Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:480

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
20-001793-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3291, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gruwelmoord. Het hof veroordeelt verdachte wegens onder meer het medeplegen van moord op een hoogbejaarde man tot een gevangenisstraf van 24 jaren, met aftrek van voorarrest. Het slachtoffer is met een groot aantal messteken om het leven gebracht. Voorafgaand aan de moord hebben verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer 's nachts op verschillende locaties gruwelijk toegetakeld in een poging hem zijn pincode te ontfutselen.

Het hof wijdt uitgebreide overwegingen aan de rechtmatigheid van de aanhouding van verdachte, het verschoningsrecht van twee geestelijk verzorgers uit een penitentiaire inrichting (art. 218 Wetboek van Strafvordering), in verband daarmee het recht van de verdediging op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van de getuigen (art. 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM), voorbedachte raad, medeplegen en eendaadse / meerdaadse samenloop.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 417bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001793-15

Uitspraak : 11 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

12-700520-12 en 12-715334-12, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren voor zover zijn hoger beroep is gericht tegen het onder parketnummer 12-715334-12 onder 2 ten laste gelegde en dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen, onder aanvulling van het bewijs.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij strafmaatverweren gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 2

ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen deze vrijspraak.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 12-700520-12:

1:
hij op of omstreeks 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel in de gemeente Terneuzen, op de openbare weg/wegen, de Eisenhowerlaan en/of de Rooseveltlaan, althans in een parkje gelegen aan die wegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi Carisma, kleur grijs) en/of autosleutel(s) van die personenauto en/of een of meer bankpas(sen), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die [slachtoffer] met kracht één of meermalen op/tegen het (achter) hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of heeft getrapt en/of op het achterhoofd van die, alstoen op de grond liggende, [slachtoffer] is gaan slaan en/of (vervolgens) die [slachtoffer] een eind over de grond heeft gesleept naar diens auto en/of die [slachtoffer] daarna met kracht in de kofferbak van die personenauto heeft gegooid;

2:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel en/of elders in de gemeente Terneuzen, in elk geval in het (toenmalig) arrondissement Middelburg ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] te dwingen tot het ter beschikking stellen van een of meer gegevens, te weten de/een bij diens bankpassen behorende pincode(s), geheel of ten dele toebehorend aan die [slachtoffer] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem/haar, verdachte, en/of zijn/haar mededader(s), samen met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) op dwingende toon tegen die [slachtoffer] te roepen/schreeuwen dat hij zijn pincode(s) moest geven en/of (vervolgens) (telkens) met kracht op/tegen het hoofd en/of overig lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of te trappen en/of met kracht één of meer vingers van de hand(en) van die [slachtoffer] achterover te drukken/te overstrekken en/of met een mes (een groot deel van) een oor van die [slachtoffer] af te snijden, hetwelk zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 23 oktober 2012 in de gemeente Terneuzen, in elk geval in het (toenmalige) arrondissement Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met kracht met een mes zeventienmaal, in elk geval een aantal malen, onder andere in het hart en/of de long(en) gestoken en/of gesneden ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 oktober 2012 in de gemeente Terneuzen, in elk geval in het (toenmalig) arrondissement Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een mes zeventien maal, in elk geval een aantal malen, onder andere in het hart en/of de long(en) gestoken en/of gesneden ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafba(a)r(e) feit(en), te weten dat hij op of omstreeks 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel in de gemeente Terneuzen op de openbare weg/wegen de Eisenhowerlaan en/of de Rooseveltlaan, althans in een parkje gelegen aan die wegen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi Carisma, kleur grijs) en/of autosleutel(s) van die personenauto en/of een of meer bankpas(sen), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel en/of dat hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel en/of elders in de gemeente Terneuzen, in elk geval in het (toenmalig) arrondissement Middelburg ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot het er beschikking stellen van een of meer gegevens, te weten de/een bij diens bankpassen behorende, pincode(s), geheel of ten dele toebehorend aan die [slachtoffer] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem/haar, verdachte, en/of zijn/haar mededader(s), terwijl de uitvoering van dit laatst voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 oktober 2012 in de gemeente Terneuzen, in elk geval in het (toenmalige) arrondissement Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een mes zeventienmaal, in elk geval een aantal malen, onder andere in het hart en/of de long(en) gestoken en/of gesneden ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

4:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 23 oktober 2012 te Axel in de gemeente Terneuzen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in of uit een woning, gelegen aan de [straat] , een map (met daarin onder andere (pin)codes), in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel;

5:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 23 oktober 2012 te Axel, gemeente Terneuzen, (telkens) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en zich daarbij (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) met een bankpas, staande op naam van die [slachtoffer] naar een pinautomaat van de Rabobank, gelegen aan de Noordstraat is gegaan en/of (telkens) die pinpas in die pinautomaat heeft gedaan en/of een of meermalen een pincode heeft ingevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 12-715334-12 (gevoegd):

1:

hij op een of meerdere tijdstip(pen),in of omstreeks de periode van 17 september 2012 tot en met 18 september 2012 te Axel, in de gemeente Terneuzen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen een hoeveelheid messen (merk: Victorinox) en/of scharen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking (van een ruit van de voordeur van dat pand) en/of inklimming;

en voor zover ter zake van het onder 1 ten laste gelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 17 september 2012 tot en met 19 september 2012, in elk geval op of omstreeks 19 september 2012, te Axel, in de gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, een hoeveelheid messen (merk: Victorinox) en/of scharen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die messen en/of die scharen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof in navolging van de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe, dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde inbraak. Verdachte ontkent die inbraak te hebben gepleegd. Volgens verdachte heeft hij de bij zijn aanhouding bij hem aangetroffen messen gekocht van een voor hem onbekende Turkse man en was hij in de nacht dat de inbraak is gepleegd thuis in bed, samen met zijn vrouw. Zijn toenmalige echtgenote, [getuige 1] , heeft dit laatste bevestigd. De getuige [getuige 2] heeft weliswaar in die nacht, nadat zij wakker was geworden door glasgerinkel, in de brandgang nabij het bedrijf van [slachtoffer 2] een man gezien met een fiets en een hond, welke fiets en hond overeenkomsten vertonen met die van verdachte, maar dat acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring van inbraak te komen. Technisch bewijs dat in de richting van verdachte wijst ontbreekt en ook zijn er geen getuigen die verdachte die nacht hebben herkend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 12-700520-12:

1:

hij op 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel in de gemeente Terneuzen, op de openbare weg, de Eisenhowerlaan, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi Carisma, kleur grijs) en autosleutel(s) van die personenauto en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader die personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel en welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, die [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het (achter) hoofd heeft geslagen en gestompt en op het achterhoofd van die, alstoen op de grond liggende, [slachtoffer] is gaan slaan en vervolgens die [slachtoffer] een eind over de grond heeft gesleept naar diens auto en die [slachtoffer] daarna met kracht in de kofferbak van die personenauto heeft gegooid;

2:

hij op tijdstippen op 23 oktober 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Axel en elders in de gemeente Terneuzen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld, [slachtoffer] te dwingen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de bij diens bankpas behorende pincode,

toebehorend aan die [slachtoffer] , samen met zijn mededader telkens op dwingende toon tegen die [slachtoffer] te schreeuwen dat hij zijn pincode moest geven en vervolgens telkens met kracht op het hoofd en overig lichaam van die [slachtoffer] te slaan en stompen en met kracht één of meer vingers van de hand van die [slachtoffer] achterover te drukken/te overstrekken en met een mes een groot deel van een oor van die [slachtoffer] af te snijden, hetwelk zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid;

3:

hij op 23 oktober 2012 in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met kracht met een mes zeventienmaal, onder andere in het hart en de longen gestoken ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

4:

hij op tijdstippen op 23 oktober 2012 te Axel in de gemeente Terneuzen tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning, gelegen aan de [straat] , goederen, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

5:

hij op tijdstippen op 23 oktober 2012 te Axel, gemeente Terneuzen, telkens ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meer geldbedrag(en), toebehorende aan [slachtoffer] , en zich daarbij telkens die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met zijn mededader telkens met een bankpas, staande op naam van die [slachtoffer] naar een pinautomaat van de Rabobank, gelegen aan de Noordstraat is gegaan en telkens die pinpas in die pinautomaat heeft gedaan en meermalen een pincode heeft ingevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 12-715334-12 (gevoegd):

1:

hij op een tijdstip in de periode van 17 september 2012 tot en met 19 september 2012, te Axel, in de gemeente Terneuzen, een hoeveelheid messen (merk: Victorinox) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die messen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer

12-700520-12 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer

12-715334-12 onder 1 subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1 en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

In de zaak met parketnummer 12-700520-12

De verdediging heeft op de gronden als nader in haar pleitnota verwoord (primair) integrale vrijspraak bepleit. Deze gronden komen – zeer kort samengevat – op het volgende neer.

In de eerste plaats was de aanhouding van verdachte onrechtmatig. Verdachte is aangehouden als verdachte van artikel 312, eerste en/of tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl niet duidelijk is op welke feiten en omstandigheden deze verdenking was gebaseerd. Ten tijde van de aanhouding van verdachte was nog niet bekend waar het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , was. Het was zeer wel mogelijk dat [slachtoffer] zelf achter het stuur zat van de auto van waaruit verbalisant [verbalisant 1] een passagier – naar later bleek verdachte – zag uitstappen en dat er met [slachtoffer] dus niets aan de hand was. Er was daarom geen reden om verdachte aan te houden. Hij is bovendien op heterdaad aangehouden, terwijl er geen sprake was van doorlopende onderzoekshandelingen.

Kortom, ten tijde van de aanhouding van verdachte bestond er jegens hem onvoldoende verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Er is daarom sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De als gevolg van de onrechtmatige aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen op die grond te worden uitgesloten van het bewijs.

Verdachte is niet betrokken is geweest bij de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft gelogen over de rol van verdachte hierbij. De verklaringen van [medeverdachte] zijn niet betrouwbaar. Hij heeft inconsistent en tegenstrijdig verklaard. In detentie heeft [medeverdachte] verklaard dat hij de moord op [slachtoffer] alleen heeft gepleegd. Twee geestelijk verzorgers uit de penitentiaire inrichting waar hij gedetineerd zat, die zouden kunnen verklaren over wat [medeverdachte] in hun bijzijn heeft verteld, zijn als getuigen in hoger beroep opgeroepen, maar hebben geweigerd een verklaring af te leggen. De verdediging is daarom ten aanzien van deze twee getuigen een adequate en effectieve ondervragingsmogelijkheid ontnomen.

De rechtbank is voorts ten onrechte voorbijgegaan aan de voor verdachte ontlastende verklaringen van de getuige [getuige 3] , de moeder van verdachte en diens broer. Uit die verklaringen blijkt dat verdachte een alibi had. Die verklaringen ondersteunen bovendien het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst.

Uit de resultaten van het DNA-onderzoek blijkt niet dat verdachte in aanraking is geweest met het slachtoffer. Indien het hof toch op basis van een zwak DNA-profiel van verdachte op de spijkerbroek van het slachtoffer tot het oordeel zou komen dat verdachte met het slachtoffer in aanraking is geweest, dan verzoekt de verdediging om een nader DNA-onderzoek op bron- en activiteitenniveau te laten verrichten, om antwoord te kunnen geven op de vraag hoe het zwakke profiel van verdachte op de broek van het slachtoffer kan zijn gekomen.

Wanneer het hof van oordeel zou zijn dat verdachte wel is betrokken bij de ten laste gelegde feiten, dan geldt het volgende. Bij feit 1 kunnen zowel de mishandelingscomponent als de wegneemcomponent niet worden bewezen. Dat geldt ook voor feit 2. Voor feit 3 primair ontbreekt de voorbedachte raad. Er zou hooguit sprake kunnen zijn van het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde doodslag. Feit 4 kan niet worden bewezen, omdat er geen bewijs is dat verdachte in de woning van het slachtoffer is geweest. Voor een bewezenverklaring van feit 5 ontbreekt het opzet en de wederrechtelijkheid, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent – voor een deel overeenkomstig de rechtbank – het volgende.

Onrechtmatig verkregen bewijs bij gebrek aan een (voldoende) verdenking jegens verdachte?

Uit het dossier blijkt dat de eerste melding over een verdachte situatie op 23 oktober 2012 om 01.15 uur bij de politie binnenkomt. In het park aan de Eisenhowerlaan te Axel zou een blaffende hond rondlopen.2 Om 01.45 uur is door de ter plaatse gegane verbalisanten

[verbalisant 2] en [verbalisant 3] in dat park een hond, een hondenriem en een pet aangetroffen.3 Een daar aanwezige getuige verklaarde tegenover verbalisant [verbalisant 2] dat hij de hond herkende als de hond van een oudere man, van 60 – 70 jaar, van wie de auto altijd stond op de plaats waar nu de politieauto's stonden.

Omstreeks 02.20 uur zag verbalisant [verbalisant 2] op een pad in het park ook een bloedspoor, dat leidde naar een bloedplas op de rijbaan, ter hoogte van de politieauto's.4

Omstreeks 02.40 uur kwam verbalisant [verbalisant 1] ter plaatse, die in de nabijheid van deze locatie woonde. Hij wist dat een oudere man daar vaak zijn hond uitliet. Hij vermoedde dat die hond van die man was. Hij wist ook, dat die man altijd met een auto kwam, een grijze personenauto van het merk Mitsubishi, die hij steeds parkeerde voor de hoekwoning aan het begin van de Eisenhowerlaan, op de plaats waar nu een plas bloed lag.

Van de meldkamer kreeg verbalisant [verbalisant 1] door dat het vermoedelijk ging om [slachtoffer] was, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te Axel, die een grijze Mitsubishi Carisma met het kenteken [kenteken] op zijn naam had staan.5 Rond 03.09 uur werd geconstateerd dat die auto zich niet bij die woning bevond.6

Verbalisant [verbalisant 1] is naar de woning aan de [adres] te Axel gegaan en is omstreeks 03.25 uur met een sleutel die collega's van de buren hadden gekregen de woning binnengetreden.7 In de woning constateerde hij onder meer dat laden en deuren van kasten geopend waren, dat er spullen op de grond lagen en dat alles doorzocht leek. Door hem werd niemand in de woning aangetroffen.8

Rond 03.30 uur werden de hond en de pet herkend als de hond en de pet van [slachtoffer] .9

Omstreeks 05.55 uur zag verbalisant [verbalisant 1] , die ondertussen op weg was naar huis, de auto van [slachtoffer] rijden. Hij zag dat de auto richting het motorcrossterrein aan de Lageweg te Axel reed en net voor het bruggetje stopte, waarna direct een manspersoon uitstapte aan de bijrijderskant. Toen verbalisant [verbalisant 1] achter die auto stopte, reed die auto meteen weg. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens samen met de inmiddels ook ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant 3] de genoemde manspersoon aangehouden als verdachte van artikel 312, eerste en/of tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.10

Het hof is van oordeel dat wanneer de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden (kort gezegd: de in het park aangetroffen, alleen achtergelaten hond, hondenriem en pet van [slachtoffer] , in combinatie met het bloedspoor op het pad, de bloedplas op de rijbaan, de overhoop gehaalde woning van [slachtoffer] , zijn auto die weg was en het feit dat [slachtoffer] zelf niet is aangetroffen) in onderling verband en in samenhang worden bezien, hieruit jegens de passagier van de auto – naar later bleek verdachte – een redelijk vermoeden van schuld voortvloeide aan een vorm van – kort gezegd – diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht of enig ander strafbaar feit ten aanzien van [slachtoffer] . De stelling van de verdediging dat het ten tijde van de aanhouding van verdachte zeer wel mogelijk was dat [slachtoffer] zelf de bestuurder van de auto was en er met hem dus niets aan de hand was, wordt door het hof als niet aannemelijk ter zijde geschoven, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden.

Dit redelijk vermoeden kon daarom aanleiding vormen voor verdere opsporingshandelingen.

Gelet op de geschetste keten aan opsporingsactiviteiten in de nacht van 23 oktober 2012, in combinatie met het relatief korte tijdsbestek waarbinnen een en ander zich heeft afgespeeld, was naar het oordeel van het hof ten tijde van de aanhouding van verdachte sprake van een heterdaadsituatie als bedoeld in artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisanten waren daarom op grond van artikel 53, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegd de verdachte aan te houden. Overigens, ook als geen sprake zou zijn geweest van een heterdaadsituatie mochten de verbalisanten verdachte aanhouden krachtens artikel 54, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het optreden van een officier van justitie of een hulpofficier van justitie niet kon afgewacht. Verdachte had er immers vandoor kunnen gaan.

Kortom, van een onrechtmatige aanhouding is het hof niet gebleken. Nu naar het oordeel van het hof geen sprake was van een onrechtmatige aanhouding, behoeft de vraag of deze aanhouding al dan niet heeft geleid tot eventueel onrechtmatig verkregen bewijs geen bespreking. Het feit dat verbalisant [verbalisant 1] ervoor heeft gekozen om alleen de passagier van de auto – verdachte – aan te houden en niet achter de bestuurder van de auto aan te gaan – hetgeen het hof met de rechtbank overigens begrijpelijk acht omdat die auto direct na het uitstappen van de passagier wegreed – doet hieraan niet af.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van [medeverdachte]

De verdediging heeft aangevoerd dat de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn, daarom als kennelijk leugenachtig bestempeld dienen te worden en

om die reden niet tot het bewijs kunnen dienen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zijn verklaringen onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, zijn verklaringen wisselend zijn en innerlijke tegenstrijdigheden bevatten en zijn verklaringen onwaar en soms zelfs fysiek onmogelijk zijn.

