Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4837

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
20-002568-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002568-17

Uitspraak : 21 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 augustus 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-700057-17 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover het betreft de immateriële schade. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat om bijzondere voorwaarden op te leggen en dat de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00.

Van de zijde van verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. Ook het in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is gehandhaafd, inhoudende dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het betreft de post porto- en telefoonkosten en dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen. Voor het overige kan de verdediging zich vinden in het vonnis waarvan appel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 01 februari 2017 in de gemeente Nuth, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een stalen stok, in elk geval een hard voorwerp op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en/of terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen, althans eenmaal met (de punt van) die stok, in elk geval dat voorwerp op/tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, op of omstreeks 01 februari 2017 in de gemeente Nuth, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een scheur in de schedel en/of een of meerdere bloedproppen onder de schedel) heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een stalen stok, in elk geval een hard voorwerp (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] ten val te brengen en/of terwijl die [slachtoffer] op de grond lag meermalen, althans eenmaal met (de punt van) die stok, in elk geval dat voorwerp voornoemde [slachtoffer] op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 01 februari 2017 in de gemeente Nuth, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, eenmaal met kracht met een stalen stok op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en terwijl die [slachtoffer] op de grond lag eenmaal met de punt van die stok op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft, nadat hij door zijn collega [slachtoffer] onderhouden was over het niet volgens diens instructies uitvoeren van zijn werkzaamheden als glazenwasser, [slachtoffer] met een stalen telescoopstok geslagen. Dit deed verdachte op het moment dat [slachtoffer] zich had van hem afkeerde om weer aan het werk te gaan, zodat hij hierdoor werd overvallen. Verdachte heeft twee keer met de stok geslagen. De eerste slag was zodanig hard dat [slachtoffer] op de grond viel. Vervolgens heeft verdachte de stok met beide handen opgeheven en met de punt tegen de rechter zijkant van het hoofd van [slachtoffer] gestoten. [slachtoffer] heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hoofd opgelopen, namelijk een schedelbreuk met een bloeding tussen het harde hersenvlies en de schedel en ook een hersenkneuzing. Hij is om die reden overgebracht naar een gespecialiseerd ziekenhuis in België en hieraan met spoed geopereerd, waarbij de schedelbreuk is gerepareerd door het aanbrengen van een titaniumplaatje. [slachtoffer] heeft nog ruim een week in het ziekenhuis gelegen.

[slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nog steeds niet de oude is. Hij kan niet langdurig op zijn rechterzij slapen en kan niet meer tegen fel zonlicht zonder een zonnebril te dragen. Inmiddels is het slachtoffer weer aan het werk, maar dit is wel lichter werk dan voorheen omdat hij niet meer op ladders kan werken. Het incident heeft een grote impact op zijn leven en dat van zijn gezin gehad, zoals is gebleken uit de door de echtgenote namens [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring. Er mag van geluk worden gesproken dat het letsel niet veel ernstiger of mogelijk zelfs fataal is geweest.

Zelfs als het zo is, zoals verdachte naar voren heeft gebracht, dat het slachtoffer hem flink heeft uitgescholden, mag dat niet leiden tot zulk excessief geweld als verdachte heeft gebruikt. Het was een onverwachte en buitensporige reactie, waarbij hij het slachtoffer geen enkele mogelijkheid gaf zichzelf te verdedigen.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 augustus 2019, blijkt dat verdachte eerder reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake mishandelingen. Het hof houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee.

Bij de straftoemeting houdt het hof tevens rekening met het rapport van psycholoog [deskundige] van 17 mei 2017. [deskundige] heeft forensisch psychologisch onderzoek gedaan naar de geestvermogens van verdachte en komt tot de volgende conclusie:
‘Betrokkene voldoet aan de diagnostische criteria voor de algemene diagnose persoonlijkheidsstoornis, maar er is niet één van de specifiek omschreven varianten die bij de symptomatologie past. Er is sprake van een mengbeeld van met name narcistische en afhankelijke kenmerken. De narcistische persoonlijkheidskenmerken en de daarmee samenhangende, verhoogde krenkbaarheid lijken in aanzienlijke mate van invloed te zijn geweest op het functioneren van betrokkene en op de gebeurtenissen. Ze lijken een verklaring te vormen voor de heftige reactie van betrokkene op het gedrag van aangever. Het is aannemelijk dat betrokkene zich in hevige mate gekrenkt heeft gevoeld door de kritiek die hij kreeg van aangever en dat de hoeveelheid opgekropte woede (ten gevolge van eerdere ‘krenkingen’/denigrerende opmerkingen van aangever) tot ontlading kwam, waarbij betrokkene tijdelijk zijn zelfbeheersing verloor. Betrokkene zou op grond van het in voorgaande geschetste problematiek verminderd toerekeningsvatbaar kunnen worden beschouwd voor het hem tenlastegelegde (pagina 17).’

