Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4735

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20-001547-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001547-18

Uitspraak : 24 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 mei 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-255729-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

thans verblijvende te [adres 2] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] conform de beslissing van de politierechter moet toewijzen.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen achter het standpunt van de advocaat-generaal geschaard, met dien verstande dat de schadepost ‘beoordeling goudsmid’ door het hof niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis (inhoudende o.a. een hoeveelheid sieraden en/of autopapieren en/of (reserve)sleutels), die, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , uit een woning, gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kluis onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 november 2017 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander, een kluis (inhoudende o.a. een hoeveelheid sieraden en autopapieren en (reserve)sleutels), die geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , uit een woning, gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen kluis onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een in vereniging gepleegde diefstal met braak op klaarlichte dag in een woning in Helmond. De verdachte heeft samen met een ander uit die woning een kluis in zijn geheel losgewrikt en meegenomen. In de kluis zat onder andere een grote hoeveelheid sieraden met een aanzienlijke financiële en emotionele waarde, die helaas niet meer is teruggevonden. Door op zo’n wijze te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders niet alleen materiële schade en overlast veroorzaakt, maar hebben zij tevens een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, hetgeen bij hen gevoelens van onveiligheid en meer in het algemeen onrust in de samenleving heeft veroorzaakt. Het gevoel van veiligheid in je eigen woning, een omgeving waar men zich bij uitstek beschermd moet kunnen voelen, is mede door toedoen van de verdachte aangetast. De verdachte heeft door zijn handelen aangetoond dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendommen. Het hof acht dit een ernstig feit en weegt mee dat de verdachte en zijn mededader dit misdrijf kennelijk puur uit financieel gewin hebben gepleegd.

Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 24 april 2019, welk advies in een andere strafzaak is opgemaakt en waaruit blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat op gemiddeld. Uit het advies blijkt voorts dat de verdachte openstaat voor behandeling en begeleiding en wil meewerken aan verplicht reclasseringstoezicht. Volgens de reclassering is nog het te vroeg om conclusies te trekken over de begeleidbaarheid en motivatie van de verdachte, omdat er nog maar een paar gesprekken met de verdachte hebben plaatsgevonden.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 15 augustus 2019 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer identiteitsfraude en een transactie heeft voldaan vanwege een winkeldiefstal. Het hof acht het zorgelijk dat dit de verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden een delict als thans bewezenverklaard te plegen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van een woninginbraak. Genoemde oriëntatiepunten geven bij recidive als indicatie voor de op te leggen straf, een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. Zo heeft de verdachte bij het hof de indruk gewekt dat hij spijt heeft van hetgeen hem wordt verweten en dat hij zijn verantwoordelijkheid niet wil ontlopen. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat het momenteel goed met hem gaat en dat hij hard werkt om zijn leven op orde te krijgen. De verdachte heeft, naar hij zegt, volledig afstand genomen van zijn oude sociale netwerk en is op zoek naar een baan.

Gelet op al het voorgaande is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke of andersoortige sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor enige duur met zich brengt. Wel ziet het hof in de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om van voornoemd uitgangspunt af te wijken en een lagere straf op te leggen dan door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, passend en geboden is.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.670,13, bestaande uit € 10.220,13 materiële schade en € 450,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.980,95, bestaande uit € 1.680,95 materiële schade en € 300,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij achter de beslissing van de politierechter geschaard, met dien verstande dat is bepleit dat de schadepost ‘beoordeling goudsmid’ door het hof niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.046,40, bestaande uit € 149,00 aan schadevergoeding voor de gestolen kluis, € 697,40 aan schadevergoeding voor de gestolen reserveautosleutels en € 200,00 aan schadevergoeding voor de gemiste inkomsten. De schadevergoeding voor de gemiste inkomsten is door het hof in redelijkheid geschat. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering met betrekking tot de overige materiële schadeposten, te weten “gouden sieraden” en “kosten beoordeling goudsmid” een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien deze schadeposten thans onvoldoende zijn onderbouwd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat bij een dergelijke inboedel het niet ongebruikelijk is om deze te laten verzekeren en hoewel er een serieus bedrag aan sieraden is ontvreemd heeft de benadeelde partij niet inzichtelijk gemaakt of en hoeveel er door een eventuele verzekeraar is uitgekeerd. De benadeelde partij kan daarom voor dat deel van zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Artikel 6:106 BW, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde aanspraak kan maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of andere wijze in zijn persoon is aangetast. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de benadeelde door het handelen van verdachte en diens mededader(s) in zijn persoon is aangetast. Daarvoor is immers nodig dat er sprake is van geestelijk letsel dan wel een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de persoon. Het ontstaan van een dergelijke schade is in het onderhavige geval niet gesteld en evenmin gebleken. Hierdoor is de verdachte in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden en is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover betrekking hebbend op de vergoeding van immateriële schade, voor een bedrag van € 450,00 moet worden afgewezen.

Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 1.046,40. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij achter de beslissing van de politierechter geschaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Artikel 6:106 BW, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde aanspraak kan maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of andere wijze in zijn persoon is aangetast. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de benadeelde door het handelen van verdachte en diens mededader(s) in haar persoon is aangetast. Daarvoor is immers nodig dat er sprake is van geestelijk letsel dan wel een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de persoon. Het ontstaan van een dergelijke schade is in het onderhavige geval niet gesteld en evenmin gebleken. Hierdoor is de verdachte in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden en is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover betrekking hebbend op de vergoeding van immateriële schade, voor een bedrag van € 450,00 zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.046,40 (duizend zesenveertig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.046,40 (duizend zesenveertig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 november 2017.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot schadevergoeding af.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. M.J. Grapperhaus en mr. R. Lonterman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,

en op 24 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. A.C. Bosch en R. Lonterman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.