Het hof overweegt hieromtrent grotendeels overeenkomstig de rechtbank het volgende.

Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat [medeverdachte] vlak na het gebeuren over

daderwetenschap beschikte. Zo heeft hij aan [getuige 4] verteld dat hij heeft gehoord dat

het slachtoffer op gruwelijke wijze om het leven is gekomen. Het slachtoffer zou 28

messteken hebben gekregen, hem zou een oor zijn afgesneden en er zou met een voorwerp op zijn hoofd zijn geslagen. [getuige 4] en [getuige 5]11 zouden dit verhaal op 24 oktober

2012 of 25 oktober 2012 van [medeverdachte] hebben gehoord.12 [getuige 6] heeft verklaard

dat hij op 26 oktober 2012 van [medeverdachte] heeft gehoord dat hij die dag bij de politie is

geweest. De politie zou hem foto's van het slachtoffer hebben laten zien. [medeverdachte] wist te

vertellen dat het slachtoffer 28 messteken had en dat zijn ogen helemaal dicht gestompt

waren.13 Het hof merkt op dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] op 26 oktober 2012

nog niet was aangehouden en ook nog niet met de politie had gesproken over onderhavige

zaak en dat hij dus geen foto's van het incident gezien kan hebben. Hiernaast heeft [getuige 3]

verklaard dat [medeverdachte] haar heeft verteld dat hij bij de politie foto's heeft gezien van

het slachtoffer. [getuige 5] had 28 messteken opgelopen, het hoofd van [getuige 5] was

opgezwollen en er was een oor afgesneden.14

Uit Whatsapp-berichten tussen [getuige 7] en [zus van verdachte] van 24 oktober 2012 blijkt dat [medeverdachte] tegen [zus van verdachte] heeft gezegd dat er veel bloed en tanden lagen.15 [medeverdachte] heeft deze kennis, zo vlak na het gebeuren, op geen enkele andere wijze kunnen verkrijgen dan er zelf bij aanwezig te zijn geweest. [medeverdachte] heeft hierover zelf verklaard dat het zou kunnen dat hij zijn kennis van het voorval met anderen heeft gedeeld.16

[medeverdachte] heeft gedurende het opsporingsonderzoek meerdere verklaringen afgelegd. Vanaf

zijn verhoor bij de politie op 9 november 2012 heeft hij een in grote lijnen dezelfde en voor

verdachte belastende verklaring afgelegd in die zin dat verdachte de initiator

was en ook de geweldshandelingen heeft gepleegd.17 Deze verklaringen zijn in de kern

consistent en gedetailleerd en stemmen bovendien op essentiële onderdelen overeen met de

inhoud van het hierna te bespreken technisch onderzoek (waaronder het Interdisciplinair rapport (epicrise) van het NFI) en andere zich in het dossier bevindende en hierna nader te noemen bewijsmiddelen (waaronder ook verklaringen van verdachte zelf).

[medeverdachte] is ter terechtzitting van de rechtbank van 23 maart 2015 in de zaak van verdachte als getuige gehoord. Bij die gelegenheid heeft [medeverdachte] een aantal vragen beantwoord en voor het overige gebruik gemaakt van zijn verschoningsrecht. Ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015 heeft [medeverdachte] een verklaring afgelegd in zijn eigen zaak, welke verklaring op verzoek van de raadsman van verdachte ook in diens zaak is gevoegd. [medeverdachte] is vanaf 9 november 2012 op geen enkel moment teruggekomen op zijn voor verdachte belastende verklaring, ook niet ter terechtzitting van het hof op 16 november 2018.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] met betrekking tot de nacht van 22 op 23 oktober 2012 geen reëel tijdsbesef heeft en dat hij niet kan aangeven wanneer de door hem beschreven handelingen precies – dus met tijdstippen erbij – hebben plaatsgevonden. De verklaring die hij daarvoor heeft gegeven, te weten het vele cocaïnegebruik die avond en nacht, acht het hof plausibel. Dit maakt zijn verklaringen niet meteen onbetrouwbaar aangezien, zoals hiervoor is opgemerkt, de door hem beschreven gebeurtenissen op diverse onderdelen worden ondersteund door ander, waaronder objectief verifieerbaar bewijsmateriaal.

[medeverdachte] heeft op enkele punten een wisselende verklaring afgelegd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die wisselingen niet zodanig zijn dat de verklaringen die hij op en na 9 november 2012 heeft afgelegd als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden. Deze

wisselingen kunnen ook verklaard worden door de hoeveelheid cocaïne die [medeverdachte] in de

nacht van 22 op 23 oktober 2012 tot zich zegt te hebben genomen. Dat [medeverdachte] ter

terechtzitting van de rechtbank op 23 maart 20l5 en 16 april 2015 en ter terechtzitting van het hof op 16 november 2018 niet op alle punten tot in detail hetzelfde heeft verklaard als bij de politie is voorts niet onbegrijpelijk gelet op het tijdsverloop en doet aan de kern van zijn verklaring niets af.

Het hof komt daarom met de rechtbank tot de slotsom dat, nu de genoemde verklaringen van [medeverdachte] steun vinden in objectieve, verifieerbare bewijsmiddelen, die verklaringen voldoende geloofwaardig en betrouwbaar zijn om deze te bezigen voor het bewijs.

In hoger beroep heeft de verdediging nog aangevoerd dat [medeverdachte] , nadat hij zelf onherroepelijk door de rechtbank was veroordeeld voor zijn rol bij de onderhavige feiten, tijdens zijn detentie in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht aan medegedetineerden en twee geestelijk verzorgers die in die inrichting werkzaam waren, heeft verteld dat hij – [medeverdachte] – de moord alleen heeft gepleegd. De verdediging heeft in dit kader gewezen op de in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 8] d.d. 30 juni 2016, [getuige 9] d.d. 3 mei 2018 en [getuige 10] d.d. 18 mei 2018.

Het hof stelt echter vast dat uit deze getuigenverklaringen niet blijkt dat [medeverdachte] in de penitentiaire inrichting heeft verteld dat hij de moord op [slachtoffer] alleen heeft gepleegd of dat verdachte er in elk geval niet bij betrokken was en daarom ten onrechte is veroordeeld. De verhalen die [medeverdachte] volgens die getuigen tijdens zijn detentie zou hebben verteld over de feiten waarvoor hij vastzit, zijn voorts wisselend en weinig concreet. Bovendien komen zij niet overeen met het hierna te bespreken andere, objectieve bewijsmateriaal. Het hof gaat daarom aan die getuigenverklaringen voorbij.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Verschoningsrecht geestelijk verzorgers penitentiaire inrichting

In hoger beroep heeft de verdediging ook verzocht om de twee hiervoor bedoelde geestelijk verzorgers uit de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten als getuigen te horen over wat [medeverdachte] in hun bijzijn zou hebben verteld over wie verantwoordelijk was voor de dood van [slachtoffer] . Het betreft een humanistisch en een boeddhistisch geestelijk verzorger. Deze getuigen zijn in hoger beroep driemaal opgeroepen om een verklaring af te leggen, eenmaal bij de raadsheer-commissaris en tweemaal ter terechtzitting van het hof. Zij zijn telkens verschenen, maar hebben geweigerd om inhoudelijk een verklaring af te leggen en hebben zich beroepen op hun verschoningsrecht.

De verdediging is van mening dat deze getuigen niet zijn aan te merken als geestelijken, dat hun daarom geen beroep op het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering toekomt en dat de verdediging, nu deze twee getuigen telkens hebben geweigerd om te verklaren, een adequate en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van hen is ontnomen.

Zoals het hof reeds ter terechtzitting van 16 november 2018 heeft overwogen en beslist, is het hof van oordeel dat de beide getuigen, als geestelijk verzorgers, gelet op de aard en de inhoud van die functie, gelijk moeten worden gesteld met een geestelijke. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de getuigen als humanistisch respectievelijk boeddhistisch geestelijk verzorger zijn benoemd. De getuigen kunnen zich daarom op grond van de wet beroepen op het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering. Als verschoningsgerechtigden moet de getuigen daarbij een eigen afweging van belangen verrichten. De getuigen hebben ervoor gekozen het verschoningsrecht niet te doorbreken en geen enkele inhoudelijke vraag in deze zaak te beantwoorden. Het hof dient die beslissing te respecteren. Het maakt voor het oordeel van het hof geen verschil of in dit geval de betreffende wetenschap is verkregen tijdens een persoonlijk of een groepsgesprek. Ook aan het groepsgesprek neemt de geestelijk verzorger uit dien hoofde deel. Hetgeen de geestelijk verzorger tijdens een groepsgesprek is toevertrouwd, valt daarom eveneens onder het verschoningsrecht.

Het hof gaat er van uit dat in de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van de getuige, zoals gegarandeerd op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ontbreekt (vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017). Het gaat in casu bij de geestelijke verzorgers om twee getuigen à decharge, die zich op grond van een wettelijk voorschrift op hun verschoningsrecht hebben beroepen. De betreffende getuigen hebben in het kader van dit onderzoek geen enkele inhoudelijke verklaring afgelegd in welk stadium van de procedure dan ook. De verklaringen van deze getuigen zijn dan ook niet van belang voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten, laat staan dat deze verklaringen 'the sole or decisive basis' zouden zijn voor de bewijsvoering (vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, Schatschaschwili tegen Duitsland, r.o. 107, onder ii en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015). Deze verklaringen zouden wel van belang kunnen zijn in ontlastende zin. Om die reden heeft de verdediging om het horen van deze getuigen gevraagd. Echter, ook in ontlastende zin zouden de getuigen geen doorslaggevende rol kunnen hebben gespeeld in de bewijsvoering. De getuigen zouden immers slechts kunnen worden bevraagd over hetgeen medeverdachte [medeverdachte] hun mogelijk tijdens zijn detentie zou hebben verteld. Het gaat derhalve niet om getuigen die rechtstreeks kennis dragen van de feiten, maar om mogelijke verklaringen van-horen-zeggen. De bron van hetgeen door deze getuigen zou kunnen worden verklaard, is gelegen in de medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] zelf en andere gedetineerden zijn, zoals hierboven reeds is geschetst, in hoger beroep bevraagd over hetgeen door [medeverdachte] in detentie naar voren zou zijn gebracht. De verdediging heeft derhalve de op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM bestaande aanspraak om op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen, kunnen effectueren.

Het hof is dan ook van oordeel dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden door het feit dat beide geestelijk verzorgers zich op het verschoningsrecht hebben beroepen.

Zoals hierboven reeds is betoogd, zijn de verhalen van [medeverdachte] in detentie wisselend en weinig concreet, zodat het hof daaraan voorbijgaat. In plaats daarvan hecht het hof geloof aan hetgeen [medeverdachte] kort na de gebeurtenissen gedetailleerd tegenover de politie heeft verklaard, hetgeen overeenkomt met onder meer het aangetroffen technisch bewijsmateriaal.

De feiten

Het hof gaat op grond van de gebruikte bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten

en omstandigheden.

a. Melding, eerste opsporingsactiviteiten en aantreffen slachtoffer

Hiervóór zijn onder het kopje 'Onrechtmatig verkregen bewijs bij gebrek aan een (voldoende) verdenking jegens verdachte?' reeds de feiten uiteengezet van de eerste melding op 23 oktober 2012 tot en met de aanhouding van verdachte op diezelfde datum. Deze feiten gelden als hier herhaald en ingelast.

Halverwege de ochtend werd, na een melding van een getuige, omstreeks 09.40 uur18 een

levenloos lichaam in een sloot aan de Vissersverkorting te Westdorpe aangetroffen.19 Het

lichaam werd door twee goede bekenden herkend als het lichaam van [slachtoffer] .20

Het hof stelt op basis van de verklaring van [getuige 11] , de overbuurman van [slachtoffer] , vast dat [slachtoffer] op 23 oktober 2012 omstreeks middernacht nog in leven was en zijn hond ging uitlaten. Immers, [getuige 11] heeft verklaard dat hij rond middernacht het licht in de hal van de woning van [slachtoffer] zag aangaan. Dit was voor hem het signaal dat [slachtoffer] zijn hond ging uitlaten.21 De personenauto van [slachtoffer] stond op dat moment voor de deur.22 Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] rond middernacht in het park aan de Eisenhowerlaan moet zijn aangekomen.

b. Sectie

De radioloog heeft voorafgaand aan de sectie op het lichaam van [slachtoffer] fracturen van de

jukbeenboog en het neusbeen waargenomen, alsmede defecten in de ribben.

Bij de sectie werd door de patholoog het volgende vastgesteld. Er waren aan beide zijden in

het gezicht, rondom de ogen, op de neus, op de kruin en links en rechts zijwaarts in de

behaarde hoofdhuid, en aan de strekzijde van beide armen, beide polsen en beide handen en

vingers, grote gebieden van onderhuidse bloeduitstortingen met begeleidende

huidkneuzingen en met soms begeleidende onderhuidse zwellingen. Deze letsels zijn

ontstaan als gevolg van meermalen bij leven opgelopen heftig botsend uitwendig inwerkend

geweld. Volgens de patholoog kunnen deze letsels zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld hard

slaan/stompen met de handen of een voorwerp, maar ook schoppen met een (geschoeide)

voet kan niet worden uitgesloten. De letsels aan de armen kunnen bijvoorbeeld zijn

veroorzaakt door stevig vastpakken. Verder werd een scherprandige separatie van een groot deel van de linkeroorschelp vastgesteld.

In totaal heeft de patholoog ongeveer 17 bij leven opgelopen scherprandige perforaties,

klievingen, steek- en snijverwondingen op het lichaam waargenomen, waarvan een groot

deel zich links voor aan de borst bevond, dicht bijeen en vaak parallel aan elkaar verlopend

en onder elkaar gesitueerd dwars op de lengteas van het lichaam. Het hart en de linkerlong

zijn daarbij meermalen geraakt. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van

uitwendig mechanisch scherprandig klievend snijdend geweld zoals door een of meer

messen kan zijn veroorzaakt. De torpedovorm van enkele van de steekletsels past bij het

steken met een eenzijdig snijdend mes.

De patholoog concludeert voorts dat de steekletsels aan hart en linkerlong aanleiding hebben

gegeven tot massaal bloedverlies en functieverlies van het hart en de linkerlong en dat het

overlijden daardoor zonder meer wordt verklaard.23

c. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit

Op 22 oktober 2012, omstreeks 14.30 uur, is medeverdachte [medeverdachte] volgens zijn verklaring, bij [getuige 5] aangekomen.24 Uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt verder het volgende. Verdachte was tussen 15.00 uur en 16.30 uur ook bij [getuige 5] . Verdachte heeft die middag tegen [medeverdachte] gezegd dat die om 20.30 uur bij hem moest zijn. Verdachte maakte daarbij een beweging alsof hij een stuur vasthield. [medeverdachte] trok hieruit de conclusie dat verdachte een auto had geregeld. Er was namelijk eerder die week door hen een plan gemaakt om, met een auto, ergens te gaan inbreken, aldus [medeverdachte] .25

[medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij rond 20.30 uur op zijn zwart-witte Cube (fiets) naar het huis van verdachte is gefietst. Op het moment dat hij daar aankwam, was verdachte volgens [medeverdachte] niet thuis.26 Dit wordt bevestigd door [getuige 12] .27 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij daar heeft gewacht en toen verdachte niet kwam, hij om 21.36 uur met de huistelefoon van verdachte naar diens GSM heeft gebeld28, hetgeen wordt bevestigd door de telefoongegevens.29

[medeverdachte] heeft daarnaast het volgende verklaard. Hij is op aanwijzing van verdachte naar het parkje gefietst, gelegen op de hoek van de Karel Doormanlaan en de Groen van Prinsterenlaan te Axel (hierna: het kleine park) en heeft daar op verdachte gewacht.30 Bij het kleine park heeft [medeverdachte] verdachte ontmoet en samen zijn zij doorgelopen naar het park aan de Eisenhowerlaan te Axel, dat ook grenst aan de Rooseveltlaan (hierna: het grote park). Terwijl [medeverdachte] doorliep, heeft verdachte de fiets van [medeverdachte] bij zijn eigen moeder weggezet. Ook verdachte heeft verklaard dat hij de fiets van [medeverdachte] bij zijn moeder heeft weggezet. Volgens verdachte is hij vervolgens doorgelopen naar het grote park, zag hij daar [medeverdachte] zitten en is hij naast hem gaan zitten.31

Omstreeks 22.45 uur zag getuige [getuige 13] [medeverdachte] op een bankje in het park zitten. [medeverdachte] heeft tegen getuige [getuige 13] gezegd dat hij om 22.00 uur had afgesproken en dat zijn maat te laat was.32 Omstreeks 23.30 uur zag getuige [getuige 14] één man op een bankje zitten.33 Een kwartier later zag getuige [getuige 15] twee personen op een bankje zitten, waarbij een van beide personen zou hebben gezegd: 'Mooi weer'.34 Verdachte heeft verklaard dat hij, terwijl hij daar op een bankje zat, tegen een man heeft gezegd dat het mooi weer was voor de tijd van het jaar.35 [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat verdachte uit het park weg is geweest om coke te gaan halen.36

Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt verder het volgende. Toen verdachte terugkwam in het grote park, hoorde [medeverdachte] een geluid uit de telefoon van verdachte komen. [medeverdachte] heeft aan verdachte gevraagd wat voor geluid dat was, waarop verdachte antwoordde dat dit betekende dat hij zijn telefoon nog op vliegtuigmodus moest zetten.37 Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt dat er tussen 22 oktober 2012, 23.30 uur en

23 oktober 2012, 04.38 uur, geen berichten op diens telefoon zijn binnengekomen.38

[getuige 12] heeft verklaard dat zij om 00.12 uur nog een bericht naar verdachte heeft gestuurd,39 welk bericht pas later – namelijk wellicht om 04:38 uur – is aangekomen.40

De politie heeft bevestigd dat ten tijde van het onderzoek naar de telefoon van verdachte, deze zich in vliegtuigmodus bevond.41

[medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij in het grote park aan verdachte heeft gevraagd hoe het nu zat met de auto, waarop verdachte antwoordde dat ze even moesten wachten omdat er tussen 23.00 uur en 02.00 uur een man zijn hondje zou komen uitlaten en deze man zijn auto op de hoek zou parkeren.42 Wanneer deze man aan zou komen lopen, zou [medeverdachte] , zoals hij heeft verklaard, hem moeten afleiden en zou verdachte de auto wegnemen.43 [medeverdachte] heeft hieromtrent het volgende verklaard. Wanneer de sleutels niet in het contact zaten, zou verdachte deze man, die [slachtoffer] zou blijken te zijn, een duw geven en zou hij de sleutels van de auto pakken.44

Tijdens het wachten op [slachtoffer] heeft verdachte de fiets van [medeverdachte] bij zijn moeder gehaald om coke te halen en na terugkomst in het grote park heeft hij die achter de heg bij de hondenren weggezet, aldus [medeverdachte] .45

Het broertje van verdachte, [broer van verdachte] , heeft bevestigd dat verdachte tussen 23.00 uur en 00.00 uur de fiets van [medeverdachte] is komen halen.46

Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt verder het volgende. Toen [slachtoffer] uiteindelijk in het grote park arriveerde, is verdachte hem van achteren genaderd, terwijl [medeverdachte] hem bezighield.47 Verdachte nam een spurt en haalde meteen met volle kracht uit op het achterhoofd van [slachtoffer] .48 [slachtoffer] ging knock-out49 en verdachte bleef volgens [medeverdachte] 'als een wild beest op die man (…) kloppen'.50 Het hoofd van [slachtoffer] stuiterde bij iedere klap op de grond alsof het een basketbal was. Dit heeft zo'n twee tot drie minuten geduurd.51 Verdachte heeft [slachtoffer] naar de auto van [slachtoffer] gesleurd en heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat hij de kofferbak open moest doen. Verdachte heeft hiervoor de sleutels aan [medeverdachte] gegeven.52 Verdachte heeft [slachtoffer] in de kofferbak gedaan en [medeverdachte] heeft het been en de hand van [slachtoffer] naar binnen geschoven, aldus [medeverdachte] .53

[medeverdachte] heeft voorts verklaard dat verdachte tegelijk met de autosleutels de portefeuille van [slachtoffer] met daarin een pinpas heeft weggenomen.54

Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat, nadat [slachtoffer] in de kofferbak was gelegd, [medeverdachte] als bestuurder in de auto van [slachtoffer] is gestapt. Volgens [medeverdachte] zat verdachte op dat moment naast hem op de passagiersstoel55 en vervolgens zijn ze weggereden.56

Ter plaatse is forensisch sporenonderzoek verricht. Tegenover de woning aan de Eisenhowerlaan 26 te Axel werd op het trottoir aan de zijde van het grote park een veegpatroon met bloed aangetroffen. Naast dit veegpatroon werden op het trottoir en op de

rijbaan met bloed gestempelde schoenspoorfragmenten aangetroffen. Deze sporen zijn bemonsterd en veiliggesteld, onder andere een bloedvlek op de rijbaan onder SIN-nummer

AAFQ2236NL.57 Door het Nederlands Forensisch Instituut (verder: het NFI) werd in de

bemonstering van deze bloedvlek bloed aangetroffen en veiliggesteld onder SIN-nummer

AAFQ2236NL#01.58 Uit het bloedspoor is een DNA-profiel gedestilleerd dat afkomstig kan

zijn van [slachtoffer] . Volgens het NFI is de kans dat een willekeurig persoon hetzelfde DNA-profiel heeft als aangetroffen in het bloedspoor kleiner dan één op één miljard.59

Er is door de forensisch onderzoekers verder onderzoek verricht naar aanleiding van het aangetroffen veegpatroon met bloed op de stoep bij het grote park en de met in bloed gestempelde schoenspoorfragmenten. Geconstateerd is dat met betrekking tot de

schoenspoorfragmenten een aftekening op de rijbaan zichtbaar was waaruit blijkt dat er een

voorwerp – waarvan de afmetingen passen bij bijvoorbeeld een personenauto – heeft gestaan waar omheen is gelopen met bebloede schoenen.60 Uit vergelijkend onderzoek is de conclusie getrokken dat de met bloed gestempelde schoensporen mogelijk veroorzaakt zijn met de linkerschoen van verdachte.61 In één van deze bloedsporen werd een bebloed fragment aangetroffen dat werd herkend als een mogelijk afgebroken deel van een gebitsprothese.62

Ter hoogte van de tweede lantaarnpaal in het grote park werd een aantal voorwerpen van [slachtoffer] aangetroffen. Hierbij werd ook een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor is bemonsterd en veiliggesteld onder SIN-nummer AAFQ2274NL.63 Door het NFI werd in deze bemonstering bloed aangetroffen en veiliggesteld onder SIN-nummer AAFQ2274NL#01. Het DNA-profiel uit deze bemonstering kan afkomstig zijn van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.64

Door het NFI is een vergelijkend onderzoek tussen proefafdrukken gemaakt met de

linkerschoen van verdachte en de in bloed gestempelde schoensporen uitgevoerd. De

conclusie van het NFI luidt dat het zeer veel waarschijnlijker is wanneer deze schoensporen

veroorzaakt zijn met de linkerschoen van verdachte, dan wanneer ze veroorzaakt zijn

door een willekeurige andere linkerschoen van verdachten van misdrijven in Nederland.65 De omstandigheid dat dit een veel voorkomende schoen is in Nederland, zoals verdachte ter terechtzitting van het hof op 14 januari 2019 heeft aangevoerd, doet hieraan niet af. Uit het onderzoek komt naar voren dat het bij het uitgevoerde onderzoek niet zozeer gaat om het soort schoen waarmee de vergelijking wordt gemaakt, maar in het bijzonder van belang is de bijzondere (slijt)kenmerken van de schoen.

Deze onderzoeksresultaten ondersteunen de verklaring van [medeverdachte] over de aanwezigheid

en betrokkenheid van verdachte.

In het verlengde van het bloedspoor op het trottoir werd in het gras een sleepspoor van een

object met een breedte van ongeveer 67 centimeter waargenomen. Dit sleepspoor begon in

het gras ter hoogte van de tweede lantaarnpaal in het grote park en in het sleepspoor werd op

meerdere afzonderlijke afstanden bloed aangetroffen.66 [medeverdachte] heeft verklaard dat, nadat

[slachtoffer] op de grond lag, verdachte hem bij diens enkels over het gras heeft getrokken

richting de auto.67

d. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit

[medeverdachte] heeft het volgende verklaard. Nadat [slachtoffer] in de kofferbak was gelegd, is hij

– [medeverdachte] – als bestuurder in de auto van [slachtoffer] gestapt. Verdachte zat op dat moment naast hem op de passagiersstoel.68 [medeverdachte] is weggereden, maar bedacht zich na korte tijd dat zijn fiets nog in het grote park stond. Verdachte is toen uitgestapt en is naar de fiets van [medeverdachte] gelopen, aldus [medeverdachte] .69 Getuige [getuige 16] heeft verklaard dat zij op 23 oktober 2012 omstreeks 00.20 uur naar aanleiding van een blaffende hond uit het raam keek. Zij zag een persoon bij het bankje bij het hondenuitlaatterrein. Deze persoon pakte een witte tas op, gooide die over zijn rechterschouder en zij hoorde dat hij daarbij vloekte. Vervolgens stapte de persoon op een fiets en fietste het park uit. Zij schatte de persoon ongeveer 30 à 35 jaar oud. Hij was kaal of had heel kort haar.70 Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat het goed kan zijn dat hij degene is geweest die getuige [getuige 16] daar en toen heeft gezien.71

Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt verder het volgende. [medeverdachte] is, nadat verdachte was uitgestapt om de fiets in het park op te halen, op aanwijzingen van verdachte, met [slachtoffer] in de kofferbak doorgereden in de richting van de Lageweg te Axel. Hij heeft de auto op het zandpaadje aan de rechterkant voor de brug over de grote kreek geparkeerd en is op een gegeven moment uitgestapt om het geluid niet te horen van een man die veel pijn had.

Nadat verdachte de fiets van [medeverdachte] bij hem (verdachte) thuis had gezet, kwam verdachte volgens [medeverdachte] een kleine vijf minuten later op zijn eigen damesfiets aan bij de brug aan de Lageweg en heeft hij deze tegen de reling van de brug gezet.72

Omtrent de fiets overweegt het hof het volgende. Verdachte is op 23 oktober 2012 omstreeks 06.00 uur op de brug bij de Lageweg te Axel aangehouden nadat hij uit de auto van [slachtoffer] was gestapt en een tegen de brug geparkeerde fiets had gepakt.73 Verdachte heeft verklaard dat dit zijn fiets was, dat hij zich niet kan herinneren wanneer hij die daar heeft neergezet, maar dat dit waarschijnlijk ergens in die nacht is geweest,74 hetgeen past in de verklaring van [medeverdachte] . Ook de verklaring van [getuige 1] , de toenmalige echtgenote van verdachte, ondersteunt de verklaring van [medeverdachte] met betrekking tot de fietsen. Zij heeft namelijk verklaard dat verdachte op 22 oktober 2012 tussen 20.00 uur en 22.00 uur de woning heeft verlaten. Zij heeft hem 's nachts nog horen rommelen in de kelderkast. De volgende ochtend trof zij de fiets van [medeverdachte] aan in de achtertuin van hun woning. De moeder van verdachte is de fiets op 24 oktober 2012 op komen halen.75

Over het vervolg heeft [medeverdachte] het volgende verklaard. Nadat verdachte zijn fiets tegen de reling van de brug had gezet, kwam hij naar de auto van [slachtoffer] gelopen, waarna zij beiden zijn ingestapt; [medeverdachte] weer aan de bestuurderskant en verdachte op de bijrijdersplaats.76 [medeverdachte] heeft verdachte naar eigen zeggen erop gewezen dat [slachtoffer] aan het bijkomen was, hetgeen je kon zien omdat de hoedenplank los kwam.77 [medeverdachte] is daarop achteruit gereden, waarbij hij flink gas heeft gegeven omdat hij moeilijk weg kon komen. Omdat volgens [medeverdachte] op dat moment de hoedenplank loskwam, moest hij van verdachte stoppen. [medeverdachte] is toen op de brug gestopt en verdachte is uitgestapt, waarbij hij het portier open heeft gelaten. Verdachte heeft de kofferbak open gedaan en heeft de hoedenplank richting het water gesmeten, aldus [medeverdachte] . [medeverdachte] zat naar eigen zeggen op dat moment achter het stuur. Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte [slachtoffer] vervolgens een aantal keren heeft geslagen, waarbij verdachte met luide stem brulde: 'Wat is je pincode?'.78 Volgens [medeverdachte] is hij daarop uitgestapt en heeft hij tegen verdachte gezegd dat hij moest stoppen, omdat ze in ieders zicht stonden.79 Verdachte heeft daarop de kofferbak dichtgegooid en is op de bijrijdersstoel gaan zitten, terwijl [medeverdachte] weer op de bestuurdersstoel ging zitten, aldus [medeverdachte] .80

Dit deel van de verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de verklaring van getuige

[getuige 17] , die op 23 oktober 2012 kort na middernacht op ongeveer 100 meter voor de

rotonde vanuit de Lageweg het geluid van piepende banden hoorde. Hij zag twee rode

achterlichten van een stilstaande personenauto. Even later hoorde hij een redelijk zware

mannenstem schreeuwen: 'Geef mij je pincode, geef mij je pincode'. De stem kwam vanuit de richting waar de auto stond op de Lageweg. Hij zag op zijn telefoon dat het op dat moment 00.39 uur was. Na ongeveer drie minuten hoorde hij een autoportier dichtslaan en

reed de auto met hoge snelheid weg richting het motorcrossterrein.81 Deze verklaring van [getuige 17] past qua tijd ook bij de verklaring van de getuige [getuige 16] die, zoals hiervoor is vermeld, verdachte nog om 00.20 uur in het grote park heeft gezien toen hij de fiets van [medeverdachte] ophaalde.

De verklaring van [medeverdachte] wordt verder ondersteund door het volgende. Naar aanleiding

van een melding op 24 oktober 2012 van getuige [getuige 18] , dat hij op het talud naast de

brug aan de Lageweg te Axel een geel fluorescerend vestje in verpakking en verder in de

struiken een krat met daarin een kruissleutel en een sleepkabel heeft zien liggen,82 zijn verbalisanten van de politie ter plaatse gegaan. Op de schuin aflopende westelijke oever aan de noordelijke zijde van de brug zagen zij in het hoge riet/onkruid een grijs plastic krat liggen met daarin een blauw opgerold touw, een zilverkleurige kruissleutel en een sleepkabel. Verder zagen zij de verpakking van een geel fluorescerend veiligheids-/ zichtbaarheidsvestje.83

Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat in de nabije omgeving van voornoemd kunststof krat ook een hoedenplank uit een personenauto en een stroomkabel werden aangetroffen, die vanaf de brug niet te zien waren. Het kunststof krat, de hoedenplank en de stroomkabel zijn daar mogelijk door middel van gooien terecht gekomen, omdat de begroeiing niet was geschonden.84

Aan de personenauto van [slachtoffer] heeft een forensisch sporenonderzoek plaats gevonden. Hierbij is onder andere in de bekleding van de achterzijde van de rugleuning een vage indruk van een rand van een doos of krat aangetroffen.85 Gebleken is dat de onderzijde

van de bij de brug aangetroffen bak qua afmetingen en vorm overeenkomsten vertoonde met

de indruk in de bekleding in de kofferbak van de personenauto van [slachtoffer] . De aangetroffen

hoedenplank bleek bij nader onderzoek te passen in de personenauto van [slachtoffer] .86 Dat deze

voorwerpen pas uit de auto zijn verwijderd nadat [slachtoffer] daarin is vervoerd, blijkt uit het feit

dat tijdens het veiligstellen van het kunststof krat door de forensisch onderzoekers bloed

werd waargenomen op een van de lange zijden.87

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij goederen uit de auto heeft gegooid.88 Dit in combinatie met het feit dat deze goederen en de fiets van verdachte ter plaatse zijn aangetroffen, ondersteunt de verklaring van [medeverdachte] over de aanwezigheid van verdachte en diens handelen op de brug aan de Lageweg.

[medeverdachte] heeft verder het volgende verklaard. Zij zijn vervolgens naar het crossterrein aan de Lageweg gereden89, waar zij beiden uit de personenauto zijn gestapt en naar de achterkant daarvan zijn gelopen. Verdachte heeft de kofferbak opengedaan, zag dat [slachtoffer] bij kennis was en hoorde hem vragen: 'Waarom doe je dit?' Toen is de foltering begonnen, aldus [medeverdachte] . Verdachte pakte met beide handen de jas van [slachtoffer] beet en trok hem overeind in een zittende positie. Verdachte veranderde toen hij de kofferbak openmaakte volgens [medeverdachte] in een andere persoon. [medeverdachte] heeft dit omschreven als 'een duivelse creatie'. Volgens [medeverdachte] riep verdachte continu tegen [slachtoffer] : 'Wat is je pincode?', maar [slachtoffer] wist deze niet.