Het hof neemt deze conclusies over en maakt die tot de zijne. In hoger beroep is, anders dan de deskundige heeft geconcludeerd, wel komen vast te staan dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ernstige vorm van PTSS. Dit leidt er naar het oordeel van het hof echter niet toe dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar zou moeten worden beschouwd.

Bij de strafoplegging zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Voorts zal het hof bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Namens de verdachte is op 9 augustus 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 21 oktober 2019 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa 2,5 maand overschreden, terwijl dit niet aan de verdachte valt toe te rekenen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Wanneer de verdachte volledig toerekeningsvatbaar zou zijn geweest en geen sprake zou zijn geweest van schending van de redelijke termijn, zou een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden passend zijn. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof de duur van de gevangenisstraf beperken tot 42 maanden.

Vanwege de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte zal het hof daarvan 24 maanden voorwaardelijk opleggen.

Het hof ziet geen noodzaak om aan verdachte in het kader van de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden op te leggen, nu de reclassering dit blijkens het voortgangsverslag toezicht d.d. 23 september 2019 niet langer adviseert.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen stok zal het hof de teruggave aan de rechthebbende, te weten [betrokkene] , gelasten, omdat deze stok eigendom is van dit bedrijf en zowel de advocaat-generaal als de raadsvrouw zich op het standpunt hebben gesteld dat deze stok aan de rechthebbende retour kan worden gezonden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.398,20. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.868,08, waarvan € 1.368,08 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd voor zover het betreft het niet toegewezen gedeelte van de immateriële schade. Voor wat betreft de materiële schade heeft de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep haar vordering gehandhaafd voor zover deze door de rechtbank is toegewezen.

Materiële schade

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de post porto- en telefoonkosten volgens ‘De Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatie-daggeldvergoeding’ onder de daggeldvergoeding vallen. Zij verzoekt de benadeelde partij in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof is echter – evenals de rechtbank – van oordeel dat de daggeldvergoeding op grond van ‘De Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding’ enkel ziet op de kosten die zijn gemaakt tijdens de opname in een ziekenhuis, terwijl de kosten die de benadeelde partij opvoert niet zien op kosten die zijn gemaakt tijdens de opname in het ziekenhuis. Het hof is derhalve van oordeel dat de post porto- en telefoonkosten dient te worden toegewezen. De overige materiële schadeposten zijn, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, voldoende onderbouwd en niet betwist en zullen derhalve worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van in totaal € 1.368,08 aan materiële schade gehouden.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 5.000,00 ter zake immateriële schade gevorderd. De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij het door de rechtbank toegekende bedrag aan immateriële schade ad
€ 2.500,00 redelijk vindt.

Het hof overweegt dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde handelen van verdachte ernstig letsel heeft opgelopen, te weten een schedelbreuk met een bloeding tussen het harde hersenvlies en de schedel en ook een hersenkneuzing. Hij is hieraan met spoed geopereerd en heeft nog meerdere dagen in het ziekenhuis gelegen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij aangegeven dat hij nog steeds niet volledig is hersteld. Hij kan niet langdurig op zijn rechterzij slapen en kan niet meer tegen fel zonlicht. Ook doet hij lichter werk dan voorheen, omdat hij niet meer op ladders kan werken. Gelet op deze omstandigheden zal het hof de vordering voor wat betreft de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 4.000,00. Voor wat betreft het restant van de vordering zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Indien de benadeelde partij dit wenst, kan hij de meerdere schade aan de civiele rechter voorleggen.

Wettelijke rente

Verdachte is tot vergoeding van in totaal € 5.368,08 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
1 februari 2017, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.368,08. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van verdachte ingaande 12 juni 2017 geschorst. Gelet op de aan verdachte op te leggen straf zal het hof de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang opheffen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 24 (vierentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [betrokkene] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 9014751: S STK ‘Vlaggenstok’ (dossier PL2300-2017017574).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.368,08 (vijfduizend driehonderdachtenzestig euro en acht cent) bestaande uit € 1.368,08 (éénduizend driehonderdachtenzestig euro en acht cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.368,08 (vijfduizend driehonderdachtenzestig euro en acht cent) bestaande uit

€ 1.368,08 (éénduizend driehonderdachtenzestig euro en acht cent) materiële schade en

€ 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 februari 2017.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. M.J. Grapperhaus en mr. J.P.F. Rijken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,

en op 21 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J. Grapperhaus en mr.J.P.F. Rijken zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.