Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2019:4666

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
03-01-2020
Zaaknummer
200.235.579_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8664
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:347
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:770
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht; wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen; woning prive-eigendom man; vergoedingsrecht gemeenschap op man?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.235.579/01

arrest van 24 december 2019

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. R.F. Cohen te Sittard,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. C.H.J.M. van Heugten te Sittard,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 2 april 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/217768 / HA ZA 16-132 gewezen vonnissen van 28 september 2016, 11 januari 2017 en 24 januari 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 2 april 2019 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 11 september 2019. Het hof heeft daarbij een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

Dit geschil gaat over de vraag of de vrouw een vergoedingsrecht toekomt ter zake van de woning van de man. Verder is in geschil de waarde van de Suzuki Alto.

6.2.

De rechtbank heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

  1. partijen zijn op 29 september 2000 in gemeenschap van goederen gehuwd. De vrouw heeft op 22 mei 2015 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 28 september 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 21 december 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

  2. de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), is privé-eigendom van de man omdat deze is gebouwd op een perceel dat de man (voor het huwelijk met de vrouw) heeft gekocht met geld dat (voor het merendeel) aan hem is geschonken onder uitsluitingsclausule. De woning werd door partijen samen bewoond en was in die zin hun echtelijke woning;

  3. ter financiering van de woning zijn partijen op 22 oktober 1999 gezamenlijk een hypothecaire geldlening aangegaan van € 136.143,-- (fl. 300.000,--), later is deze hypothecaire geldlening overgesloten en verhoogd tot € 174.000,--. In juli 2017 is de vrouw ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening.

6.3.

In eerste aanleg hebben partijen over en weer – samengevat – gevorderd de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap en afwikkeling van de met (het einde van) het huwelijk verband houdende financiële kwesties.

6.4.

De vrouw kan zich op onderdelen niet verenigen met de beslissingen van de rechtbank en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

6.4.1.

De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen. Deze grieven gaan over het vergoedingsrecht van de vrouw ter zake van de woning (grieven I en II) en de waarde van de Suzuki Alto (grief III).

De vrouw heeft geconcludeerd tot vernietiging van de drie bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende, tot:

  • -

    veroordeling van de man om aan haar te betalen primair een bedrag € 38.879,--, subsidiair een bedrag van € 16.656,--, meer subsidiair een door het hof te bepalen bedrag, zijnde het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning;

  • -

    de Suzuki Alto aan haar toe te delen tegen een waarde van € 150,-- inclusief BTW onder de verplichting voor haar aan de man een bedrag van € 75,-- uit te keren;

  • -

    veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

6.5.

De man heeft verweer gevoerd.

Wijziging van eis

6.6.1.

De man verzet zich tegen de (bij memorie van grieven ingediende) wijziging van eis. Hij voert aan dat de vrouw in eerste aanleg haar eis al herhaaldelijk heeft gewijzigd, vervolgens in de hoger beroepsdagvaarding een afwijkend standpunt heeft ingenomen en thans in haar memorie van grieven weer een ander standpunt heeft ingenomen. Volgens de man zijn met name de eiswijzigingen in hoger beroep in strijd met de eisen van een goede procesorde omdat deze vertraging en bemoeilijking van zijn verdediging, althans zijn standpunten veroorzaken.

6.6.2.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 130 lid 1 Rv in samenhang met art. 353 lid 1 Rv komt aan de vrouw de bevoegdheid toe haar eis of de gronden daarvan te wijzigen, tenzij (kort gezegd) die wijziging van eis in strijd is met eisen van een goede procesorde.

Het hof is van oordeel dat de wijziging van eis niet in strijd is met eisen van een goede procesorde. De eiswijzing is bij memorie van grieven ingediend en toegelicht zodat het geding in hoger beroep in zoverre geen vertraging heeft. Omdat de eiswijziging geen substantiële uitbreiding van de feiten of het partijdebat meebrengt, wordt de man ook niet onredelijk in zijn verdediging bemoeilijkt. Het hof zal de eiswijziging dan ook toelaten en beslissen op de gewijzigde eis.

Het hof zal hierna de grieven per onderwerp bespreken.

Vergoedingsrecht woning (grieven I en II)

6.7.1.

De rechtbank heeft in de beschikking van 28 september 2016 met betrekking tot de woning het volgende overwogen (in rov. 4.7):

“[De vrouw] heeft niet gesteld dat in de woning meer is geïnvesteerd dan de hypothecaire lening van € 174.000,--, waarop niet is afgelost maar waarover enkel rente is betaald. (…) Dit betekent dat er geen bedrag aan de gemeenschap is onttrokken ten behoeve van de woning, zodat in beginsel ook geen vergoedingsrecht bestaat.”

6.7.2.