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] daarop een vuistslag gaf. Die klap was zo hard dat [medeverdachte] het hoorde kraken en hij zag dat [slachtoffer] tegen de achterbank aan viel. Verdachte heeft [slachtoffer] toen volgens [medeverdachte] omhoog getrokken en heeft hem op normale toon gevraagd: 'Wat is je pincode?'. Verdachte heeft dit vier of vijf keer gevraagd, iedere keer met meer stemverheffing. [slachtoffer] antwoordde telkens dat hij dat niet wist. [medeverdachte] heeft verklaard dat hierna de knop weer om ging bij verdachte en dat hij weer veranderde in wat [medeverdachte] letterlijk noemde: 'die satanscreatie'. Hij zag dat verdachte de wijsvinger van de linkerhand van [slachtoffer] vastpakte en achterover drukte. [medeverdachte] hoorde op dat moment kraken en [slachtoffer] gilde het uit van de pijn. Vervolgens zag [medeverdachte] naar eigen zeggen dat verdachte bezig was met de handen van [slachtoffer] . Later begreep hij dat dit om diens ringen ging, omdat verdachte drie gouden ringen liet zien, waarbij hij zei: 'Kijk, dat is echt goud'. Volgens [medeverdachte] stak hij deze in zijn jaszak. Hierna pakte verdachte [slachtoffer] weer bij zijn jas, trok hem naar zich toe en brulde: 'Wat is je pincode?'. [medeverdachte] hoorde [slachtoffer] huilen en vragen: 'Waarom doe je dit?'. Hierop vroeg verdachte aan [medeverdachte] om diens mes, aldus [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft verklaard dat hij daarop één van zijn twee messen, een grijs klikmes, aan verdachte heeft gegeven. Volgens [medeverdachte] nam verdachte [slachtoffer] in een soort wurggreep, klikte het mes open, bracht het mes naar [slachtoffer] en maakte een armbeweging, waarbij hij zei: 'Wie niet horen wil, moet maar voelen'. [medeverdachte] heeft verklaard dat op het moment dat verdachte zijn arm bewoog, [slachtoffer] een schrikbeweging maakte in die zin dat hij heftig met zijn benen bewoog en zijn arm naar zijn hoofd bracht. [medeverdachte] dacht toen dat verdachte (een stuk van) het oor van [slachtoffer] had afgesneden en hij had het gevoel dat verdachte te ver kon gaan en [slachtoffer] nog ging vermoorden, aldus [medeverdachte] .90

Volgens [medeverdachte] vroeg verdachte vervolgens weer om de pincode, waarop [slachtoffer] antwoordde dat hij het niet wist. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] een duw heeft gegeven, waardoor deze in de kofferbak vloog, waarna verdachte op de bijrijdersstoel is gaan zitten. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij [slachtoffer] nog aan zijn rug heeft aangeraakt om te kijken of hij nog ademde. [slachtoffer] ademde toen slecht.91 [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat hij de kofferbak dicht heeft gedaan en aan de bestuurderskant van de auto is gaan zitten.92

De verklaring van [medeverdachte] vindt in zoverre bevestiging in de bevindingen van de

patholoog-anatoom dat uit haar rapport blijkt dat [slachtoffer] onderhuidse bloeduitstortingen met begeleidende huidkneuzingen in zijn gezicht, op zijn hoofd en aan zijn armen, handen en

vingers had en dat een groot deel van de linkeroorschelp van [slachtoffer] was afgesneden.93

Het hof constateert dat, hoewel [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte de ringen van [slachtoffer] heeft afgepakt en deze in zijn jaszak heeft gestoken, er bij de fouillering van verdachte geen ringen zijn aangetroffen. Het hof acht dit echter niet van doorslaggevende betekenis, nu verdachte de gelegenheid heeft gehad zich in de periode tussen het afpakken van de ringen en zijn aanhouding van de ringen te ontdoen en de jas van de verdachte niet is aangetroffen.

e. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit

[medeverdachte] heeft het volgende verklaard. Hij en verdachte zijn doorgereden naar de Vissersverkorting te Westdorpe.94 Verdachte is hier uitgestapt, heeft de kofferbak opengedaan en heeft [slachtoffer] uit de kofferbak getrokken.95 Verdachte heeft wederom geroepen om de pincode van [slachtoffer] . [slachtoffer] bleef antwoorden dat hij deze niet wist. Hierop is verdachte begonnen met steken. Volgens [medeverdachte] was verdachte op [slachtoffer] aan het inhakken.96 Dat [slachtoffer] vaak is gestoken, blijkt ook uit het hiervóór aangehaalde sectierapport. Volgens [medeverdachte] gebruikte verdachte daarvoor het mes dat [medeverdachte] reeds eerder bij het crossterrein aan hem had gegeven.97 De verklaring van [medeverdachte] dat dit het mes is waarmee [slachtoffer] om het leven is gebracht, wordt ondersteund door het in de volgende alinea genoemde onderzoek van het NFI. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij niets heeft gedaan om verdachte te laten stoppen. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat toen verdachte hem riep om te helpen [slachtoffer] in de onverharde berm te slepen, hij dit heeft gedaan.98 Nadat verdachte het mes in het zand had gestoken, heeft hij het teruggegeven aan [medeverdachte] , aldus verdachte.99

In de fouillering van [medeverdachte] na zijn aanhouding werd onder andere een mes aangetroffen.100 [medeverdachte] heeft verklaard dat dit mes van hem was.101 Op het midden van het

heft van dit mes zat bloed. Dit bloed is bemonsterd en veiliggesteld voor nader onderzoek

onder SIN-nummer AAFQ2369NL.102 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat uit het bloedspoor (SIN-nummer AAFQ2369NL#01) een volledig DNA-profiel is gedestilleerd en

dat dit profiel gelijk is aan het DNA-profiel van [slachtoffer] . Het NFI heeft berekend dat de kans dat een willekeurig persoon hetzelfde DNA-profiel heeft als aangetroffen in het bloedspoor minder dan één op één miljard bedraagt.103

Bij de aanhouding van verdachte zijn de schoenen die hij op dat moment droeg in beslag genomen. Van de schoenen is een grondspoor veiliggesteld onder SIN-nummer AACC2048NL.104 Op basis van grondvergelijking met een grondspoor van de Vissersverkorting te Westdorpe, dat is veiliggesteld onder SIN-nummer AAFQ2562NL, zijn door het NFI twee hypothesen opgesteld. Geconcludeerd wordt dat het waarschijnlijker is dat het grondspoor van de schoenen van verdachte afkomstig is van de Vissersverkorting te Westdorpe, dan dat het afkomstig is van een willekeurige andere locatie (op meer dan 100 meter verwijderd van de plaats delict, Vissersverkorting).105 Bij aanvullend onderzoek is op drie door verdachte zelf106 aangewezen locaties grondvergelijkend onderzoek uitgevoerd.

Hierbij is een extra hypothese opgesteld, te weten dat het grondspoor van de schoenen

afkomstig is van locatie 3 (conform de notitie van de (toenmalige) raadsman van verdachte) aan het einde van de Justaasweg bij de Lageweg te Axel. Geconcludeerd wordt vervolgens

dat het waarschijnlijker is dat de referentiemonsters afkomstig zijn van de plaats delict aan

de Vissersverkorting te Westdorpe.107 Ook de uitkomsten van het grondonderzoek ondersteunen aldus de verklaring van [medeverdachte] over de aanwezigheid van verdachte op de Vissersverkorting te Westdorpe.

f. Overige aan het bewijs bijdragende feiten en omstandigheden (1)

[medeverdachte] heeft verklaard: [Het is] '100% zeker dat dhr [slachtoffer] [verdachte] herkende. Het feit hoe ze elkaar aankeken. Als ze tegen elkaar aan het praten waren, zag je herkenning.'108 Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer] kende als zijn buurman uit de straat.109

[medeverdachte] heeft verklaard dat, nadat [slachtoffer] in de berm was gesleept, hij en verdachte richting Axel zijn gereden. Daar zijn ze volgens hem gestopt bij de garage aan de Spoorstraat te Axel.110 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in die garage van verdachte een zwarte broek over zijn lichte broek heeft aangetrokken.111

In de garagebox is een (kabel)trui van verdachte aangetroffen.112 Deze trui is veiliggesteld onder SIN-nummer AAER6654NL.113 Deze trui heeft verdachte eerder die dag, om 18.40 uur, aan gehad.114 Het aantreffen in de garagebox van de eerder die avond door verdachte gedragen trui ondersteunt de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte in de bewuste nacht in de garage is geweest en dat er van kleding is gewisseld.

Tijdens het forensisch onderzoek aan de personenauto van [slachtoffer] zijn aan de bestuurderszijde alsook aan de passagierszijde voorin, op de dorpel, de stijl en de portieren bloedsporen aangetroffen. De forensisch onderzoekers concluderen dat deze bloedsporen passen bij het beeld dat ontstaat door in- en uitstappen van een persoon, waarbij bloed werd overgedragen. Zo is het bloed op de dorpel passend bij het overdragen van bloed van bijvoorbeeld een bebloede schoen of broekspijp tijdens het in- en uitstappen.115 Naar het oordeel van het hof vormt dit een aanwijzing dat er in elk geval twee personen betrokken waren bij het ten laste gelegde, hetgeen in zoverre de verklaring van [medeverdachte] ondersteunt.

g. Met betrekking tot de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij en verdachte vervolgens samen naar de woning van [slachtoffer] aan de [adres] te Axel zijn gegaan.116 Uit deze woning hebben zij bladzijdes met pincodes weggenomen.117

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij na het wegnemen van de vermeende pincodes uit de woning van [slachtoffer] naar de Rabobank aan de Noordstraat te Axel zijn gereden.118 Uit onderzoek blijkt dat er op 02:01:41 uur, 02:02:31 uur en 02:28:36 uur is geprobeerd te pinnen met de pinpas van [slachtoffer] .119 Verdachte heeft verklaard dat hij degene was die geprobeerd heeft te

pinnen.120 Verdachte was op dat moment in het bezit van een bivakmuts en heeft met deze muts op gepind.121 [medeverdachte] heeft verklaard dat zij, tussen de tweede en de derde pinpoging, wederom naar de woning van [slachtoffer] zijn gereden om nogmaals te zoeken naar pincodes. Volgens [medeverdachte] is die keer alleen verdachte de woning binnengegaan en is hij teruggekomen met papieren.122 Verdachte ontkent dit, maar heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het tijdsverloop tussen de tweede en de derde pinpoging.

Overigens had [slachtoffer] in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde, aangifte gedaan van inbraak in zijn woning. In deze aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat er tussen 6 en 7 augustus 2012 is ingebroken in zijn woning, waarbij hij het vermoeden uitspreekt dat verdachte deze inbraak heeft gepleegd.123 Vervolgens wordt in de nacht van 21 op 22 augustus 2012 zijn camper gestolen.124 De sleutel en het kentekenbewijs van de camper van [slachtoffer] worden in de periode daarna aangetroffen in de schuur, respectievelijk de keuken van de (voormalige) echtelijke woning van verdachte.125 Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte zich in de periode voorafgaande aan het ten laste gelegde kennelijk bezighield met [slachtoffer] .

h. Overige aan het bewijs bijdragende feiten en omstandigheden (2)

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij en verdachte vervolgens naar België zijn gegaan om in te breken. Hetgeen hij hierover heeft verklaard, wordt, zoals hierna zal blijken, op belangrijke onderdelen ondersteund door stukken verkregen van justitie in België en ook verdachte heeft verklaard dat hij de bewuste nacht met [medeverdachte] op inbrekerspad is gegaan in België.126 Zo heeft [medeverdachte] verklaard dat er is ingebroken in de serre van een camping aan de [dorp] [het hof begrijpt: gemeente Moerbeke, België].127 Dit wordt bevestigd door de aangifte van [aangever] waarin is verklaard dat er in de nacht van 22 oktober 2012 op 23 oktober 2012 tussen 23.00 uur en 07.30 uur is ingebroken. De geldlade met zo'n € 500,- aan wisselgeld en de fooienpot zijn weggenomen.128 [medeverdachte] heeft aangegeven dat de kassa-lade in de Weststraat in [dorp] [het hof begrijpt wederom: gemeente Moerbeke, België] is geforceerd en is weggegooid.129 De Belgische politie heeft op 29 oktober 2012 in die Weststraat, ter hoogte van de woning met huisnummer [huisnummer] , een geldlade/kassalade aangetroffen.130 Aangever [aangever] heeft het kasregister herkend als haar eigendom.131

[medeverdachte] heeft voorts verklaard dat ze later in België getuige waren van een eenzijdig

ongeluk op de rotonde die over de Expresweg heen gaat. De veroorzaker van het ongeluk,

[getuige 19] , heeft met [medeverdachte] gesproken en vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte]

weer verder gereden.132 [getuige 19] heeft verklaard dat, nadat hij tot stilstand was gekomen, er een voertuig achter hem stopte. Eén van de twee personen uit dit voertuig is uitgestapt en

heeft tegen hem gepraat. De tweede persoon is niet uitgestapt en heeft enkel geroepen dat ze

weer moesten vertrekken. Het ongeval vond volgens [getuige 19] omstreeks 03.00 uur

plaats133 en de Belgische politie heeft hem om 03.41 uur aangetroffen.134

[medeverdachte] heeft het volgende verklaard. Hierna zijn [medeverdachte] en verdachte verder gereden naar de Hellestraat. Zij zijn gestopt bij een frituur. [medeverdachte] heeft daar op de uitkijk gestaan en verdachte is naar binnengegaan. Verdachte heeft niets weggenomen. Het was op dat moment 04.10 uur. Verdachte wilde nog één klus doen en zij zijn doorgereden naar de Nachtegaalstraat. Ter hoogte van de Parallelweg zijn ze gestopt bij een frituur. Daar is het hek losgehaald met een breekijzer en de voordeur is opengebroken met een schroevendraaier. Er werd niets weggenomen, aldus [medeverdachte] .135 De eigenaar van de frituur, [aangever 2] , heeft een aantal weken later vastgesteld dat een stuk omheiningsdraad was doorgeknipt en 'opengeplooid' en dat de deuren moeilijk open gingen.136

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij en verdachte hierna terug naar Axel zijn gereden, waarna hij de auto heeft geparkeerd op de 'parking' achter de Beethovenstraat. Verdachte is met een boodschappentas richting diens garage gelopen en [medeverdachte] is direct naar [getuige 5] gegaan. Ook verdachte is tien minuten later naar [getuige 5] gekomen, aldus [medeverdachte] .137 In de garagebox aan de Spoorstraat te Axel is naast de hiervoor genoemde kabeltrui, een gestreepte boodschappentas (SIN-nummer AAFQ2363NL) aangetroffen en veiliggesteld met daarin onder andere werkhandschoenen (SIN-nummers AAFQ2358NL (rechts) en AAFQ2359NL (links)), motorhandschoenen van het merk DIFI (SIN-nummers AAFQ2356NL (rechts) en AAFQ2357NL (links)), muntgeld, een schroevendraaier, een bivakmuts (SIN-nummer AAFQ2355NL) en twee witte plastic emmers.138

Door het NFI zijn op beide werkhandschoenen meerdere bloedsporen aangetroffen, waarvan er telkens drie zijn bemonsterd en veiliggesteld als SIN-nummers AAFQ2358NL#01 tot en met #03 (rechts) en AAFQ2359NL#01 tot en met #03 (links).139 Uit onderzoek blijkt dat uit de bloedsporen op de rechter werkhandschoen DNA-(meng)profielen zijn gedestilleerd van [slachtoffer] en uit de bloedsporen op de linker werkhandschoen het DNA-mengprofiel van [slachtoffer] en verdachte alsook een DNA-profiel dat overeenkomt met dat van verdachte.140 Daarnaast zijn beide werkhandschoenen bemonsterd op celmateriaal. Dit is veiliggesteld onder de SIN-nummers AAFQ2358NL#04 en AAFQ2359NL#05. De bemonstering onder AAFQ2358NL#04 bevat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen. Het DNA-hoofdprofiel is afkomstig van verdachte en daarnaast zijn er nog zwak aanwezige DNA-kenmerken van minimaal twee andere personen. De bemonstering onder AAFQ2359NL#05 bevat het DNA-profiel van verdachte.

Ook op zowel de linker als de rechter motorhandschoen zijn meerdere bloedsporen

aangetroffen. Deze sporen zijn bemonsterd onder de SIN-nummers AAFQ2356NL#01 tot

en met #03 (rechts) en AAFQ2357NL#01 tot en met #03 (links). In de bemonsteringen

van beide motorhandschoenen bevindt zich zowel het DNA-profiel van [medeverdachte] als van

[slachtoffer] . Daarnaast zijn beide motorhandschoenen onderzocht op biologische contactsporen. De bemonsteringen hiervan zijn veilig gesteld onder de SIN-nummers AAFQ2356NL#04 (rechts) en AAFQ2357NL#04 (links). De linker motorhandschoen bevat een DNA-profiel van [medeverdachte] en de rechter motorhandschoen bevat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, waarbij het DNA-hoofdprofiel van [medeverdachte] is.

