaamheden met minderjarigen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2011 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 76,00 (zesenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-849764-11 onder 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2011 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij Politie [naam politiekorps]

Verklaart de benadeelde partij Politie [naam politiekorps] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.100,00 (duizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.100,00 (duizend honderd euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-845300-12 onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2011 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen zaken, te weten:

- de voorwerpen die op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met parketnummer

01/845300-12 zijn genummerd: 1, 3, 6, 8, 10, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22,

25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen zaken, te weten:

- de voorwerpen die op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met parketnummer

01/849764-11 zijn genummerd: 1, 2;

- de voorwerpen die op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met parketnummer

01/845300-12 zijn genummerd: 2, 4, 17, 23.

Teruggave in beslag genomen zaken, te weten:

- de voorwerpen die op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met parketnummer

01/845300-12 zijn genummerd: 5, 7, 11, 12, 13, aan de Politie [naam politiekorps] ;

- de voorwerpen die op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met parketnummer

01/845300-12 zijn genummerd: 9, 24, aan veroordeelde.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 10 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. De Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt verwezen naar pagina’s van het dossier van Politie regio [naam politiekorps] , Divisie Informatie en Opsporing, D10-Tactische en Thematische opsporing, D10-Team zedencriminaliteit, met registratienummer PL21T4 2011068142, afgesloten d.d. 4 juni 2012 (doorgenummerde pagina’s 1-882), bestaande uit een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, opgesteld door daartoe bevoegde verbalisanten, alsmede andere geschriften hierna te noemen: Einddossier I).

2 Vgl. HR 26 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1168, NJ 1991/95 en recentelijk nog HR:NL:2017:1071.

3 ECLI:NL:PHR:2017:431, onder 5.3

4 Hierna wordt verwezen naar pagina’s van het dossier van Politie regio [naam politiekorps] met dossiernummer 2011968199, afgesloten d.d. 4 december 2012 (doorgenummerde pagina’s 1-289), bestaande uit een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, opgesteld door daartoe bevoegde verbalisanten, alsmede andere geschriften (hierna te noemen: Einddossier II).

5 Het proces-verbaal FTO van de Politie Regio [naam politiekorps] , Forensisch Technische Opsporing, Onderzoek “Tonge, d.d. 10 oktober 2012 (doorgenummerde pagina’s 1-284), in de wettelijke vorm door daartoe opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

6 HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221.