Met de grieven I en II betoogt de vrouw dat zij ter zake van de woning wel een vergoedingsrecht heeft. Zij legt daaraan ten grondslag:

I. dat er wel op de hypothecaire geldlening is afgelost (grief I) en

II. dat de gemeenschap gelden voor de bouw van de woning ter beschikking heeft gesteld (grief II).

Ter toelichting voert de vrouw het volgende aan.

Ad I Betaling van (levens)verzekeringspremies voor een kapitaalverzekering die gekoppeld is aan een hypothecaire lening, moet gelijk worden gesteld met aflossingen op een hypothecaire schuld (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387 ( [link] ) m.nt. S.F.M. Wortmann). Partijen hadden een levensverzekering (productie 9) die was gekoppeld aan hun hypothecaire geldlening (productie 10). De premies voor die levensverzekering hebben zij gedurende het huwelijk altijd voldaan. Nu die premiebetaling gelijk staat aan de aflossing op de hypotheek, heeft de vrouw recht op een vergoeding van een deel van de overwaarde van de woning.

Ad II De hypothecaire geldlening die partijen hebben afgesloten is volledig besteed aan de bouw van de woning. Dit betekent dat de gemeenschap hypothecaire gelden ter beschikking heeft gesteld ter financiering van de woning die de man in eigendom heeft. Dat de ouders van de man een deel van de koopsom van het perceel grond dat van hen is aangekocht, hebben kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule, maakt dat niet anders. Dit betreft immers enkel de aankoop van de bouwgrond en niet de woning. Tenzij de man aantoont dat hij het restant van de koopsom van het perceel uit zijn privévermogen heeft voldaan, moet het er bovendien voor worden gehouden dat dit bedrag is afgelost van gelden die onttrokken zijn aan de gemeenschap. De man dient de door de gemeenschap beschikbaar gestelde gelden te restitueren.

Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar indien aan de vrouw in het kader van de verdeling van de woning géén vergoedingsrecht wordt toegekend. Immers, zij heeft altijd in de veronderstelling verkeerd dat partijen het perceel van de ouders van de man samen hebben aangekocht. Pas in de verdelingsprocedure in eerste aanleg is het haar kenbaar geworden dat de ouders van de man aan de man een deel van de koopsom van het perceel grond hebben kwijtgescholden onder uitsluitingsclausule. De man en zijn ouders hebben hier altijd over gezwegen. Door het (mede) ter beschikking stellen van gelden middels een hypothecaire geldlening, heeft zij bovendien financiële risico’s gelopen.

De vrouw maakt primair aanspraak op de helft van de overwaarde van de woning, een bedrag van € 38.879,--, subsidiair, indien (de waardestijging van) de grond buiten beschouwing wordt gelaten, maakt zij aanspraak op een bedrag van € 16.656,--, meer subsidiair op een door het hof te bepalen bedrag.

6.7.3.

De man voert daartegen het volgende aan.

De vrouw kan geen aanspraak maken op enige overwaarde van de woning. Er zijn geen privégelden van de vrouw in de woning geïnvesteerd en ook geen gemeenschapsgelden.

De levensverzekering is een voorziening voor een aflossing op termijn, waarvan het saldo beide partijen voor de helft toekomt. De rechtbank heeft aldus ook bepaald bij eindvonnis van 24 januari 2018. Die verdeling bij helfte is inmiddels geëffectueerd.

De aankoop van de bouwgrond is grotendeels door zijn ouders privatief kwijtgescholden. Het restant van de niet-betaalde koopsom van fl. 19.000,-- is nooit aan hen betaald; dit bedrag staat nog open.

Hij en/of zijn ouders hebben nimmer relevante informatie en/of gegevens voor de vrouw achtergehouden dan wel iets van belang tegenover haar verzwegen; voor zover het stukken waren die de vrouw aangingen, heeft de vrouw die ook ondertekend en daarmee erkend dat zij op de hoogte was van de inhoud daarvan.

6.7.4.

Het hof overweegt als volgt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een aandeel in de waarde van de woning die is gebouwd op een perceel dat de man ingevolge schenking van zijn ouders onder uitsluitingsclausule in eigendom heeft verkregen.

Met dit “aandeel in de waarde van de woning” (zoals weergegeven in het petitum) heeft de vrouw naar het hof begrijpt het oog op een vergoedingsrecht.