Op de bivakmuts zijn drie bloedsporen bemonsterd onder de SIN-nummers AAFQ2355NL#01 tot en met #03. Het DNA-profiel van deze bemonsteringen matcht met

het DNA-profiel van [slachtoffer] . De bivakmuts is eveneens bemonsterd met als doel het verzamelen van celmateriaal. Deze bemonstering is veiliggesteld onder SIN-nummer

AAFQ2355NL#04. Deze bemonstering bevat een DNA-mengprofiel van minimaal twee

personen. Het DNA-hoofdprofiel is afkomstig van verdachte en daarnaast zijn er nog

zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen van minimaal één andere persoon.141

[medeverdachte] heeft verklaard dat, nadat zowel hij als verdachte bij [getuige 5] binnen waren geweest, hij verdachte op diens verzoek142 met de auto van [slachtoffer] naar zijn fiets heeft gebracht.143 Deze fiets stond op het bruggetje aan de Lageweg.144 Toen verdachte uitstapte uit de auto van [slachtoffer] en op zijn fiets wilde stappen, is hij aangehouden.145

Volgens [medeverdachte] is hij – [medeverdachte] – daarop met de auto teruggereden naar de 'parking' bij de Beethovenstraat.146

De kleren van verdachte zijn na diens aanhouding onderzocht op bloedsporen en celmateriaal. De broek, de jas en de schoenen die verdachte droeg bij diens aanhouding zijn veiliggesteld onder de SIN-nummers AAFQ2340NL147 (broek), AAFQ2341NL (jas) en AAFQ2339NL (schoenen).148

Er zijn twee bloedsporen afkomstig van genoemde broek van verdachte bemonsterd

onder SIN-nummers AAFQ2340NL#01 en #02. Het DNA-profiel uit het bloedspoor onder SIN-nummer AAFQ2340NL#01 matcht met dat van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner

dan één op één miljard. Het DNA-profiel uit het bloedspoor onder SIN-nummer

AAFQ2340NL#01 betreft een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder

[slachtoffer] en verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide profiel is kleiner dan één op één miljard. Later zijn nog drie

bloedsporen bemonsterd onder de SIN-nummers AAFQ2340NL#03, #04 en #05. Alle

drie bemonsteringen bevatten het DNA-profiel van [slachtoffer] .149

Op de spijkerbroek met SIN-nummer AAFQ2340NL zijn contactsporen van bloed aangetroffen die zijn ontstaan door (bewegend) contact met een bebloed object en/of bebloede persoon.150

Van de jas zijn vier bloedsporen bemonsterd en veiliggesteld onder de SIN-nummers

AAFQ2341NL#04, #05, #06 en #07 en zijn drie sporen veiliggesteld met als doel het

verzamelen van celmateriaal onder de SIN-nummers AAFQ2341NL#01 (kraag),

AAFQ2341#02 (rechter manchet) en AAFQ2341NL#03 (linker manchet). De DNA-profielen uit de bemonsteringen onder de SIN-nummers AAFQ2341NL#01, #04, #05 en

#06 kunnen afkomstig zijn van [slachtoffer] . De matchkans is één op één miljard. De

bemonsteringen onder de SIN-nummers AAFQ2341NL#02 en #03 bevatten een onvolledig

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder dat van verdachte.

De bloedsporen op de schoenen van verdachte zijn bemonsterd en veiliggesteld onder

de SIN-nummers AAFQ2339NL#01 en #02 (rechterschoen) en AAFQ2339NL#03 en #04

(linkerschoen). De bemonsteringen bevatten alle het DNA-profiel van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.151

Op grond van de stukken in het dossier constateert het hof dat verdachte op enig moment op de avond van 22 oktober 2012 dan wel in de nacht van 23 oktober 2012 van jas heeft gewisseld. Immers, op de beelden van de beveiligingscamera's van het tankstation

Total te Axel is te zien dat verdachte om 18.40 uur een lichte jas met zwarte schouderstukken draagt.152 Zijn (inmiddels ex-)vrouw heeft verklaard dat verdachte, toen hij thuis wegging, een wit blauwe Brunotti-jas aan had.153 Ook zijn moeder heeft verklaard dat hij, toen hij bij haar wegging, een witte jas aan had.154 Deze jas is tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Verdachte had bij zijn aanhouding een donkere jas aan, waarvan de schoonmaakster van [slachtoffer] , nadat aan haar een foto van die jas is getoond, heeft gezegd

dat zij deze herkent als de jas van [slachtoffer] .155 De jas van [slachtoffer] hing de maandag voor zijn

dood nog aan de kapstok in zijn woning.156 Bij de doorzoeking is deze echter niet aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 16 april 2015 verklaard dat hij vermoedt dat hij nog bij een kennis is geweest en daar zijn jas heeft achtergelaten, omdat hij ongeveer een half jaar geleden had vernomen dat zijn jas daar aan de kapstok hing. Deze jas was inmiddels door die kennis weggegooid omdat hij kapot was. De jas die hij bij zijn aanhouding aan had, had hij van [medeverdachte] gekregen in de nacht van 23 oktober 2012.157

Het hof is van oordeel dat er gezien de verklaring van de schoonmaakster aanwijzingen

zijn dat de jas die verdachte bij zijn aanhouding aan had, de jas was van [slachtoffer] .

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij verdachte had afgezet bij diens fiets, weer naar de 'parking' bij de Beethovenstraat is gereden158 en dat hij vervolgens naar het appartement van [getuige 3] is gegaan, waar hij zich heeft verfrist en zijn jas heeft uitgedaan.159

Nadat [medeverdachte] op 27 oktober 2012 werd aangehouden, is bij zijn fouillering een autosleutel met opdruk Mitsubishi aangetroffen.160 [medeverdachte] heeft aangegeven dat hij in het bezit was van de sleutel van het voertuig van [slachtoffer] .161 De schoenen van [medeverdachte] zijn in beslag genomen.162

Op deze schoenen zijn bloedsporen aangetroffen. Deze zijn bemonsterd en veiliggesteld onder de SIN-nummers AAEL0617NL#03 (linkerschoen) en AAEL0618NL#01, #02 en #03 (rechterschoen). De bemonstering onder AAEL0617NL#03 bevat een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder dat van [medeverdachte] en minimaal één onbekende persoon. Het DNA-profiel uit de bemonstering AAEL0618NL#01 kan afkomstig zijn van [medeverdachte] . De DNA-profielen uit de bemonsteringen AAEL06618NL#02 en #03 kunnen afkomstig zijn van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.163 Op de schoenen met SIN-nummers AAEL0617NL en AAEL06 l 8NL zijn contactsporen van bloed aangetroffen die zijn ontstaan door (bewegend) contact met een bebloed object en/of bebloede persoon.164

Nadat [medeverdachte] was aangehouden door de verbalisanten, werden zij aangesproken door

[getuige 3] . Zij gaf aan dat er spullen van hem bij haar in huis lagen.165 De politie heeft onder

andere een jas van [medeverdachte] in beslag genomen en veiliggesteld onder SIN-nummer

AAEL0611NL.166 Onderhavige jas is in het licht van het IDFO-onderzoek aanvullend

onderzocht op de aanwezigheid van bloedsporen. Hierbij zijn aan de buitenkant, verspreid

over de achterzijde, de capuchon en de linker voorzijde, contactsporen van bloed aangetroffen. Deze zijn bemonsterd en veiliggesteld onder de SIN-nummers

AAEL0611NL#02 tot en met #09. De DNA-profielen afkomstig uit deze bemonsteringen

kunnen afkomstig zijn van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard. Geconcludeerd wordt dat op de jas uitsluitend contactsporen van bloed zijn aangetroffen die

verklaard kunnen worden door (bewegend) contact met een bebloed object en/of bebloed

persoon.167

De broek die [slachtoffer] aan had is door de politie veiliggesteld onder SIN-nummer AAFQ25l6NL.168 Deze broek is door het NFI bemonsterd met als doel het verzamelen van

celmateriaal. De broek is onder andere bemonsterd ter hoogte van de linkerknie (voorpand,

buitenzijde) en deze bemonstering is veiliggesteld onder SIN-nummer AAFQ2516NL#09. Door het NFI is uit de bemonstering een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen

gedestilleerd. Het DNA-hoofdprofiel kan afkomstig zijn van [slachtoffer] en de zwak aanwezig DNA-kenmerken kunnen van verdachte afkomstig zijn. Het NFI heeft vervolgens

het vergelijkend DNA-onderzoek beschouwd onder twee hypothesen, namelijk (1) de

bemonstering AAFQ2516NL#09 bevat celmateriaal van [slachtoffer] en verdachte, en (2) de

bemonstering AAFQ2516NL#09 bevat celmateriaal van [slachtoffer] en één onbekende persoon

(niet verwant aan [slachtoffer] of verdachte). Het NFI heeft geconcludeerd dat de bevindingen van

het vergelijkend DNA-onderzoek extreem veel waarschijnlijk zijn als hypothese 1 juist is, dan als hypothese 2 juist is.169 Verilabs heeft in een contra-DNA-onderzoek geconcludeerd, met een likelihood ratio van 1.34 x 1034 (1.34 x 10 tot de 34ste), dat het waarschijnlijker is dat het DNA-mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en verdachte, dan van [slachtoffer] en een onbekende niet verwante toevallig gekozen persoon.170 Aanvullend wordt aangegeven dat deze likelihood ratio overeenkomt met de door het NFI gebruikte term: 'extreem veel

waarschijnlijker'.171

Op verzoek van de verdediging is door [deskundige] van het NFI nader gerapporteerd en is hij

ook bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft, samenvattend, verklaard dat in de

bemonstering naast bloed, ook ander niet nader te bepalen celmateriaal is aangetroffen. Uit

de bemonstering is een DNA-mengprofiel gedestilleerd van twee personen. Er zijn in het

mengprofiel geen aanwijzingen voor een derde persoon aangetroffen, derhalve is het

onwaarschijnlijk dat het afkomstig is van een derde persoon. Er wordt op 15 loci gemeten.

In het profiel dat aansluit op het profiel van verdachte, missen twee van de dertig

kenmerken. Dit DNA-profiel is betrouwbaar. Er zijn geen aanwijzingen voor contaminatie,

hoewel dit ook niet kan worden uitgesloten.172

Het hiervoor genoemde technisch bewijs aangetroffen op de kleding van [slachtoffer] , [medeverdachte] en

verdachte ondersteunt de verklaring van [medeverdachte] dat hij en verdachte beiden betrokken zijn geweest bij de mishandeling en dood van [slachtoffer] .

Interdisciplinair rapport (epicrise)

Het NFI heeft naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] een

interdisciplinair onderzoek uitgevoerd, waarbij de resultaten van eerder gerapporteerde

onderzoeken die betrekking hebben op de kernelementen in de door het openbaar ministerie

en de verdediging aangeleverde kernscenario's geëvalueerd worden. De resultaten daarvan

zijn in een interdisciplinaire conclusie, ook wel epicrise genaamd, vervat en neergelegd in

een rapport van 6 maart 2015. In het rapport is uitgegaan van de volgende scenario's:

1. Het scenario van het openbaar ministerie houdt in dat [slachtoffer] in de nacht van 22 op 23

oktober 2012 op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen, te weten de Eisenhowerlaan en Lageweg te Axel en de Vissersverkorting te Westdorpe, door verdachte

en [medeverdachte] is mishandeld en uiteindelijk door messteken om het leven is gebracht.

Op de Eisenhowerlaan is [slachtoffer] door hen van de plek waar hij is neergeslagen naar de auto

van [slachtoffer] gesleept en vervolgens in de achterbak gegooid. [slachtoffer] is in de achterbak van de

auto tussen de verschillende locaties vervoerd en op elk van de locaties door verdachte en [medeverdachte] mishandeld, waarbij door verdachte het linkeroor van [slachtoffer] is afgesneden. Aangekomen op de Vissersverkorting in Westdorpe is [slachtoffer] eerst liggend in de auto opnieuw mishandeld en daarna door beiden uit de kofferbak gehaald en door verdachte doodgestoken. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens samen [slachtoffer] in de sloot gejonast. Verdachte heeft [slachtoffer] bij de benen gepakt en [medeverdachte] pakte [slachtoffer] bij de armen.173

2. Het scenario van verdachte houdt in dat hij niets met de ontvoering, mishandeling en het doodsteken van [slachtoffer] te maken heeft. Verdachte en [medeverdachte] zijn op de avond van 22 oktober 2012 in het park aan de Eisenhowerlaan in Axel. Verdachte is een

uur tot anderhalf uur weggeweest. Eenmaal terug in het park was [medeverdachte] nergens te bekennen. Wat later kwam verdachte [medeverdachte] tegen in een auto. Verdachte nam plaats op de bijrijdersstoel en zij reden wat rond. Toen ze langs de parallelweg tussen Zelzate en Antwerpen bij de afslag Hellestraat stopten, heeft verdachte op verzoek van [medeverdachte] de achterbank plat gegooid en heeft hij diverse materialen uit de kofferbak verwijderd. Hij trof daarin een hoop plastic, matten en troep aan. Een aantal spullen dat op de grond viel, schopte hij weg.174

3. Het scenario van [medeverdachte] houdt in dat hij niets met de mishandeling en het doodsteken

van [slachtoffer] te maken heeft. [medeverdachte] en verdachte waren samen in de avond van 22 op 23

oktober 2012 in het park aan de Eisenhowerlaan te Axel. Toen [slachtoffer] arriveerde, hield [medeverdachte] hem aan de praat. Verdachte sprong even later [slachtoffer] in zijn nek waardoor deze tegen de grond viel. Daarna mishandelde verdachte [slachtoffer] . Tijdens de door verdachte

gepleegde mishandelingen van [slachtoffer] bleef [medeverdachte] in de auto zitten of stond hij op een

afstand van enkele meters te kijken. Bij de Vissersverkorting in Westdorpe trok hij samen

met verdachte [slachtoffer] in de sloot, daarbij pakte verdachte [slachtoffer] bij de benen terwijl [medeverdachte] hem bij de armen pakte.175

De forensisch technische resultaten zijn vervolgens door materiedeskundigen getoetst aan

voornoemde kernscenario's. Daaruit zijn de volgende conclusies in het rapport getrokken.

4. Het aangetroffen bloedsporenbeeld op de kleding en schoenen van verdachte (AAFQ2339NL, AAFQ2340NL en AAFQ2341NL) is veel waarschijnlijker onder het

kernscenario van het openbaar ministerie, dan onder het kernscenario van verdachte.

5. Het bloedsporenbeeld op de werkhandschoenen van verdachte (AAFQ2358NL en

AAFQ2359NL) is waarschijnlijker onder het kernscenario van verdachte, dan onder

het kernscenario van het openbaar ministerie.

6. De bevindingen van het DNA-onderzoek aan de bemonstering AAFQ25 l 6NL#09 van de

linkerknie van de broek van [slachtoffer] , waarbij celmateriaal is aangetroffen van verdachte

en niet van [medeverdachte] , is waarschijnlijker onder het kernscenario van het openbaar ministerie,

dan onder het kernscenario van verdachte.

7. Het aantreffen van de grondsporen AACC2084NL op de schoenen AAFQ2339NL is

waarschijnlijker wanneer het kernscenario van het openbaar ministerie, waarbij de grondsporen 4 tot 6 uur voordat verdachte werd aangehouden onder de zolen van diens schoenen terecht zijn gekomen, juist is, dan wanneer het kernscenario van verdachte, waarbij de grondsporen 24 tot 32 uur voordat hij werd aangehouden onder de zolen van zijn schoenen terecht gekomen zijn, juist is.

8. De bevindingen met betrekking tot het DNA-onderzoek aan de handschoenen en jas van

[medeverdachte] (AAEL061 INL, AAFQ2356NL en AAFQ2357NL) zijn veel waarschijnlijker onder het kernscenario van [medeverdachte] , dan onder het kernscenario van het openbaar ministerie.

9. Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte mogelijk een ander paar handschoenen tijdens de mishandeling zou hebben gedragen, zijn de interdisciplinaire resultaten door het NFI geëvalueerd onder twee aannames, te weten dat

- verdachte in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 alleen de onderzochte werkhandschoenen heeft gedragen, en

- verdachte in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 naast de onderzochte werkhandschoenen ook nog een ander paar handschoenen heeft gedragen.

De bevindingen van het onderzoek van de grondsporen op de schoenen, de bloedsporen op

de schoenen en kleding van verdachte en de contactsporen op de broek van [slachtoffer]

zijn, indien verdachte alleen de onderzochte handschoenen heeft gedragen, veel tot extreem veel waarschijnlijker onder het kernscenario van het openbaar ministerie, dan onder het kernscenario van verdachte. Indien hij naast de onderzochte handschoenen ook nog een ander paar handschoenen heeft gedragen, zijn de bevindingen zeer veel tot extreem veel waarschijnlijker onder het kernscenario van het openbaar ministerie, dan onder het kernscenario van verdachte.176

Bewijsoverwegingen ter zake van de verklaringen van verdachte

Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij zich niets kon herinneren van de nacht van 22 op 23 oktober 2012 met uitzondering dat hij aan het eind van de nacht een lift heeft gekregen van een persoon die hij zich niet kan herinneren en dat hij vervolgens door de

politie is aangehouden op de brug bij de Lageweg te Axel op het moment dat hij uit de personenauto stapte. Pas vanaf zijn verhoor op 29 november 2012 is hij, na confrontatie met de verklaring van [medeverdachte] , gaan verklaren over hetgeen hij in de nacht van 22 op 23 oktober heeft gedaan. Vervolgens heeft hij zijn verklaring op onderdelen, na confrontatie met onderzoeksresultaten, aangepast of uitgebreid. Uiteindelijk kwam hij met een versie waarbij hij, ook ter terechtzitting van de rechtbank op 16 april 2015 en ter terechtzitting in hoger beroep op 16 november 2018 en 14 januari 2019, in grote lijnen is gebleven. Deze

verklaring houdt – zakelijk weergegeven – in dat in dat [medeverdachte] hem die avond belde, dat hij hem daarna in het kleine park heeft ontmoet, dat zij samen richting zijn moeder zijn gelopen en dat hij daar de fiets van [medeverdachte] in de tuin heeft gezet, dat zij op een bankje in het grote park een pijpje cocaïne hebben gerookt, hij naar zijn moeder is gegaan om de fiets van [medeverdachte] op te halen en dat hij vervolgens tegen middernacht naar [getuige 5] is gefietst om nieuwe cocaïne te halen. Hij heeft dit op zijn gemak gedaan en is een tijd bij [getuige 5] gebleven. Toen hij na anderhalf à twee uur terug ging naar het grote park, trof hij [medeverdachte] daar niet meer aan. Hij heeft de fiets van [medeverdachte] in de tuin bij zijn moeder gezet en is op zijn eigen fiets gaan rondrijden. Uiteindelijk trof hij [medeverdachte] zittend in een auto aan. Hij heeft zijn fiets bij de brug aan de Lageweg gezet en vervolgens is hij ingestapt bij [medeverdachte] . Zij zijn samen gaan rijden, onder andere naar België.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde feiten niet kan hebben gepleegd, nu uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat de feiten in een zeer kort tijdsbestek moeten zijn gepleegd. Verdachte zou in een tijdsbestek van slechts vijftien minuten van zijn moeder naar het grote park zijn gegaan, daar weggefietst zijn en weer teruggekeerd zijn, [slachtoffer] hebben mishandeld, hem naar zijn auto hebben gesleept, met hem zijn gaan rondrijden, op twee plaatsen zijn gestopt om hem te mishandelen en uiteindelijk te vermoorden. Vervolgens zag verdachte kans om om 00.00 uur op de verjaardag van

[getuige 5] te zijn. Dat verdachte in het park is geweest, is bovendien onwaarschijnlijk gelet op de verklaring van de moeder van verdachte dat hij op 22 oktober 2012 van ongeveer 22.00 uur tot ongeveer 24.00 uur bij haar is geweest, hetgeen wordt bevestigd door de broer van verdachte, die verklaart dat hij daar anderhalf uur is geweest. [getuige 3] verklaart dat verdachte van 23.45 uur tot in ieder geval 00.30 uur bij [getuige 5] is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent met de rechtbank het volgende. Het hof kent geen waarde toe aan de verklaringen van de moeder van verdachte, nu zij wisselend heeft verklaard en haar verklaringen op belangrijke punten worden ontkracht door andere (objectieve)

bewijsmiddelen. Zo heeft zij bij de politie verklaard dat verdachte op 22 oktober 2012 omstreeks 21.30/22.00 uur bij haar is geweest en om 00.00 uur weer is weggegaan. In dit geval zou verdachte zo'n twee à tweeëneenhalf uur bij zijn moeder zijn geweest.

Deze verklaring strookt niet met de verklaring van getuige [getuige 15] , die omstreeks 23.45 uur zowel [medeverdachte] als een andere persoon op een bankje in het park heeft zien zitten.177 Zoals hierboven uiteen is gezet, heeft verdachte bevestigd dat hij – terwijl hij die avond naast [medeverdachte] op een bankje zat – tegen een persoon 'mooi weer' heeft gezegd, hetgeen strookt met de verklaring van [getuige 15] . Gezien de samenhang in de verklaringen gaat het hof ervan uit dat het om verdachte ging. De verklaring van de moeder van verdachte strookt ook niet met de verklaring van verdachte zelf, die niet alleen de verklaring van getuige [getuige 15] heeft bevestigd, maar ter zitting van de rechtbank van 16 april 2015 ook heeft verklaard dat hij nog bij een kennis is geweest alwaar hij zijn Brunotti-jas aan de kapstok zou hebben gehangen.

Voorts zou verdachte, nadat hij bij zijn moeder is weggegaan, op de fiets naar [getuige 5] zijn geweest.178 [getuige 3] heeft daarover verklaard dat zij verdachte omstreeks 00.00

uur bij [getuige 5] heeft gezien. Hij zou om 00.15/00.30 uur weer weg zijn gegaan.179 Ook aan de verklaring van [getuige 3] , en met name haar tijdsbesef, hecht het hof geen waarde. In dezelfde verklaring geeft zij immers aan dat [medeverdachte] die avond tussen 22.00/23.00 uur bij haar woning weg is gegaan, terwijl uit onder andere de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 12]180 en telefoongegevens181 blijkt dat [medeverdachte] al omstreeks 20.30 uur bij [getuige 1] was. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ongeveer anderhalf uur is weggebleven,182 terwijl getuige [getuige 16] heeft aangegeven dat

zij omstreeks 00.20 uur een man op een fiets heeft gezien in het park183 en verdachte heeft bevestigd dat hij dit geweest zou kunnen zijn.184

Op grond van het bovenstaande acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte tot 00.00 uur bij zijn moeder is gebleven en vervolgens zo'n anderhalf uur bij [getuige 5] is geweest, zodat hij geen sluitend alibi heeft.

De verklaring van verdachte wijkt op essentiële punten af van de verklaring van [medeverdachte] , die naar zijn zeggen betrokken was bij de mishandeling van en moord op [slachtoffer] . De verklaring van [medeverdachte] vindt – in tegenstelling tot die van verdachte – op essentiële punten steun in en sluit aan bij zich in het dossier bevindende (objectieve en verifieerbare) gegevens en verklaringen, zoals hiervoor besproken.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat [medeverdachte] alleen verantwoordelijk is voor de ten laste gelegde handelingen wordt in het geheel niet bevestigd

door de (getuigen)verklaringen en uitkomsten van technisch/forensisch bewijs als hiervoor besproken. Integendeel, zoals hiervoor onder andere met betrekking tot de bloedsporen aan beide zijden van de auto van [slachtoffer] is overwogen, bestaan er juist aanwijzingen om aan te

nemen dat [medeverdachte] niet alleen heeft gehandeld.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de zeer geringe bloedsporen op de kleding van

verdachte passen bij diens verklaring (namelijk dat dat bloed aan de spullen moet hebben gezeten die verdachte op verzoek van [medeverdachte] uit de auto heeft gegooid en dat dat bloed daarbij op de kleding en de schoenen van verdachte terecht moet zijn gekomen), maar niet bij die van [medeverdachte] , hetgeen ook geldt voor de omstandigheid dat bij [medeverdachte] verwondingen aan de handen zijn aangetroffen en bij verdachte die nota bene lijdt aan reuma niet, overweegt het hof met de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen over de jas en de kabeltrui van verdachte, heeft verdachte zich gedurende de avond omgekleed en is de jas die hij eerder op de avond heeft gedragen niet aangetroffen, hetgeen van invloed kan zijn geweest op het aangetroffen (bloed)sporenbeeld. Bovendien wordt in de epicrise, waarin het aangetroffen sporenbeeld op de kleding van verdachte is betrokken, geconcludeerd dat het scenario van het openbaar ministerie inhoudende dat verdachte betrokken was bij de dood van [slachtoffer] (veel) waarschijnlijker is, dan het scenario van verdachte dat hij daar niet betrokken bij was.

Met betrekking tot de wondjes aan de handen van [medeverdachte] overweegt het hof dat zich in

het dossier geen stukken bevinden waaruit blijkt dat door een arts de ouderdom van

deze letsels en/of de mogelijke oorzaak daarvan is vastgesteld. Derhalve kan niet worden

uitgesloten dat de letsels op een andere wijze en/of een ander tijdstip zijn ontstaan. De stelling dat verdachte reuma heeft aan zijn handen en dus de mishandelingen niet kan

hebben gepleegd, wordt op geen enkele wijze gestaafd door bewijsmiddelen.

Waar de verdediging heeft betoogd dat als verdachte betrokken was bij de dood van [slachtoffer] , er meer DNA van verdachte op [slachtoffer] aangetroffen zou zijn dan thans het geval is en er mogelijk sprake is van contaminatie, overweegt het hof als volgt. In de epicrise is daarover overwogen dat de uitkomst van het onderzoek op dit punt waarschijnlijker is onder het kernscenario van het openbaar ministerie, dan onder het kernscenario van verdachte. Verilabs, dat een tegenonderzoek heeft verricht, komt tot een inhoudelijk zelfde conclusie als het NFI ten aanzien van dit spoor. Deskundige [deskundige] van het NFI heeft verklaard dat contaminatie niet aannemelijk is. Bovendien is dit aangetroffen spoor niet het enige spoor dat aanwijzingen geeft voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde.

De verklaring van verdachte ten slotte dat hij in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 niet op de Vissersverkorting is geweest maar daags daarvoor wel, strookt bovendien niet met het uitgevoerde grondvergelijkend onderzoek en de conclusies in de epicrise op dat punt, zoals hiervoor genoemd onder punt 7 van de epicrise.

Naar het oordeel van het hof is de lezing van verdachte dat hij [slachtoffer] in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 niet heeft gezien laat staan heeft mishandeld en gedood volstrekt onaannemelijk, evenals het door hem geschetste alternatieve scenario. Integendeel, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof de lezing van verdachte volkomen ongeloofwaardig. Het hof stelt die daarom terzijde. Anders dan de verdediging heeft verzocht, ziet het hof dan ook geen noodzaak om een nader DNA-onderzoek op bron- en activiteitenniveau te laten verrichten, om antwoord te kunnen geven op de vraag hoe het zwakke profiel van verdachte op de broek van het slachtoffer kan zijn gekomen. Het door de verdediging hiertoe gedane voorwaardelijke verzoek wordt bijgevolg afgewezen.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Het hof is in navolging van de rechtbank van oordeel dat op basis van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen is dat zowel verdachte alsook [medeverdachte] in het grote park aanwezig waren op het moment dat [slachtoffer] daar arriveerde om zijn hond uit te laten. Getuige [getuige 15] heeft [verdachte] en [medeverdachte] kort voor middernacht samen in het grote park gezien, hetgeen ook door beide verdachten wordt bevestigd. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij rond middernacht op de fiets van [medeverdachte] naar [getuige 5] is gereden om cocaïne te halen en dat hij daar ongeveer een half uur tot een uur is gebleven, maar dit strookt niet met de verklaring van getuige [getuige 16] die omstreeks 00.20 uur een kale man op een fiets uit het park heeft zien wegrijden over wie verdachte zelf ook zegt dat hij dat zou kunnen zijn. Ook overigens heeft verdachte geen sluitend alibi. Bovendien zijn op de stoep bij het grote park met bloed gestempelde schoenafdrukken aangetroffen waarvan de conclusie van het NFI luidt dat het zeer veel waarschijnlijker is wanneer deze schoensporen veroorzaakt zijn met de linkerschoen van verdachte, dan wanneer ze veroorzaakt zijn door een willekeurige andere linkerschoen van verdachten van misdrijven in Nederland.

De verdediging heeft betoogd dat deze schoenafdrukken daar zijn gekomen doordat verdachte bij terugkomst in het grote park op zoek was naar [medeverdachte] – die overigens nergens te bekennen was – en dat hij daarbij zonder het te merken door het bloed van [slachtoffer] is gelopen of dat hij al fietsend door het park zijn voet op enig moment aan de grond heeft gezet en dat hij toen niet heeft gezien dat hij in bloed is gestapt.

Het hof wijst er in dat kader op dat deze schoenafdrukken zich precies bevonden rond een aftekening op het wegdek ter grootte van een personenauto, waardoor het vermoeden bestaat dat rond dat voorwerp is gelopen, hetgeen past in de verklaring van [medeverdachte] over het geweld in het park en het vervolgens in de auto leggen van [slachtoffer] . Het hof acht het zeer

onwaarschijnlijk dat de afdrukken op die wijze zouden zijn gestempeld als er geen voorwerp

stond op het moment dat de afdrukken zijn veroorzaakt. Hieruit en uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt naar het oordeel van het hof dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte en [medeverdachte] met geweld [slachtoffer] hebben beroofd van zijn autosleutels, personenauto en bankpas.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de verklaring van getuige [getuige 17] – en dan met

name dat hij, kort nadat hij een redelijk zware mannenstem had horen schreeuwen: 'Geef mij je pincode', één autoportier hoorde dichtslaan – in combinatie met de verklaring van

[medeverdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015 dat hij is uitgestapt, kan worden afgeleid dat verdachte daar niet aanwezig was. Er is ook geen bewijs dat het mes waarmee het oor is afgesneden in het bezit is geweest van verdachte nu daarop geen DNA of vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent met de rechtbank het volgende. Op grond van de verklaring van [medeverdachte] en de verklaring van getuige [getuige 17] kan worden vastgesteld dat op de brug aan de Lageweg te Axel gepoogd is de pincode van [slachtoffer] te verkrijgen. Hoewel [getuige 17] heeft verklaard dat hij slechts één autoportier heeft horen dichtslaan, wil dit niet zeggen dat er ook slechts één persoon in de auto is ingestapt. Immers, [getuige 17] bevond zich op een afstand van een paar honderd meter van de auto en niet uitgesloten kan worden dat hij niet heeft gehoord dat er – al dan niet gelijktijdig – ook een tweede portier is gesloten.

Genoemde verklaringen in onderling verband en in samenhang bezien met het feit dat op het

talud bij de brug aan de Lageweg te Axel goederen uit de personenauto van [slachtoffer] zijn aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat verdachte die heeft weggegooid, zoals hiervoor reeds onder d. is overwogen, maakt dat het hof concludeert dat het boven redelijke twijfel verheven is dat verdachte al voordat hij uit de personenauto stapte en is aangehouden, op de brug bij de Lageweg te Axel aanwezig was geweest.

Gelet op het vorenstaande en hetgeen hiervoor reeds is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met geweld, waaronder het afsnijden van het oor van [slachtoffer] , heeft geprobeerd om de bij de in/bij het grote park weggenomen bankpas behorende pincode van [slachtoffer] af te persen. Dat op het mes dat volgens [medeverdachte] is gebruikt om het oor af te snijden geen DNA dan wel vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen, doet daar niet aan af. Immers, niet is gebleken dat dit is onderzocht en bovendien is het mes pas vijf dagen na het gebeuren inbeslaggenomen en heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte handschoenen droeg en het mes heeft schoongeveegd door het in het zand te steken.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe

samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] gericht op het verkrijgen van de pincode van [slachtoffer] . Hoewel verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk heeft mishandeld in een poging hem op die wijze zijn pincode te ontfutselen, heeft [medeverdachte] in deze een cruciale rol gespeeld. Immers, [medeverdachte] is nadat verdachte [slachtoffer] bij het grote park al had mishandeld, met [slachtoffer] in de kofferbak vanaf het grote park naar de Lageweg gereden. Hij heeft daar op verdachte gewacht, heeft hem erop gewezen dat [slachtoffer] aan het bijkomen was en heeft de auto bestuurd naar de volgende locatie.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan een poging afpersing, zoals bewezen is verklaard.

Met betrekking tot het onder feit 3 ten laste gelegde

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak betoogd, nu er geen wettig en overtuigend

bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Op de Vissersverkorting te Westdorpe is niets aangetroffen dat duidt op de aanwezigheid van verdachte aldaar. Het grondvergelijkend onderzoek tussen de grond op de plaats delict en de grond onder de schoenen van verdachte is ontlastend. Ook op het gebruikte mes van [medeverdachte] is geen DNA of vingerafdrukken van verdachte aangetroffen. Bovendien hoefde [verdachte] geen mes aan [medeverdachte] te vragen, omdat hij, zoals blijkt uit zijn fouillering, zelf een mes bij zich had dat bruikbaar was.

Indien het hof tot het oordeel komt dat verdachte betrokken is bij de dood van [slachtoffer] , is subsidiair aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachte raad nu [medeverdachte] heeft verklaard dat het plan slechts was om de personenauto van [slachtoffer] toe te eigenen en dat verdachte 'out of the blue' op [slachtoffer] is gaan insteken. Het om het leven brengen van [slachtoffer] is het resultaat van een hevige gemoedsbeweging. Immers, nadat [slachtoffer] zijn pincode niet wilde geven, is gezegd: 'Wie niet horen wil, moet maar voelen!', waarna het mes is gebruikt om [slachtoffer] te steken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt gedeeltelijk met de rechtbank als volgt.

[medeverdachte] heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd met betrekking tot hetgeen zich op de Vissersverkorting te Westdorpe heeft afgespeeld. Deze verklaring wordt in grote lijnen bevestigd door de bevindingen van de patholoog-anatoom zoals die zijn neergelegd in het onder b. aangehaalde sectierapport. Daartegenover staat de verklaring van verdachte dat hij in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 niet op de Vissersverkorting te Westdorpe is geweest. Deze stelling wordt echter door het onder e. genoemde grondvergelijkend onderzoek en het op verzoek van de verdediging uitgevoerde aanvullend grondvergelijkend onderzoek en de conclusies uit de epicrise, in onderling verband en in samenhang bezien met de verklaring van [medeverdachte] , ontkracht. Verdachte heeft verklaard dat hij hooguit een week voor zijn aanhouding nog op de Vissersverkorting is geweest. Het hof volgt in dat kader de conclusie uit de epicrise inhoudende dat het waarschijnlijker is dat de grondsporen 4 tot 6 uur voordat verdachte werd aangehouden onder de zolen van zijn schoenen terecht zijn gekomen, dan dat de grondsporen 24 tot 36 uur voordat hij werd aangehouden onder de zolen van zijn schoenen zijn terecht gekomen. Verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat op de verkeerde plaatsen grondmonsters zijn genomen, maar uit het aanvullend grondvergelijkend rapport komt duidelijk naar voren dat hij zelf heeft aangegeven op welke plekken bemonsterd moest worden.