Partijen hebben een hypothecaire lening afgesloten. Niet alleen deze schuld, maar ook de aldus beschikbaar gekomen middelen zijn in de gemeenschap gevloeid. Deze gemeenschapsmiddelen zijn aangewend ten behoeve van de woning van de man. De gemeenschap heeft ter zake van die vermogensverschuiving een vergoedingsrecht, althans op de man rust ter zake van die vermogensverschuiving een vergoedingsplicht. Nu de vergoedingsplicht is ontstaan vóór 2012, betreft het een nominale vergoeding. Op de hypothecaire schuld is niet afgelost. De man heeft, naar het oordeel van het hof, aan zijn verplichting tot vergoeding voldaan doordat, zoals ter zitting van het hof is gebleken, hij heeft bewerkstelligd dat de hypotheek, sinds 2017, niet meer op naam van de vrouw staat, waardoor zij is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld en zij daarvoor niet meer draagplichtig is (de vrouw was op grond van art. 1:100 BW oud voor de helft draagplichtig). Daardoor drukt de schuld, die geen huwelijkse schuld meer is, op geen enkele wijze meer op de vrouw dan wel de gemeenschap en is er geen grond meer voor een vergoedingsrecht van de vrouw dan wel de gemeenschap. De grief faalt daarom. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

Vergoedingsrecht ter zake van schuld man?

De vrouw heeft gesteld dat de man het restant van de koopsom van het perceel heeft betaald met gelden die onttrokken zijn aan de gemeenschap. De man heeft dit voldoende gemotiveerd betwist. Volgens de man bestaat de schuld namelijk nog. Bewijs van haar stelling heeft de vrouw niet aangeboden.

De conclusie is dat de gemeenschap of de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt.

Betaling van levensverzekeringspremies gelijk aan aflossing op de hypothecaire geldlening?

Het hof is van oordeel dat het beroep van de vrouw op HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387 ( [link] ) niet opgaat. Deze beschikking betrof de afwikkeling van een tijdens het huwelijk niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding van inkomsten. Hiervan is in deze zaak geen sprake. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat deze beschikking ook op de verdeling van de woning van toepassing is omdat partijen niet zelf over de kapitaalverzekering konden beschikken. Van een verdeling van de woning is echter evenmin sprake. De woning is niet van partijen gezamenlijk, maar alleen van de man. Grief I faalt daarom.

Strijd met de redelijkheid en billijkheid?

Het beroep dat de vrouw heeft gedaan op de redelijkheid en billijkheid gaat niet op, voor zover dit al een grondslag zou kunnen zijn voor toekenning van de door de vrouw ingestelde vordering. Haar stelling dat zij er nimmer van op de hoogte is geweest dat de man een deel van de koopsom van het perceel onder uitsluitingsclausule was kwijtgescholden, is door de man gemotiveerd betwist. Ter zitting van het hof is bovendien gebleken dat de hypotheekakte en de akte van schenking op dezelfde dag bij de notaris zijn gepasseerd, dat partijen vooraf de stukken ter lezing thuis hadden ontvangen en dat de notaris ter gelegenheid van het passeren van de akte deze stukken nog heeft voorgelezen en er geen aanwijzingen zijn dat de notaris niet aan de op hem of haar rustende “Belehrungspflicht” heeft voldaan. Deze omstandigheden duiden er juist op dat de vrouw wel op de hoogte was of had behoren te zijn van, kort gezegd, de uitsluitingsclausule. De enkele verklaring van de vrouw dat daar “toen schijnbaar een blaadje tussen [heeft] gezeten dat [zij] heeft getekend”, is onvoldoende om aan het voorgaande af te doen. De vrouw had voor of bij ondertekening moeten vragen wat zij ondertekende (het hof is niet duidelijk wat de vrouw bedoelt met “een blaadje”) en waarom zij dit “blaadje” (zo dat al het geval was) diende te ondertekenen. Ten slotte heeft de vrouw niet of onvoldoende duidelijk gemaakt welke financiële risico’s zij heeft gelopen, zodat reeds daarom aan die stelling moet worden voorbijgegaan.

Ook grief II faalt.

Suzuki Alto

6.8.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen verschillen van mening over de waarde waartegen de Suzuki Alto aan de vrouw kan worden toegedeeld. Ter zitting zijn partijen het er over eens geworden dat als peildatum voor de waardering van de Suzuki Alto 30 mei 2017 wordt aangehouden (omdat deze datum ook uitgangspunt is geweest voor de taxatie van de Mercedes). Ter zitting hebben zij voorts verklaard er mee akkoord te gaan dat het hof de waarde van de auto in redelijkheid vaststelt.

Gelet op het rapport van de deskundige d.d. 20 maart 2018 (prod. 13), zal het hof de waarde van de Suzuki Alto per peildatum 30 mei 2017 in redelijkheid vaststellen op € 350,--. De vrouw dient de helft van voornoemd bedrag, € 175,-- aan de man te vergoeden. De grief van de vrouw slaagt dus gedeeltelijk.

Proceskosten

6.9.

Het hof zal, met toepassing van art. 237 jo art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van 28 september 2016, 11 januari 2017 en 24 januari 2018, doch uitsluitend voor zover het de waarde van de Suzuki Alto betreft;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt de Suzuki Alto toe aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw een bedrag van € 175,-- aan de man te vergoeden;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de vonnissen van 28 september 2016, 11 januari 2017 en 24 januari 2018 voor het overige;

compenseert de proceskosten van hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 december 2019.

griffier rolraadsheer