Het hof acht, gelet op de verklaring van [medeverdachte] , in onderling verband en in samenhang bezien met het grondvergelijkend onderzoek, de conclusies van de epicrise en hetgeen onder h. is overwogen over de uitgevoerde DNA-onderzoeken, bewezen dat naast [medeverdachte] ook verdachte aanwezig was op de Vissersverkorting te Westdorpe in de nacht van 22 op 23 oktober 2012 en dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Dat op het mes dat volgens [medeverdachte] is gebruikt om het oor van [slachtoffer] af te snijden en hem te doden geen DNA dan wel vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen, doet daar niet aan af. Immers, zoals hiervoor is overwogen, blijk niet dat dit is onderzocht en [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte handschoenen droeg en dat hij het mes heeft schoongeveegd door het in het zand te steken.

Opzet

Het motief van verdachte is onbekend gebleven. Wel is het hof van oordeel dat vooral de aard (en in casu ook de ernst) van het letsel van [slachtoffer] zodanig is, dat daar het opzet van verdachte uit kan worden afgeleid. [slachtoffer] heeft ongeveer zeventien steek- en snijletsels op plekken in zijn lichaam waar zich vitale organen bevinden. Gelet hierop, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn, dan dat het opzet van verdachte gericht was op het om het leven brengen van [slachtoffer] door hem meermalen op dergelijke plekken in het lichaam te steken.

[medeverdachte] heeft verdachte zijn mes gegeven, waarna verdachte het oor van [slachtoffer] heeft afgesneden. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op dat moment heeft gedacht dat het wel eens verkeerd kon gaan aflopen en dat [slachtoffer] vermoord zou worden. Desondanks is hij vervolgens samen met verdachte en met [slachtoffer] in de kofferbak naar een afgelegen plek gereden. Hij heeft niets gedaan om te voorkomen dat verdachte [slachtoffer] zou doden. Hij heeft zelfs na afloop geholpen om het lichaam van [slachtoffer] te verbergen. Bovendien kenden verdachte en [slachtoffer] elkaar en heeft [medeverdachte] verklaard dat [slachtoffer] verdachte die nacht ook heeft herkend. Uit voormelde feitelijke gang van zaken volgt dat ook [medeverdachte] op een gegeven moment zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] , een kwetsbare man van hoge leeftijd, door het handelen van verdachte zou komen te overlijden en dat hij deze kans ook blijkens de gang van zaken heeft aanvaard.

Voorbedachte raad

Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet volgens bestendige jurisprudentie komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Vgl. onder andere: HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907 en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.

Het hof overweegt, grotendeels in navolging van de rechtbank, als volgt.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, de overige stukken van het dossier

en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte] (ruim) van tevoren een plan hadden beraamd om [slachtoffer] van het leven te beroven. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of er niettemin een of meer momenten zijn geweest voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen, waarop voor verdachte en [medeverdachte] voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft bestaan. Deze vraag moet naar het oordeel van het hof bevestigend worden beantwoord. Er was sprake van een doelbewust opwachten van [slachtoffer] in het park om hem zijn auto afhandig te maken. Vervolgens is [slachtoffer] op verschillende plaatsen op gewelddadige wijze mishandeld (in/bij het grote park aan de Eisenhowerlaan te Axel, bij het crossterrein aan de Lageweg te Axel en aan de Vissersverkorting te Westdorpe), waarbij sprake was van een steeds verder oplopende graad van agressie tegen [slachtoffer] . Elk van deze mishandelingen had naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, tot de dood van [slachtoffer] kunnen leiden.

Hoewel niet precies kan worden vastgesteld hoeveel tijd is gelegen tussen het moment waarop verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] hebben overmeesterd in het park aan de Eisenhowerlaan te Axel en het moment waarop [slachtoffer] aan de Vissersverkorting te Westdorpe is omgebracht, moet dit, vanwege de autorit en de tussenstops al met al geruime tijd in beslag hebben genomen.

Over de mishandeling die plaatsvond bij het crossterrein heeft [medeverdachte] , zoals hiervoor al is overwogen, het volgende verklaard. Verdachte is op enig moment samen met [medeverdachte] naar de ingang van het crossterrein aan de Lageweg te Axel gereden. Zij zijn beiden uit de personenauto gestapt en naar de achterkant daarvan gelopen. Verdachte heeft de kofferbak opengedaan. Daarop zag [medeverdachte] dat [slachtoffer] bij kennis was en hij hoorde hem vragen: 'Waarom doe je dit?'. Daarna is de foltering van [slachtoffer] begonnen, waarbij [slachtoffer] vuistslagen heeft gekregen en door verdachte om de pincode is gevraagd. Verdachte drukte ook de wijsvinger van de linkerhand van [slachtoffer] achterover zo dat [medeverdachte] het hoorde kraken, waarbij [slachtoffer] het uitgilde van de pijn. Verdachte heeft vervolgens het mes van [medeverdachte] gevraagd en heeft daarmee (een stuk van) het oor van [slachtoffer] afgesneden. Daarop is [slachtoffer] weer in de kofferbak geduwd. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens doorgereden naar de Vissersverkorting te Westdorpe. Daarbij bevond zich in de kofferbak de inmiddels zwaar gewonde [slachtoffer] . [slachtoffer] ademde op dat moment nog, maar slecht. [medeverdachte] en verdachte zijn niet met de inmiddels zwaargewonde [slachtoffer] naar het ziekenhuis gereden en hebben niet 112 gebeld.

Het hof slaat in dit verband in het bijzonder acht op de periode tussen de mishandeling bij het crossterrein en de aankomst bij de Vissersverkorting. In die tussenliggende periode heeft verdachte de gelegenheid gehad om over zijn daad – het doden van de heer [slachtoffer] – na te denken. De Vissersverkorting te Westdorpe is een afgelegen plek en daarmee een goede locatie om een persoon ongezien te doden en achter te laten. Dat is daar dan ook gebeurd. In de rit daarnaartoe heeft verdachte zich voldoende over zijn daad kunnen beraden, heeft hij desalniettemin zijn plan doorgezet en heeft hij opdracht gegeven aan [medeverdachte] om naar deze locatie te rijden. Volgens de verklaring van [medeverdachte] heeft verdachte daar het slachtoffer zeer vaak gestoken en hebben zij vervolgens samen het lichaam in de berm gesleept.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gepleegde handelingen en de ruime tijdspanne waarin zich dit moet hebben afgespeeld, kan het niet anders zijn dan dat verdachte voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Het hof gaat ervan uit dat verdachte in de geschetste tijdspanne tussen de mishandelingen – waarbij sprake was van een steeds verder oplopende graad van agressie tegen het slachtoffer – en het uiteindelijk doden van de hoogbejaarde [slachtoffer] , van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om na te denken over zijn handelen en dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het doden van [slachtoffer] . Aan het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof geen feiten of omstandigheden kunnen ontlenen die daarvoor een contra-indicatie zouden zijn. Het hof acht het, gezien de omstandigheden van het concrete geval, zijnde de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, dan ook redelijk aan te nemen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Het hof acht derhalve de ten laste gelegde moord bewezen en verwerpt de verweren van de verdediging.

Medeplegen

Het hof stelt voorop, dat voor medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt evenzeer dat sprake is geweest van een bewuste en

nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] gericht op het vermoorden van [slachtoffer] . Hoewel verdachte [slachtoffer] de messteken waaraan hij is overleden heeft toegebracht, heeft [medeverdachte] in deze een cruciale rol van voldoende gewicht gespeeld. Immers, hij is als bestuurder van de personenauto opgetreden, terwijl hij wist dat verdachte de hoogbejaarde [slachtoffer] , die zich op dat moment in de kofferbak bevond, al zwaar had toegetakeld en hij op enig moment de gedachte had dat het wel eens verkeerd kon aflopen voor [slachtoffer] . Hij heeft niets gedaan om te voorkomen dat verdachte [slachtoffer] om het leven zou brengen. Integendeel, toen verdachte om een mes vroeg, heeft [medeverdachte] hem dat gegeven en desgevraagd heeft [medeverdachte] geholpen met het in de berm werken van het lichaam waarna zij samen zijn vertrokken. Verdachte en [medeverdachte] hebben aldus als een team samengewerkt.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] met voorbedachte raad [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, zoals onder 3 primair aan hem ten laste is gelegd.

Met betrekking tot het onder feit 4 ten laste gelegde

De verdediging heeft betoogd dat er geen bewijs is dat verdachte in de woning van

[slachtoffer] is geweest.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte] , in onderling verband en in samenhang bezien met hetgeen hiervóór is overwogen ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3, hetgeen hiervóór is overwogen onder g., waaronder de beelden van het pinnen waarover verdachte heeft verklaard dat hij degene is op de beelden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] op 23 oktober 2012 in de woning van [slachtoffer] aan de [straat] in Axel zijn geweest en daar bladzijdes met daarop vermeende pincodes hebben weggenomen.

Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde

De verdediging betwist niet dat verdachte meermalen heeft geprobeerd geld te pinnen op

23 oktober 2012 te Axel. Volgens de verdediging had verdachte de bankpas van [medeverdachte] gekregen en verkeerde hij in de veronderstelling dat die pas van [medeverdachte] was. De verdediging heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op het wederrechtelijk wegnemen van geld van [slachtoffer] .

Gelet op hetgeen hiervoor onder g. is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] met de weggenomen bankpas van [slachtoffer] hebben geprobeerd geld op te nemen bij een pinautomaat te Axel. Verdachte heeft ook bekend dat hij, met een van [medeverdachte] verkregen bankpas, geld heeft proberen op te nemen bij de Rabobank te Axel. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat deze bankpas niet van

[medeverdachte] was maar van [slachtoffer] , acht het hof niet geloofwaardig, gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld met betrekking tot de overige feiten.

Het hof verwerpt de bewijsverweren daarom in al haar onderdelen.

In de zaak met parketnummer 12-715334-12

Volgens de verdediging ontbreekt wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te kunnen komen. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de bij verdachte aangetroffen messen van misdrijf afkomstig waren. Indien het hof dat niettemin bewezen zou achten, dan kan volgens haar niet worden bewezen dat verdachte daar in enigerlei vorm wetenschap van had.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de nacht van 17 september 2012 op 18 september 2012 is er ingebroken in de winkel van [slachtoffer 2] te Axel.185 Diens zus heeft namens hem aangifte gedaan en heeft verklaard geconstateerd dat er een onbekend aantal messen/scharen uit de winkel is gestolen.186

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat bij de diefstal 10 Victorinox messen, 10 zakmessen en 40 klapmessen met houten heft zijn weggenomen.187

Bij de aanhouding van verdachte op 19 september 2012188 zijn tijdens zijn fouillering een rood zakmes en een zwart uitklapbaar mes van het merk Victorinox aangetroffen.189

Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 september 2012 in Axel bij de Albert Heijn, op het Sydlowskiplein bij de bosjes, van een voor hem onbekende Turkse man een stuk of acht messen heeft gekregen. Deze persoon vroeg hem of hij er iemand voor kende. [getuige 5] wilde er € 40,- voor hebben. Verdachte heeft de messen aangenomen.190 Verdachte heeft verder verklaard dat hij beter had moeten weten dat de spullen afkomstig waren van diefstal.191

Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de bij hem aangetroffen messen heeft verkregen, op straat, bij de bosjes, van een voor hem onbekende Turkse man voor een bedrag van € 40,-, hetgeen een zeer ongebruikelijke plaats en wijze is om nieuwe messen aan te schaffen, acht het hof bewezen dat verdachte die messen voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die messen had moeten had moeten vermoeden dat die messen van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt de bewijsverweren in al haar onderdelen.

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden door het hof eventueel nadere bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van feit 1

en 2 van parketnummer 12-700520-12, nu deze feiten moeten worden beschouwd als een

voortgezette handeling. Het gaat volgens de verdediging om één ongeoorloofd wilsbesluit en zowel de diefstal met geweld als de afpersing beschermen volgens haar hetzelfde rechtsbelang. Bovendien is er sprake van opeenvolging in de tijd, aldus de verdediging.

Het hof volgt de verdediging niet in dit betoog. De regeling van de bepalingen van samenloop, waaronder die betreffende de voortgezette handeling, geven uitdrukking aan de gedachte dat iemand niet twee keer mag worden bestraft voor wat in wezen één strafrechtelijk relevant verwijt oplevert. Het gaat daarbij met andere woorden om het voorkómen van – kort gezegd – onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068.

Het Hof oordeelt dat met betrekking tot het handelen van verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 van parketnummer 12-700520-12 niet moeten worden beschouwd als eendaadse samenloop noch als een voortgezette handeling, maar dat bij de betreffende bewezen verklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop. Het gaat volgens het hof bij genoemde feiten weliswaar om gedragingen waarbij sprake is van opeenvolging in de tijd, maar bij beide bewezen verklaarde gedragingen is sprake van (in wezen) één verwijt noch van elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') welke zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het gaat bij feit 1 om het medeplegen van diefstal van een personenauto (merk Mitsubishi Carisma, kleur grijs), de autosleutel(s) van die personenauto en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer] , onder strafverzwarende omstandigheden waaronder geweld. Bij feit 2 betreft het medeplegen van poging tot afpersing onder strafverzwarende omstandigheden, door het dwingen tot het ter beschikking stellen van bij bankpassen behorende pincode(s), geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer] . Volgens het hof spelen beide gedragingen zich niet min of meer op dezelfde tijd en plaats af, ook is bij beide feiten – ook al volgen de gedragingen elkaar in de tijd op – sprake van een verschillend verwijt.

Het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, op de openbare weg, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing, door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 5 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het in de zaak met parketnummer 12-715334-12 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. Volgens haar is de door de rechtbank opgelegde straf te hoog, in vergelijking met straffen die doorgaans worden opgelegd in zaken als de onderhavige. Daarnaast is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen volgens haar tot strafvermindering dient te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent – grotendeels overeenkomstig de rechtbank – als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte en [medeverdachte] hebben op 23 oktober 2012 kort na middernacht een hoogbejaarde man van 86 jaar oud overmeesterd terwijl deze zijn hond uitliet in het park. Daarna heeft [verdachte] [getuige 5] ernstig mishandeld door hem tegen het hoofd te slaan. Volgens [medeverdachte] is verdachte als een wild beest op het achterhoofd van het slachtoffer 'blijven, blijven kloppen. Als een wild beest gewoon'. Het slachtoffer 'botste' met zijn gezicht op de grond. Zijn hoofd stuiterde omhoog. Verdachte bleef 'kloppen', terwijl het slachtoffer al op de grond lag. Dat heeft zeker twee of drie minuten geduurd, aldus [medeverdachte] .

Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] in de kofferbak van diens eigen personenauto gelegd, waarna hij en [medeverdachte] met hem naar een afgelegen plek zijn gereden. Onderweg zijn zij op verschillende plekken gestopt en heeft verdachte [slachtoffer] telkens op zeer gewelddadige wijze mishandeld, onder andere door een gedeelte van zijn oor af te snijden, in een poging zijn pincode te krijgen.

[slachtoffer] heeft de gewelddadigheden bewust (moeten) ondergaan, gelet op de verklaring van

[medeverdachte] dat hij [slachtoffer] op verschillende momenten tijdens het gebeuren heeft horen huilen

en horen zeggen: 'Laat mij met rust' en 'wat heb ik jou misdaan?'. Het extreme geweld tegen

[slachtoffer] en de pijn die hij daarbij heeft geleden, blijkt ook uit deze verklaringen. Zo is

[medeverdachte] bij de Lageweg op een gegeven ogenblik uit de auto gestapt, 'om het geluid niet te

horen van een man die veel pijn had.' Bij de volgende stop, bij de ingang van het crossterrein, heeft verdachte de wijsvinger van de linkerhand van [slachtoffer] achterovergedrukt. 'Dhr. [slachtoffer] gilde, ik hoorde dat dhr. [slachtoffer] gilde van de pijn', aldus [medeverdachte] .

Het steeds terugkerende en nietsontziende geweld gepleegd tegen het hoogbejaarde

slachtoffer, dat tegenover de verdachten die in de kracht van hun leven verkeerden totaal

weerloos en hulpeloos was, kan niet anders worden omschreven dan als weerzinwekkend.

De gedachte aan de – letterlijke – doodsangsten die [slachtoffer] vanaf de aanval in het park, gedurende de eenzame opsluiting in de kofferbak en tijdens de telkens terugkerende

gewelddadigheden tot aan zijn dood op de Vissersverkorting heeft moeten doorstaan, is

zonder meer huiveringwekkend.

Uiteindelijk heeft verdachte het hoogbejaarde slachtoffer op zeer brute en gruwelijke wijze met zeer veel messteken om het leven gebracht en heeft hij samen met [medeverdachte] diens lichaam in een sloot gedumpt.

Nadat [slachtoffer] om het leven was gebracht, zijn verdachte en [medeverdachte] naar diens woning gegaan en hebben zij gezocht naar de pincode die bij de van [slachtoffer] gestolen pinpas hoorde.

Vervolgens hebben zij geprobeerd om geld op te nemen, maar dat is uiteindelijk niet gelukt

omdat zij niet over de juiste pincode beschikten.

Verdachte heeft door aldus te handelen totaal gewetenloos en naar het lijkt, slechts met

het oog op eigen financieel gewin gehandeld. Het hof rekent verdachte, die bovendien na de dood van [slachtoffer] op geen enkele wijze verantwoording heeft genomen voor zijn handelen, ook niet in hoger beroep, deze laffe daad zeer zwaar aan.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. Het hof houdt verder rekening met het feit dat uit het bewijs naar voren komt dat het initiatief voor het plegen van voornoemde feiten bij verdachte vandaan kwam en dat hij de agressor was.

Hoewel in het niet vallend vergeleken bij de zaak rond [slachtoffer] , heeft verdachte zich

voorts schuldig gemaakt aan schuldheling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en

inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d.

20 december 2018, eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ter zake van gekwalificeerde diefstallen. De daarvoor aan verdachte opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen voor langere duur en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Omtrent de persoon van verdachte bevindt zich in het dossier een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 29 augustus 2013, opgesteld door [psychiater] , psychiater, en [psycholoog] , GZ-psycholoog. Uit dat rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met

narcistische trekken, maar dat niet kan worden vastgesteld dat deze stoornis een rol heeft

gespeeld bij het plegen van de feiten. Verdachte is volgens de deskundigen dan ook volledig

toerekeningsvatbaar.

Aangezien door de deskundigen niet de maatregel van terbeschikkingstelling is geadviseerd, het causaal verband tussen stoornis en het ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld en de deskundigen in de levensloop van verdachte geen patroon van ernstige gewelddadige delicten zien, achtte de rechtbank – anders dan de officier van justitie – onvoldoende gronden aanwezig om de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

Om in hoger beroep de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen opleggen, zou een nieuw rapport nodig zijn, omdat vermeld rapport eerder dan een jaar vóór de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend en dit rapport daarom zonder instemming van het openbaar ministerie en de verdachte, welke instemming ontbreekt, niet mag worden gebruikt om daarop de maatregel van terbeschikkingstelling te baseren. In de inhoud van voormeld rapport, in het bijzonder de omstandigheid dat door de deskundigen niet de maatregel van terbeschikkingstelling is geadviseerd, zij niet hebben geconcludeerd tot een doorwerking van verdachtes gebrekkige ontwikkeling in het ten laste gelegde en zij in de levensloop van verdachte geen patroon van ernstige gewelddadige delicten zien waardoor een recidivegevaar niet valt te onderbouwen, heeft het hof geen aanleiding gezien om opnieuw een onderzoek te laten doen naar de persoon van de verdachte. Ook de advocaat-generaal en de verdediging hebben in hoger beroep niet om een dergelijk onderzoek gevraagd.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 23 oktober 2012, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 22 mei 2015 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden.

Namens verdachte is op 4 juni 2015 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op

11 februari 2019. Ook in hoger beroep is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel van 20 maanden.

Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel bijzondere omstandigheden aanwezig die zowel de termijnoverschrijding in eerste aanleg als de termijnoverschrijding in hoger beroep voor een deel rechtvaardigen, te weten de complexiteit van de zaak en het vele nadere onderzoek dat op verzoek van de verdediging is verricht, zoals het horen van getuigen en forensisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut.

Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd van 25 jaren, met aftrek van voorarrest. Nu de redelijke termijn is geschonden, acht het hof het opleggen van de na te melden straf passend en geboden.

Een lichtere straf, zoals door de verdediging is verzocht, acht het hof niet aan de orde gelet op de buitengewone ernst van het bewezen verklaarde.

Benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij en hebben schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft hen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft bepaald dat zij hun vorderingen desgewenst bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Hun vorderingen zijn daarom niet meer aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 289, 311, 312, 317 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen het in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 2 ten laste gelegde;

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 12-700520-12 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 12-715334-12 onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes en mr. S.C.M. van Keulen, griffiers,

en op 11 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar pagina's uit: - het eindproces-verbaal van de regiopolitie Zeeland(-West-Brabant), proces-verbaalnummer 201301141000.5617.AMB, sluitingsdatum 17 januari 2013 ('Onderzoek Wanssum'), met als bijlagen in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en/of andere geschriften, voorzien van de doorgenummerde pagina's 1 tot en met 4087 (hierna te noemen: dossier A); - het eindproces-verbaal van de regiopolitie Zeeland, proces-verbaalnummer PL1960 2012073935, sluitingsdatum 29 september 2012, met als bijlagen in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en/of andere geschriften, voorzien van de doorgenummerde pagina's 1 tot en met 119 (hierna te noemen: dossier B).

2 Dossier A, het proces-verbaal relaas onderzoek Wanssum, pagina 22-1.

3 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 46 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 49.

4 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 47.

5 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 156.

6 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 28 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 49.

7 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 28 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 156-157.

8 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 156-157.

9 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 28.

10 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 157, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 50 en het proces-verbaal van aanhouding verdachte, pagina 757.

11 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] , pagina 405.

12 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , pagina 409.

13 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6] , pagina 436.

14 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , pagina 546.

15 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , pagina 510

16 De verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 61, welk proces-verbaal op verzoek van de raadsman van verdachte ook in diens zaak gevoegd.

17 Dossier A, het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 972-973.

18 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 20] , pagina 319.

19 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen, pagina's 315 en 316.

20 Dossier A, het proces-verbaal betreffende de confrontatie familie [familienaam] met het slachtoffer d.d. 29 oktober 2012, pagina 357.

21 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 11] , pagina 1108.

22 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , pagina 134.

23 Dossier A, het rapport van het NFI, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, van dr. [deskundige 2] d.d. 29 november 2012, pagina 330, 331 en 332.

24 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 977.

25 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 978.

26 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 971.

27 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 12] , pagina 481.

28 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 971.

29 Dossier A, het proces-verbaal betreffende onderzoek aan de mobiele telefoon van [verdachte] d.d. 23 oktober 2012, pagina 915.

30 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 971.

31 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 29 november 2012, pagina's 877 en 878.

32 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 13] , pagina 152 en het proces-verbaal 6e verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 997.

33 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 14] , pagina 58.

34 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 15] , pagina's 62 en 63.

35 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 29 november 2012, pagina's 878.

36 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor [medeverdachte] , pagina 972.

37 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1011.

38 Dossier A, het proces-verbaal betreffende onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte d.d. 23 oktober 2012, pagina 915.

39 Dossier A, het proces-verbaal getuige [getuige 12] , pagina 484.

40 Dossier A, het proces-verbaal betreffende onderzoek aan de mobiele telefoon van [verdachte] d.d. 23 oktober 2012, pagina 915 alsmede de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] , pagina 561 en pagina 563.

41 Dossier A, het proces-verbaal betreffende onderzoek aan de mobiele telefoon van [verdachte] d.d. 23 oktober 2012, pagina 914.

42 Dossier A, het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 9 november 2012, pagina 2170.

43 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2171 en de verklaring van de getuige [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2018, als opgenomen op pagina 18 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

44 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2181.

45 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2173.

46 Dossier A, het proces-verbaal getuige [broer van verdachte] , pagina 2302.

47 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2181.

48 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2182.

49 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2185.

50 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2186.

51 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2185 en 2186.

52 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2190.

53 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2191.

54 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2219.

55 Dossier A, het proces-verbaal 5e verhoor [medeverdachte] , pagina 973.

56 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 24.

57 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2821, en de daarbij gevoegde sporenlijst, pagina 2852.

58 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012 van het NFI van 30 november 2012, pagina 3832 en 3834.

59 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012 van het NFI van 30 november 2012, pagina 3836.

60 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, met bijbehorende foto's d.d. 27 november 2012, pagina 2850.

61 Dossier A, het proces-verbaal van vergelijkend schoensporenonderzoek, door het UFO, d.d. 24 maart 2014, pagina's 4045, 4047 en 4048.

62 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2821.

63 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2822, en de daarbij gevoegde sporenlijst, pagina 2852.

64 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012 van het NFI van 30 november 2012, pagina 3832, 3834 en 3836.

65 Het Interdisciplinair rapport naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe van het NFI van 6 maart 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina 16.

66 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2821.

67 Dossier A, het proces-verbaal 7e verhoor [medeverdachte] , pagina 1000.

68 Dossier A, het proces-verbaal 5e verhoor [medeverdachte] , pagina 973.

69 Dossier A, het proces-verbaal 7e verhoor [medeverdachte] , pagina 1002.

70 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 16] , pagina 79 en 80.

71 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van het hof van 14 januari 2019.

72 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1013.

73 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 157, en proces-verbaal van aanhouding [verdachte] , pagina 757.

74 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 20.

75 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 454 en 455.

76 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1013.

77 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1014.

78 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1014 en 1015.

79 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2193.

80 Dossier A, het proces-verbaal 8e verhoor [medeverdachte] , pagina 1016.

81 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [getuige 17] , pagina 160 en 161.

82 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [getuige 18] , pagina 165.

83 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , pagina 167.

84 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2889 en 2890.

85 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2975.

86 Dossier A, het proces-verbaal uitslagen en interpretatie, pagina 3787.

87 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2890.

88 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 16 november 2018, als opgenomen op pagina 2 en 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

89 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 28.

90 Dossier A, het proces-verbaal 9e verhoor [medeverdachte] , pagina 1020 tot en met 1023, 1025 en 1026, en het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2212.

91 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 33.

92 Dossier A, het proces-verbaal 9e verhoor [medeverdachte] , pagina 1026 en pagina 1027.

93 Dossier A, het rapport van het NFI, pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgesteld door dr. [deskundige 2] d.d. 29 november 2012, pagina 330.

94 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2199.

95 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 35.

96 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2202.

97 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2206.

98 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 37-38.

99 Dossier A, het proces-verbaal studioverhoor [medeverdachte] , pagina 2213.

100 Dossier A, het proces-verbaal bemonstering verdachte [medeverdachte] , pagina 3143.

101 Dossier A, het proces-verbaal 7e verhoor [medeverdachte] , pagina 992.

102 Dossier A, het proces-verbaal bemonstering verdachte [medeverdachte] , pagina 3144.

103 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 9 november 2012, pagina 3809.

104 Dossier A, het rapport veiligstellen van niet-humane biologische sporen en indicatie van onderzoeksmogelijkheden naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe, door drs. [deskundige 4] , d.d. 17 april 2013, pagina 3852.

105 Dossier A, het rapport grondvergelijkend onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige 5] , d.d. 10 september 2013, pagina 3941.

106 Dossier A, het proces-verbaal forensisch sporenonderzoek veiligstellen grondmonsters voor aanvullend onderzoek, pagina 4013.

107 Dossier A, het rapport aanvullend grondvergelijkend onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe, door drs. [deskundige 4] , d.d. 18 april 2014, pagina 4078.

108 Dossier A, het proces-verbaal 9e verhoor [medeverdachte] , pagina 1030.

109 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 14 januari 2019.

110 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 43.

111 Dossier A, het proces-verbaal 7e verhoor [medeverdachte] , pagina 980.

112 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek goederen/garagebox [nummer] te Axel, pagina 3113.

113 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek goederen/garagebox [nummer] te Axel, pagina 3138.

114 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen met bijlage van verbalisant [verbalisant 8] , pagina's 181 en 185 en het proces-verbaal bevindingen uitwerken verhoor [verdachte] , pagina 2800 en 2801.

115 Dossier A, het proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, pagina 2999 en 3003.

116 De verklaring van [medeverdachte] afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 44.

117 Dossier A, het proces-verbaal 9e verhoor [medeverdachte] , pagina 1033.

118 De verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 46.

119 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen onderzoek in camerabeelden, pagina's 204 en 205.

120 De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2018, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 2.

121 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 13 december 2012, pagina 887.

122 Dossier A, het proces-verbaal 5e verhoor [medeverdachte] , pagina 974.

123 Dossier A, het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , pagina 3519 e.v.

124 Dossier A, het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , pagina 3532 e.v.

125 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] pagina 3675, het proces-verbaal bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , pagina 3696, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 21] , pagina 3690 en het proces-verbaal bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] , pagina 3752.

126 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] van 29 november 2012, pagina 875.

127 Dossier A, het proces-verbaal 2e verhoor [medeverdachte] , pagina 953.

128 Dossier A, het proces-verbaal aangifte van [aangever] , pagina 714.

129 Dossier A, het proces-verbaal 2e verhoor [medeverdachte] , pagina 953.

130 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 12] , pagina na 716 (niet genummerd).

131 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [aangever] , pagina 718.

132 Dossier A, het proces-verbaal 2e verhoor [medeverdachte] , pagina's 953 en 954.

133 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 19] , pagina 2620.

134 Dossier A, het proces-verbaal verkeersongeval met stoffelijke schade - vluchtmisdrijf, pagina 723.

135 Dossier A, het proces-verbaal 2e verhoor [medeverdachte] , pagina 954.

136 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [aangever 2] , pagina 734.

137 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 982.

138 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek goederen/garagebox [nummer] te Axel, pagina 3138.

139 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3885.

140 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3893 en 3894.

141 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3885, 3886, 3893 en 3894.

142 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 29 november 2012, pagina 880.

143 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 983.

144 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek plaats delict Lageweg te Axel Veiligstellen fiets, pagina's 2883 tot en met 2888.

145 Dossier A, het proces-verbaal aanhouding [verdachte] , pagina 935.

146 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 983.

147 Het hof begrijpt het SIN-nummer AAFQ2341NL als AAFQ2340NL, nu dit een kennelijke verschrijving is van de politie, gelet op de overige processen-verbaal.

148 Dossier A, het proces-verbaal bemonstering [verdachte] , pagina 3053.

149 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 ok1ober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3799, 3800, 3883 en 3892.

150 Dossier A, het rapport bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overzocht van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2013, door ing. [deskundige 6] , d.d. 26 november 2013, pagina 3415.

151 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 ok1ober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3883.

152 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] , pagina 180.

153 Dossier A, het proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] , pagina 454.

154 Dossier A, het proces-verbaal verhoor van getuige [moeder van verdachte] , pagina 466.

155 Dossier A, het proces-verbaal verhoor van [getuige 22] , pagina 122.

156 Dossier A, het proces-verbaal verhoor van [getuige 22] , pagina 2250.

157 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 49 en 51.

158 Dossier A, het proces-verbaal 6e verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 983.

159 De verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 54.

160 Dossier A, het proces-verbaal bemonstering verdachte [medeverdachte] , pagina 3142.

161 De verklaring van [medeverdachte] , afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 68.

162 Dossier A, het proces-verbaal bemonstering verdachte [medeverdachte] , pagina 3143.

163 Dossier A, het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3891.

164 Dossier A, het bloedspoorpatroononderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overzocht van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2013, door ing. [deskundige 6] , d.d. 26 november 2013, pagina 3415.

165 Dossier A, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 13] , pagina 520.

166 Dossier A, het proces-verbaal sporenonderzoek goederen uit woning [adres] Axel, pagina 319.

167 Het bloedspoorpatroononderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 26 februari 2015, pagina 2 van 3.

168 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek plaats delict Westdorpe, pagina 2928.

169 Dossier A, het proces-verbaal onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 oktober 2012, door dr. [deskundige] , d.d. 5 juni 2013, pagina 3878, 3889 en 3895.

170 Het forensisch DNA-rapport, contra DNA-onderzoek inzake [verdachte] , d.d. 16 mei 2014, door Verilabs, pagina 5 van 5.

171 Het forensisch DNA-Rapport, contra DNA-onderzoek inzake [verdachte] deel 2, d.d. 13 juni 2014, door Verilabs, pagina 4 van 4.

172 Het proces-verbaal van verhoor van dr. [deskundige] , DNA-deskundige bij het NFI, van 8 april 2015 door de rechter-commissaris, alsmede het rapport beantwoording van een vraag naar aanleiding van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek inzake het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Axel op 23 ok1ober 2012 van dr. [deskundige] , van 12 augustus 2012.

173 Het Interdisciplinair rapport naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe van het NFI van 6 maart 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina's 8 en 9.

174 Het Interdisciplinair rapport naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe van het NFI van 6 maart 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina 10.

175 Het Interdisciplinair rapport naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe van het NFI van 6 maart 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina's 10, 11 en 12.

176 Het Interdisciplinair rapport naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 23 oktober 2012 te Westdorpe van het NFI van 6 maart 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina's 17, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 28 en 29.

177 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 15] , pagina 62.

178 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 16 april 2015, als opgenomen in het proces-verbaal van die terechtzitting, pagina 16.

179 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , pagina 545.

180 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 12] , pagina 481.

181 Dossier A, het proces-verbaal betreffende onderzoek aan de mobiele telefoon van [verdachte] d.d. 23 ok1ober 2012, pagina 915.

182 Dossier A, het proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 29 november 2012, pagina's 875.

183 Dossier A, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 16] , pagina 79.

184 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 14 januari 2019.

185 Dossier B, het proces-verbaal aangifte [zus aangever] , namens [slachtoffer 2] , pagina 29.

186 Dossier B, het proces-verbaal aangifte [zus aangever] , namens [slachtoffer 2] , pagina 29 en 30.

187 Dossier B, de bijlage weggenomen goederen, pagina 3la.

188 Dossier B, het proces-verbaal aanhouding [verdachte] , pagina 72.

189 Dossier B, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 14] , pagina 76.

190 Dossier B, het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 88 en 89.

191 De verklaring van verdachte, afgelegd bij de rechter-commissaris, op 21 september 2012, als opgenomen in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, eerste pagina (ongenummerd).